Maandag 16/05/2022

Israel-Palestina: twee slachtoffers

Israëlisch Jeruzalem viert feest. Dat is tegenwoordig bijna een dagelijks gegeven. 'We feesten om niet te moeten merken hoe depri we zijn'Ahmed (20): 'Elke Israëli is reservist in het leger. In die zin zijn ook burgers militaire doelwitten'

op zoek naar een dader

Rudi Rotthier / Foto's Magnum

de regio vormt een laboratorium voor moraliteit, politiek inzicht en variaties op haat. De volle vrede is volgens sommigen met één intense dag van onderhandelen te bereiken. Maar alle wederzijds vertrouwen is zoek, en dus leeft men met bloedvergieten, angst en economisch ongemak. En niet met vrede. Vrede wordt beschouwd als zwakte, als een flauw compromis of zelfs als landverraad. 'Ik durf tegen onbekenden niet meer te zeggen dat ik lid ben van de vredesbeweging.' Vroegere sympathisanten laten weten dat ze de gratis vredesbrochures niet langer wensen te ontvangen. Verslag aan de hand van enkele weifelende ontmoetingen in een sukkelend tot miserabel gebied.

'Dat", zegt Hatlal, terwijl ze enkele opvliegende vogels aanwijst, "zijn vredesduiven die vergeefs gezocht hebben naar een olijftak." "Snap je hem?", vraagt ze even later bezorgd. "Een duif met een olijftakje in haar bek: het symbool van de vrede. Opgeschrikte duiven: geen vrede."

Ze heeft haar opmerking getimed. We slalommen met een Mercedes-busje door een stoffige olijfgaard. Hatlal weet niet goed of de opbrengst dit jaar geoogst zal worden. De boomgaard is ook een verkeerscentrale geworden. Via de boomgaard kunnen Palestijnse chauffeurs enkele Israëlische checkpoints vermijden, tussen de bomen overleggen ze en krijgen ze tips van tegenliggers voor de rest van de route.

We zijn op weg van Hebron naar Ramallah, een rit die, als je de geasfalteerde wegen volgt, tegenwoordig in vijf of zes schijfjes moet worden afgelegd. Aan het eind van elke schijf wordt de identiteit van de passagiers gecontroleerd en moeten zij over rotsenbarrières klauteren en van voertuig veranderen. De chauffeur van ons busje maakt zich sterk dat hij ongecontroleerd en in één ruk tot de buitenwijken van Ramallah geraakt, langs omwegen en olijfgaarden, over rotsen en zand, elke dag een andere route volgend om het Israëlische leger voor te blijven.

Het is een spel van kat en muis, waarbij de muis beseft dat de kat haar in de gaten houdt en op elk moment kan ingrijpen. Het geeft de muis de illusie dat ze slimmer is dan de kat, of moediger. Maar het is niet vanwege die illusie dat Hatlal dit busje verkiest. Het is sneller en goedkoper dan de schijfjesmethode. Wat heet: "Voor de intifada duurde de rit veertig minuten en kostte ze 12 shekel. Tegenwoordig neemt ze drie uur in beslag en kost ze 40 shekel." De schijfjestransporten zijn echter nog duurder en nog trager."Sluit een kat op en ze wordt een tijger", zegt de chauffeur. Hij klauwt in de richting van de Israëlische grens. Dit land lijkt de dierenvergelijkingen te stimuleren.

Hatlal is zevenentwintig en pasgetrouwd. Ze is geboren in Hebron maar ze heeft gestudeerd in Ramallah, waar ze met haar echtgenoot (grotendeels afwezig want op diplomatieke missie in Bulgarije) een appartement betrekt. Af en toe keert ze voor een bezoek aan het ouderlijk huis en aan haar acht broers en zussen terug naar een dorp aan de rand van Hebron.

Ze toont me haar identiteitsfoto, waarop ze met hoofddoek is afgebeeld en nors tegen de wereld aankijkt. Dat was mijn portret in Hebron, zegt ze: "Gesloten." Ze wijst vervolgens naar haar huidige gezicht, breed lachend, met onbedekt, weelderig haar. "Zo ben ik in Ramallah: open."Als ze nu zou moeten kiezen tussen de twee Palestijnse steden zou ze nog altijd voor Hebron kiezen, beweert ze. "Dat is een kwestie van loyauteit. Daar ken ik de mensen, daar liggen mijn wortels, ook al past mijn levensstijl beter bij Ramallah."

Dit is, zegt ze, het ergste aan het conflict met Israël. Ze heeft drie jaar geleden tijdens een relletje een schotwond in de buik opgelopen, haar koopkracht slinkt zienderogen, haar echtgenoot is nauwelijks in staat haar op te zoeken, maar dat alles valt in het niet bij de transportongemakken die na het uitbreken van de tweede intifada zijn ontstaan. "In feite hangt alles daarmee samen. Wie werkt, naar school moet, inkopen wil doen of ziekenzorg nodig heeft, geraakt niet zomaar ter plekke." Ze wijst naar de andere passagiers: "Ik ben de enige vrouw, en jij bent de enige die ouder is dan dertig. De Israëli's beweren dat ze zelfmoordacties willen verhinderen. Maar de jongeren geraken overal waar ze willen zijn. In werkelijkheid verhinderen de Israëli's dat ouderen en zieken zich verplaatsen, wat heel wat anders is." "Die bewegingsbeperkingen", voegt ze eraan toe, "vormen geen rationele belemmering voor zelfmoordacties. Dit is economische en sociale pesterij."

