Vrijdag 13/12/2019

Ivo Victoria neemt met 'Dieven van vuur' afscheid van Antwerpen

Slapen doe ik slecht", bekent Ivo Victoria. Toch oogt de schrijver alert. Met lumineuze blik praat hij over zijn nieuwe roman, zij het af en toe gelardeerd met zenuwachtige lachjes. Gretig eet Victoria van een paardensteak met friet, zijn antwoorden intussen kruidend met de nodige porties aarzeling. "De dagen voor de verschijning van een roman, ik vind ze doodeng", zegt hij. Met zijn derde roman, Dieven van vuur, grijpt de sinds 2002 naar Nederland uitgeweken Vlaming hoger dan ooit. Dit boek betekent onmiskenbaar "de afsluiting van een tijdperk". Een definitief adieu aan de stad waar de vurige Antwerpsupporter zo meteen toch weer zijn keel schor schreeuwt op de Bosuil.

Het zoemde al een tijdje rond: Victoria zou een sleutelroman hebben geschreven over dEUS, over de opkomst van Tom Barman en de hoogtijdagen van het Antwerpse Zuid, toen de gepolijste horecazaken en gegoede zonnebril-yups er nog niet de plak zwaaiden. En zitten we ook niet in een ander decorstuk van de roman? Jawel, op de Dageraadplaats, speeltuin van bobo-Borgerhout en epicentrum van de steinerschoolgeneratie. Ook die plek wordt in Dieven van vuur goedmoedig in zijn hemd gezet.

Maar het vernuftig geconstrueerde boek, rijk van taal én breed van schakering, verdraagt een lezing op veel niveaus. Niets is wat het lijkt in deze generatieroman over Antwerpen, waarin Victoria de brokstukken ruimt van een vervlogen jeugd, zonder dat de nostalgie in klefheid omslaat. De schrijver dirigeert ons langs ooit populaire 't Zuid-cafés als Bar Tabac en Kaaiman en kijkt naar de eerste exploten van JMH Berckmans en Vitalski. En er is een hoofdrol voor een hotelpand aan de Plantin en Moretuslei. Een bizarre diefstal van een immense collectie jazzplaten leidt via een brievenvondst naar de wondere wereld van de vrije radio's in de jaren tachtig. Ooit een licht anarchistische hype vanjewelste, nu een haast aandoenlijk anachronisme. "Ja, ik heb de memory-tour gedaan", lacht Victoria. "Maar de spectaculairste dingen zijn niet echt gebeurd", voegt hij er mysterieus aan toe. Op een blog voorziet hij de lezer van beeldmateriaal en achtergrondinfo bij Dieven van vuur. Slimme teasers die tegelijk een dimensie aan het boek toevoegen. Victoria, een laatbloeier in de letteren, houdt de touwtjes graag in handen. "Ik ben schrijver bij toeval. Maar nu ga ik er vol voor."

Dieven van vuur is een complexe roman geworden, waarin tal van verhalen in elkaar grijpen. Maar met welk basisidee ging u aan de slag?

"Aanvankelijk wou ik zonder poespas een stevig verhaal vertellen. En vooral: iets doen met Antwerpse locaties. Plekken die fungeren als een kruispunt van verhalen. Daarom dacht ik aan een mozaïekvertelling rond een appartementsgebouw aan de Plantin en Moretuslei. De draaideur van het hotel fungeerde daarbij als handig symbool: telkens als je er binnenstapt, begint een ander verhaal. Blijven die verhalen ter plaatse hangen? Of verdwijnen die samen met de mensen? Mijn plan pakte totaal anders uit. Toen ik een eerste pakket van 90.000 woorden had, voelde ik dat er iets ontbrak. Dus koos ik voor een ik-verteller. Hij was de sterkste stem in het boek, daar zat een universeel sentiment in. Dáár moest ik mee verder."

De hoofdfiguur typeert zichzelf als een melancholicus: 'Wanneer ik denk aan de toekomst, heb ik al zin om erop terug te kijken.' Een soort zelfportret?

