Maandag 03/08/2020

‘Ja, ik was een collaborateur. En dan?’

aul Van Aerschodt is een telg uit een oorspronkelijk Vlaamse familie van klokkenmakers uit Leuven. Hij werd geboren in Houdeng, nabij La Louvière, als oudste kind van een vader en moeder die allebei les gaven. Als tiener was Van Aerschodt volgens getuigen al een overtuigde nazi en lid van de partij Rex van Léon Degrelle. Hij was tijdens de oorlog ook lid van de Hitlerjugend in Charleroi. Uit historische documenten blijkt dat hij in Duitsland ook een cursus als monitor bij de Hitlerjugend heeft gevolgd.

In het begin van de oorlog was Van Aerschodt amper 18 jaar, maar de hele streek was wel bang voor hem. Tussen 1941 en 1944 werkte hij samen met de Duitsers om werkweigeraars op te pakken. Zijn bijnaam was de Grote Blonde man met Revolver - kortweg GBR. Op zijn proces in 1946 voor de krijgsraad in Charleroi getuigden drie jonge Belgen hoe de gewapende Van Aerschodt bij hen was binnengevallen en hen had weggevoerd naar Charleroi en van daaruit naar Duitsland. Op 18 april 1946 werd hij bij verstek veroordeeld door de krijgsraad in Charleroi wegens hoogverraad en heulen met de vijand. Die dag stonden er in Charleroi 28 collaborateurs terecht. Van de 28 werden er zeven ter dood veroordeeld - Van Aerschodt werd er de nummer 1 genoemd van de bende die verantwoordelijk was voor de deportatie van 2.000 Belgen en de dood van 20 landgenoten. Een jaar later, op 28 februari 1947, werd zijn straf in beroep bevestigd. Ze werd dus niet in levenslang omgezet, zoals bij zoveel andere veroordeelde oorlogsmisdadigers wel het geval was. Maar Van Aerschodt had zijn straf niet afgewacht. Al in 1945 ontsnapte hij uit het ziekenhuis waar hij werd vastgehouden.

De naam Paul Van Aerschodt is decennialang letterlijk doodgezwegen in ons land. Officieel was hij hier ook al meer dan 50 jaar dood. Tot een groep voormalige verzetstrijders in 2006 per toeval achterhaalde dat Van Aerschodt onder een alias leeft in San Sebastián, in Spaans Baskenland. Meer nog: dat die verrader nog af en toe naar België afzakt om zijn bijna volledig uitgestorven familie en kennissen te bezoeken. In oktober 2008 was dit ook het geval: Van Aerschodt was in het land om een erfenis binnen te rijven. Hij werd door enkele getipte en gewapende agenten van de straat geplukt. Volgens sommigen op precies dezelfde manier als Van Aerschodt in de oorlog te werk ging met zijn vrienden van de Gestapo. Maar nog dezelfde dag was hij alweer een vrij man.

Omdat zijn misdaden al lang verjaard waren - oorlogsmisdaden verjaren na 30 jaar. Maar daarmee was het bewijs wel geleverd: Van Aerschodt was niét dood. Voor zover bekend is hij de laatste ter dood veroordeelde Belgische oorlogsmisdadiger die vandaag nog in leven is. In een brief naar zijn schuiladres in San Sebastián vroegen we of de destijds zo gevreesde Paul Van Aerschodt een boekje open wilde doen over zijn verleden. Onlangs hapte hij toe. “Als ik mijn leven vergelijk met een rol wc-papier zit ik bijna aan het laatste velletje. Dus waarom ook niet?”

De adresgegevens van Paul Van Aerschodt leiden naar het nieuwe stadscentrum van San Sebastián, in het noorden van Spanje. Zijn naam staat niet op één van de deurbellen van een appartementsblok van negen hoog. In San Sebastian blijkt dat niet zo bijzonder: op geen enkele bel staat een naam. Maar het knopje naast de letters 9 D moet van GBR zijn. Dat blijkt het geval. “Kom maar naar boven. Ik wacht”, klinkt het via een krakende deurtelefoon.