Hatlal blijft lachen, zij het vaak zuur. Als ik bij een steengroeve vraag waarvoor de hier opgegraven stenen dienen, antwoordt ze prompt: om naar Israëli's te gooien. Waarna ze me vraagt of ik niet bang ben dat onze medepassagiers bommen meedragen. "Ik ben zelf bang." Opnieuw is het niet duidelijk waar de luim eindigt en de ernst begint. De jongeren vooraan in het busje, die een deel van de conversatie hebben gevolgd, tonen zich ineens militant. "Als onbekenden me vragen waar ik vandaan kom, zeg ik nu: uit Jenin." Ahmed is eigenlijk uit Bethlehem afkomstig. "Die lui uit Jenin hebben ten minste lef. Die hebben de Israëli's tot de dood bekampt." Ahmed, ik schat hem een jaar of twintig, toont zich bereid tot een eigen zelfmoordactie. De moraliteit van dergelijke acties staat niet in vraag: "Elke Israëli is reservist in het leger. In die zin zijn ook burgers militaire doelwitten." Hij begint een betoog over 'verraders', 'Israëlische spionnen' die enkele dagen geleden door een menigte in Bethlehem werden gelyncht, onthoofd zelfs, als zijn verhaal klopt. Hij tatert enthousiast door over die executies en over 'martelaars' die hij zelf heeft gekend. Hatlal rolt met de ogen. "Maak jij maar eerst je school af, jongetje", zegt ze, "dan zul je wel anders tegen de zaken aankijken." Maar ze zegt het zacht, en in het Engels - de boodschap komt niet over.

"Niemand helpt ons", gaat Ahmed verder, "we zijn wel verplicht tot drastische daden."

De Palestijnen hebben toch de hele machtige Arabische wereld achter hen, plus de moslims wereldwijd en een groot deel van de Europese publieke opinie?

"Niemand steunt ons", herhaalt Ahmed. "Probeer als Palestijn maar eens Egypte binnen te komen. Dat is gemakkelijker voor een Israëli dan voor een Palestijn. De Egyptische bevolking staat misschien aan onze kant, maar de Egyptische regering zeker niet."

Hij en zijn vrienden zouden wel naar Europa migreren, of naar de VS, mochten ze daar de kans toe krijgen, wat niet waarschijnlijk is. Liever naar het Westen dan naar een Arabisch land, "want daar is het toch niet beter dan bij ons. Ik heb daar familieleden wonen, die vertellen me dat".

We rijden over een drooggevallen beekje. Aan weerszijden van het bruggetje worden groenten geteeld. Verder zien we niets dan rotsen en heuvelruggen, veelkleurig in de zon. "Wat een prachtig land", roept Hatlal, geroerd.

Dor.

"Er zijn tal van mogelijkheden voor onze landbouw, maar zolang het conflict met Israël niet wordt opgelost valt daar niets mee te beginnen. Voor elke liter water die een Palestijn verbruikt, heeft een Israëlische kolonist in de bezette gebieden er vijfendertig ter beschikking."

"Ik heb gehoord dat de verhouding nu vijftig tegen een is", zegt Ahmed. "Talloze Palestijnse dorpen hebben geen stromend water ter beschikking, terwijl in de joodse nederzettingen zelfs de bomen langs de wegen bevloeid worden. Over gerechtigheid gesproken."

Vijfenvijftig procent van de Palestijnen zou bij verkiezingen nog op hun leider Yasser Arafat stemmen. Bij gebrek aan alternatief, want niemand lijkt over te lopen van enthousiasme. In de straat hoor je meer positiefs over de radicalen van Hamas. Arafat is een handlanger van Israël, Arafat vult zijn eigen zakken: de verhalen die bijna dagelijks in de Israëlische pers verschijnen over het gigantische privé-fortuin van de Palestijnse leider worden ook hier geloofd. De ontgoocheling over de eigen elite is groot.

"De Israëli's zijn mijn vijanden maar ik bewonder hen ook", aldus een intellectueel. "Zij hebben eveneens hun schandalen maar dat belet hen niet te werken, het land te ontwikkelen. Die lui houden niet op, die helpen elkaar, die komen vooruit. Die hebben hun rechtbanken en hun hooggerechtshof waar ze zelf in geloven en waar ze de schandalen in afhandelen. Wij daarentegen leven in onze feodale maatschappij, in de nv Arafat. Onze werknemers, die, zegt men altijd, Koeweit en Libië hebben opgebouwd, vertikken het om terug te keren en hun eigen land te helpen. Ze kunnen kiezen: uitblinken elders of sukkelen op eigen bodem. Hun keuze is gauw gemaakt. En toch ontgoochelen ze me."