"Ik zal zeker mijn melancholische natuur niet loochenen. (lacht) Tenminste, dat vertelt mijn omgeving me toch. Maar je moet daar natuurlijk mee uitkijken. Voor je het weet sla je erin door. In de literatuur is melancholie een dankbare voedingsbodem voor een personage. Het zorgt voor betrokkenheid bij de lezer. In veel opzichten was dit het goede moment om deze roman over Antwerpen te schrijven. Ik sta nu op het punt dat ik Amsterdam mijn stad mag heten. Ik kan Antwerpen achter mij laten en een tijdperk afsluiten. Er is een lange overgangsperiode geweest vol twijfels, ik bevond me in een niemandsland waarin ik Antwerpen toch nog als mijn thuishaven beschouwde. Nu voel ik me als een vis in het water in Amsterdam, met mijn gezin, werk en sociale leven."

Ergens noemt u de hoofdpersonages 'conservators van levens die zijn opgelost'.

"Het leidmotief van de roman is: waarom blijf je om bepaalde herinneringen cirkelen? Waarom houdt die banale diefstal in een tot afbraak veroordeeld appartement hem zo lang bezig? Je hoort vaak zeggen dat het verleden je blijft achtervolgen. Maar het is natuurlijk omgekeerd. Het zijn de mensen zelf die het verleden opzoeken, die terugkeren naar de feiten. Een heel herkenbaar gevoel. Waarom bewaart de ik-verteller die lp's en die brieven zo lang? Omdat ze hem terugvoeren naar een voor hem iconische gebeurtenis. De inbraak beslaat amper vier nachten, maar die wekken wél een tijdvak van vijf jaar tot leven. Ook ik stapte bewust in mijn verleden en boekte voor de research een kamer op de plaats van delict: het Arass Hotel aan de Plantin en Moretuslei. En dan ontdek je dat de spectaculaire dingen vooral in het hoofd van de verteller plaatsvinden."

Bent u niet bang dat dit boek te strikt autobiografisch gelezen zal worden?

"Natuurlijk is het een persoonlijk boek. Maar het moest véél meer zijn dan 'een beetje sentimenteel doen' over wat er zich in de jaren negentig aan het Antwerpse Zuid afspeelde. Oké: ik woonde destijds in die buurt, zat er dus middenin en kon putten uit mijn eigen herinneringen. Oké: ik zat in die muziekscene met al die opkomende groepjes als dEUS en Moondog Jr., al behoorde ik dan niet tot de incrowd. Maar vanuit die autobiografische feiten wilde ik me naar de wereld van de fictie bewegen. In deze roman moet je als lezer langzaam de hand van de schrijver ontdekken. Merken hoe hij grip probeert te krijgen op zijn sentiment."

Promotioneel zou uw uitgever dit boek kunnen aankondigen als 'de roman over de Antwerpse dEUS-scene'. Maar dat laat je liever over aan de media?

"Omdat ik die kwalificatie helemaal niet wil. Ik zal evenmin zeggen: koop dit boek, want het is gebaseerd op ware feiten. Het is allebei onzin, ik heb tenslotte geen historisch document afgeleverd. Wel is het als romancier mijn volste recht om mij die periode toe te eigenen en ermee aan de haal te gaan. Waarom zou ik niet mogen vertrekken van dingen die ik weet en ken? Omdat het te gevoelig ligt? Al moet je natuurlijk oppassen. Kijk naar Kristien Hemmerechts en haar Michelle Martin-reconstructie De vrouw die de honden te eten gaf. Je moet wel vaststellen dat de feiten daar de roman af en toe in de weg zitten. Feiten, die dekselse feiten! Of heb je dan als schrijver de verkeerde feiten gekozen?"

Toch bevat uw boek schampere passages over de opkomst van dEUS en de types in hun kielzog 'die altijd, ongeacht het seizoen, in een marcelleke rondlopen'. Wou u een paar puntjes op de i zetten?