Daar staat hij in het deurgat: de Grote Blonde man met Revolver blijkt nog altijd een imposante figuur te zijn, allesbehalve een oud mannetje. Zijn blonde haren van weleer kleuren vandaag zilver. Hij stapt wel een beetje moeilijk. Het is niet onmiddellijk duidelijk of het de leeftijd is of dat het te wijten is aan de onwennigheid. Paul Van Aerschodt ziet eruit als een heer van stand, met zijn das en zijn cognackleurige kostuumschoenen.

Hij schuifelt ons voor naar de ingang van zijn appartement, wat een penthouse van twee verdiepingen met een riant uitzicht blijkt te zijn. Tegen elke wand en op elke kast - en er staan er veel - staan spullen van over de hele wereld. Over het tapijt onder zijn voeten in de living zegt Van Aerschodt meteen: “Dit is een Afghaans tapijt. De beste! Wist je dat de Afghanen nieuwe tapijten op straat leggen en er vrachtwagens over laten rijden? Dat geeft die tapijten een oudere look. Goed gezien van die gasten.”

Hoe mogen we u aanspreken? Als meneer Simons? Of als meneer Van Aerschodt?

Van Aerschodt: “Zeg maar Paul. Paul Van Aerschodt is tenslotte ook de naam die ik kreeg bij mijn geboorte. Ik ben blij dat mijn naam eindelijk nog eens gebruikt wordt. Dat gebeurt nog maar bitter weinig. Bijna alleen mijn zus zegt nog Paul, als we met elkaar telefoneren of ik haar bezoek in Nijvel. Ze is vier jaar jonger dan ik. Niet zo lang geleden is haar man overleden. Voor alle andere mensen ben ik Juan-Pablo Simons. Die keuze is gemakkelijk te verklaren: de naam van mijn moeder is Gabriëlle Simons.”

Metershoge slagtanden, slangen- huiden, Afrikaanse maskers, schilderijen, vazen, beelden, tapijten, bijzettafels en kasten uit meerdere tijdperken en werelddelen. U hebt niet stilgezeten als je dit allemaal bij elkaar ziet. Niets bijgehouden uit de oorlog? Swastika’s of zo?

“(fel) Ik ben geen nazi! Vandaag niet en nooit geweest!”

Zo staat het nochtans in de archieven.

“Ach, dat zijn leugens. Pas op: ik heb wel enkele topnazi’s ontmoet. Maar dat was pas na de oorlog, toen ik al gevlucht was naar Bolivia. Ik had in La Paz met mijn vrouw een groot restaurant, Le Corso. Dat was gelegen in het volle stadscentrum, met zicht op het standbeeld van Simon Bolivar. Weet je wie er heel regelmatig over de vloer kwam? (glunderend) Klaus Barbie, de slachter van Lyon. Ze hebben hem die bijnaam gegeven omdat hij ervan verdacht wordt 4.000 mensen te hebben gedood. Maar daar hebben Klaus en ik nooit over gepraat. We spraken over koetjes en kalfjes, niet over de oorlog. Klaus Barbie werkte in Bolivia in het hout. Hij was een goede kennis van me.”

Maar u wist dus wie die massamoordenaar was?

“Natuurlijk! Ook al had hij daar een andere naam, Klaus Altmann.”

En toch hebt u hem nooit aangegeven, terwijl de hele wereld hem zocht?

“Waarom zou ik? Iedereen die na de oorlog naar Bolivia was gevlucht had iets op zijn kerfstok. Ik dus ook! Maar ik was maar een kleine vis, jong en beïnvloedbaar. Ik heb daar nog altijd spijt van.”

Vertel.