Ook hij verwacht niet veel van Arabische solidariteit. "Waarom steunt Saoedi-Arabië ons? Uit angst, niet uit overtuiging. Men is bang dat we, zoals in de jaren zeventig, Saoedische ministers zullen opblazen als ze ons niet steunen. En zij die ons ondersteunen zijn niet bepaald modellen voor de toekomst. Wie hebben we allemaal aan onze zijde? Dictators en dieven. Plus Europa, dat te bleu is om een verregaand risico te nemen."

Najwa Silwada pendelt dagelijks tussen Ramallah en Jeruzalem. Ook zij weet alles van bewegingsvrijheid, of het gebrek eraan. Het went nooit, het dagelijkse gesukkel om op haar arbeidsplek te arriveren. In Jeruzalem werkt ze op de sociale dienst van de Al Quds-universiteit, in het hartje van de oude stad.

Zij is voorstander van een geweldloos vredesproces, maar rondom haar voelt ze het klimaat in de andere richting evolueren. "Ik heb niet veel argumenten meer om mijn stellingen te blijven verdedigen. Ik moet toegeven dat het vredesproces ons niet veel heeft opgeleverd. Ik moet zelfs toegeven dat de acties van de radicalen Israël veel meer lijken te beroeren en in die zin effectiever zijn. De radicalen, Hamas en anderen, worden beschouwd als zuiverder en socialer dan het huidige regime."

Ze is niet blij met die veranderende mentaliteit, de radicalisering en de islamisering, maar het alternatief is onduidelijk.

Had Arafat twee jaar geleden het vredesvoorstel van Camp David niet moeten aanvaarden, al was het maar als tijdelijke oplossing?

"Dat plan had vier grote hiaten. Het liet de settlements onbesproken, het liet zich niet uit over de verdeling van het water, het gaf geen afdoende oplossing voor Jeruzalem en het had geen voorstellen in verband met de terugkeer van Palestijnse vluchtelingen naar Israël. Arafat zou door zijn eigen achterban zijn afgemaakt."

De lezing van dat akkoord is aan de Israëlische kant helemaal anders. Daar vindt men dat de Palestijnen toen "bijna alles" hadden gekregen.

"Enkele keren zijn we heel enthousiast geweest over vredesakkoorden, onder meer na het Oslo-akkoord, maar telkens bleek dat ons leven er niet beter van werd. Onder die omstandigheden is de attractiviteit van nieuwe vredesonderhandelingen niet heel groot. De mensen zouden een dividend van de vrede moeten kunnen waarnemen."

De zelfmoordacties zijn contraproductief.

"Dat besef ik wel, maar je zou het met meer overtuiging kunnen zeggen als andere acties wel productief zouden zijn."

'Dat is heel speciaal aan Jeruzalem", zegt Wadie Abunassar. "Mensen hebben er behoefte aan om helemaal alleen te zijn." Abunassar werkt als leraar politieke wetenschappen en als raadgever voor Arabische gemeentebesturen binnen Israël. Hij verblijft momenteel in de Israëlische havenstad Haifa, maar hij heeft ook een aantal jaar in Jeruzalem gewoond. "En ik verzeker je: als Arabier en als katholiek ben je beter af in Haifa dan in Jeruzalem."

Haifa is een stad waar alle geledingen van de bevolking redelijk harmonieus samenleven. "In Jeruzalem is het elk voor zich. Ik word, als Arabische Israëli, gewantrouwd door de joden, maar ook door de Palestijnen, die niet begrijpen dat ik mezelf geen Palestijn wens te noemen. Als christen word ik door moslims gewantrouwd en als katholiek door ongeveer alle andere denominaties. Ik ben altijd wel iemands verrader, er is altijd wel een deel van mij dat iemand niet aanstaat. Op den duur ben en blijf je alleen. Iedereen lijkt in Jeruzalem enkele honderden jaren haat mee te dragen."

Waarom noemt hij zichzelf geen Palestijn?

"Mijn tante is vijf jaar geleden naar de States vertrokken. Ik heb haar vorig jaar teruggezien en ze was een ander mens geworden. Niet helemaal anders, maar toch al merkbaar verschillend van de tante die ik in mijn jeugd heb gekend. Ik ben in Israël geboren, natuurlijk verschil ik van iemand die in Hebron of in een vluchtelingenkamp is opgegroeid."

Hij is, als christen, in de minderheid binnen de voornamelijk islamitische Arabische gemeenschap van Israël. Hij is eveneens in de minderheid met zijn standpunt dat hij geen Palestijn is, veronderstelt hij. Zijn plan is simpel. Hij wil van de Israëlische wetgeving gebruikmaken om geleidelijk gelijke rechten binnen Israël te verkrijgen. Momenteel wordt hij op bepaalde gebieden gediscrimineerd. Het Arabisch heeft geen volwaardige rechten, Arabische gemeenten en scholen ontvangen minder subsidies dan Hebreeuwse, Arabieren komen minder snel de universiteiten binnen. "Ikzelf was in mijn jaar de enige Arabier die politieke wetenschappen studeerde."

