Zondag 19/09/2021

Is het nu vrede?

De bezetting van Zuid-Libanon is definitief voorbij. Het Israëlische leger trok zich de voorbije dagen massaal terug en maakte daarmee een einde aan de tweeëntwintig jaar durende bezetting. Gedurende die periode vluchtten meer dan tweehonderdduizend Libanezen naar het noorden. Velen van hen willen nu definitief terugkeren, vaak na jarenlang in erbarmelijke omstandigheden in Beiroet te hebben gewoond. Arthur van Amerongen reisde door de bevrijde grensdorpen.

Arthur van Amerongen

Voor de bewoners van het Israëlische grensdorp Metulla moet het de ultieme nachtmerrie zijn. Zowat in hun achtertuin staan honderden Hezbollah-aanhangers te zwaaien met kalasjnikovs en Libanese vlaggen, slechts tegengehouden door rollen prikkeldraad en een niet al te solide ogend hekwerk. Zelden zal de term 'nieuwe buren' zo beladen zijn geweest. Pal naast een witte VN-tank heeft de Partij van God een stalinorgel van schuimplastic neergezet, de tientallen lopen dreigend gericht op Metulla. Drie Ghanese Unifillers laten zich, schaapachtig lachend, op de foto zetten met triomfantelijk kijkende Hezbollah-leden. Slechts af en toe waagt een Israëlische patrouille zich op het zandpad langs de afrastering, bang voor stenen of andere projectielen. Maar vooralsnog is de sfeer aan de grens uiterst ontspannen. De Hezbollah, die zich sedert vorige week woensdag langs de meer dan honderd kilometer lange grens met Israël heeft geposteerd, is uiterst gedisciplineerd, en er is nog geen schot gevallen. De grensovergang Fatima werd hermetisch afgesloten en biedt een desolate aanblik. De tientallen winkels die louter Israëlische producten verkochten, zijn geplunderd of dicht, de eigenaren houden zich schuil of zijn naar Israël gevlucht. De gevreesde 'bijltjesdag' is uitgebleven, ondanks de dreigende woorden van Hezbollah-leider Hassan Nasrallah dat de collaborateurs van het Zuid-Libanese leger in hun bed zouden worden afgeslacht.

Achtergebleven militieleden, door de Libanezen smalend de 'zandzakken van het Israëlische leger' genoemd, verzamelden zich in de nacht van dinsdag op woensdag in kerken en moskeeën terwijl hun religieuze leiders bemiddelden met de Hezbollah. Elias Kfouri, de orthodoxe bisschop van het overwegend christelijke Marjayoun, herbergde in die gevreesde nacht meer dan honderd doodsbange soldaten in zijn kerk. Marjayoun was het bolwerk van het Zuid-Libanese leger, midden in het centrum staat een enorme Israëlische kazerne die nu is overgenomen door het reguliere Libanese leger. Kfouri, na de kerkdienst van afgelopen zondag: "Iedereen verwachtte een slachtpartij, we zagen de Hezbollah als een bloeddorstige, wraaklustige meute. Maar we zijn keurig behandeld, de Hezbollah heeft zelfs geen provocerende vlaggen opgehangen in Marjayoun." Over de naar Israël gevluchte militieleden laat hij zich liever niet uit. Hij kende ze, hun plekken in de kerk bleven leeg deze zondag. "Ik hoop dat ze terugkeren naar hun vaderland, ze hebben hier eeuwen gewoond. Alles wijst erop dat ze op een eerlijk proces kunnen rekenen." Hij geeft het voorbeeld van de jonge Roger, die nadat hij naar Israël was gevlucht, berouw kreeg. Huilend stond hij aan de grens, de Israëli's wilden hem aanvankelijk niet terug laten keren. Na twee dagen lieten ze hem tenslotte gaan. Vergezeld door zijn verloofde en zijn ouders gaf Roger zich over aan het Libanese leger. Volgens Kfouri krijgt hij hoogstens een jaar gevangenisstraf, hij vervulde geen belangrijke rol in het Zuid-Libanese leger. Bisschop Kfouri: "Jonge jongens werden geronseld door de Israëli's, ze hadden geen enkele keus, we waren nu eenmaal bezet."

Het is onheilspellend stil in het schilderachtige Marjayoun. De meeste winkels zijn gesloten, de luiken van de villa's zitten potdicht. Alleen vrouwen en kinderen wagen zich op straat. Het standbeeld van Saad Haddad, de oprichter van het Zuid-Libanese leger, werd twee dagen geleden van zijn sokkel getrokken en achter een Mercedes door de straten van Marjayoun gesleept. Van het gloednieuwe centrum van het Zuid-Libanese leger, even buiten Marjayoun, zijn alle ruiten ingeslagen. In de twee torens van het foeilelijke gebouw zijn een kruis en een halve maan verwerkt, als symbool van de twee religies die in de militie dienden. De Hezbollah heeft het centrum volgehangen met posters, uit speakers schallen sjiietische strijdliederen.

