Zaterdag 31/07/2021

Japans ware keizer heet Okurasho

Catherine Vuylsteke

Het zijn niet zo'n fijne tijden voor de Japanse financiënminister Hikaru Matsunaga. De man trad pas vorige maand aan, nadat de arrestatie wegens corruptie van vier bureaucraten van dat ministerie zijn voorganger de kop kostten. Mr Clean noemen zijn fans hem, maar dinsdag pakte een veelgelezen weekblad al uit met een smeuïg verhaal over de 3,5 miljoen frank kostende granieten zerk die hij voor zijn overleden vader kocht. Plus een lapje grond op een rijkemanskerkhof nabij Tokio, ook al 2,6 miljoen frank. Journalisten voelden tevens de betrokken begrafenisondernemer aan de tand en hoorden de man opscheppen over "nooit meer belastingproblemen met zo'n man als je klant".

Het zerkenverhaal kwam na een week van erg slecht nieuws. Tussentijdse economische indicatoren gaven aan dat de Japanse economie krimpt in plaats van te groeien en bovendien werd voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis een hoge functionaris van de Bank van Japan - de Nationale Bank - gearresteerd. Deze Yasuyuki Yoshizawa scheen schaamteloos bankdirecteurs op te bellen met de melding dat de Bank van Japan niet zo'n hoge dunk van hen had maar dat hij op die en die datum misschien wel vrij was. Vrij om te gaan golfen en in ruil voor vertrouwelijke informatie te dineren in Tokio's betere etablissementen.

Verscheidene van zijn collega's mogen in de Japanse media beweren dat Yoshizawa geen uitzondering is, de zaak bleek beschamend genoeg om de voorzitter van de Nationale Bank Yasuo Matsushita gisteren tot aftreden te bewegen en in zijn val ook de nummer twee, Toshihiko Fukui, mee te sleuren. De 72-jarige Masaru Hayami volgt Matsushita op. De financiënminister vindt de keuze van deze gewezen functionaris van de Bank van Japan "absoluut geweldig" en onderstreepte nogmaals dat de instantie per 1 april geheel autonoom zal kunnen handelen. Er breken, dixit de minister, heus nieuwe tijden aan.

De internationale markten reageerden evenwel minder jubilant. "Begrijpelijk", meent Peter Hartcher, die de voorbije zeven jaar Tokio-correspondent was voor The Australian Financial Review, "Hayami is een oude bureaucraat, en de nieuwe bankwet die autonomie garandeert, is niet meer dan oude wijn in nieuwe vaten. Het ministerie van Financiën behoudt zijn complete controle over de Centrale Bank en het Bureau voor Financiële Inspectie dat wordt opgezet, is al evenmin onafhankelijk. 373 van de 400 werknemers komen van Financiën, aan dat ministerie wordt ook gerapporteerd en het bepaalt tevens welk budget het Bureau krijgt."

Hartcher meent dat het westen een totaal fout beeld heeft van Japan, en dus ook van zijn problemen en de oorzaken daarvan. "Het wordt veelal als een democratie gezien, een land geregeerd door verkozen politici. Niets is minder waar. Japanse premiers vragen beleefd om een ontmoeting met een topbureaucraat, doen VS-ambassadeurs als Walter Mondale het minder bescheiden, dan laat Financiën hen doodleuk een half jaar wachten."

"Japanse premiers zijn grondwettelijk overigens niet eens bij machte om topbureaucraten te ontslaan, tenzij het hele kabinet achter hen staat. Omgekeerd worden eerste ministers wel door ambtenaren onderuitgehaald. Het gebeurde kort na de Tweede Wereldoorlog, maar ook in 1995. Hervormingspremier Hosokawa kreeg te horen dat de begroting niet tijdig rond zou zijn tenzij hij bereid was politiek zelfmoord te plegen en een verhoging van de consumptietaks van 3 naar 7 pct. doorvoerde. De man hield zo lang mogelijk het been stijf, zwichtte uiteindelijk in naam van de begroting en werd prompt door een parlementaire motie van wantrouwen ten val gebracht."

