Donderdag 20/02/2020

Jan Vercruysse, hicaneur

'Ook van de kunstenaar wordt verondersteld dat hij iets zou willen communiceren. Ik maak kunst om niet te moeten communiceren.' Het zijn woorden van de Belgische artiest Jan Vercruysse (1948), die in Eindhoven zijn vroege werk tentoonstelt. Wie door de witte zaaltjes van het voorlopige Van Abbemuseum doolt, zoekt naar betekenissen, sporen, een samenhang. Vercruysse: 'De samenhang is de spanning. En verder is het aan de toeschouwer om er dingen over te zeggen die mij totaal niet zouden bevallen'. Vooruit dan maar, en avant la musique.

Eric Min

Je moet het maar doen. In een paginagroot interview met de kunstcritica Anna Tilroe in NRC-Handelsblad gaat Jan Vercruysse tekeer tegen kunst die wil communiceren. De toeschouwer verwacht uitleg, een geruststellend verhaaltje of nog erger: spektakel, participatie. Wat Vercruysse betreft kan het publiek het dus wel vergeten. Deze jongen heeft afstand nodig, omweg, traagheid. "Kunst die alles onmiddellijk en ongereflecteerd toont of een boodschap uitdraagt, is niet meer dan een duur soort krant." Zo, dat is klare taal. In een fraaie litanie die onwillekeurig herinnert aan de betere bladzijden van de Oostenrijkse auteur en misantroop Thomas Bernhard eist Vercruysse een uitzonderlijk statuut op voor wie creatief bezig is. Hij kan niets anders zijn dan een misplaatste. Het kunstenaarschap is een vrijwillig gekozen noodlot en de toeschouwer is een ongenode gast die in de weg loopt - een 'agressor van kunst' die je het vooral niet gemakkelijk mag maken. Portretten van de Kunstenaar, een verzameling zeefdrukken en fotolitho's uit de periode 1977-1984, is het fascinerende bewijs voor die stelling.

Wat is er in Eindhoven te zien? Foto's die geen foto's zijn maar offsetdrukken van foto's. Zelfportretten die door anderen gemaakt zijn en waarop Vercruysse hooguit zichzelf speelt - als een personage uit een tekening van Benoît in de reeks 'intellectuelen in een landschap', met een artistiek aandoend bijschrift. Lijsten en nog eens lijsten: zorgvuldig ingelijste afbeeldingen die in groepjes bij elkaar hangen, met voorwerpen die opduiken en terugkeren, in reeksen. Ik denk: basso continuo, chaconne, fase, ritueel. Wie braaf de volgorde van de zalen respecteert (en niet afgeleid wordt door het vreemde gedrag van de suppoosten, die erbij lopen alsof ze hoogst zelden een bezoeker over de vloer krijgen), zoekt en vindt verbanden. Hij weet dat Vercruysse hem aan het lijntje houdt: "van een portret verwacht je dat de identiteit van de geportretteerde zichtbaar wordt gemaakt. Daar ben ik niet mee bezig. Deze werken zijn een spel vol valse sporen, knipogen en symbolen, omwille van het spel, niet omwille van de inhoud. Ze zijn samengesteld uit elementen die telkens worden verschoven en die een identiteit zouden kunnen aangeven maar dat niet doen".

Het hoge woord is gevallen: omwille van het spel. De romantische eenzaat Vercruysse lokt de balorige, overbodige toeschouwers mee naar zijn hol, als een rattenvanger die nog een rekening wil vereffenen met de notabelen van de stad. Willkommen, bienvenue, welcome, het spel gaat beginnen en wie niet weg is, is gezien. En van de werken heet trouwens La Feinte: de list, de schijnbeweging, het valse voorwendsel. Het toont een ingelijste Vercruysse in een gebroken spiegel, een mise-en-abîme van afbeeldingen. En waarom blijf ik het woord 'werk' hardnekkig tussen aanhalingstekens denken en schrijven wanneer ik aan de tentoonstelling in Eindhoven terugdenk?