“Mijn ouders waren brave katholieken, zowel mijn vader als moeder waren leraar. Toch waren we een beetje petit-bourgeois. Zo gingen we elk jaar op vakantie naar Knokke. Ik leerde er zeilen en kanovaren. Waarmee ik wil zeggen: ik had een heel mooie jeugd. Bij ons thuis werd er ook totaal niet aan politiek gedaan. Maar toen ik als twaalfjarige naar de JEC (jeugdbeweging Jeunesse Etudiante Chrétienne, BJM) ging, veranderde dat voor mij. Ik liet me meeslepen door père Louis Dumoulin, een van onze begeleiders in de jeugdbeweging. Hij was een overtuigde Rexist en had een lidkaart van de partij van Léon Degrelle. Toen ik Dumoulin tegenkwam, zocht ik net zoals vele andere jongeren mijn weg in het leven. Ik zag het leven als één grote snoepdoos waarbij het de kunst was het lekkerste snoepje te kiezen. Ik koos voor Dumoulin en dat is de fout van mijn leven geweest.”

“Op 10 mei 1940 lag ik om 6 uur ’s ochtends te daveren in mijn bed. De Duitsers waren alles aan het bombarderen. Hun doelwitten: de communicatie- en treinlijnen in de buurt. Vier dagen later volgde er een oproep van de Belgische regering: alle mannen van 17 tot 35 jaar die geen legerdienst hadden gedaan, moesten zich groeperen in Doornik. Samen met twee andere jongeren uit de buurt ben ik op de fiets gesprongen. Nog voor we in Doornik arriveerden, botsten we op een half verwoest dorp. Alles stond in brand. We konden niet verder en wilden eigenlijk ook niet deelnemen aan de oorlog. Ik zei dat we misschien moesten uitwijken naar Rijsel, de eerstvolgende grote stad. Daar namen we de laatste trein naar Parijs. In het station kregen we een kopje warme drank. Enkele uren later zaten we in een bus naar kazerne voor vluchtelingen. Er waren daar militairen en het zag er niet goed uit. Met een smoes zijn we er weggeraakt. We zijn met de fiets en de trein uiteindelijk naar Marseille gevlucht. Daar kregen we van de Belgische consul te horen dat we naar Toulouse moesten, waar alle vluchtelingen werden verzameld. En opeens kwam het bericht dat we zonder problemen terug naar België konden.”

Wat u ook deed?

“Natuurlijk. Maar daarmee waren mijn problemen niet opgelost. Om wat geld te verdienen, kweekte ik tabak in onze tuin. De oogst ging ik in Parijs verkopen. En daar kwam ik de kapelaan van de scouts opnieuw tegen: Louis Dumoulin. En toen is het pas écht fout gelopen. Dumoulin zei dat ik moest reizen om mijn weg in het leven te vinden. Hij deed me een voorstel: ik mocht naar Beieren op kamp gaan, samen met kinderen van het Waalse legioen, een militaire eenheid van Waalse vrijwilligers die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de zijde van de Duitsers tegen het Sovjetleger vochten (In 1943 werd het legioen omgevormd tot de Sturmbrigade Wallonien en ingelijfd bij de Waffen-SS, BJM).

U kon dat toch weigeren?

“Ja, maar ik vond zijn voorstel aanlokkelijk. Ik dacht aan de reizen naar de Ardennen met de scouts en de trips naar zee met mijn ouders. Ik zei dus ja tegen Dumoulin. Even later was ik onderweg naar Wullenstetten, op zo’n twintig kilometer van Ulm. Die vakantie heeft een maand geduurd en bestond vooral uit sporten. We moesten hamerslingeren, speerwerpen en deden evenwichtsoefeningen op een balk die zo’n anderhalve meter boven de grond hing. Zelf droegen we geen uniform. De kampchef wel. Hij droeg ook swastika’s en liet ons ‘Heil Hitler’ scanderen. Of ik dat ook deed? We hadden geen keuze.”

Dat was dus het Hitlerjugend-kamp waarvan sprake op uw proces?

“Dat was mij nooit met zoveel woorden verteld. Maar achteraf gezien ben ik daar inderdaad dus een maand gedrild. Ik had het niet door dat ik een soort van pre-militaire training kreeg.”

Niemand die dat gelooft.

