Maandag 26/10/2020

IS te lijf op blote voeten

In Libië, een land met nauwelijks een professionele krijgsmacht, neemt een volksleger van vrijwilligers het op tegen de Islamitische Staat. Deze onbetaalde strijders boekten in slechts een aantal weken een spectaculaire winst.

Kijk naar de voeten van de strijders die het in Libië opnemen tegen Islamitische Staat en je weet dat zich hier een wonderlijke oorlog afspeelt. Neem Abdul Ghadr, 22 jaar, die de laatste meters aflegt naar de zandhoop waarachter zijn kameraden met kalasjnikovs de stellingen van IS beschieten. Hij draagt geen schoenen. Op blote voeten rent hij naar de frontlijn. Het geeft niet, verzekert Abdul Ghadr. "Dit loopt best lekker."

Zonder schoenen zijn ze al ver gekomen tegen de machtigste terreurbeweging ter wereld, die in de Libische kustplaats Sirte haar voorpost aan de Middellandse Zee heeft, recht tegenover Italië en de rest van Europa. De zwarte vlag die tot voor kort wapperde op de rotonde aan het begin van de stad is neergehaald. Niets wijst er nog op dat hier tot zo'n vier weken geleden inwoners werden gekruisigd die zich probeerden te verzetten tegen IS.

Maar nu worden de strijders hier op de kustweg genadeloos onder vuur genomen door scherpschutters van IS in de hoge flats even verderop.

Pas op, daar komt een kogel te dichtbij. Op slippers zoekt een van de oudsten in de groep, Fora al Swawish (28), dekking in de schuilplaats. Schoenen? Ja, dat lijkt hem mooi. "Als ik schoenen krijg, trek ik ze aan." Maar goed, daarover fantaseren slaat nergens op, want zijn eenheid verstrekt deugdelijke soldatenlaarzen alleen als je veel moet lopen. Voor hemzelf is zoiets een enorme investering, die gaat hij niet zomaar even voor deze oorlog doen.

Dit weet hij zeker: uit het buitenland zullen zijn schoenen ook niet komen. "Het Westen helpt ons niet."

In Libië, een land dat wordt verscheurd door maar liefst drie regeringen, met nauwelijks een professionele krijgsmacht, neemt een volksleger van vrijwilligers het op tegen de vierde macht in het land: Islamitische Staat. Deze onbetaalde strijders boekten in slechts een aantal weken een spectaculaire winst: had IS half mei nog de kuststrook met een aantal dorpen in handen tot op 140 kilometer ten westen van Sirte, nu zijn ze teruggedrongen tot in het centrum van de stad.

Maar na het snelle begin is de oorlog nu ontaard in een bloedig straatgevecht, waarbij elke meter voortgang levens eist. De strijders in Libië hebben het gevoel dat ze er daarbij alleen voor staan. Weliswaar zijn op het slagveld enkele tientallen Britse en Amerikaanse special forces actief, maar verder laat de internationale gemeenschap zich in het land nauwelijks zien.

In de schuilplaats aan de kust, slechts één muurtje verwijderd van Islamitische Staat, vinden ze dat opmerkelijk. "Natuurlijk: dit is uiteindelijk een Libische oorlog", zegt Mahmood Alsgotri, de commandant van de hier toonaangevende strijdersgroep Marsa. "Maar toch voelt het vreemd dat het westen in Libië niet helpt, terwijl dat wel gebeurt in Irak en in Syrië. We strijden hier tegen IS, een gezamenlijke vijand."

Aan de frontlijn in Sirte, achter de zandhopen die bescherming moeten bieden tegen scherpschutters, dringt de vraag zich op: zal het dit leger van vrijwilligers, gekleed in T-shirts, soms op blote voeten, lukken om zelf IS te verslaan?

Uithongeren

Het slagveld lijkt overzichtelijk genoeg als je op het dak klimt van een huis dat uitkijkt over de stad en uitleg vraagt aan een commandant die zich Abu Nasr noemt. Het vrijwillige leger heeft Sirte vrijwel geheel omsingeld. Eigenlijk is het alleen een kwestie van IS bijeendrijven en uithongeren op hun hoofdkwartier: een megalomaan complex dat ooit nog gebouwd is door Kadhafi en het Ouagadougou-congrescentrum heet.