De discriminatie is soms expliciet en vaak niet. Zo is er geen studiebeperking voor Arabieren, maar bijna alle andere studenten kunnen rekenen op toegangsfaciliteiten. Wie in het leger gediend heeft, krijgt gemakkelijker toegang tot een beurs, maar Arabieren zijn niet welkom in het leger. Wie tot een orthodoxe vleugel van het judaïsme behoort, moet evenmin naar het leger, maar die kan van andere faciliteiten gebruikmaken. De Arabieren worden in het hoger onderwijs niet negatief gediscrimineerd (als je buiten beschouwing laat dat ze doorgaans in het Hebreeuws moeten studeren), maar ze behoren tot de weinigen die niet positief worden gediscrimineerd.

Abunassar ziet twee problemen die een vooruitgang van de betrekkingen, zowel intern in Israël als met de Palestijnen, bemoeilijken. "We kennen elkaar niet. Ik heb moeite gedaan om ultraorthodoxe joden te leren kennen (hij heeft een boek over hen geschreven, RR), en dan merk je dat zij even verbaasd zijn over mij als ik over hen. En dat er na de kennismaking toch een opening is voor begrip en verstandhouding. Iedereen moet trachten uit zijn eigen mentale isolatie te geraken."

Het probleem is bekend. Israëlische jongeren leren meestal pas Palestijnen of Arabieren kennen als ze in het leger komen, in een situatie van confrontatie en conflict. Pas later, aan de universiteit, kunnen ze meer ontspannen met de anderen omgaan, maar tegen die tijd is het kwaad doorgaans al geschied, is de verdeeldheid al gezaaid.

Tweede probleem, zegt Abunassar, "vormen de politici, aan beide zijden overigens. Die zijn bezig met strategische redeneringen en politieke spelletjes maar niet met het algemeen belang. De Israëlische premier Ariel Sharon is bereid politiek te bedrijven, de macht na te streven, zijn tegenstander Netanyahu te bekampen, tot het laatste Palestijnse kind de geest geeft. Met dergelijke figuren valt er geen vredesovereenkomst te bereiken."

Aan beide kanten van het conflict bestaat de indruk dat de huidige oorlogssituatie sommigen misschien wel goed uitkomt. Eensgezindheid over de oorlogsinspanning dekt de interne verdeeldheden toe. Aan Israëlische kant kampt men met verdeeldheid tussen ultraorthodoxen, die steeds meer invloed op het dagelijkse leven verwerven, en seculieren; tussen economen die drastisch wensen te besparen om het begrotingstekort terug te dringen en de slachtoffers van die besparingen; tussen etnische groepen; tussen kolonisten die handenvol geld kosten aan de overheid en vredesduiven.

Het lot van de Arabische minderheid in Israël is nooit zeker. Onlangs werd een gedwongen transfer van de Arabische populatie gesuggereerd. Israëlische kolonisten zouden naar Arabische gebieden in Israël komen, terwijl de Arabische Israëli's naar Palestina zouden verhuizen. Het voorstel is inmiddels van de baan, maar dat soort turbulenties blijft boven de hoofden van de Arabische Israëli's hangen. "De meesten willen helemaal niet naar de Palestijnse gebieden verhuizen."

Israëlisch Jeruzalem viert feest. Dat is tegenwoordig bijna een dagelijks gegeven. Men viert feest om niet te moeten tonen dat men bang is. Orkestjes beconcurreren elkaar, toeschouwers eten uit het vuistje of likken aan caloriearme ijsjes.

"Vind je dit soort dingen aan de overkant?", vraagt Nora, een vrouw van in de vijftig die in 1967 uit Hongarije overkwam. Er is, tussen de vijanden, ook een culturele concurrentie aan de gang. Loop niet met Israëlische tasjes in Palestijns gebied, loop niet met Palestijnse opschriften in Israël. Na een maaltijd in Palestina wil men horen dat Palestijnen beter koken en vriendelijker serveren dan Israëli's. Israëli's willen duidelijk maken dat zij artistiek, cultureel en intellectueel de meerdere zijn van hun tegenstrevers. Talloze verhalen over diepgaande debatten aan het front tussen een gewone soldaat en een generaal, allebei kenners van bijvoorbeeld Tolstoj, moeten dat illustreren. Schrijver Amos Oz verontschuldigde zich er ooit voor dat er tegenwoordig slechts zes auteurs van het niveau van Shakespeare in Tel Aviv wonen.

Nora is van mening veranderd, zegt ze, nadat ik heb geprobeerd duidelijk te maken dat het met een uitgaansverbod voor de Palestijnen niet gemakkelijk is om feesten te organiseren. Vroeger was ze een voorstandster van vrede, vrij radicaal zelfs. Nu vindt ze dat Israël de hele rotzooi van de bezette gebieden maar moet annexeren. De Palestijnen die dat wensen, mogen blijven, op voorwaarde dat ze zich netjes gedragen. De anderen moeten maar elders een onderkomen zoeken. De wereld is groot genoeg.

Wat heeft haar van mening doen veranderen?