Eigenlijk speelt Vercruysse een spel met de conventies van het artistieke bedrijf. In de eerste cyclus L'Art de Voir, Les Choses uit 1977-1979 wordt de schilderkunst tot haar essentie herleid. Het zijn kleine zwart-wit zeefdrukken van bestaande maar niet nader geïdentificeerde schilderijen en prenten: een in zichzelf gekeerde naakte man, vrouwen, scènes uit de klassieke mythologie. In het allesbehalve luchtige maar boeiende essay in de catalogus van de expositie orakelt Pier Luigi Tazzi over de komma in de titel, die de Kunst van het Zien scheidt van de Dingen, het eeuwige onderscheid tussen het subject dat kijkt en het object dat van een andere orde is. De afstand tussen beide wordt zichtbaar gemaakt in het kunstwerk, in de voorstelling. Dat is meteen Vercruysses rode draad. De ongeveer honderd werken die in het Van Abbemuseum werden verzameld, vormen samen een reflectie over begrippen als museum, identiteit, (zelf)portret, allegorie, kunstgeschiedenis, taal. Het is kunst tussen aanhalingstekens, over de aanhalingstekens van de kunst.

Wat is een portret? Verwachten we van een zelfportret dat het de maker voorstelt 'zoals hij is', een mens die ook kunstenaar wil zijn? Als de man al zelf in beeld komt, draagt hij een masker of ondermijnt hij de kracht van de afbeelding, de gelijkenis, de betekenis. Hij ontdubbelt zijn personage, beweegt het hoofd of wendt zich af. Zijn gezicht verdwijnt in een spiegel of wordt half afgesneden door de rand van de foto. En waarom zou een zelfportret niet kunnen bestaan uit drie of vier fotolitho's van stillevens, naakten, landschappen of portretten - de vier klassieke genres die in de academie worden onderwezen? Moet kunst echt lijken? Is kunst zoals de romantische dandy Vercruysse ze hier bedrijft niet altijd een soort van zelfportret, ongeacht of de maker er op voorkomt? De essentie van kunst maken (schilderen, componeren, een concept uitdenken, motieven combineren en lijsten ophangen) is dan de kunst zelf (de activiteit, het proces en het resultaat), en de kunst is het wezen van de kunstenaar, zijn dagboek en zijn zelfportret. Gesigneerd of niet, lu et approuvé en opgesteld in zoveel exemplaren als er partijen zijn - één (voor de artiest die zegt dat hij geen publiek nodig heeft) of oneindig reproduceerbaar (voor de markt).

Wie een lijstje zou aanleggen van alle attributen die Vercruysse voor zijn zelfportretten nodig had, krijgt een overzicht van de rekwisieten uit de klassieke iconografie. Een borstbeeld, een metronoom, spiegels, een muziekstandaard, schelpen, handschoenen, penselen in een potje, maskers, manuscripten, klokken, een schaakspel, een appel, boeken, een zandloper. Het zijn niet zomaar voorwerpen. Je ziet niet wat je ziet, er is meer. De dingen voeren een lading met zich mee. Stuk voor stuk verwijzen ze naar een wereld van beelden en verhalen. Vercruysse stoeit graag met allegorieën: elk kind weet dat de zandloper het begrip tijd naar binnen smokkelt en dat de spiegel iets wil zeggen over identiteit en ijdelheid maar ook over vergankelijkheid en de melancholie die erbij hoort. Een citaat uit Tazzi's essay: "De gordijnen houden het licht tegen: de voorwerpen, de kleren, de schelpen, de uurwerken, welk traject hebben zij afgelegd voor ze in het beeld belandden? Om wat te zeggen, in hun eenzaamheid? Waarvan zijn zij getuigen? Van welk bestaan zijn zij het bewijs? Ze zijn daar, samengebracht in een allegorie en een of andere mythologie kleeft hen een betekenis op. Alles rust in vrede, de vrede van de bespiegeling".

Vercruysse pleegt roofbouw op het culturele geheugen van het oude Europa. Alle artistieke clichés passeren de revue: het podium (theater hoort thuis op de planken), de leuning, de lijst en de spiegel, de muziek die je niet hoort maar die gesuggereerd wordt, de sokkels van de beelden. In een van de zaaltjes hangt de cyclus Lucrèce uit 1983. Het zijn foto's van een vrouw die het verhaal van de Romeinse Lucretia uitbeeldt, de trouwe echtgenote die verkracht wordt en uit schaamte de hand aan zichzelf slaat. Zowat iedereen heeft het verhaal ooit geciteerd: Hans Sachs, William Shakespeare, Georg Friedrich Händel, Benjamin Britten. En Jan Vercruysse natuurlijk. We zien een model, naakt of gekleed, met een dolk en een halssnoer. De kunstenaar, buiten het beeld, reikt haar een handspiegel aan. Hij speelt een spelletje met wat hem vanuit de geschiedenis en de mythologie wordt toegegooid. Hij is het die Lucretia gebruikt, misbruikt, ensceneert. Hij schuift het gordijn weg, hij laat ons meekijken naar verhalen die we allemaal kennen, maar vooral naar zichzelf. De man die zo graag met rust wordt gelaten en ons wil doen geloven dat het publiek hem toch maar voor de voeten loopt, is eigenlijk een narcist die niet zonder applaus kan leven. Dit zijn - o ironie - de titels van zijn werken (daar zijn de aanhalingstekens weer): Zonder Titel (Zelfportretten), Zelfportret, Autoportrait, Portrait de l'Artiste, Self-Portrait, Portrait of the Artist, Portret van de Kunstenaar door hemzelf en alle mogelijke varianten erop.