“En toch zeg ik dat het zo is! (kwaad) Ofwel vertel ik mijn versie ofwel geloof je wat de anderen vertellen en moet ik niets meer zeggen. Wat wordt het?”

Wat gebeurde er na dat Hitlerjugendkamp?

“Ik dacht er over na om naar de universiteit te gaan. Maar door al die omstandigheden was ik veel kostbare tijd verloren. Ik kon dat nooit meer inhalen. Dus moest ik keuzes maken. Ik kon schoenverkoper worden, maar dat zag ik totaal niet zitten; ik vond dat een minderwaardige job. Ik kon ook groenten en fruit verkopen, maar dat vond ik eigenlijk nog een stommer werk. En dan was er nog optie drie: via Dumoulin kon ik een job krijgen in La Louvière bij de Werbestelle, de Duitse dienst die gedwongen arbeid regelde in Duitsland. Ik kon er mijn talen gebruiken en sprak ook goed Duits. Ik brak er dag en nacht mijn hoofd over, omdat ik goed besefte dat ik een gevaarlijk spel zou spelen mocht ik mij aansluiten. Uiteindelijk besliste ik het toch te doen. Want ik had ook geld nodig. Ik dacht op dat moment nog dat ik de juiste en slimste beslissing nam.”

Waaruit bestond uw taak precies bij de Werbestelle?

“Op de eerste dag moest ik bij de directeur komen. Dat was Herr Maes, een Duitser natuurlijk. Dat kennismakingsgesprek duurde niet lang. Vervolgens moest ik een andere bediende volgen. Via de trap ging het naar de eerste verdieping. Daar kreeg ik mijn bureau waarop twee mandjes stonden. In het ene mandje kwamen de opdrachten. In het andere mandje moest ik het werk dat achter de rug was sorteren.”

Waaruit bestonden die ‘opdrachten’?

“Ik had een kaart gekregen van de Duitsers om mijn werk uit te voeren. Met die kaart moesten ze me in de verschillende gemeentehuizen in Henegouwen en een deel van Waals-Brabant toegang geven tot het bevolkingsregister. Daarin moest ik zoeken naar de gezonde jonge mannen die niet wilden werken in de kampen.”

Werkweigeraars opsporen en op een schoteltje aanbieden aan de Duitsers dus?

“Ja. Elke dag zat ik wel ergens in een gemeentehuis te zoeken in het bevolkingsregister. Maar opgepast: sommige registers liet ik daar in dat kamertje gewoon dicht. Ik saboteerde de Duitsers dus eigenlijk.”

Ook dat is nieuw. Nergens werd daar ooit eerder ook maar met één woord over gerept. Dat is toch bizar, niet?

“Toch is het zo. Ik werkte de Duitsers op meerdere manieren tegen. Zo speelde ik via mijn zus ook blanco identiteitspapieren door. Zij gaf die paspoorten dan aan Arthur Vincart, die banden had met de verzetstrijders en die hadden nieuwe paspoorten nodig. Maar het ging veel verder dan dat. Ik moest van de Duitsers soms ook huisbezoeken afleggen bij jonge mannen die geen gehoor gaven aan de werkopdrachten. Dan moest ik met de adreslijsten in mijn hand gaan controleren of die mannen niet gewoon thuis waren. Meestal kreeg ik dan de vrouw, vriendin of de moeder van die mannen voor me. Ik vertelde altijd hetzelfde: dat ik het vervelend vond dat ik hen moest lastigvallen in opdracht van de Werbestelle, maar dat ik moest nagaan waarom hun man of zoon niet op zijn werk was. De meeste van die vrouwen zeiden natuurlijk dat dat ze wel thuis vertrokken waren naar hun werk. Dan liet ik weten dat ik hen zou opgeven als vermist. (knipoogt) Terwijl ik goed wist dat die venten ofwel in de kleerkast, op zolder of in de kelder zaten.”

Op uw proces werd nochtans gezegd dat de Werbestelle verantwoordelijk is voor 2.000 deportaties en de dood van 20 mannen.

