Dinsdag 11/05/2021

James Dean van de Franse filosofie

Een geëngageerde intellectueel die zich voor niemands kar liet spannen. Een lucide filosoof-schrijver die ons verzoende met de absurditeit van het bestaan. Albert Camus' nalatenschap is immens. Morgen viert Frankrijk zijn honderdste geboortedag.

Ik vraag maar één ding, en ik vraag het met bescheidenheid, al is het misschien ook een buitensporig verzoek: met aandacht gelezen worden", zo noteerde Albert Camus in 1953 in zijn Carnets. Over dat zorgvuldig gelezen worden heeft Camus nooit mogen klagen. Maar de belangstelling voor de levenswandel van deze Franse intellectueel pur sang is nog veel hoger opgelaaid. Heeft het te maken met de tragische omstandigheden van zijn dood, waardoor deze eenzelvige 'filosoof van het absurde' en 'homme révolté' met de looks van een Humphrey Bogart tot een ware mythe uitgroeide?

Drie jaar nadat hij in 1957 de Nobelprijs voor Literatuur ontving - als op één na jongste winnaar - verongelukte Camus op de Route Nationale 5, iets ten zuiden van Fontainebleau. Hij was amper 46 jaar. Camus was vanuit het zuiderse Lourmarin, waar hij sinds kort woonde, meegereisd in de Facel Vega van zijn vriend Michel Gallimard, neef van zijn uitgever, samen met diens vrouw Janine, dochter Anne en hun hond Floc. Op 4 januari 1960 ramde de auto rond de middag met hoge snelheid een boom in het gehucht Villeblevin om vervolgens tegen een plataan te knallen. Het werd op slag "de beroemdste plataan uit de Franse literatuur", zoals het magazine Lire cynisch opmerkte.

Uit de totaal verhakkelde wagen haalde men het dode lichaam van Camus; zijn vriend Michel Gallimard overleed vijf dagen later aan zijn verwondingen. "Zoals hij daar lag, door de schok in de kofferruimte beland, zag hij er kalm uit, een beetje verdwaasd als het ware, met enigszins uitpuilende ogen, een sliertje bloed in zijn nek", schrijft Morvan Lebesque in zijn biografie. De twee vrouwen hadden nauwelijks een schrammetje, Floc werd nooit meer teruggevonden.

Superster

Literair Frankrijk was compleet in shock, maar ook vanuit de hele wereld stroomden de rouwbetuigingen toe voor de man die in de jaren vijftig tot een filosofische superster was uitgegroeid. 'Mourir bêtement', de uitdrukking leek op zijn plaats. Temeer daar Camus eerst met de trein zou terugkeren naar Parijs, een reis waarvoor hij al het SNCF-biljet op zak had. Bovendien had Camus meermaals gealludeerd op de absurditeit van een dodelijk auto-ongeval.

In Camus' schoudertas trof men ook het manuscript aan van Le premier homme, de roman waar hij op dat moment aan werkte. Het autobiografische relaas van zijn Algerijnse jeugd werd door zijn dochter Catherine postuum uitgegeven in 1994 en bereikte monsteroplages.

Camus schiep in 1959 hoge verwachtingen over het boek: "Ik heb nog maar een derde van mijn oeuvre geschreven. Dat begint nu pas werkelijk met deze roman." Helaas.

Toch had de lucide schrijver-filosoof bij zijn dood een literair-filosofisch palmares om van te duizelen, met geschriften die nieuwe generaties auteurs en denkers blijven prikkelen. Camus - combattief en sceptisch tegelijkertijd - was de auteur van tijdloze, ingetogen meesterwerken als het strak geschreven De vreemdeling (1942, over de onverschillige Meursault), het allegorische De pest (1947, waarin hij diverse levensfilosofieën tegen elkaar uitspeelde) en De val (1956, waarin een Parijse advocaat op de Amsterdamse Wallen zijn zonden opbiecht en zijn verleden wil overdoen).