Twee dingen, zegt ze. "Ons huidige leven wordt onhoudbaar. We feesten hier nu wel, maar 80 procent van de bevolking durft gewoon niet buiten te komen. De koopkracht daalt zienderogen. We worden arm en miserabel. Ik kan de mensen in mijn omgeving niet tellen die hun werk verloren hebben. En ten tweede..." Ze aarzelt even: "De jonge mensen lopen weg. Mijn zoon is na zijn legerdienst naar Londen vertrokken en hij keert nooit meer terug. Die was ziek van zijn taken in de Palestijnse gebieden. Die is tot het diepst van zijn wezen geschokt door wat hij daar heeft moeten meemaken. Ik vraag me zelfs af of hij ooit nog normaal wordt. Ik heb er ook aan gedacht om te vertrekken, maar waar zou ik naartoe gaan? Dit is mijn land."

Dat is dus voor haar het resultaat van de intifada: verlies van een zoon, verlies van levenslust. "We feesten om niet te moeten merken hoe depri we zijn."

Ze zou daar ook anders op kunnen reageren, een andere politiek voorstaan, meer begrip opbrengen. Ze wordt kwaad om de suggestie. "De Palestijnen en de wereld moeten beseffen: wij zijn geen aardige mensen. We're not nice people. Wij slaan terug als we worden geraakt."

Twee meisjes, wel aardig, zamelen aan een van de podia geld in voor slachtoffers van Palestijnse zelfmoordacties. Voor de intifada hebben zij nog geld ingezameld voor vredesacties, zeggen ze, nu heeft hun actieradius zich verlegd. Het slachtoffer is in hun ogen van kamp veranderd.

Dat is misschien het grote verhaal van de Israëlische kant: enkele jaren geleden stond 65 procent van de bevolking achter de vredesbeweging. Tegenwoordig wordt de aanhang van de vredesbeweging geschat op minder dan 10 procent van de bevolking, misschien wel minder dan 5 procent. De Israëli's zijn volgens allerlei onderzoeken nog wel bereid tot toegevingen als die wat zouden opleveren, maar ze denken niet dat toegevingen momenteel tot vrede leiden. Dat is ook de opinie aan de overkant: de anderen zijn niet bereid om tot een oplossing te komen, dus wat is het nut van vredesinitiatieven?

Even later, bij een Israëlische boekhandelaar die laat is opengebleven: "De Palestijnen hebben tweeduizend jaar lang niet veel met hun land aangevangen, ze hebben het aan ons verkocht, en nu het vruchtbaar gemaakt is en bevloeid, willen ze het terug. Is dat redelijk? Ik vind dat je je land moet verdienen. Wie het niet ten volle benut, verliest na verloop van tijd het recht om het te gebruiken. De Palestijnen gebruiken al hun energie om ons te bestrijden, terwijl wij indertijd, tijdens onze onafhankelijkheidsstrijd, zowel vochten als werkten aan de economische ontwikkeling. Wij hebben miljoenen joodse vluchtelingen ondergebracht, gehuisvest en gerehabiliteerd. Zij laten hun vluchtelingen nog altijd verkommeren, al bijna zestig jaar, omdat boze vluchtelingen hen van politiek nut zijn."

Heeft Israël het land wel verdiend?

"Israël had er recht op, en zal het verdienen."

Ook hij zou twee jaar geleden anders hebben geargumenteerd, beseft hij, hij zou toen meer begrip getoond hebben voor de miserie die de Palestijnen te beurt is gevallen. Maar hij is kwaad. "Van de ene dag op de andere merk je dat je stamcafé is opgeblazen, de plaats waar je met vrienden over vrede droomde."

Rachel Greenspahn heeft professioneel met de ommezwaai in de publieke opinie te maken. Ze werkt voor B'Tselem, de Israëlische organisatie die de situatie van de mensenrechten in de bezette gebieden onderzoekt. Het resultaat van die onderzoeken is niet opbeurend. Ondanks een besluit van het hooggerechtshof uit 1999 worden Palestijnse gedetineerden nog altijd vrij massaal gemarteld, en de tikkende-bomredenering (we moeten wel martelen om een nakende aanslag te verhinderen) is dan vaak een excuus. Het Israëlische leger vernietigt volop huizen, straft ook de families van verdachten, de beperkingen op de bewegingsvrijheid leiden zo langzamerhand tot humanitaire catastrofes. Dat alles wordt in rapporten en gratis krantenbijlagen gegoten, maar het publiek wil de informatie niet meer horen.

"Ik snap hun redenering niet, maar we krijgen telefoontjes van mensen die tot dusver gratis documentatie toegestuurd kregen. Die vragen ons om niet langer onze rapporten door te sturen. Ze willen van geen slecht nieuws meer weten."

Het gaat daarbij niet om enkelen, het zijn er tientallen. Tegelijk wint de organisatie evenwel aan vrijwilligers. "Israël raakt gepolariseerd en wordt een land van extremen. Er is een grote rechterzijde, en een piepkleine maar actieve linkerzijde. Het centrum is in elkaar gestuikt. Zelfs in mijn bredere vriendenkring praat ik niet langer over het werk dat ik doe: ik word algauw als een verrader van het vaderland betiteld.