Hartcher is niet de eerste die suggereert dat Japans politici relatief weinig macht hebben. In de jaren zeventig en tachtig dachten nogal wat analisten dat het echte zenuwcentrum het ministerie voor Internationale Handel en Industrie (MITI) was. "Die mythe", legt Hartcher uit, "ontstond door de bloei van de Japanse export in de jaren zestig en zeventig. Wat is de drijvende kracht daarachter, vroegen velen zich af, en auteur Chalmers Johnson legde in zijn veel gelezen boek MITI and the Japanese Miracle uit dat dit ministerie "de sleutel van het Japanse succes" was. Die misvatting hield tot eind jaren tachtig stand, tot de Japanse banken en makelaars wereldwijd uitzwermden en de economie dermate gegroeid was dat ze groter werd dan die van de hele G7 samen, zonder de VS."

"Het was ook op dat moment dat Washington afstapte van zijn product- en sectorgerichte handelsonderhandelingen met Japan en Tokio onder algemene druk begon te zetten om zijn markt te openen. Toen realiseerden de VS-onderhandelaren zich dat ze zich dertig jaar lang van tegenstander hadden vergist, en dat alleen het financiënministerie het verschil kon maken".

Een hoge Japanse functionaris legde onlangs aan een buitenlands bezoeker uit dat die instantie eigenlijk "een soort van fantastische club" is, die uiteraard strenge toelatingsvoorwaarden stelt. Het ministerie rekruteert haast alleen uit de elitaire Universiteit van Tokio en vreemd genoeg niet zozeer uit zijn economie- maar uit zijn rechtenfaculteit. "Je kan het met een Old Boys Network vergelijken, een club die voor je zorgt tot je vooraan de vijftig bent en het tijd is om amakudari te worden, 'af te dalen uit de hemel'. Je strijkt een flink pensioen op en het ministerie regelt een nieuw baantje als topfunctionaris bij een privaat bedrijf, dat veel geld overheeft voor mensen die probleemloos obstakels uit de weg kunnen ruimen en hun oude connecties efficiënt aanwenden." Twee jaar nadien wordt de pensioneringstruc herhaald, andermaal gevolgd door een nieuwe benoeming. "Op het hele amakudari-systeem is veel kritiek, maar veranderd is het niet. De nieuwe Nationale Bank-voorzitter bijvoorbeeld, is ook zo'n man." De club denkt niet alleen aan zijn leden, ook aan hun kinderen. Daarom beschikt hij over een heuse, fulltime koppelaar die dochters en zonen van functionarissen bij voorkeur verlooft met kinderen van rijke industriëlen. De kroost van politici is de tweede beste keuze en er werden al vier à vijf keer huwelijken gearrangeerd met premierskinderen. Clubs als deze zijn uiteraard geen nieuwe creaties: het financiënministerie beroemt er zich op sinds 678 te bestaan en altijd één van de drie pijlers van het keizerrijk te zijn geweest, naast de goden en de man-god die men keizer noemde. Ook zijn naam, Okurasho, of 'ministerie van de grote opslagplaats' ofte 'rijstschuur', bleef ongewijzigd. "Merkwaardig genoeg", zegt Hartcher, "waren het juist de Amerikanen die ervoor zorgden dat het financiënministerie ook in het naoorlogse Japan zijn macht behield". Tijdens de VS-bezetting van Japan (1945-'52) werden binnen het leger, de industriële conglomeraten en de bureaucratie 210.000 mensen weggezuiverd, maar het financiënministerie werd ongemoeid gelaten. Een luttele negen bureaucraten moest vertrekken. "Het was eigenlijk het enige dat nog rechtstond en de Amerikanen ontwikkelden er een hechte relatie mee. Ze runden samen de economie tot aan het einde van de bezetting."