Pijnlijk schisma

Hij schudde ook de kussens op met baanbrekende essays als De mythe van Sisyphus, een bespiegeling over de zinloosheid van de herhaling in het leven, die niettemin perspectieven opent. En hij maakte naam met toneelstukken als Caligula en De rechtvaardigen, waarin een Russische revolutionair met gewetenskwesties kampt.

Ooit werd Camus als existentialist in één adem genoemd met Sartre en De Beauvoir. Tot er een pijnlijk schisma ontstond over het communisme, waarvan hij in De mens in opstand (1951) de humanitaire schaamlapjes én gewelddadige trekjes hekelde. De rivaliteit tussen Camus en Sartre sloeg om in een gemene afrekening door Sartre-getrouwen in het tijdschrift Les Temps Modernes. De onverzoenlijkheid bleef levenslang.

Toch was Camus niet voor één gat te vangen: de ene keer uitgespuwd door links, dan weer door rechts. Hij verborg zich wel eens onbeholpen achter zijn eeuwig mysterieuze glimlach en zijn onafscheidelijke Gauloise Disque Bleu in de mond.

Als jongeling droomde hij van een loopbaan als acteur, moest hij noodgedwongen een voetbalcarrière opgeven en stond hij al vroeg bekend als een damescharmeur eerste klas, die tijdens zijn twee huwelijken talloze buitenechtelijke affaires cultiveerde.

Maar Camus was ook een gedreven journalist. Hij omschreef het als "het mooiste beroep ter wereld", want je bent "een dag-aan-dag-historicus met als eerste bekommernis de waarheid". Zo was hij onder meer actief bij L'Alger républicain, Le Soir républicain, de verzetskrant Combat en L'Express.

In zijn complexe persoonlijkheid verenigde Camus zowel nihilisme, absurdisme als idealisme én een groot rechtvaardigheidsgevoel, wars van elke doctrine. Want vanuit de absurditeit van het bestaan ("een geest die verlangt in een wereld die teleurstelt") kun je net als verantwoordelijk individu in opstand komen, revolteren én solidariteit tonen, beweerde Camus. "Hoe minder zin het leven heeft, hoe beter het geleefd kan worden." Maar dat hij in het Algerijnse conflict geen lans brak voor de onafhankelijkheid én het lot van zijn moeder in een door geweld geteisterde hoofdstad belangrijker vond, nam de Parijse intelligentsia hem erg kwalijk.

'Le dernier des justes', 'de laatste der rechtvaardigen', zo is Camus vaak betiteld. En wat opvalt is het verzengende licht dat zijn oeuvre altijd omspoelt. Het is de loden zon van zijn kindertijd in Algerije, waar hij op 7 november 1913 in Mondovi, nabij de Tunesische grens, geboren wordt als zoon van landarbeider Lucien Camus en de uit Spanje afkomstige, ongeletterde dienstbode Cathérine Sintès. Camus is amper een jaar oud wanneer zijn vader in een zoeavenregiment sneuvelt aan het oorlogsfront aan de Marne. De weduwe ontvangt vanuit het ziekenhuis "een granaatscherf die ze uit zijn lichaam hadden gehaald", ze bewaarde die in een biscuitdoos.

De analfabete en bijna dove moeder verhuist naar Algiers, in een piepklein huisje in de volkswijk Belcourt. De zwijgzame moeder zal altijd een cruciale rol spelen in Camus' leven, die haar op een piëdestal plaatst.

In de plaatselijke bibliotheek ontdekt de weetgierige jongen al vroeg de literatuur: Jules Verne, Charles Dickens, Emile Zola en Alexandre Dumas. Nog crucialer is de steun van zijn leraar Louis Germain, die zich ontfermt over oorlogswezen. Camus krijgt privélessen, zodat hij aan het lyceum kan studeren.

Maar op zijn zeventiende krijgt de sportieve Camus, die een getalenteerd voetbalkeeper is, een ferme dreun. Na een wedstrijd loopt hij een scheurtje in zijn long op en krijgt hij te horen dat hij tuberculose heeft en zijn leven aan een zijden draadje hangt. De ziekte - die hem zijn hele leven parten speelt - maakte hem gedisciplineerd en eenzelvig: "Ik heb er zonder voorbehoud en zonder spijt van genoten", noteert hij later in L'Envers et l'Endroit.

