Zondag 24/10/2021

Jan Joris Lamers

'Repertoiregezelschappen bestaan niet meer, ook al zijn er makers die de mythe in stand blijven houden. Je kunt alleen maar aanspraak op die titel maken als je mensen vast in dienst hebt en bepaalde voorstellingen in stock houdt'

Theaterman maakt zijn zelfportret

Van onze medewerkster

Liv Laveyne

Jan Joris Lamers, oprichter van Maatschappij Discordia, is de peetvader van theatergroepen als Dood Paard, STAN en de Koe. Spelerscollectieven waarin de acteur centraal staat, de teksttraditie geëerd wordt en de beschouwende afstandelijkheid op een speelse manier dicht bij het publiek wordt gebracht. In het Kaaitheater presenteert hij een monoloog, zijn Zelfportret van de kunstenaar als ouder wordende man in een variatie op James Joyces openhartige Portret van de kunstenaar als jongeman (1916).

Lamers zit in de nok van de Kaaitheater-studio's. Op de vloer van de studio ligt een zwartwitprint met de Amerikaanse komiek Buster Keaton. Op de laptop: de muziek van Bach en het beeld van spelende vingers van pianist Glenn Gould.

Een te veel aan indrukken? Nee. Elk reflecteren ze een fragment van Lamers zelf. "Als je beschrijft wat je maakt, doe je dat aan de hand van voorbeelden van anderen omdat je jezelf niet kunt zien. Zelfs als je in de spiegel kijkt, zie je jezelf andersom."

"Niemand speelt Bach zoals Gould", vindt Lamers. "Hij heeft wat je in theater een 'voorslag' noemt: je gaat iets doen en dan doe je het eigenlijk al. 'Naslag' is als je het hebt gedaan en dan laat zien dat je het hebt gedaan." Het doet denken aan het motto van Grotowski: 'The body has no memory, the body is memory'. Lamers, die Poolse roots heeft, trok in 1969 met een studiebeurs naar Tsjechië en Polen en liep er stage in het labo van de meester.

Lamers studeerde beeldende kunst maar gaf er de brui aan toen bleek dat het allemaal om geld draaide. Daarna ging hij naar de Toneelschool van Amsterdam. Het waren de woelige jaren zestig, de voordagen van Actie Tomaat, waarmee volgens de theatergeschiedenis het Nederlandse podiumlandschap grondig dooreen geschud werd. "Een fel overschat incident", volgens Lamers. "Actie Tomaat heeft er hoogstens toe geleid dat wij ons eerste gezelschap (Het Werktheater, LiLa) betaald kregen. De verandering in het theater had meer te maken met de grensvervaging tussen de culturele gebieden. Amerikaanse groepen kwamen in Amsterdam spelen. Toen we onze toneelleraar vroegen wie die Pool Grotowski was, ging hij informeren en haalde samen met de directeur van het Internationaal Theater Instituut Grotowski's Living Theatre naar Amsterdam. Behouden intellectuelen hebben de veranderingen mee op gang gebracht. Jonge toneelspelers waren toen nog verbonden aan repertoiregezelschappen. Als ze zelf een stuk wilden doen dat het grote gezelschap niet lag, repeteerden ze op de zolder. Toen ze het nergens konden uitvoeren, gaf onze directeur Willy Pos hen het zaaltje in onze school ter beschikking. Zo was onze directeur de eerste moderne uitbater tegen wil en dank."

Lamers, zelf afkomstig uit een theaterfamilie (zijn vader was acteur en criticus) ziet het verdwijnen van die andere grote theaterfamilies met lede ogen aan. "Repertoiregezelschappen bestaan niet meer, ook al zijn er makers die de mythe in stand blijven houden. Je kunt alleen maar aanspraak op die titel maken als je mensen vast in dienst hebt en bepaalde voorstellingen in stock houdt."

Voor Lamers hangt die evolutie samen met een maatschappelijk fenomeen. "Het gezin is niet langer de hoeksteen van de samenleving. Iedereen plooit op zichzelf terug. Vroeger werden problemen binnen de familiekring opgelost. Binnen de verstedelijkte 'samenleving' is het idee van verwantschap van heden en verleden, waar kom ik vandaan en waar ga ik naartoe, verdwenen."