De macht van de club steunt op het voorrecht om de begroting samen te stellen, maar evenzeer op een elders ongeziene, haast orwelliaanse machtscumul. Het financiënministerie controleert de Fiscus, de Beurscommissie, de Nationale Bank, de Schatkist en de Raad voor Mededinging (die toeziet op de regels van de concurrentie). Tegelijk bepaalt het ook wie de topbureaucraten worden op bijvoorbeeld het defensieministerie.

"De heropbouw van de Japanse economie na de Tweede Wereldoorlog wordt terecht op het conto van het financiënministerie geschreven", stelt Hartcher. Die instantie verplichtte de bevolking te sparen, hield de interestvoeten kunstmatig laag en sluisde dat kapitaal via het Postspaarsysteem en het bankwezen door naar de zware industrie. Samen met het MITI besliste het dat de toekomst in scheepsbouw en staal lag, en later in consumptiegoederen, auto's en elektronica. Tegelijk hield Financiën het overheidstekort erg laag.

"Maar het werd het slachtoffer van zijn eigen succes. De formule werkte zo goed dat niemand de wil en de moed had om ze te veranderen, ook niet toen Japans noden geheel waren veranderd en het land was uitgegroeid tot een wereldmacht. Daarom ook is het in '90-'91 helemaal misgegaan."

Over de precieze oorzaken van de ineenstorting van de bubble-economie lopen de meningen enigszins uiteen. Edward J. Lincoln, researcher aan het Washingtonse Brookings Institute, verklaart de financiële ramp die Japan meer kostte dan WOII vanuit een verkeerde Japanse visie op kredietwaardigheid. "Japanse bankieren baseren zich niet op gegevens, ze steunen bij het toekennen van leningen louter op persoonlijke relaties. Tussen 1950 en 1980 werkte dat goed, het ging immers om een kleine, vertrouwde kring van debiteurs. Tegen de jaren tachtig hadden de traditionele klanten minder leningen nodig en dus zocht men er nieuwe: in de immobiliënsector en ook internationaal. Zo kreeg je leningen aan Japanse gangsters en politici, en aan Indonesische en Thaise speculanten. En ken je dat beroemde verhaal van de restauranthoudster uit Osaka die maar liefst 3 miljard dollar leende en ermee speculeerde op de beurs, tot die crashte?"

Hartcher verklaart het barsten van bubble eerder vanuit een "klassieke fout" van het financiënministerie: "de interestvoeten waren te lang te laag gehouden, wat voor een reusachtige injectie van goedkoop geld in markt zorgde. Beursspeculatie en immobiliënrush, de vastgoedprijzen werden naar kunstmatige hoogtes gestuwd. Een man als minister van Financiën Miyazawa besefte dat en probeerde er eind jaren tachtig wat aan te doen. Maar het ministerie negeerde hem en bleef zich concentreren op datgene wat haar morele legitimiteit had verschaft: het in toom houden van het begrotingsdeficit, via lage interestvoeten.

"Ook nadat de Beurs was gecrasht, leek het ministerie de omvang van de ramp niet te beseffen. De bureaucraten dachten dat het allemaal wel zou overgaan en deden al te lang niets. Daarom verkeert Japan al het hele decennium in een recessie. En toen het vorig jaar even beter begon te gaan, stelde het ministerie zijn eigen belang boven het nationale. Het besliste dat het overheidsdeficit dat de voorbije jaren enorm was toegenomen, moest worden aangepakt. Tegen alle adviezen in werd het laatste economisch stimuleringsplan afgeblazen en werden in april de belastingen verhoogd. De heropleving werd zo in de kiem gesmoord." De jongste cijfers liegen er niet om: tussen oktober en december '97, zo blijkt uit de deze week vrijgegegeven partiële resultaten, kromp de economie met 0,2 pct. tegenover datzelfde kwartaal in '96.