Théâtre du Travail

In 1932 publiceert Camus zijn eerste artikelen in het tijdschrift Sud, om in 1935 dankzij studiebeurzen zijn diploma filosofie aan de universiteit van Algiers te behalen. Intussen is hij toegetreden tot de Communistische partij (om er twee jaar later alweer uit verbannen te worden vanwege zogenaamde trotskistische sympathieën) en richt hij het theatergezelschap Théâtre du Travail op. Datzelfde jaar verschijnt zijn eerste boek met essayistische schetsen L'Envers et L'Endroit.

Pas wanneer hij naar Parijs verkast en er onder meer via schrijver Pascal Pia als lector bij Gallimard terechtkomt, raakt zijn schrijverscarrière in een stroomversnelling. Ook huwt hij er zijn tweede echtgenote Francine Fauré, met wie hij in 1945 een tweeling krijgt. Camus gaat zijn wereldbeeld polijsten in geschriften als De mythe van Sisyphus (1942) en vooral L'Etranger (1942), zijn romandebuut dat in volle oorlogstijd het licht ziet. Boeken waar je de invloed van Herman Melville (Bartleby) en de kale vertelstijl van hardboiled auteurs als Dashiel Hammett en Raymond Chandler ontwaart.

De vreemdeling, zojuist opnieuw vertaald bij De Bezige Bij, is Camus' beroemdste boek, een onbehaaglijk stemmende, korte roman, waarin het hoofdpersonage, de pied noir Meursault, het leven compleet onthecht en kil tegemoet treedt. De dood van zijn moeder raakt hem nauwelijks, de liefde van zijn vriendin evenmin en wanneer hij een man doodschiet, laat hij zich in het proces gewillig naar het executiepeloton leiden, zonder zich te verantwoorden of te verdedigen. Het is een vreemde rebellie tegen de samenleving, het omarmen van 'een tedere onverschilligheid' én toch een bizarre revolte tegen de dood. "Maar onder de zinloosheid brandt de levenslust, het plezier in de wereld en haar zinnelijke ervaringen", analyseert Peter Giessen in een Camus-portret in de Volkskrant.

Camus' ster rees snel in het naoorlogse Frankrijk, alomtegenwoordig met standpunten over de doodstraf, Algerije en Hiroshima. De jonge generaties dragen hem op handen. In zijn uitgepuurde en sobere stijl brengt hij in het immens succesvolle De pest (ook een allegorie over de nazibezetting) en in De val tal van sprankels hoop aan en duikt na het 'absurde' de revolte op van de personages tegen de eigen situatie. Niet voor niets noemde Louis Pauwels Camus "een wanhopige humanist." Dat Camus voortdurend worstelde met weemoed, twijfels en angsten - zoals zijn dagboeken aantoonden - versterkt dat beeld nog meer. In Parijs bleef hij de outsider, de gewone straatjongen uit Algerije die niets moest weten van alle coterietjes. Precies daarom verhuisde hij naar Lourmarin, nabij Aix-en-Provence, om er het zuiderse licht terug te vinden.

Het geluk en de bijna gênante rijkdom die hem na de Nobelprijs in 1957 in de schoot vielen, waren van korte duur. Zijn dood katapulteerde hem tot een cultheld, een James Dean van de Franse filosofie. Toch wist Frankrijk nooit goed raad met Camus als dwarse, ongrijpbare denker met het gevoelige, minzame aureool. Toen president Sarkozy in 2009 zijn stoffelijk overschot een ereplaats wilde gunnen in het Pantheon, ontlokte dat heftige polemiek. Net als nu bij de herdenkingsexpo voor zijn honderdste geboortedag in Aix-en-Provence, die lichtjes in de soep draaide na het afhaken van twee curatoren.

Zoveel is zeker: Camus' intellectuele nalatenschap laat nog steeds niemand onverschillig.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234