"Mensen redeneren: dat het leger maar doet wat het doet. Als het een Israëlisch mensenleven redt, is het de moeite waard. Ze denken: dit zijn speciale omstandigheden en mensenrechten komen ons nu niet van pas. Maar verdragen zoals dat van Genève zijn precies bedoeld voor speciale omstandigheden, voor oorlogen. Als je je daaraan niet houdt, verlies je je ziel. Zo lijd je misschien een nog veel groter verlies: de natie verliest haar trots."

Het idee dat het schenden van de mensenrechten de veiligheid stimuleert, is vaak vals. "Men zegt nu dat het vernietigen van de huizen van de familie potentiële zelfmoordenaars afschrikt. Daarover verschijnen ineens talloze verslagen in de kranten. Men citeert zelfs jongeren die beweren dat ze nu tot andere inzichten zijn gekomen. Volgens mij is dat propaganda. Zolang we de Palestijnen pesten en verdrukken, zullen ze zich verzetten en zullen er aberraties voorkomen."

Niet dat Rachel sympathie koestert voor zelfmoordaanslagen: "Dat is natuurlijk de ergste schending van mensenrechten die er denkbaar is." Niet dat haar organisatie Palestijnse schendingen van mensenrechten verzwijgt: het gebruik van kinderen in manifestaties, het misbruik van burgers bij militaire schermutselingen, de veroordeling van verdachte collaborateurs na schijnprocessen of zelfs zonder proces... Het wordt allemaal geregistreerd en zonder veel gevolg aangeklaagd.

Wat haar nog meer stoort, is dat vrij banale dingen niet tot de Israëlische publieke opinie lijken door te dringen. Dat Palestijnen zich bedreigd voelen door de Israëlische nederzettingen in hun gebied, die zich nog altijd uitbreiden. "Volgens de Israëlische regering betrekken die nederzettingen slechts 2 procent van het land in de bezette gebieden. Wij redeneren anders. Er is daarbuiten nog eens 6 procent voorzien voor uitbreidingen, en ruim 30 procent grotendeels braakliggend land behoort tot het gemeentelijk terrein van de nederzettingen. In totaal is er 42 procent van het territorium voorzien voor kolonisten, wat heel wat anders is dan 2 procent. Ook grote delen van Oost-Jeruzalem zijn intussen door Israëli's gekoloniseerd, al noemen we dat dan joodse buurten in plaats van nederzettingen. Ik begrijp evenmin dat zo weinigen expliciet het verband leggen tussen de gruwelijke economische crisis die we meemaken en de bezetting van de Palestijnse gebieden. Reservisten worden opgeroepen, Palestijnen worden van hun werk gehouden. Dat alles vermindert de productiviteit van veel bedrijven. Soldaten moeten betaald worden, toeristen en buitenlandse investeerders blijven weg."

De vredesbeweging probeert die redenering nu in slogans te vatten. 'Let's get out of the territories and back to ourselves.' Of: 'The occupation is killing us.' "Als er dan niet voor het principe van de vrede wordt gekozen, kan er nog altijd vrede komen uit eigenbelang. Beter dat dan niets."

De vrede ligt bijna voor het rapen, zegt ze: grenzen van voor 1967, enkele kleine landuitwisselingen, afbreken van alle nederzettingen in bezet gebied, een redelijk waterverdrag, een apart statuut voor Jeruzalem, geen terugkeer voor Palestijnse vluchtelingen naar Israël, tenzij in het kader van familiehereniging, maar wel financiële compensaties.

Zo'n akkoord ligt misschien binnen bereik, maar het wordt momenteel niet opgeraapt. De omstandigheden zijn er niet naar. Er zal heel wat druk voor nodig zijn, onder meer van Europa.

Ze voelt een loden stemming over haar land hangen. Schrik en pessimisme overheersen. Je kunt de doemscenario's licht beschrijven. Een escalatie van de situatie, verkiezingen in Israël en in de Palestijnse gebieden die ook weer tot stoere taal zullen leiden, een Amerikaanse interventie in Irak, waarna Saddam zal proberen Israël te treffen. Mensen slaan alweer gasmaskers in.

In al die scenario's is er zelfs een plaatsje voor België. Sommigen houden er rekening mee dat Israël in het najaar, als het ernaar uitziet dat er in Brussel een nieuw proces tegen Sharon kan komen, de diplomatieke banden met België opschort of zelfs verbreekt. "Tegen een klein land kan men stoer doen."

Anderen zien meer reden tot optimisme. Volgens hen is de ellende aan beide zijden zo groot dat er toch ergens een compromisbereidheid moet kunnen ontstaan.

"Makkie", zegt Shimshon Zelniker. Zelniker is directeur van het Van Leer Jerusalem Institute, een onderzoeksinstituut dat in de periode tussen 1993 en 2000 heeft bijgedragen tot de opleiding van duizenden Palestijnse ambtenaren. Hij speelde voordien een rol bij de vredesonderhandelingen in Oslo, en ik heb hem net gevraagd of hij kan verklaren waarom de Israëli's zich zo massaal afkeren van hun eigen linkerzijde en van het vredesproces.