Lamers debuteerde zelf bij de Nederlandse Komedie. "Dat gezelschap had 60 artistieke medewerkers in dienst en 30 mensen die techniek of administratie deden. Ivo van Hove bij Toneelgroep Amsterdam heeft momenteel vijftien artistieke medewerkers en 90 mensen entourage! Reken maar uit: achter elk toneelspeler staan zes mensen. Die verambtelijking in het theater is problematisch. Weet je hoeveel mensen zich in Nederland toneelspeler noemen? 2.500. Weet je hoeveel er daarvan in vaste dienst zijn? 100."

Lamers gelooft niet dat contracten van onbepaalde duur in het verleden acteurs op hun lauweren deden rusten en repertoiregezelschappen deden roesten. "De dramaturg is wel nog vast in dienst en de persdame ook. Waarom moet een acteur vogelvrij verklaard worden; waarom moet hij tot de bedelstaf veroordeeld worden? Wat denken ze: 'We zullen de toneelspeler niets te vreten geven dan doet ie tenminste wat?'"

Ancien Jef Demedts uitte in deze krant zijn kritiek op het nieuwe beleid van het Publiekstheater/NTGent (DM13/12), en verweet het stadstheater een gebrek aan voeling met de traditie. Door Lamers wordt dit onbedoeld geconcretiseerd. "De grootte van je artistieke ploeg zorgt ervoor dat je repertoire op het programma kunt houden, maar ook dat je beschikt over een tableau de la troupe van jonge en oude acteurs, van 18 tot 88 bij wijze van spreken. Wij stonden als jongelingen in de coulissen naar oude acteurs te kijken en ontwikkelden zo onze theorieën over hoe wij toneel wilden spelen en hetzelfde gebeurde andersom! Het was geven en nemen en het was niet uitsluitend de regisseur die bepaalde hoe de voorstelling zou worden. Als het publiek appreciatie voor een bepaalde acteur uitdrukte dan was dat de verdienste van iedereen."

De Zuid-Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach schreef onlangs een artikel getiteld: 'Er is geen vooruitgang'. "Hij zegt dat het de mensheid blijkbaar niet gegeven is zichzelf snel vooruit te helpen omdat dat meestal tot excessen leidt. De dingen die we aangeven als vooruitgang zijn minieme dingen en het duurt lang voor die zich consolideren. Het zijn de eenvoudige dingen waarop je terugvalt, die iedereen herkent, zoals het dekken van een tafel."

Lamers ziet daarin het belang van traditie en repertoire: "Als je in het no-theater niet heel dicht bij dat podiumpje zit, heb je er niets aan. Op de twee rij verveel je je, op de derde rij val je in slaap. De kleinste beweging zegt iets. Een acteur die een hand omhoog brengt, kan een no-kenner in vervoering brengen omdat die denkt: 'Waaw dat is tegen de traditie in. Daar wil de acteur iets mee zeggen.' Binnen die traditie ben je een absolute ingewijde en dat ben je in zekere zin al veertien eeuwen. De afwijking geeft aan waar we op dit ogenblik zijn aanbeland. Vandaar dat repertoire zo belangrijk is. Als er sprake is van een politieke moord, zoals bij ons in Nederland, zou dat voor een repertoiregezelschap de aanleiding kunnen zijn om een bepaald stuk te spelen dat vertroosting biedt of de revolutie predikt. Toneel is dan het podium waarop spelers en publiek samen tot een vergelijk kunnen komen.

"Je kunt geen Shakespeare lezen zonder de bijbel, Montaigne of Seneca. Elk stuk van Handke begint met een citaat waarin hij aangeeft binnen welke traditie hij zijn stuk wil plaatsen. Maar ik ben zeker dat als ik een fragment Plautus of Terentius integreer in een nieuw stuk iedereen denkt: 'Waauw, is dat de nieuwste trend?' Breytenbach heeft gelijk: er is niet zoveel vooruitgang. Moord blijft moord, wie het ook doet en om welke reden. De meeste genieën zijn niet op straat in Amsterdam omgebracht maar prematuur, want afwijkend gedrag wordt altijd bestraft."

Zelfportret van de kunstenaar als ouder wordende man: Jan Joris Lamers, vanavond in de Kaaitheater-studio's, Brussel. Info en kaarten: 02/201.59.59 of www.kaaitheater.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234