“Dat zal alleszins niet aan mij gelegen hebben. Ik denk dat men mij verwart met een zekere Duquesne. Ik kende die man niet persoonlijk, enkel van naam. Maar dát was een echte gangster, die overal met de Gestapo binnenviel.”

Maar u toch ook? Op het proces getuigden drie jonge mannen tegen u. U viel gewapend bij hen binnen en bracht hen naar het station en van daaruit naar Duitsland.

“Neen, neen, neen! Die mannen hebben zich vergist. Dat moet ook die Duquesne geweest zijn. Wist je overigens dat ik tijdens mijn werk nooit een wapen had? Pas toen de geallieerden al heel ver waren genaderd, kreeg ik een revolver van directeur Maes. Om mezelf te beschermen, voor mocht dat nodig zijn. Dat was pas enkele dagen voor het einde van de oorlog.”

En toch was uw bijnaam de Grote Blonde man met Revolver. U was de schrik van de regio!

“Ik heb dat ook pas vernomen toen ik al lang in het buitenland zat. Maar wat kan ik daar meer op zeggen?”

U kreeg onder andere ook de doodstraf omdat u een leraar had verlinkt.

“Dat is juist, ja (zucht diep). Maar hij had het verdiend. Tijdens de lessen zat hij kritiek te geven op de bezetter. Maar die vent werd betaald om ons lessen arts et métiers te geven, niet om te leuteren over de Duits. Er waren nog andere leerlingen die vonden dat hij zijn boekje te buiten ging. Hij werd verdorie betaald door de Duitsers! Maar ja, uiteindelijk ben ik het geweest die hem aangegeven heeft.”

Dat was een zekere meneer Mathieu, niet?

“Dat is mogelijk. Die naam zegt me iets. Maar zeker ben ik daar niet van.”

Wat is er met hem gebeurd?

“Ach, niet veel geloof ik. Hij heeft een verwittiging of zo gekregen.”

Neen, blijkbaar zou de man zijn leven te danken hebben aan een Duitse militair die niets deed met uw verklikkingsbrief.

“Ach, voilà.”

Werd u goed betaald voor uw werk bij de Werbestelle?

“Ik kreeg elke maand een omslag met geld. Hoeveel dat was, weet ik niet meer. Het was alleszins niet veel. Ik kreeg ook geen extra’s of zo.”

Dus de Duitsers betaalden u vier jaar terwijl u hen - toch volgens uw versie - tegenwerkte?

“(blaast) Ja.”

Waarom vluchtte u dan naar het buitenland?

“Omdat ik hoorde zeggen dat de Belgen mijn kop wilden, toen ik was opgepakt.”

Hoe werd u gearresteerd?

“Wel, enkele dagen nadat ik dat wapen had gekregen van Herr Maes riep hij me opnieuw in zijn bureau. Hij wilde me indelen bij de Feldgendarmerie. Ik zag dat totaal niet zitten en ben ’s anderendaags met mijn fiets gevlucht naar boeren die ik kende in Silly. Daar ben ik diezelfde dag nog in een hinderlaag gelopen. Enkele leden van het verzet bonden mijn handen vast met parachutetouwen en duwden me het bos in. Ze groeven een put en zeiden dat niemand me ooit zou vinden. Mijn keel was droog en ik kreeg niets gezegd. Tot ik besefte dat het voor die mannen menens was. Ik heb de naam genoemd van Léon Sonet, een fietsverkoper uit Houdeng. Ik zei dat ik die man geholpen had om uit handen te blijven van de Duitsers. De verzetsleden zeiden dat ze het zouden checken. Ze lieten me achter bij enkele andere leden en bleven meer dan een uur weg. Commandant Geerinck, of zoiets, had mijn verhaal bevestigd en had gezegd dat ze me moesten laten leven. Ik zou mijn straf wel krijgen voor de krijgsraad. Ik was een eerste keer aan de dood ontsnapt.”

