Zondag 05/12/2021

Irande strijd van het harttegen de regels

Terwijl de wereld even wegkeek, is de Iraanse bevolking pro-Amerikaans en antiklerikaal geworden. 'Het spijt me dat ik moslim ben.'

Rudi Rotthier Foto's Kai Wiedenhoefer / Lookat

Iran is een brokkelend land. Zelfs de bergen lijken geen grote coherentie te bezitten. Zuchtjes wind volstaan om steentjes en zandkorrels naar lagergelegen plateaus te doen verglijden. Shalamcheh is niet langer brokkelend. Elk brokje moet onder honderden bommen zijn verpulverd. Shalamcheh is zand geworden waarop geen onkruid meer groeit, zand dat ondanks felle windstoten roerloos blijft. Zand bovenop mijnenvelden. Her en der zie je wrakken van tanks, sommige duidelijk van Irak, andere Iraans, op de meeste is de vlag niet langer zichtbaar.

"Schroot is schroot", zucht Massoed, de taxichauffeur die me voorbij de legercheckpoints heeft geloodst.

Eerst wou een officier ons niet doorlaten. Hij sprak geen Engels, maar hij schreef het wel. "Please don't go to Shalamcheh, it's dangerous."

"Wat is er dan aan gevaar?", had Massoed gevraagd.

"Amerika", antwoordde de officier, terwijl hij de ogen opensperde. "Boemboemboemboem."

De Amerikaans-Britse bombardementen tegen Irak nemen weer toe, en af en toe moet een verdwaalde bom ook Iran raken. Hij liet opnieuw de lippen trillen: "Boemboemboemboem."

"Wat een onzin", vindt Massoed. "Als er in de streek gebombardeerd wordt, zouden we dat wel horen." Hij woont op 5 kilometer van Shalamcheh.

Wat is dan de echte reden dat we niet naar de brug over de Shatt-al-Arab-rivier, de lang bevochten grens tussen Iran en Irak, mogen?

"Het is militair terrein, ze willen geen pottenkijkers."

Wordt over de brug een handeltje gedreven dat het zonlicht niet verdraagt?

Hij haalt zijn schouders op. "Wie weet zulke dingen?"

Massoed heeft zijn identiteitskaart bij de officier achtergelaten. Als we toch aan de brug belanden, worden er represailles tegen hem genomen. We mogen wel het monument voor de oorlogsslachtoffers gaan bekijken, ongeveer een kilometer van de brug vandaan.

Monument is een overdreven woord. Er is een moskee in aanbouw waarin, achter een glazen kast, schaarse oorlogsmemorabilia worden bewaard: drie kapotgeschoten helmen, een koran, een drinkbus, enkele papieren.

Ik wilde per se naar Shalamcheh reizen nadat ik een oud-strijder van de oorlog met Irak had ontmoet, die hier, in dertien dagen, net niet gek was geworden.

Firdaus had Shalamcheh op een blaadje nagetekend. Eerst tekende hij het zand aan de Iraanse kant, de plaats van het huidige monument, lange tijd door Irak bezet maar tegen 1986 alweer enige jaren bevrijd. Dan de rivier, een kilometer breed, niet dieper dan anderhalve meter, maar ondermijnd en af en toe onderbroken door prikkeldraad. Het enige alternatief voor de rivier was een smalle corridor, de brug, die werd verdedigd met een antitankbatterij. Aan de overkant van de rivier hadden de Irakezen een hellende verdedigingslinie geïnstalleerd waarop de modernste oorlogsapparatuur stond die Saddam in Engeland en Frankrijk had kunnen kopen: antitankgeschut, machinegeweren die eindeloos bleven ratelen. Dat alles achter een omheining van prikkeldraad die enkel met dynamiet weg te blazen was.

In het holst van een kille nacht had Firdaus met drieduizend metgezellen zijn voorbereidingen getroffen. Hij had volgens het vaste ritueel vers ondergoed aangetrokken, zijn koran en zijn wapen weggeborgen. De soldaten hadden gezamenlijk gebeden. De officieren dienden hen geen moed in te spreken: ook de dood was een positief vooruitzicht, want die zou recht naar het paradijs leiden.