Maar Vercruysse blijft niet staan bij de enige echte, klassieke mythologie van Lucretia, Pygmalion of Hippomenes. Zijn vroege werk is ook schatplichtig aan de Belgische surrealisten Magritte en Broodthaers. De serie L'Histoire, La Guerre uit 1983 verwijst letterlijk naar die Brusselse grapjassen. Er zijn gordijnen van fluweel en muziekpapier, er is een kanon en een schildersezel-met-naakt. La Chute des Anges uit hetzelfde jaar heeft een typische Magritte-titel, een oude prent en een stapeltje boeken dat omvalt in drie tijden. In een handvol zelfportretten voert Vercruysse een schaakspel op, en ook het gebruik van taaltekens doet surrealistisch aan: Rosa rosa rosae rosae rosam rosa / Rota (de roos en het noodlot), of het bord waarmee de kunstenaar op enkele foto's in de weer is en waarvan ik de grappige tekst voor u heb overgeschreven: "Par l"intermdiaire de l"artiste, les Allemands veulent parvenir à une sorte de passion rêvée; les Italiens veulent, grâce à lui, se reposer de leurs passions véritables; les Français veulent qu'il leur offre une occasion de prouver leur jugement et un prétexte à discourir" (is kunstkritiek, dat handige voorwendsel om uit te weiden over kunst, dan geen beroep maar een eigenschap van een volk?).

Er volgen nog meer vondsten uit het surrealistische arsenaal: Vercruysse die Sartres L'Idiot de la famille leest in de spiegel (de titel is leesbaar; hoe is dat mogelijk?), een bewogen mens met het gespiegelde boek L'Art de Lire... De lange rij foto's uit het Portret van de Kunstenaar door hemzelf (1984) verwijst dan weer naar een dada-achtige performance als van Kurt Schwitters.

Vercruysse heeft veel gezien en er hard over nagedacht. Of is het allemaal schijn? Zou zijn werk wel zo celebraal en afgewogen zijn als het eruitziet? Wat doe je bijvoorbeeld wanneer je Jan Vercruysse heet en een zaaltje van het Van Abbemuseum te veel hebt? Je murmelt wat over rituelen en je laat er de etsen van de Tauromaquia-cyclus die Goya tussen 1814 en 1816 maakte, ophangen. Zoek het verband maar met de allegorieën, het decente bloot en de kunstig geschikte kadertjes uit de andere zalen. Blaf maar wat, kunstkritiek. Wat prompt geschiedt; ook dit stuk is er een bewijs van. Tussenstand in de wedstrijd Vercruysse - Rest van de Wereld: 1-0. De verleiding om een werk van de kunstenaar ironisch om te keren en de gelijkmaker te scoren, is veel te groot. Vooruit dan maar: een variant van de kreet 'Baudelaire chicaneur' uit Zonder Titel (Zelfportretten) XV staat boven dit stuk te lezen. De Kunstenaar uit het Van Abbemuseum is zelf een hardleerse querulant, een uitmuntende muggenzifter. En de nobele kunst van het vitten is, zoals de geachte lezer ongetwijfeld weet, een subliem tijdverdrijf.

De tentoonstelling Portretten van de Kunstenaar loopt tot en met 1 februari 1998 in het Van Abbemuseum, Vonderweg 1, Eindhoven (tel. 00 31 40 275.52.75). Geopend van dinsdag tot zondag van 11 uur tot 17 uur. Gesloten op maandag. Toegangsprijs: 6 gulden. De catalogus kost 93,50 gulden. Er zijn ook installaties van James Coleman en Douglas Gordon te zien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234