Ondanks het jarenlange gekibbel met de VS over deregularisering en de vele beloftes ter zake is er zelfs anno 1998 nog niets wezenlijks veranderd. Sterker nog, de beslissing begin deze maand om alle insolvente banken met overheidsgeld te ondersteunen, bestendigt juist de macht van het financiënministerie en versterkt het oude systeem. "Nochtans", merkt Hartcher op, "wordt de kritische analyse ook in Japan al jaren gemaakt." "Het verhaal van Eisuke Sakakibara, de huidige nummer twee van het ministerie, bewijst dat eigenlijk het best. Hij ging er meteen na zijn studies werken, maar vertrok enige tijd later en zette de vier structurele problemen in 1970 in een lang, kritisch essay uiteen. De articificieel lage interestvoeten, de controle over alle strategische financiële instituties, de obsessie met een klein begrotingstekort en de controle over de wisselkoersen, het waren alle elementen van een totale oorlogseconomie die dringend moesten worden bijgestuurd. Alleen de wisselkoersen zijn onderhand vrij, de interestvoeten zijn het in theorie maar niet in de praktijk, de rest bleef ongewijzigd. Sakakibara vervoegde het ministerie later weer en heeft onderhand spijt over zijn "onvolwassen analyses" van weleer.

"Ach", zucht Brookings-researcher Lincoln, "je zou het haast spijtig gaan vinden dat Japan geen IMF-lening nodig heeft. Dan zou de internationale gemeenschap dat land tenminste echt onder druk kunnen zetten om te hervormen."

Aangezien de Japanse economie zo'n 16 pct. uitmaakt van de wereldeconomie, heeft een recessie in dat land gevolgen voor de rest van de wereld. Hartcher argumenteert zelfs dat het financiënministerie verantwoordelijk is voor de Aziatische crisis. "Als je de statistieken bestudeert, ontdek je een duidelijke correlatie tussen de dollarkoers van de Japanse yen en de Aziatische groei. Periodes van een dure yen (1985-1995) zijn er tevens van grote Aziatische groei en omgekeerd."

Aangezien de meeste Aziatische landen hun munten aan de dollar koppelden, betekende een dure yen een nadelige Japanse exportpositie op de Aziatische markten, waar 40 pct. van Japans uitvoer voor de melt down heen ging. Enerzijds betekende dat een concurrentievoordeel voor de Zuid-Koreaanse scheepsbouwers en de Taiwanese computerfirma's, maar veel belangrijker nog was de delokalisatie van Japanse bedrijven die de dure yen veroorzaakte. Tussen '85 en '95 delokaliseerde jaarlijks gemiddeld 1 pct. van Japan's totale industriële basis. "Je kan het vergelijken met de hele Singaporese economie die jaarlijks aan Azië wordt toegevoegd. Op die manier installeerde Japan zoveel productiecapaciteit in Azië als de hele Franse economie. Stel je voor welke input in technologie, jobs, expertise en investeringen dat betekent." "Aan dat alles kwam in '95 een einde, toen het financiënministerie de VS dwong tot een depreciatie van de yen tegenover de dollar. Eigenlijk was het een soort chantage: Tokio dreigde de VS-schatkistcertificaten - waarmee Washington zijn buitenlandse schuld financierde - op de markt te gooien, wat voor een forse stijging van de VS-rentevoeten zou zorgen en de VS-economie erg zou benadelen. Sakakibara voerde die onderhandelingen met Larry Summers. "Je moet ons helpen, zei hij, om met een zwakke yen terug naar de groei te groeien." Summers wilde daar graag Japanse deregularisering tegenover zien, maar wie met de rug tegen de muur staat, kan weinig eisen stellen. Op dat moment werd de belangrijkste monetaire deal van de jongste decennia gesloten, en de echte gevolgen ervan zouden pas jaren later blijken."

Peter Hartcher, The Ministry, How Japan's most powerful institution endangers world markets, Harvard Business School Press, binnenkort in Groot-Brittannië uitgegeven door HarperCollins, isbn 0-87584-785-4, bestelbaar via AMP (03-8207541), ca. 1.135 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234