Er doen tal van verhalen de ronde over de doodsverachting van de Iraanse vrijwilligers en officieren. Kinderen zouden in de mijnenvelden zijn gestuurd, officieren zouden hun troepen plastic sleutels hebben meegegeven waarmee ze de deur naar het paradijs konden openen. Firdaus had niets van dat alles met eigen ogen gezien, al acht hij het verhaal van de sleutels niet ondenkbaar. "Dat lag wel ongeveer in de lijn van wat ik heb meegemaakt. Dat van de kinderen zou me verwonderen. Ik heb gehoord dat geiten op de mijnvelden werden losgelaten. Maar je moet je de situatie indenken. Onze wapens waren waardeloos in vergelijking met wat Saddam had kunnen kopen. We vochten met niet veel meer dan wilskracht en geloof tegen kogels."

Die nacht hadden de Iraanse troepen maar enkele uren nodig om de Iraakse stellingen te overmeesteren. In die eerste uren vielen 'slechts' driehonderd doden aan Iraanse kant. Firdaus installeerde zich, na een bloedstollende tocht door de rivier, in een positie die kort tevoren nog door de vijand was ingenomen.

De Iraanse pers bestempelde het als een miraculeuze overwinning.

Uren later brak de hel los. Saddam beval non-stop bombardementen. "Heb je de film Saving Private Ryan gezien? Zoals het openingshalfuur van de film, zo heb ik dertien dagen geleefd."

Saddam gooide alles wat hij had: conventionele bommen, mosterdgas, ander gas. Firdaus gelooft nog altijd dat Iran had kunnen doorstoten naar Basra, de Iraakse haven- en industriestad. Alles was beter dan wachten onder de bommen. Hij kon de vijand in de ogen kijken: even bang, even jong als hij, alleen beter bewapend. "Als je zo op elkaars lip leeft, wordt het veel moeilijker om te doden. Daar heb ik mijn haat voor de vijand verloren."

Hoeveel van de oorspronkelijke drieduizend soldaten de campagne hebben overleefd, wist Firdaus niet te vertellen. In de loop van de dertien dagen was hij eerst doof en dan blind geworden. Doof door het lawaai, blind door het gas. Hij weet niet hoe hij werd afgevoerd, hij weet niet of het land dat hij hielp veroveren uiteindelijk door Irak is teruggewonnen dan wel of het aan de onderhandelingstafel is teruggegeven. Na enkele dagen kon hij weer iets horen, na veertien dagen kon hij weer zien, erg troebel eerst, enigszins troebel nog altijd. Hij was zeventien jaar en na drie campagnes als vrijwilliger achtten hij en de dokters het beter de oorlog voortaan te mijden.

Firdaus is niet dom. Hij is gaan studeren, hij weet nu dat niet alleen Irak buitenlandse steun kreeg. Iran kocht via aartsvijand Israël en via andere schema's (Iran-Contra) Amerikaans wapentuig. Hij weet dat er verschillende belangen speelden, ook aan Iraanse kant. In oorlogstijd was het veel gemakkelijker om politieke tegenstanders te laten liquideren.

Saddam begon de oorlog in september 1980 om de Shatt-al-Arab-rivier (verbinding met de Golf) en de Iraanse olie-installaties in onder meer Abadan te veroveren. Hij rekende erop dat Iran, verzwakt door de revolutie, snel door de knieën zou gaan. Hij had de hardnekkigheid van de Iraniërs en hun hervonden geloof onderschat. Misschien had hij ook de perfiditeit van de westerse wapenleveranciers verkeerd ingeschat. Die hadden er immers alle baat bij dat de oorlog zo lang mogelijk bleef duren. Ze leverden aan wie het onderspit dreigde te delven. Zo bleef de winst maximaal, zo verzwakte men twee landen die een hegemonie over de Golf nastreefden. In de oorlog zijn misschien anderhalf miljoen mensen om het leven gekomen, een miljoen van hen aan Iraanse kant (volgens de Iraanse Stichting van Martelaars ligt het officiële dodental veel lager, rond 200.000 aan Iraanse zijde, maar al minstens één keer heeft Iran een dodental van 500.000 toegegeven).

