Vrijdag 30/09/2022

Reportage20 jaar na ‘The Wire’

‘Is het je al opgevallen wat je hier niet ziet op straat? Kinderen. Je ziet geen kinderen’

Elijah Miles houdt met een groep kinderen in Oost-Baltimore de straten van hun wijk schoon.  Beeld Thomas Rueb
Elijah Miles houdt met een groep kinderen in Oost-Baltimore de straten van hun wijk schoon.Beeld Thomas Rueb

Twintig jaar geleden schetste de Amerikaanse misdaadserie The Wire een duister beeld van Baltimore, een stad in de greep van drugs en geweld. Nu zijn de makers voor een vervolg teruggekeerd, en de situatie is bepaald niet verbeterd.

Thomas Rueb

Het begon op deze straathoek. Hier, op de kruising van Fulton en Lexington, zat rechercheur Jimmy McNulty twintig jaar geleden op een trapje, in de iconische openingsscène van The Wire. Voor hem lag het dode lichaam van ene Omar Isaiah Betts, beter bekend als Snot Boogie. “Hij had één keer een loopneus”, zegt McNulty in de scène tegen een ooggetuige, “en in plaats van hem een Kleenex te geven, noemt een of andere klootzak hem Snot. Dus is hij Snot voor altijd.” De getuige haalt zijn schouders op. Zo gaat dat hier, in Baltimore.

“Mij noemden ze Bert”, zegt Damien McNeil (45), buurtbewoner, en hij lacht zijn gouden tanden bloot. “Van Sesamstraat, weet je? Vroeger werd ik gepest, omdat ze vonden dat ik op Bert leek, dus werd dat mijn straatnaam. Zoiets blijft hangen.”

Wat The Wire destijds verbeeldde, leefde hij. McNeil was 13 jaar oud toen hij begon met het verhandelen van drugs op de straathoeken van West-Baltimore. “Ik had geen vader, mijn moeder was altijd high: natuurlijk zou dealen mijn lot worden, net zoals bij al die jongens in de serie.”

The Wire – seizoen één stamt uit 2002 – was een lijkbleek portret van een stad in verval: uitgebluste agenten, corrupte politici en kansarme jongeren met elkaar gevangen in een uitzichtloze cyclus van drugs, geld en geweld. Fictie, maar toch ook niet. De serie werd gemaakt door natives David Simon en Ed Burns, respectievelijk journalist en oud-agent. Ze wilden iets aan de kaak stellen.

De serie The Wire Beeld
De serie The Wire

“Als tiener heb ik veel van The Wire geleerd”’, zegt McNeil. Wat dan? “Dat we werden afgeluisterd natuurlijk!” Hij grijnst.” ‘We zagen ineens heel precies hoe de politie in Baltimore te werk ging.” Als de serie één ding deed, zegt McNeil, dan was het wel slimmere drugsdealers van hen maken.

Personages in The Wire waren vaak naar bestaande personen gemodelleerd. Snot Boogie, bijvoorbeeld, maar ook drugskingpin Avon Barksdale, een van de hoofdfiguren. “De echte Barksdale was een familielid van mij”, zegt McNeil. “Die serie, echt, het klopte allemaal als een bus. Zo was het hier. Of nou ja…” Hij grimast. “Zo ís het hier.”

Damien McNeil, inwoner van Baltimore-West Beeld Thomas Rueb
Damien McNeil, inwoner van Baltimore-WestBeeld Thomas Rueb

Getallen liegen niet

Twintig jaar na The Wire is de situatie in Baltimore alleen maar verslechterd. De stad behoort tot de 2 procent gevaarlijkste plekken van de VS. Dit jaar werden tot nu toe, volgens de live teller van lokale krant The Baltimore Sun, 125 mensen vermoord. Bijna elke dag één – en dat in een stad die anderhalf zo groot is als Antwerpen. Volgens analisten ligt 2022 op schema om het dodelijkste jaar uit de geschiedenis van de stad te worden. “Nee, het gaat niet goed”, zegt McNeil. “Getallen liegen niet.”

De high rises uit de serie, torenflats die dienst deden als criminele broedplaatsen, zijn goeddeels met de grond gelijkgemaakt en vervangen door, op het oog, degelijke bakstenen rijtjeshuizen. De drugsproblemen zijn in de jaren sindsThe Wire juist gegroeid.

Het aantal doden door overdoses in Baltimore, bijgehouden op een scorebord voor het politiebureau, schommelt rond de 300 per jaar. Ook op deze hoek hangen ze rond, de verslaafden, zoals in alle buitenwijken. ’s Nachts zijn zij, samen met de politie, nagenoeg de enigen op straat. Ze bepalen het aangezicht van zowel het westen als het oosten van de stad.