Met Habib Moekaddem verken ik het bevrijde zuiden. Habib (59) woont in Nabatiye, een marktstadje op de grens van de voormalige 'veiligheidszone'. Hij heeft alle facetten van de bezetting meegemaakt. Aanvankelijk was hij opgelucht toen het Israëlische leger in 1982 Nabatiye binnenviel met als doel de PLO van Yasser Arafat op te ruimen. Zijn huis werd voor de Israëlische invasie drie keer geplunderd door Palestijnse guerrillastrijders die Nabatiye als hoofdkwartier voor het zuiden gebruikten en er een waar schrikbewind voerden. Al spoedig bleek dat de Israëli's geen haar beter waren dan de Palestijnen. Samen met duizenden anderen mannen uit de omgeving werd Habib zonder enige reden gearresteerd en overgebracht naar het beruchte gevangenenkamp Ansar, nabij Nabatiye. Een half jaar later werd hij zomaar vrijgelaten, soms heeft hij nog nachtmerries van de martelingen die hij onderging. Vervolgens werd de Hezbollah actief in Nabatiye. Habib, sjiiet van geboorte maar niet praktiserend, weigerde geld af te staan aan de islamitische verzetsbeweging die aanvankelijk de sluierplicht en een algeheel drankverbod voor Nabatiye wilde invoeren. "Het is toch potverdorie geen Iran hier", bromde hij altijd. Zijn vijftien jaar jongere vrouw Ichsaan, goed opgeleid en geëmancipeerd, moest al helemaal niets van de Partij van God hebben. Habib bleef stoïcijns onder de dreigementen, al moest hij knarsetandend toezien hoe de Hezbollah gratis tankte in zijn garage in het centrum van de stad. Aan de dagelijkse beschietingen van Nabatiye was hij allang gewend geraakt. Op zijn brede balkon koestert hij, tussen de begonia's en muntplanten, hulzen van Israëlische fosforbommen die in zijn tuin landden. Drie Israëlische posities bevonden zich op amper een kilometer van zijn huis. "Ik was zo gewend geraakt aan de nachtelijke bombardementen dat ik, sinds het stil is geworden, een stuk slechter slaap."

We rijden naar Chateau Beaufort, op tien kilometer afstand van Nabatiye. Vanuit dit imposante kruisvaarderskasteel, dat als een adelaarsnest boven de wijde omgeving uittorent, controleerde het Israëlische leger een groot deel van het zuiden. Drie dagen geleden blies een Israëlische Apache-helikopter, nadat de laatste soldaten het fort in allerijl hadden verlaten, de belangrijkste strategische positie in het bezette gebied op. Habib is er sinds 1978 niet meer geweest. Samen met honderden nieuwsgierige Libanezen klauteren we omhoog naar het kasteel, dat zichtbaar heeft geleden onder het bombardement. Op de top van Beaufort wappert de vlag van de Hezbollah. Habib gelooft zijn ogen niet als hij de als twijgen geknakte betonnen platen ziet: "Ya Allah, de Israëli's hebben hier voor miljoenen dollars aan beton geïnvesteerd, alsof het niets is." Onder het puin liggen verkoolde computers, blikken koosjere soep en bonen, hulzen van 120 mm-geschut en flarden van Israëlische kranten. De loopgraven en de schuttersputjes zijn volledig intact, evenals het betonnen toilet dat een walgelijke geur verspreidt.

Vanaf de top van het kasteel zien we Syrië, Noord-Israël, Nabatiye en de havensteden Tyrus en Sidon liggen. Habib: "Je hebt maar tien soldaten op het kasteel nodig om de hele omgeving te controleren, die kruisvaarders waren toch geen domme jongens."

We vervolgen onze weg naar het zuiden. Langs de weg staan uitgebrande Israëlische Merkava-tanks, in allerijl achtergelaten. Aan de oevers van de Litani-rivier picknicken tientallen Libanese families. Een dag eerder vond het Libanese leger een enorme pompinstallatie bij de rivier, waarmee het gerucht dat Israël water stal uit Zuid-Libanon eindelijk een feit is geworden.

Habib moet overal de weg vragen, net als de duizenden dagjestoeristen die eveneens meer dan twintig jaar niet in het gebied waren. Van Nabatiye tot aan de Israëlische grens is het een grote file met toeterende auto's. Hele families poseren voor uitgebrande posities van het Israëlische leger, zwaaiend met Hezbollah-vlaggen.

De belangrijkste attractie van het bevrijde gebied is de beruchte gevangenis van Khiam. Martelen was hier aan de orde van dag, honderden gevangen werden hier zonder enig proces jarenlang vastgehouden. Het Israëlische leger verbood afgevaardigden van het Rode Kruis de toegang tot dit gruwelijke oord, aanvankelijk werd het bestaan van de gevangenis zelfs ontkend. Nu blijkt duidelijk waarom.

