Donderdag 20/02/2020

Japanse film rijst weer op

film

cinema novo en festival fantastische film focussen op japanse cinema

Zowel op Cinema Novo te Brugge (tot 24 maart) als op het Festival van de Fantastische Film te Brussel (tot 30 maart) staan zo'n vijftien recente Japanse films op het programma. Het is een aanzienlijk aanbod, zeker wanneer men bedenkt dat de Japanse cinema goed tien jaar geleden klinisch dood was verklaard.

Brugge / Brussel / Van onze medewerker

Luk Van Haute

Het studiosysteem was in elkaar geklapt en in het onafhankelijke milieu kreeg men geen yen meer bij elkaar. Niet helemaal onterecht, want de inspiratie leek ver zoek. De studio's maakten enkel nog oubollige tiener- en familiefilms, en de onafhankelijke regisseurs, op een uitzondering als Juzo Itami na, kwamen niet verder dan vervelend navelgestaar.

Maar in de jaren negentig kende de terminale patiënt een merkwaardig herstel, vooral in het buitenlandse festivalcircuit. In 1997 won Takeshi Kitano's Hanabi de Gouden Leeuw van Venetië, en in Cannes kreeg Shohei Imamura de Gouden Palm voor Unagi (De paling) terwijl men Naomi Kawase als beste jonge regisseuse bekroonde voor Suzaku. Sindsdien organiseerden vele festivals 'Japan-specials'. Een van de grootste was het No Cherry Blossoms-programma te Rotterdam in 2000, een noemer die moest aantonen dat het hier niet meer ging over het traditionele beeld van geisha die onder de kersenbloesems een theeceremonie houden in een sfeer van oosterse harmonie en gratie.

Dat Japanse films weer onder de aandacht van de wereld kwamen, had iets te maken met organisaties als New Cinema from Japan, die een infrastructuur op poten hebben gezet om regisseurs en producers in contact te brengen met festivaldirecteurs en distributeurs wereldwijd. Maar inhoudelijk is zeker ook een en ander ten goede veranderd. Eens te meer lijkt maatschappelijke crisis voor artistieke inspiratie te zorgen. En aan crisis is er sinds de jaren negentig geen gebrek in de Japanse samenleving.

Uit de Brugse en Brusselse selectie mag echter duidelijk zijn dat men nog moeilijk van de Japanse film kan spreken (voor zover dat ooit het geval was). Het intimistische Hotaru van Naomi Kawase, over een jonge vrouw op het platteland die na een scheiding weer vertrouwen in de liefde probeert te krijgen, heeft bijvoorbeeld niets gemeen met het wervelende spektakel van Sogo Ishii's Electric Dragon 80.000 Volt, waarin een jongeman met een overschot aan energie op de daken van Tokio een letterlijk vonkende strijd aanbindt met indringer Thunderbolt Buddha, ondersteund door een loeiharde soundtrack van Ishii's eigen noise-groep.

Het aanbod te Brussel en Brugge toont dus in diverse stijlen en genres een heel heterogeen beeld van de hedendaagse Japanse cinema en van de Japanse maatschappij in het algemeen. Veteranen Shohei Imamura (Lauw water onder een rode brug) en Seijun Suzuki (Pistol Opera) zijn ook nog van de partij, maar het zijn toch vooral de late dertigers en vroege veertigers die de aandacht trekken.

Behalve misschien ouwe knar Kinji Fukasaku, vooral bekend van zijn gangsterfilms uit de jaren zeventig. In zijn Battle Royale wordt een klas delinquente tieners naar een eiland gestuurd om daar onder leiding van een leraar uit te vechten wie er als enige levend weer af komt. Daarmee maakte Fukasaku de controversieelste film van de voorbije jaren. De regering wou hem zelfs verbieden. Maar Battle Royale hekelt natuurlijk een van de meest prangende sociale problemen in Japan: de morele ontsporing van de jeugd.

Hirokazu Kore-Eda (van Maboroshi en After Life) doet dat ook, maar op een heel andere, meditatieve manier in Distance, over ex-leden van een sekte die een bloedbad heeft aangericht (geïnspireerd door de gifgasaanslagen door de Aum-sekte in 1995). Hush! van Ryosuke Hashiguchi behandelt dan weer op lichte en komische toon homoseksualiteit in Japan.

Masato Harada, een van de meest sociaal en politiek geëngageerde Japanse regisseurs (zie onder andere Kamikaze Taxi en Bounce Kogals), is present (ook als gast) met Inugami, een fantastisch verhaal over incestpraktijken op het platteland die verwoven zijn met lokale folklore en mythologie. Het is tevens een uitloper van de horrorrage op het eind van de jaren negentig, die niet zozeer draaide om Wes Craven-achtige splatter dan wel om bovennatuurlijke verhalen over wraakzuchtige geesten. Ook Kiyoshi Kurosawa (vorig jaar te gast in Brussel) heeft een aantal films in dat genre gemaakt, waarvan dit jaar Kairo (Pulse) te zien is, over geesten die via het internet Tokio inpalmen. De grootste horrorhit tijdens die rage was Ring, en van regisseur Hideo Nakata brengt Brussel dit jaar Dark Water, dat inmiddels werd aangekocht door Hollywood voor een remake.