Firdaus beseft dat hijzelf voor het leven verminkt is, en niet alleen door het gas van Saddam. "Ik kan zelfs geen kakkerlak meer doden. Als mijn dochtertje valt en zich de knie schaaft, ween ik harder dan zijzelf. Ik raak over mijn toeren van een halve druppel bloed."

"Maar", zei hij, "er was ook schoonheid aan die oorlog verbonden. De solidariteit tussen mensen die allen bereid waren te sterven, de band van de religie. We waren naïef, supernaïef, maar in onze naïviteit hadden we een soort aards paradijs gecreëerd, een wereld zonder naijver en vrees, zonder misdrijven. Een paradijs dat we meenden te kunnen veralgemenen. Dat was de utopie van de revolutie." Een tijdelijk en verpauperd paradijs, in afwachting van de dood, maar desalniettemin een paradijs. "Zonder die oorlog kun je de hedendaagse situatie van Iran of het Midden-Oosten niet begrijpen. Als Saddam niet acht jaar lang Iran had bevochten zou hij niet in geldnood zijn geraakt en zou hij geen noodzaak gevoeld hebben om Koeweit binnen te vallen. Dan was hij nog altijd een bondgenoot van het Westen geweest. Iran daarentegen zou misschien een rijk land zijn geworden..."

In Abadan, op 25 à 30 kilometer van Shalamcheh, vullen de oorlogsslachtoffers een deel van de lokale begraafplaats. De moeder van taxichauffeur Massoed ligt er; ze was vijfenveertig toen ze stierf. Een vriend van zijn vader wordt vandaag begraven: tweeënvijftig jaar. Hartaderbreuken in beide gevallen. Abadan werd nooit door het Iraakse leger veroverd, maar de stad leefde jarenlang onder bombardementen, de petroleuminstallaties ontploften en brandden, ook hier vielen gifbommen. Stress en gif hebben de volksgezondheid ondermijnd.

Terwijl aan andere, versere graven oude mannen koranverzen zingen, zijn de oorlogsgraven vreemd verlaten. Een vader komt bloemen op het graf van zijn zoon leggen. Hij wijst naar de foto: Hassan. Vijftien was hij. In het begin had bijna iedereen een foto van de ayatollah Khomeini, en later van diens opvolger Khamenei, naast de foto van 'de martelaar' geplaatst, maar tegenwoordig zijn hun foto's van bijna alle zerken weggehaald.

"Eerst dacht ik", zegt de man, "dat het een goede dood was. Tijdens een ceremonie werden we de heldhaftige ouders van een heldhaftige zoon. En hoewel dat toen al vals klonk - wat was er heldhaftig aan mij? - kon ik me ermee verzoenen. Tegenwoordig denk ik: wat heeft het opgeleverd? Dood is dood. Ik had harder moeten proberen hem tegen te houden. Maar simpele ouders hadden geen verhaal tegen de ayatollahs en hun beloften. Je was een halve landverrader als je op je zoon inpraatte."

Duizend kilometer noordoostelijk ligt Teheran, de hoofdstad. Ali, een student waterkunde die ervan droomt verder te studeren in Nederland of in Canada, twee landen met meer water dan Iran, biedt aan om me naar nog meer oorlogstreurnis te leiden. Naast het mausoleum van de ayatollah Khomeini liggen tienduizenden slachtoffers van de oorlog met Irak begraven. Ali, drieëntwintig, heeft als kind het grafterrein met zijn grootvader bezocht. Toen was de sfeer er een van heroïek. Nu denkt hij: als de ayatollah Khomeini in 1982 niet koppig was geweest en een gunstig vredesvoorstel had aanvaard (gunstiger dan het verdrag dat uiteindelijk in 1988 werd getekend), dan waren honderdduizenden levens gespaard. "Dit zijn geen helden, dit zijn sukkelaars. We moeten hen niet verheerlijken, we moeten medelijden met hen hebben." De doden sterven een tweede keer.