In de tientallen stinkende cellen, drie meter breed en tien meter lang, is het aardedonker. In iedere cel staan er tien stapelbedden, waarop intens smerige slaapzakken van het Israëlische leger liggen. Aan waslijnen hangen gerafelde T-shirts en onderbroeken, op de grond liggen speelkaarten en rottende sinaasappels. Op de muren zijn verwensingen aan de joden gekladderd. De zestienjarige Bassam woont pal naast de gevangenis. Met zijn neus dichtgeknepen loopt hij door de lugubere cellen waar zijn vader vijf jaar opgesloten zat. "'s Nachts konden we de gevangenen horen krijsen als ze gemarteld werden, het was afschuwelijk. Vijf jaar lang kregen we geen enkel teken van leven van mijn vader. We hebben lang gedacht dat hij dood was."

Bij de ingang van de gevangenis hangt een enorme lijst waarop ex-gevangenen hun naam schrijven. Nasser, de vader van Bassam, is nummer 230. Met tranen in zijn ogen kijkt hij naar de lijst van mannen die stierven tijdens hun gevangenschap, vijftien in totaal. "Ik ben niet meer bang voor de hel sinds ik hier geweest ben", zegt hij terwijl hij ons rondleidt door het complex. Hij moet slikken als we de martelkamer betreden, een bedompte ruimte met een wirwar van elektriciteitsdraden. "De Libanese bewakers waren nog erger dan de joden, die maakten niet graag hun handen vuil aan ons. Dat hebben ze zeker van de Duitsers geleerd, die lieten het vuile werk ook door anderen opknappen."

In de kamer die diende voor medisch onderzoek liggen spuiten en pillen, hoofdzakelijk aspirines en antibiotica, over de grond verspreid. Het gebouw ernaast diende volgens het Hebreeuwse opschrift als militair tribunaal. Nasser: "Ik ben hier een keer geweest, binnen twee minuten stond ik weer buiten. Vijf jaar later werd ik pas vrijgelaten. Ze zeiden dat ik een spion was voor de Hezbollah, hetgeen niet het geval was. Achteraf spijt het me dat ik niet meer gedaan heb voor het verzet, maar net als iedereen in het bezette gebied was ik doodsbang."

Een groep Libanese kunstenaars heeft inmiddels aangeboden de gevangenis als permanent expositiecentrum in te richten, met schilderijen en beeldhouwwerken. Maar misschien is het wel doeltreffender om de gevangenis in de huidige staat te laten, als blijvend symbool voor de wrede bezetting die 22 jaar duurde.

We rijden door naar Bint Jebeil, waar Hezbollah-leider Hassan Nasrallah een toespraak zal houden. Honderdduizend uitbundige Libanezen zijn naar het centrum van het overwegend sjiietische stadje gekomen en zwaaien met Libanese en Iraanse vlaggen. Nasrallah, vergezeld door drie bodyguards, is op het hoogtepunt van zijn populariteit. "De overwinning is te danken aan het hele Libanese volk", buldert hij, "en niet alleen aan de Hezbollah. Door jullie standvastigheid heeft de zionistische vijand het hazenpad gekozen, God zegene jullie." Nasrallah geeft te kennen dat de reconstructie van het bevrijde gebied op dit moment het belangrijkste doel is van de Hezbollah, daarna zal de partij zich beraadslagen over de toekomst. Hij roept de Arabische regeringen op alle banden met de joodse staat te verbreken. Voor de Palestijnen heeft hij nog een speciale boodschap: "Als het ons lukt om het machtige Israëlische leger de eerste nederlaag sinds 1948 toe brengen, dan moet het jullie zeker lukken om Palestina en Jeruzalem te bevrijden."

Op de weg van Bint Jebeil naar het kustplaatsje Naqoura blijkt pas goed hoe het Israëlische leger heeft huisgehouden in het zuiden. Hele dorpen zijn totaal vernietigd, moskeeën zijn als kaartenhuizen in elkaar gestort. Door de tactiek van de verschroeide aarde toe te passen zijn in de afgelopen 22 jaar meer dan tweehonderdduizend Libanezen naar het noorden gevlucht. Hele families picknicken nabij de ruïnes van hun huizen. Ze zijn vastberaden definitief terug te keren naar het zuiden, na jarenlang onder erbarmelijke omstandigheden in Beiroet te hebben gewoond. De bezetting van Zuid-Libanon is definitief voorbij. De Hezbollah verloor, net als het Israëlische leger, 1.200 soldaten. Voor Israël was het Libanese avontuur volkomen zinloos. Aan de noordgrens bevinden zich nu duizenden Hezbollah-strijders, pal nabij stadjes als Metulla, Kiryat Shmonah, Rosh ha Nikra en Nahariyyah. Tientallen kibboetsen zijn blootgesteld aan eventuele infiltraties, net als 22 jaar geleden. Vooralsnog is het rustig, maar de situatie is explosief. Een afgevuurde katjoesjaraket kan een nieuwe oorlog veroorzaken. Voor Libanon en Israël breken opnieuw onzekere tijden aan. Libanese Druzen in het dorpje Kfar Kila. Op de achtergrond de Israëlische nederzetting van Metulla. (Foto AP)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234