"Makkie. Je had, na de Jom Kippoer-oorlog, twee basistendensen binnen de Israëlische politiek. De redenering van de rechterzijde kwam geschematiseerd op het volgende neer: 'We staan heel sterk en dus moeten we geen toegevingen doen. Niemand kan ons raken.' De redenering van links was: 'We staan heel sterk, en zeker sterk genoeg om het een en ander op te geven. Daar zullen we trouwens nog sterker van worden. En niemand kan ons raken.' Na de mislukte vredesonderhandelingen van Camp David, waar Barak, die ik een groot eerste minister vond, de Palestijnen ongeveer alles heeft aangeboden, zelfs Oost-Jeruzalem, bleek dat het nog zo simpel niet was iets op te geven. Naar ons eigen idee waren we bijna lichtzinnig genereus geweest, maar Arafat wees het toch van de hand. Daar heeft links een dubbele mokerslag gekregen. Het idee dat we van toegevingen beter zouden worden en dat er aan de andere kant een respons op zou komen bleek ongegrond. Bij het grote publiek was de conclusie: die Palestijnen willen ons toch nog altijd terug in zee drijven, die wensen geen compromis. Ongeveer tegelijk, nog onder Barak, kwamen de zelfmoordacties op gang. Dus ook de andere premisse bleek vals: Israël was helemaal niet zo sterk. Israël is een zwak, kwetsbaar landje.

"Na die episode moest links toegeven dat rechts de houding van de Palestijnen misschien beter had ingeschat. Alle zelfvertrouwen is zoek.

"Ik ben", preciseert hij, "zelf nog altijd voorstander van onderhandelingen en vredesakkoorden. Ik ben zelfs voor een unilaterale terugtrekking uit de bezette gebieden. Maar dit land, en met name de linkerzijde, is momenteel getraumatiseerd."

Is hij zelf van mening veranderd over de Palestijnen?

"Ja. Ik heb met duizenden Palestijnen gepraat, ik dacht dat zij ervan overtuigd geraakt waren dat wij, de Israëli's, niet welwillend van de kaart zouden verdwijnen. Ze zijn daar ook van overtuigd, volgens mij, zij beschouwen een redelijk compromis als de beste mogelijkheid voor beide zijden. Maar hun leiders, en niet alleen Arafat, hebben dat nog niet ingezien. Die blijven met een maximale optie rekening houden."

Hij is eveneens ontgoocheld over de interne politiek van de Palestijnse autoriteiten. "Die hebben na Oslo 15 miljard dollar ontvangen en met dat geld hebben ze niet één nieuwe school gebouwd. Wat vertelt dat ons over hun prioriteiten? Ik vind dat Israël de Palestijnen meer moet ondersteunen maar hoe kun je dat verdedigen als de corruptie zo verspreid is, als de leiders zich schaamteloos verrijken? Al mijn Palestijnse kennissen klagen privé steen en been, ze zijn radeloos, maar in het publiek durven ze hun mond niet open te trekken. Dat is ontgoochelend. Vraag tegenwoordig maar aan Arabische Israëli's of ze vinden dat hun gemeenten bij het Palestijnse gebied moeten worden gevoegd. Niemand is daar nog voor. Iedereen wil bij Israël blijven, want ze verkiezen discriminatie in een rechtsstaat boven gelijkberechtiging in corruptie."

Het valt mij op dat niemand in Israël, zelfs de vredesbeweging niet, de eigen legitimiteit in vraag stelt. Waarom heeft Israël recht op land dat gedurende tweeduizend jaar aan anderen heeft toebehoord? De bijbel is toch geen eigendomsakte?

Shimshon haalt vermoeid de schouders op. "Palestijnse vrienden vragen me: waarom moeten wij opdraaien voor wat er in Europa in de vorige eeuw is misgegaan? Ik stel hen de tegenvraag: waarom zou ik daarvoor nog eens moeten opdraaien? En waar zouden ze me dan heen willen sturen? Naar Auschwitz?"

Hij vertelt een fragmentje uit de familiegeschiedenis. "Mijn grootvader, ook Shimshon, kwam tijdens de Eerste Wereldoorlog in de buurt van Warschau om het leven. Hij probeerde een koeiendiefstal te verhinderen en muitende Duitse soldaten hebben hem neergeschoten. Elk van zijn zeven kinderen vernoemde het eerstgeboren mannelijke kleinkind naar hem. In totaal had hij 48 kleinkinderen, en van die kleinkinderen zijn enkel de zeven Shimshons in leven gebleven. Ik ben als enige in Israël geboren, de andere Shimshons hebben op de een of andere manier de vervolging overleefd. Iedereen in Israël heeft een dergelijk verhaal. Als je je even aan de arm krabt, komt de holocaust al naar boven. Op de vlucht voor de gruweldaden van Europa hebben we hier een onderkomen gevonden, en dat zullen we niet opgeven. Honderden jaren is dit gebied door de Ottomanen bestuurd. Bij het uiteenvallen van het Ottomaans Rijk kreeg elk een deeltje. Van Palestijnen was toen nog geen sprake. De Arabieren die hier woonden, gingen ervan uit dat ze ofwel bij Syrië ofwel bij Jordanië terecht zouden komen. Er leefden twee miljoen joden binnen dat Ottomaanse Rijk: beschouw Israël als het stukje van de Ottomaanse cake dat aan de joden te beurt is gevallen.