Het aantal mensen dat aan een overdosis gestorven is.  Beeld Thomas Rueb
Het aantal mensen dat aan een overdosis gestorven is.Beeld Thomas Rueb

Touwtjespringen

“Is het je opgevallen wat je hier níét ziet op straat?”, vraagt Eugene Brown, bestuurslid van het buurtcentrum van de wijk McElderry Park. Hij geeft zelf het antwoord: “Kinderen. Je ziet geen kinderen.”

Hoewel The Wire zich voornamelijk afspeelde in West, de buurt van Damien McNeil, werd hier meer gefilmd: Oost-Baltimore heeft minder bomen die het zicht van de camera’s konden versperren. “Ik woon hier al mijn hele leven”, zegt Brown, “dus… 62 jaar. Toen ik een kind was, deed niemand zijn deur op slot. Nu durven mensen geen boodschappen meer te doen uit angst voor een kogel.”

De McElderry Park Community Association is een achter zwart glas verstopt kantoortje tussen twee woonhuizen. De bureaus zijn bezaaid met flyers, aan de ventilatoren hangen vliegenstrips. Vanuit hier worden met spaarzame middelen evenementen georganiseerd, zoals buurtbarbecues, en contactarme buurtbewoners van informatie voorzien. “Als hier in de wijk iets gebeurt, dan zorgen wij dat iedereen dat weet. Zoals het nieuws van gisteren, heb je dat gezien?”

Deze zaterdagochtend is McElderry Park nog aan het bijkomen van een, zelfs voor Baltimore, uitzonderlijk gewelddadig etmaal. Om de hoek werden een hoogzwangere vrouw en haar verloofde doodgeschoten. Voor zij overleed, wist ze in het ziekenhuis haar baby nog ter wereld te brengen. “Dit soort dingen gebeurt hier dus”, zegt Brown, terwijl hij half overeind komt in zijn scootmobiel. “De mensen zijn gek geworden.”

Met de dealers in zijn eigen wijk heeft Brown een afspraak weten te maken, noem het een periodieke wapenstilstand: “Elke donderdagmiddag is het Throwback Thursday. Dan mogen de kinderen ongehinderd spelen op straathoeken waar anders wordt gedeald. Voor de volwassenen draaien we oude muziek. Alleen op donderdag zie je kinderen touwtjespringen.”

Freddie Gray

Rijd vanuit hier tien minuten en je ziet de stad voor je ogen veranderen. In het brandschone centrum, rond de bruisende boulevard, fonkelen de dure hotels en chique restaurants in de lentezon. Ongelijkheid is in Baltimore opzichtig.

Ook dat hadden de makers van The Wire goed gezien. In een ijzersterke scène besluit drugsdealer D’Angelo zijn in de onderwereld verdiende geld uit te geven in de bovenwereld. Hij neemt zijn vriendin mee naar een duur restaurant. Binnen lijkt hij letterlijk te krimpen. Hij voelt zich bekeken. Waar iedereen hem in de achterbuurten hard, maar altijd met respect behandelt, wordt D’Angelo hier zelfs door de hautaine ober gekleineerd. “Hoe hard je het ook probeert”, klaagt hij, “je komt nooit vooruit.”

Lang kon de bovenlaag van Baltimore de ogen sluiten voor de schrijnende situatie in de buitenwijken. Natuurlijk keek iedereen naar The Wire, maar het was vooral een probleem van Oost, West, van dáár. “Sinds Freddie Gray is dat veranderd”, zegt Damien McNeil. “Maar niet ten goede.”

‘We Own This City’, de nieuwe serie van de makers van ‘The Wire’.  Beeld
‘We Own This City’, de nieuwe serie van de makers van ‘The Wire’.

Op de ochtend van 12 april 2015 rekent de politie de 25-jarige Freddie Carlos Gray jr. in voor bezit van een vlindermes. Gray wordt op de vloer van een politiebusje gesmeten, voeten bijeengebonden, armen op zijn rug. Tijdens de dollemansrit die volgt, vliegt hij de bus door. Hij loopt zulke zware verwondingen op dat hij een paar dagen later overlijdt.

Grootschalige protesten breken uit in de stad, winkels sneuvelen, 113 politieagenten raken gewond. De noodtoestand wordt uitgeroepen. Wekenlang houden de onlusten aan en wordt heel Baltimore met zijn neus op de feiten gedrukt.