"Nee, dit boek is geen afrekening en ik ga niet natrappen. Die hele Antwerpse muziekscene van toen was gewoonweg het gedroomde decor. Rondom dEUS verzamelde zich een aantal hypergetalenteerde mensen, die van heinde en verre kwamen toegestroomd en daar per se bij wilden horen. Toen kon je nog goedkoop wonen aan het Zuid, er waren veel toffe cafés en uitgaansplekken. En Tom Barman, Rudy Trouvé en Stef Kamil Carlens hingen daar ook vaak rond. Er bestond een onuitgesproken sociale code, waarbij sommigen wél werden toegelaten tot de inner circle en anderen in de buitenste perimeter bleven hangen. Algauw had je natuurlijk ook achterklap, roddel en venijnige opmerkingen. Die hele cultus rond 'Wie mag Tom Barman nu Tommy noemen of Thomas?' is niet verzonnen. Er werden grappen over gemaakt en er speelde afgunst. Veel groepjes vonden natuurlijk dat ze even goed waren en een doorbraak verdienden. Maar in werkelijkheid bakten ze er niets van."

U neemt ook de eindeloze afsplitsingen en nevenprojecten van dEUS op de hak.

"Er werd enorm gewichtig gedaan over al die spin-offs van dEUS en de talloze groepjes waarin alle bandleden speelden. Het leek bittere ernst, maar wij lachten er toen al mee. Op dat moment beleefde Het leugenpaleis van Hugo Matthysen zijn gloriejaren. En dan is er nog iets: dEUS is internationaal altijd wat blijven hangen. Volgens mij spelen ze in Europese concertzalen nog steeds hooguit voor 900 à 1000 man. Knap, maar hun status is toch vooral in Vlaanderen hoog."

Uw roman zit op de wip tussen de crisisjaren tachtig en de jaren negentig: 'Wij werden losgelaten uit de jaren tachtig als een stel angstige kippen uit een donker hok en plots keken we recht in een verblindende zon: ze hadden ons altijd gezegd dat het daarbuiten donker was, en regende.' Alles bleek toch nog mee te vallen?

"Klopt. Een heleboel creatieve impulsen in Antwerpen kwamen voort uit een generatie die tien jaar lang te horen had gekregen dat ze volstrekt kansloos was. Onvermijdelijk heb je dan mensen die zich daar geen jota van aantrekken. Je had de beroemde Vijf van de Mode-Academie en Antwerpen 93, als Culturele Hoofdstad van Europa. Er bruiste van alles. Toch was die crisissfeer ook manifest. Mijn broer was acht jaar ouder dan ik en moest midden jaren tachtig op zoek naar werk. Ik kan me de gesprekken aan tafel nog levendig herinneren: 'Als je maar een job vindt! Neem maar aan wat je kunt.' Nu is die grote jeugdwerkloosheid weer helemaal terug. Ik merkte het aan de reactie van een proeflezeres, een meisje van twintig: 'Dit staat ver van mij af', zei ze. 'Maar ik stel wel vast dat mijn generatie bijzonder sterk lijkt op die van de jaren tachtig.' Al is het een troost dat heel veel belangrijke kunststromingen en muziekgenres net tijdens crisisperiodes zijn ontstaan."

Ook het ritme van de jazz doordrenkt het hele boek. Er is niet enkel de cruciale diefstal van de jazzcollectie. Je stuit op zowel jazzgekken als jazzhaters.

"Ik had het pretentieuze idee om Dieven van vuur op te schrijven als een stuk jazzmuziek en dat door te trekken in de vorm. Ik speel met terugkerende motiefjes, ik bouw grillige wendingen en laat verhalen in elkaar haken. Toch mocht het geen expliciete roman over jazz worden, dat werd mij te 'niche'. Ik wilde de lezer onderweg niet kwijtraken. Net daarom wemelt het van de populaire muziek uit de jaren negentig, waar veel mensen herinneringen aan koesteren. En kijk, nu hoor ik dat nét dEUS zijn twintigste verjaardag viert. Zo kwam alles samen. Geweldige timing, jongens! Daar had ik niet bij stilgestaan."