“In de gevangenis van Charleroi was het geen leven. We zaten daar met tachtig of negentig gevangenen in een cel. Erger dan sardienen in blik! Gelukkig werkte er in de gevangenis een dokter die ik kende. Hij regelde het om me te laten opsluiten in het ziekenhuis waar de chronisch zieken lagen. Ik kreeg daar ook mijn ouders op bezoek. Natuurlijk waren ze ongerust. Kwaad niet. Ik was jong en ze beseften dat ik het allemaal niet zelf zo had gewild. Maar het was oorlog. Tijdens een van hun bezoeken vroeg ik vader en moeder schoenveters en mijn studentenmuts mee te brengen. Ze deden dat. En toen ben ik ontsnapt, gewoon door uit het raam van de eerste verdieping te springen, er lag toch een serieus pak sneeuw. Door mijn studentenmuts viel ik niet op in het straatbeeld. Ik ben tot bij de eerste tramhalte gelopen en naar een boerderij in Silly gereisd. Ik heb daar in de stallen tussen de koeien overnacht. ’s Anderendaags ben ik naar de Franse grens gereisd en ben ik de grens overgestoken langs de bietenvelden. Ik heb er de trein genomen en ben via Rijsel, Parijs, Toulouse en Saint-Girons tot in Spanje geraakt.”

Wanneer hebt u vernomen dat u de doodstraf had gekregen?

“Toen ik nog in Spanje was.”

Wat dacht u over uw straf?

“Justitie dwaalt. Ze zijn fout”

Wilde u niet terugkeren om dat te proberen uitleggen?

“En riskeren dat ze me alsnog voor een vuurpeloton zouden zetten? Neen, bedankt!”

U bent uiteindelijk naar Bolivia gevlucht met uw vrouw, die u in Spanje had leren kennen.

“(glimlacht) Ja, ik ben nog altijd samen met Marie Jésus. Ze wordt binnenkort 91 jaar.”

Hoe bekostigde u uw vlucht? Hebben de Duitsers u geld gegeven?

“Neen, ik heb van alles gedaan. Van koeienmarchand tot restauranthouder in La Paz. En ik heb ook gewerkt voor de regering daar.”

Pardon?

“Ik ben anticommunist. Onder het presidentschap van Victor Paz Estenssoro ben ik in een van de belangrijkste communistische cellen geïnfiltreerd. Ik heb er zelfs een hele wapenhandel ontdekt. Maar we wijken af. Dat is een te lang verhaal.”

Blijkbaar kende u goed uw weg in Bolivia?

“Je kan natuurlijk niet zonder hulp, als je ergens ver van huis een nieuw leven wilt beginnen. En die hulp kreeg ik door de charité chrétienne. De christelijke liefdadigheid. (grijnst) Een bisschop heeft me in Bolivia in acht dagen tijd aan een visum geholpen. Ik heb er een mooi leven gehad. Ik heb me dus ook nooit weggestoken, zoals altijd wordt gezegd.”

Maar u nam wel een andere naam aan en vluchtte naar het buitenland. Wat is dat anders dan u verbergen?

“(blaast) Kijk, ik heb bijvoorbeeld ook nooit mijn geboortedatum veranderd. En ja, ik heb mijn naam laten veranderen in die van mijn moeder. Maar dat maakte mij toch niet onvindbaar! Ik heb overigens ook jaren gewerkt als toeristisch expert voor de Verenigde Naties (grabbelt in zeker twintig paspoorten naar één exemplaar en gooit een diplomatiek paspoort op tafel, BJM). Zonder dat paspoort kon ik nooit al die ivoren slagtanden hier rond mij het land hebben binnen gekregen. Ik schat dat ik in mijn leven intussen twee keer de wereld ben rondgereisd. Kijk hier maar eens goed rond: dit verzamel je niet allemaal op één-twee-drie hé! Dan kan niemand me toch verwijten dat ik me al die jaren verborgen heb gehouden? In Bolivia kenden de meesten ook mijn verleden. Klaus Barbie plaagde me bijvoorbeeld af en toe met het feit dat ik zogezegd rexist was. (haast zich) Terwijl ik nooit rexist ben geweest! Barbie was ook niet de enige nazi die in Bolivia rondhing. Martin Bormann, de secretaris van Hitler die hem ook overal volgde, heb ik ook enkele keren op bezoek gehad. Bormann is zelfs eens op bezoek geweest in onze villa in La Paz.”