De zes betrokken agenten worden aanvankelijk vervolgd, maar geen van hen veroordeeld. Uit onderzoek door justitie destijds blijkt dat de politie van Baltimore gebukt ging onder welig tierende corruptie, en dat “de Afro-Amerikaanse gemeenschap buitenproportioneel getroffen wordt” – op een schaal die The Wire dan weer niet liet zien.

Pistool in de broek

Het is in deze werkelijkheid dat We Own This City zich afspeelt, de nieuwe serie van The Wire-maker David Simon. Deze maand zijn de eerste afleveringen verschenen. De serie, gebaseerd op het boek van lokale misdaadjournalist Justin Fenton, legt de rot bloot binnen het politiekorps van Baltimore.

Na de dood van Freddie Gray poogt de korpsleiding te hervormen, te verbeteren, maar elke stap kan rekenen op verzet. Politieagenten in de stad beginnen een zogeheten work slowdown: passief protest. Het aantal patrouilles en arrestaties keldert, straatondervragingen dalen tot wel 70 procent, en de misdaad piekt.

“‘In de tijd van The Wire liep ik echt niet zomaar met een wapen op zak”, zegt Damien McNeil. “Veel te riskant, je werd zo gepakt. Als je er eentje nodig had, dan haalde je het op. Nu loopt elke dealer in Baltimore met een pistool in zijn broek, omdat ze denken dat de politie toch niets doet. En ja, dan gebruik je het ook sneller.”

In We Own This City staat de zogeheten Gun Trace Task Force centraal, een eenheid die als taak had om deze wapens van de straat te halen. In werkelijkheid gedroeg dit corrupte collectief zich als een straatbende die de wijken van Baltimore jarenlang terroriseerde. De politieleiding hield hen intussen de hand boven het hoofd omdat zij, in tegenstelling tot veel andere agenten, wél ‘resultaat’ leverden.

Our hood, our job

“Ja, die gasten ken ik goed”, zegt Elijah Miles (26) op een straathoek in Oost-Baltimore. Zoals McNeil opgroeide tussen de criminelen uit The Wire, zo kent Miles de politieagenten uit We Own This City persoonlijk. “Zij hebben flink huisgehouden, en dat gebeurde allemaal hier.”

De divisie mishandelde arrestanten, stal geld en verkocht in beslag genomen drugs doodleuk terug aan straatdealers. Deze wijk, zegt Miles, werd vanwege dit soort politieagenten juist onveiliger.

“Pas op voor naalden! Nooit naalden pakken!” Net als elke zondagochtend loodst Miles vandaag een groep kinderen door zijn wijk, gewapend met grijpers en vuilniszakken. “Our hood, our job” staat er op hun truien. “Blikjes, flesjes zijn oké,” roept Miles ze na, “maar pas op dat er niets gevaarlijks in zit!”

Tien jaar geleden, als tiener, begon Miles een project om de buurt te verheffen. Hij noemde het de Tendea Family, naar het Swahili woord voor hustle. De deelnemers vandaag zijn tussen de 8 en 18 jaar oud. Met het vuilrapen kunnen ze 50 dollar verdienen. “Ik wil hen laten zien dat er in Baltimore voor zwarte jongeren méér manieren zijn om geld te verdienen dan wat je ziet in The Wire of We Own This City.”

Want dat blijft uiteindelijk het probleem, zegt Miles: slechte voorbeelden doen óók volgen. “Die series zijn de enige keren dat deze jongens zichzelf op tv vertegenwoordigd zien. Zo is het toekomstbeeld dat ze daarin steeds bevestigd krijgen: als je hier opgroeit, word je blijkbaar drugsdealer.” Om de cyclus te doorbreken, zegt Miles, moeten jongeren eerst geloven dat zoiets mogelijk is. “Dáár zou ik weleens een televisieserie over willen zien.”

Damien ‘Bert’ McNeil lukte dat wel. Vandaag gaat hij gekleed in een knaloranje polo van Safe Streets Baltimore, nog zo’n burgerorganisatie die de stad hoopt te verbeteren. McNeil wil, net als Miles, een voorbeeldfiguur zijn: jongeren van Baltimore laten zien dat je in deze stad niet als Avon Barksdale, of als Snot Boogie, hoeft te eindigen. “Ik spreek hun taal, ik heb hun leven geleefd. Naar mij willen ze soms nog weleens luisteren.”

Kinderen maken de wijk schoon, op hun T-shirts en truien staat ‘Our hood, our job’. Beeld Thomas Rueb
Kinderen maken de wijk schoon, op hun T-shirts en truien staat ‘Our hood, our job’.Beeld Thomas Rueb

We Own This City en The Wire zijn te bekijken via Streamz.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234