Regelmatig hebt u het over de 'steinerschooltypes' die in de Antwerpse coterieën de plak zwaaien. Het is een generatie waar u geen aansluiting bij vond?

"Nee, want ik kom uit een klassiek katholiek college en volgde netjes de universiteit. En kreeg daardoor een ander soort plichtsbesef. Ik kon dus niet overweg met die vrijheid waar zij zo aan gewend waren. Mijn moeder was lerares en gaf godsdienst in lagere scholen en haalde vaak uit naar die steinerschoolstudenten: 'Ze krijgen niet eens een rapport.' Tegenwoordig krijgen kinderen nergens meer een rapport en staat het eerste leerjaar in het teken van ervaringsgericht onderwijs. In de omgang met die types bleef ik een buitenstaander."

Daardoor kon u hen des te scherper observeren, zo lijkt het wel. Wanneer had u het gevoel dat u er in Antwerpen echt niet meer bij hoorde?

"De fly on the wall is voor de schrijver sowieso een ideale positie. En die attitude had ik toen al, hoewel ik amper met literatuur bezig was. Verder is het een hoogst natuurlijke cyclus dat een buurt plots omslaat en van karakter verandert. Toch stond ik te kijken hoe snel dat soms in zijn werk gaat. Kort na mijn verhuizing naar Amsterdam - ik was niet van plan om er zo lang te blijven wonen - kwam ik nog regelmatig in Antwerpen. Tot ik een schok beleefde. Het besef van het einde van een tijdperk. Weet je, als je ergens lang woont, denk je dat een wijk je persoonlijke eigendom wordt. Telkens als ik café Hopper bezocht, stond mijn bolleke al klaar. Maar op een gegeven moment stapte ik de Hopper binnen en kende niemand mij nog. En ik kende zélf ook niemand. Ik had de voeling verloren. De wijk was niet meer van mij. Maar van wie was zij dan wel?"

Veel van uw personages staan ontheemd in het leven. Hebt u dat 'Boulevard of Broken Dreams'-gevoel bewust nagestreefd?

"Het treft me alleszins hoe vanzelfsprekend mensen hun jeugddromen laten ontglippen. Dj Clive Davis neemt vrij makkelijk afscheid van zijn droom om vrije radio te maken. En het gaat daarbij niet altijd om bewuste beslissingen. Door toeval, gedwongen door omstandigheden of door gebeurtenissen om je heen, laat je iets schieten. En dan kruist er iets nieuws je pad en gaat je leven een heel andere kant op.

"Ik herinner me niet meer precies wanneer ik besliste om naar Amsterdam te verhuizen. Dat ging impulsief. Toch was het een heel ingrijpende beslissing: ik stopte met muziek spelen en ik begon te schrijven. Zonder die verhuizing zou dat wellicht nooit zijn gebeurd. Misschien had ik in Antwerpen langer mijn muziekdroom nagejaagd en verder nooit echt iets creatiefs ondernomen. Wie weet was ik in Zurenborg gaan wonen en hield ik me jarenlang onledig met het renoveren van een huis. (lacht)"

Was uw schrijverschap dan een toevalstreffer?

"Je zou kunnen zeggen dat ik mijn talent bij toeval op het spoor ben gekomen. Heel maf: dat eerste boek was voor mij een regelrechte openbaring. Schrijven voelde heel natuurlijk aan, het bleek in mij te zitten. Als muzikant kreeg ik altijd het gevoel dat ik niet goed genoeg was. Akkoord, ik was een harde werker en kwam tot aanvaardbare resultaten. Maar vonken sloeg ik nooit. Tot ik in Amsterdam belandde en daar min of meer van scratch moest beginnen. Ineens zat ik veel thuis, net in de periode dat weblogs erg populair waren. Misschien moest ik stukjes gaan schrijven? Ach, evengoed had iemand me gevraagd of ik mee wilde gaan squashen. En dan had ik een andere hobby gehad. (lacht) Pas op: nu neem ik het schrijverschap héél serieus. Toen ik eenmaal doorhad wat het voor me betekende, ben ik er ook vol voor gegaan."