Een ander teken des tijds is Avalon van Mamoru Oshii, een mooi voorbeeld van de toenemende internationalisering van de Japanse film, zowel qua productie als qua inhoud. Oshii maakte voorheen sciencefictionanimatiefilms als Ghost in the Shell en Pat Labor, en Avalon is ook futuristisch (de personages zitten gevangen in een computerspel) maar is opgenomen in Polen en met Poolse acteurs. Het aantal internationale coproducties stijgt en op het scherm zien we in de Japanse steden en landschappen ook steeds meer Aziaten, Zuid-Amerikanen en Arabieren rondlopen die Japans spreken en duidelijk hun niche gevonden hebben in de multiculturele maatschappij.

Dat is bijvoorbeeld dikwijls het geval bij de meest besproken Japanse regisseur van de laatste jaren, Takashi Miike. Sinds zijn bioscoopdebuut in 1995 voegt Miike jaarlijks een paar films toe aan zijn filmografie. Dat tempo heeft veel te maken met Miike's persoonlijkheid ("Ik heb geen zin om te wachten tot de kersenbloesems bloeien of de maan vol is", zegt hij), maar helemaal ongebruikelijk is het niet. Vele Japanse regisseurs aanvaarden zoveel mogelijk aanbiedingen uit financiële noodzaak, want rijk word je niet van film. Ondanks het succes op buitenlandse festivals blijft de situatie in Japan zelf precair. Het productieaantal is indrukwekkend (meer dan tweehonderd films per jaar), maar de budgetten zijn beperkt en nog geen 10 procent maakt winst. Het is dus ofwel bijverdienen met televisie, reclame en muziekvideo's, ofwel veel filmen. Miike is bijgevolg zelden van bij de preproductie betrokken en wordt meestal ingehuurd.

Miike heeft films gedraaid in de meest uiteenlopende genres, maar ze zijn allemaal uitzinnig op hun manier. In de Belgische zalen kon men al kennismaken met zijn Audition, een liefdesdrama dat halverwege omslaat in bloedstollende horror. En vorig jaar was Visitor Q te zien in Brussel, Miike's kijk op het Japanse gezin in de 21ste eeuw, duidelijk niet meer dat uit de films van Yasujiro Ozu (die samen met Akira Kurosawa zolang het imago van de Japanse cinema in het Westen heeft gevormd). De tienerdochter prostitueert zich, de zoon wordt gepest op school en ranselt op zijn beurt de moeder af, en die zit dan weer aan de heroïne. De vader maakt over dat alles human-interestprogramma's, met een necrofiel experiment en een keukenvloer vol moedermelk incluis. Warempel het leven zoals het is, maar Visitor Q eindigt wel happy met herstelde familiebanden.

Dit jaar programmeert Brussel drie nieuwe Miike-films (niet eens zijn volledige productie van het voorbije jaar). Ook The Happiness of the Katakuris is een 'familiefilm', deze keer zowaar een musical over een pension in de bergen waar nauwelijks gasten komen opdagen, en de weinige die dat toch doen overleven het niet. Het sillyness-gehalte is bijzonder hoog, onder meer omdat de uitbatende gezinsleden vooral te onpas in gezang uitbarsten en Miike voor bepaalde scènes plots overschakelt op kleianimatie ("om geld uit te sparen"). Dead or Alive II is dan weer een actiefilm over vriendschap tussen twee huurmoordenaars. Een sequel op Dead or Alive kun je het moeilijk noemen, want in die film eindigde de traditionele shoot-out-finale tussen de twee protagonisten met de algehele nucleaire vernietiging van Japan. De ophefmakendste van de drie Miike-films is echter Ichi the Killer, een behoorlijk letterlijke adaptatie van een manga (stripverhaal), en dat uit zich in folterscènes die het afsnijden van een oor in Tarantino's Reservoir Dogs als een zachtaardig onderonsje doen lijken (verwacht u aan kokende frituurolie, vleeshaken en afgesneden tepels). Het is altijd Miike's betrachting "het genre te verraden om zichzelf niet te vervelen op de set". Ook Ichi is in die zin onconventioneel. Het titelpersonage is weliswaar een killer maar helemaal geen held. Hij is een grienende melkmuil die zich laat manipuleren door een oom (vertolkt door regisseur Shin'ya Tsukamoto, wiens films regelmatig te zien zijn in Brussel en die dit jaar in de jury zit). In Rotterdam was Miike al drie jaar na elkaar te gast en is hij intussen een heuse vedette. In Brussel maakt hij dit jaar voor het eerst zijn opwachting. Benieuwd of het publiek hem hier ook zal toeroepen wat een Nederlandse dame ooit deed: "You are sick!"

Veel Japanse films behandelen het prangende probleem van de morele ontsporing van de jeugd

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234