Abu Nasr straalt van trots - "dat is toch een natuurlijk iets". Hij vertelt over zijn zoon Jamal, pas 19 jaar oud, die meerdere IS-strijders heeft gedood. Een van hen riep nog 'ongelovige' naar hem.

Maar keer terug naar de schuilplaats aan de kust en het wordt duidelijk dat IS zich niet snel gewonnen zal geven. 's Middags zet een van de strijders, Hared al Masek, een waterflesje op de muur, in het zicht van de IS-scherpschutters. De vijand uitdagen kan geen kwaad, lacht hij. "Hij zal proberen het eraf te schieten. Het is hier al zo gevaarlijk dat het niet meer gevaarlijker kan worden."

Hared is pas 20, maar een jongen van die leeftijd is in het door stammenconflicten geplaagde Libië een geharde veteraan. Vier jaar geleden nam hij als tiener voor het eerst de wapens op, tegen dictator Moammar Kadhafi, die is gedood bij de meelfabriek in Sirte, een kilometer of wat van de huidige frontlijn. Libië was daarna vol hoop. "Alles was perfect, alles leek geweldig."

Sindsdien is dit je hoeveelste oorlog, Hared? "Mijn vijfde."

Inderdaad zal de scherpschutter later toeslaan. Maar hij verspilt geen kogel aan het waterflesje van Hared - dat is een van de weinige zaken die na afloop nog overeind staan. Wel schiet IS de bestuurder dood van een vrachtwagen die probeert de frontlijn met zand te versterken. Bijna tegelijkertijd vallen rondom de schuilplaats acht gewonden bij een mortieraanval.

Opereren in het veldhospitaal van Sirte gebeurt noodgedwongen op gewone tafels, door artsen die daarvoor vrij nemen van hun gewone werk. De meeste verwondingen, zo verzucht hoofdchirurg Abdullah Zubia, zouden te voorkomen zijn met een helm en een kogelwerend vest, maar in een Libische oorlog zijn dat helaas attributen zoals schoenen: vaak ontbreekt het eraan. Bijna altijd staan er omcirkelde namen op het aanplakbiljet bij de ziekenhuisdeur: de martelaren van die dag.

Het volksleger

Om iets van de strijd in Libië te begrijpen, is dit cruciaal: sinds de val van Kadhafi heeft dit land geen noemenswaardig leger. Je moet toch wel een paar dagen aan het front rondlopen om een keer bij toeval een beroepsmilitair tegen te komen. Die is dan wel gelijk als zodanig te herkennen aan zijn opvallende schoeisel: soldatenlaarzen.

De strijders die nu de wapens oppakken tegen IS, vechten vrijwel allemaal in de milities die oorspronkelijk als volksverzet tegen dictator Kadhafi zijn ontstaan in Misrata, de buurstad van Sirte. Toen IS in april een checkpoint innam dicht bij Misrata, besloot men tot een offensief. Dat gebeurt onder gezag van een van de drie regeringen in het land, de enige van het trio die internationaal wordt erkend: de Government of National Accord van premier Fayez al-Sarraj.

Maar Sarraj, pas een paar maanden in functie, laat zich nooit op het slagveld zien en deze week traden vier van zijn ministers af. Aan de frontlijn worden de mogelijkheden besproken waarop ze van hem af kunnen komen: de premier tegelijk met IS in de zee verdrijven of toch netjes wachten tot hij zelf aftreedt. "Sarraj biedt geen steun", zegt de invloedrijke commandant Alsgotri. "Hij heeft hier niets te vertellen."

In Libië is het niet de overheid, maar de waaier aan strijdersgroepen die uiteindelijk de dienst uitmaken. Wie geluk heeft, kreeg daarin ooit 'een beetje' wapentraining, zoals geneeskundestudent Yahaye al Gmati (21). Nu kan hij dan ook alles. "Zelfs een tank besturen." Aan zware wapens is bij het volksleger geen gebrek.

De meesten leerden spelenderwijs een kalasjnikov hanteren. "Wij zien wapens op straat, we zijn daaraan gewend", zegt Sharif Abu Bakr (23), die uit het zuiden komt, waar de tribale conflicten nog heviger zijn dan elders. Helaas bleek zijn praktijkervaring toch onvoldoende om de kogel van IS te ontwijken die hem in zijn been trof: dit is al de tweede keer in een jaar tijd dat hij gewond is geraakt tijdens een oorlog in Libië.