Dieven van vuur is ook een boek over mannenvriendschap. En die heeft vaak niet veel woorden nodig.

"Veel jongensvriendschappen zijn gebaseerd op één gulden regel: zwijgen. Plots is er die onuitgesproken afspraak dat je samen optrekt. De vriendschap van de ik-verteller met Jelle is essentieel in Dieven van vuur, omdat Jelle hem als het ware een toegangsticket geeft tot de Antwerpse muziekscene. Tegelijk zie je hoe vluchtig die vriendschappen waren. Mensen met wie ik in de Kaaiman of Bar Tabac elke week afsprak of ettelijke feestjes afdweilde, maar die ik nu nooit meer spreek. Dat soort vriendschappen bestaat slechts bij de gratie van de periode, van de plek én van de activiteiten die je ondernam: samen petanque spelen, op café zitten of achter de meisjes jagen. Als dat momentum eenmaal voorbij is, verlies je ze ook snel uit het oog."

Dus u hield uiteindelijk weinig vrienden aan uw Antwerpse periode over?

"Toch wel. Twee van mijn beste vrienden van toen heb ik nog steeds. Maar die heb ik net niet geïnterviewd. Ik was bang dat er een te gekleurde visie zou ontstaan. Ik sprak vooral oppervlakkiger vriendschappen, mensen die wat verderaf stonden van alle commotie. Het was de eerste keer dat ik zoveel research deed voor een boek. En dat is me heel goed meegevallen."

Al die tastbare details zorgen ervoor dat je deze roman bijna wilt gaan nalopen én nabeleven.

"Ja, dat pigment moest er echt in. Zo bouwde ik een prima contact op met een bevlogen stadsgids uit de Zurenborg-buurt. Die vertelde me waarom er geen mussen meer zijn in Antwerpen of hoe de Herentalse Vaart onder de Plantin en Moretuslei door liep. Je krijgt soms echte cadeautjes: mensen die niet beseffen dat ze iets bijzonder interessants aan het vertellen zijn. Heel wat oudere getuigen waren dolblij dat ze eindelijk over het verleden konden praten. Dat komt terug in het personage van Josée de Cuyper, die een liefde opvat voor de stem van radio-dj Clive Davis én hem brieven stuurt. Ik heb ook veel dj's gesproken van Radio Annick en Radio Antigoon en fanmail doorgenomen. Het verbaasde me hoeveel fans en groupies die dj's destijds hadden. En ik voelde me een schatbewaarder, die de verhalen redde van de vergetelheid en bewaarde voor het nageslacht."

Dimitri Verhulst beweerde over zijn laatste roman De laatkomer dat 'het boek slimmer was dan de schrijver'. Heeft deze roman u iets fundamenteels over uzelf geleerd?

"Goh, da's een moeilijke vraag. (na lang aarzelen) Kijk: mijn vriend Rob Waumans schreef een roman over een verloren liefde. En toen het boek verscheen, raakte het daadwerkelijk uit met zijn vrouw. Ook Jan van Mersbergen moest ruim na het verschijnen van Naar de overkant van de nacht vaststellen dat het boek meer over hemzelf ging dan hij dacht. Ik hoop dat het bij mij niet zo'n vaart loopt. Maar in ieder geval: ik had iets te verwerken. Er was de noodzaak om dat verleden op papier te zetten. Ik heb ook vaak gedacht: dit is het laatste boek dat over mezelf gaat. Want wie zit daar nu eigenlijk op te wachten? Het idee rijpt dat ik een ander soort boeken wil maken. Zou ik niet beter over onrecht in de wereld schrijven? Moet ik niet meer ambitie tonen met mijn auteurschap? En duidelijker met mijn voeten in de wereld staan? Wees dus zeker niet verbaasd als ik me vaker in literaire debatten meng en van mij laat horen in opiniestukken. (lacht)"

Ivo Victoria, Dieven van vuur, De Bezige Bij Antwerpen, 304 p., 19,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234