"Dat we nu eindelijk beseffen: wij gaan niet weg, en zij gaan niet weg. Laten we een overeenkomst sluiten, daar worden we allebei beter van. Dit zou de hemel kunnen zijn. De Palestijnen zijn schitterende mensen, hoewel ze een ellendig regime hebben. Ze zijn veel aangenamer dan wij, want wij zijn vaak niet zo aardig."

Op korte termijn valt zo'n vrede echter niet te verwachten, beseft Zelniker: "Enkel een idioot denkt dat er snel vrede kan komen, maar ik denk wel dat we op termijn tot vrede komen."

Witte pater Stéphane Joulain resideert in een klooster dat aan de rand van de vermoedelijke geboortegrot van Maria is gebouwd. De plaats gonst van historische anekdotes. Jezus zou op enkele meters van de geboortegrot een kreupele hebben genezen. Soms is de anekdotiek wederzijds exclusief. Wat een eindje verder bij de joden als het graf van David geldt, is voor christenen de plaats van het Laatste Avondmaal. Als buitenlander, Fransman, en als lid van de kleinste minderheid, de christenen, overschouwt Stéphane de conflicten die Jeruzalem al vele eeuwen teisteren en maar blijven teisteren. De pater verzet zich tegen het idee van een heilige stad. "Geen enkele kei is het waard dat men er mensenbloed voor vergiet. We hebben trouwens volgens de bijbel geen recht op eigendom, we zijn de geranten van de wereld, we hebben het vruchtgebruik. Als je het eigendomsdenken laat varen, verlies je meteen de meeste conflictstof. Bij elk overlijden gaat een stukje van God dood."

De christenen worden momenteel door beide zijden opgevrijd. "De christelijke gemeenschap is te klein om een bedreiging te vormen. Men beschouwt het christendom, wellicht ten onrechte, als een belangrijk onderdeel van het politieke leven in het Westen, dat men toch te vriend hoopt te houden."

Ook hij heeft over de legitimiteit van Israël nagedacht. "Volgens internationaal recht is die er natuurlijk niet, maar je kunt moeilijk de situatie op het terrein ongedaan maken." Ook hij vindt dat de twee delen elkaar nodig hebben: "Israël zal pas legitimiteit vinden als er een afdoende oplossing voor de Palestijnen is gekomen. En de Palestijnen zullen pas zichzelf kunnen vinden als er vrede gesloten wordt met Israël. Want de Palestijnen zijn eigenlijk onder invloed van het ontstaan van Israël tot een entiteit gegroeid.

"Als je het goed bekijkt, gaat het om een strijd tussen broeders. Want wie hebben de Romeinen tweeduizend jaar geleden uitgewezen? De farizeeërs, de fanatiekelingen, de intellectuelen. Het volk is achtergebleven en later verarabiseerd. Die kloof tussen elite en volk zie je nog altijd. De angst voor onzuiverheid bij de elite, de weerzin tegen de hoogmoed van de elite bij het volk.

"Ze staan zo dicht bij elkaar. Maar intussen regeren aan beide zijden de radicalen, zij die geen oplossing willen omdat ze denken dat hen dat beter uitkomt. Dante kent in de Divina Commedia de heetste plaats in de hel toe aan welmenende burgers die op een cruciaal moment nalieten hun mond open te trekken. Ik vind dat in dit conflict vele goede burgers die fout begaan. Ze laten, uit moedeloosheid of omdat ze zelf het kompas kwijt zijn, het terrein open voor de radicalen, die natuurlijk elke oplossing willen verhinderen. Vorige week heeft de opperrabbijn van Engeland gezegd dat Israël door zijn handelingen de principes van het judaïsme met voeten treedt. Dat is al een mooi begin. De gewone mensen zijn best tot toegevingen bereid - ik heb zelfs al een Palestijn horen beweren dat men desnoods maar een israëliet van hem moet maken -, alles is beter dan wat er nu is. Maar de gematigde politici en intellectuelen moeten hun verantwoordelijkheid opnemen. Hier wordt de heetste plek in Dantes hel anders snel gevuld."

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Info: www.fondspascaldecroos.com.

Een Israëlische boekhandelaar: 'Ik vind dat je je land moet verdienen. Wie het niet ten volle benut, verliest na verloop van tijd het recht om het te gebruiken. De Palestijnen gebruiken al hun energie om ons te bestrijden, terwijl wij indertijd zowel vochten als werkten aan de economische ontwikkeling. Wij hebben miljoenen joodse vluchtelingen ondergebracht. Zij laten hun vluchtelingen al bijna zestig jaar verkommeren, omdat boze vluchtelingen hen van politiek nut zijn'

Een Palestijnse intellectueel: 'De Israëli's zijn mijn vijanden maar ik bewonder hen ook. Zij hebben eveneens hun schandalen maar dat belet hen niet te werken, het land te ontwikkelen. Wij daarentegen leven in onze feodale maatschappij, in de nv Arafat'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234