In de zopas bevrijde straten van Sirte zijn nog geen burgers teruggekeerd. De strijders zijn in hun huizen getrokken. Binnen is het een mannenhuishouden: afwas slingert overal, vuile en schone was ligt door elkaar. Hun Toyota's, met in de laadbak gelast wapentuig, staan voor de deur geparkeerd. De jongens praten over de oorlog, en vooral ook over voetbal. "Weet jij de uitslag Chili-Argentinië?", vraagt de 24-jarige Ali Jamal. "Want IS heeft alle televisies hier weggehaald."

In een van de ommuurde villa's, op nog geen kilometer van de frontlijn, bereidt de eenheid van Ashraf Abgeel (35) zich voor op een nieuwe nacht van gevechten. Ashraf, een bebaarde man, kalasjnikov en handgranaten binnen bereik, oogt als een militieleider pur sang, maar is in het dagelijks leven eigenaar van een kinderdagverblijf in Misrata. Hij laat foto's zien van de kleuters, die zo knap kunnen knutselen en vertelt over het belang van kinderopvang in Libië. "In steeds meer gezinnen werken ook de vrouwen."

Zijn eigen vrouw, pas zes weken geleden bevallen van hun jongste dochter, moet nu in haar eentje het kinderdagverblijf leiden. "Ik dacht dat het allang voorbij zou zijn, maar we vechten hier nog steeds."

De Ramadan, de heilige maand waarin moslims overdag niet eten of drinken, dicteert deze oorlog: voor zowel de strijders als IS is de Ramadan een onwrikbaar gegeven, zelfs aan het front. De heftigste gevechten beginnen daarom pas 's avonds, na het breken van het vasten. "We vallen elke dag op dezelfde tijd aan", zegt Ashraf. "Overdag slapen ze bij IS, net als de meesten van ons. Zij moeten toch ook rusten?"

Achter de muur van het huis zoeken zijn mannen steun in het gebed. Allah is de grootste, Allahu akhbar!

Onder het bidden trekt het geweergeratel aan. Lichtkogels vliegen over. Auto's met wapens achterin rijden met gierende banden van en naar het front, zonder verlichting om niet te worden opgemerkt door de scherpschutters van IS. Sirte overdag is in oorlog, maar 's nachts, in de totale duisternis, wordt de stad een monster van angst.

Zo meteen zullen ook de mannen van Ashraf zich weer buiten wagen. Ja, hoe gaat dat? Ze lopen hier een paar honderd meter het veld in aan de overkant van hun huis, tot ze Islamitische Staat tegenkomen, zegt Khalifa Rogab. "Ik weet niet hoe ik het moet uitleggen: je ziet het geweervuur komen en je schiet terug."

Nachtschimmen

De vijand kennen ze als schimmen in de nacht. Zeker ook Libiërs, is hun indruk, maar vooral veel buitenlanders: Egyptenaren en Tunesiërs. Ze zijn niet bang voor de dood, ze vechten tot het einde.

"IS, dat zijn net wolven bij volle maan", verzucht Ibrahem, student bedrijfskunde uit Misrata. "Overdag durven ze niet, maar 's nachts vallen ze ons aan." Hoewel de naam van Ibrahems eigen eenheid zich laat vertalen als Martelaren van de Hoofdstad, hoopt hij toch niet te eindigen als omcirkelde naam op de ziekenhuislijst. "Ik mis mijn moeder zo."

Ook in de onlangs bevrijde straten van de stad klinkt nog glashelder de radio van IS, die naar verluidt wordt uitgezonden uit een rondrijdend bestelbusje. Een zangerige mannenstem, niet onmelodieus, bijna verleidelijk, roept op om aansluiting te zoeken bij Islamitische Staat, een paradijs waar het veilig is, waar voor de burgers wordt gezorgd.

Maar daar komt verkenningsgroep 0-1, waar de mannen van Ashraf mee samenwerken. Bij de frontlijn voor hun huis breken ze een muur door, vaste praktijk bij het heroveren van land in deze stadsoorlog. De moedigste strijder klimt er als eerste overheen, zegt "Ik ga, dag vrienden!" en rent op het onbekende terrein IS tegemoet.

Hij keert heelhuids terug, op zijn slippers

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234