U lijkt er wel fier op te zijn.

“Neen. Maar ik bedoel maar: dat zijn toch al bekende figuren, die daar allemaal zaten. Bormann heeft zich wel eerst enkele jaren in Paraguay verschanst voor hij naar Bolivia afzakte. Maar ook met Bormann heb ik niet echt over de oorlog gepraat. Hij noemde me Pablo, ik hem Augustin. Want dat was Bormanns nieuwe naam: Augustin Von Limbach.”

Mist u België niet?

“Ik heb het hier goed, in Spanje. We wonen intussen al sinds 1964 in San Sebastián. Mijn vrouw en vijf kinderen - vier zonen en een dochter - hebben hier ook hun leven. Intussen ben ik ook al zeven keer grootvader. Toch ga ik af en toe nog eens op bezoek naar België. Een keer of vier per jaar, schat ik. Ik doe dat nog niet zo heel lang. Eigenlijk nog maar pas sinds 2002. Waarom niet eerder? Toch altijd de schrik dat ik zou opgepakt worden, zeker? Kijk naar Klaus Barbie - die had ook de garantie gekregen dat hij nooit uitgeleverd zou worden. Uiteindelijk is dat toch gebeurd, hé.”

Bent u voorzichtig? Waakzaam door uw verleden?

“Heel zeker! Zo wandel ik altijd in de tegengestelde kant van de auto’s. Dan kunnen ze je minder verrassen, zie je? Adolf Eichmann (een van de hoofdverantwoordelijken voor de jodenvervolging, BJM) is destijds zo gepakt. Gewoon in zijn rug. Mij zou dat niet overkomen. Ik zie altijd wat er op mij afkomt. Voorzichtig: altijd! Verbergen: nooit!”

En toch bent u in oktober 2008 opgepakt toen u naar België was afgezakt om een erfenis te regelen.

“Ja, maar ik had het in de smiezen. Ik had al gezien dat er al enkele dagen een rode auto voor de deur stond. Dus nee, ik was niet echt verrast dat er plots drie agenten in burger naast me stonden en zeiden dat ze me wat wilden vragen. In het begin had ik schrik dat ze me niet zouden laten gaan. Maar ze waren vriendelijk en hebben me twee uur later al opnieuw laten gaan nadat ik ze hetzelfde had verteld als ik nu doe. Ik heb dat overigens pas maanden later durven vertellen aan mijn vrouw. Ik wilde haar niet onnodig ongerust maken, zij weet wat ik heb uitgestoken tijdens de oorlog.”

Hoewel u zelf vindt dat u weinig te verwijten valt, bent u na al die jaren toch behoorlijk paranoïde, lijkt me.

“Natuurlijk. Er zijn overal gekken die zich misschien iets in hun hoofd zouden halen.”

Hebt u spijt van uw oorlogsverleden?

“Ja, ik vind het nog altijd jammer dat ik me heb laten beïnvloeden door die smeerlap van een Dumoulin.”

Wilt u sorry zeggen tegen bepaalde mensen?

“Ik vind dat niet nodig. Andere mensen hebben ook fouten gemaakt, waardoor ik de doodstraf kreeg. Ze namen daardoor ook mijn Belgische nationaliteit af. Dat betreur ik. Terwijl ik vind dat je, wanneer je in België geboren bent, altijd Belg blijft.”

Maar u was toch een collaborateur? U verraadde uw eigen land door samen te spannen met de vijand?

“Ja! Maar wat dan nog? Het was oorlog hé! Ik heb gedaan wat ik dacht dat het beste voor me was. Maar ik geef wel toe: ik ben de verkeerde weg ingeslagen.”

Wat als de mensen uw versie niet zullen geloven?

“Dat is jammer, maar hun volste recht. Ik wilde enkel proberen het uit te leggen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234