We lopen het mausoleum van de ayatollah binnen. Er wordt nog altijd aan gewerkt, de overkoepelde moskee wordt gigantisch, maar de zerken van de ayatollah en diens voor de revolutie vermoorde zoon getuigen van een zekere bescheidenheid.

"Wat valt je op?", vraagt Ali. "We zijn de enige bezoekers. Op een paar Afghanen na, maar die komen omdat ze gratis voedsel krijgen en omdat ze goedkoper hier kunnen overnachten dan in een hotel. Niemand wil nog van de ayatollahs weten, zelfs niet van Khomeini. Ik wil met je wedden dat dit mausoleum over vijf jaar niet meer bestaat. Het wordt gesloopt door een woedende massa, daar ben ik heilig van overtuigd."

Hoeveel mensen denken zoals hij over de vader van de revolutie?

"Iedereen denkt zo, althans 95 procent van de bevolking."

Hij wil het bewijzen. Op de bus terug naar het centrum van Teheran ondervraagt hij pendelende studenten. "Wat vind jij van Khomeini? En jij?" Er worden neuzen opgehaald en duimen neerwaarts gekeerd. "Iemand voor Khomeini?", vraagt Ali aan enkele samenzittende studenten. Geen enkele meldt zich aan. Ali triomfeert: "Zie je wel, 95 procent is tegen Khomeini. Wat betekent dat 99,9 procent van de bevolking tegen de andere mullahs gekant is.

"Denk niet dat ik geen moslim ben. Ik bid elke dag en ik geloof dat onze godsdienst de beste van de wereld is, maar ik verzeker je: mensen gaan binnenkort mullahs vermoorden. Ik háát hen, iedereen haat hen. Zij houden dit land onder de knoet."

Vierhonderd kilometer zuidelijker in Isfahan. Ik weet niet goed wat de naam Atefe precies betekent. Zijzelf zegt: genegenheid. Elders hoor ik: vriendschap. Atefe is, zoals Ali, in het jaar van de revolutie geboren. Ze studeert en is, na een Iraaks bombardement, aan een kant doof. Zes avonden per week klust ze bij in een boekhandel van een vijfsterrenhotel. Voor haar 36-urenweek ontvangt ze 18,5 euro. "Ik werk niet voor het geld. Mijn ouders hebben geld genoeg. Ik werk omdat het voor mij de enige manier is om te ontsnappen aan de regelmaat, aan de verveling.

"Mijn ouders waren actief in de revolutie. Ikzelf weet het niet. De sjah had zijn goede kanten. Wat later kwam, had goede kanten. Maar ons huidige bestel heeft zijn tijd gehad. Voor jonge mensen als ik is de islamitische republiek een onhoudbaar keurslijf geworden. Ik ben een goede moslim, denk ik. Ik vast, ik bid, ik draag de hoofddoek, zelfs thuis, als er mannelijk bezoek is. Maar waar in de koran staat geschreven dat vrouwen in het zwart gekleed moeten gaan en dat ze vormeloze balen moeten dragen? Ik heb gezocht en niets gevonden. Dat is de islamitische republiek: regels, regels, regels."

Voor ze naar de boekhandel komt, verkleedt ze zich. Aan de universiteit moet de chador tot de hielen reiken. Af en toe komt iemand haar gezicht inspecteren. Of ze make-up draagt? Of ze haar wenkbrauwen gekamd heeft dan wel geëpileerd en bijgekleurd? In geval van twijfel moet ze onder toezicht haar gezicht wassen.

"Waar staat dat in de koran? Ik heb toch zelf leren lezen. Waar staat het geschreven dat een vrouw zich door mannen moeten laten inspecteren?"

Nu draagt ze een lichter model, dat net onder de knie ophoudt. Eronder draagt ze een blue jeans, en de kap heeft ze vervangen door een hoofddoek.

"Onlangs ben ik naar Dubai gereisd. Prachtig vond ik dat: wie het wenst, draagt een hoofddoek. Meisjes met en zonder lopen hand in hand. Ik had een broek en een jasje mee, maar uiteindelijk durfde ik er niet mee buiten te komen. Ik zou me naakt hebben gevoeld. Terwijl ik wéét dat er niets fout is met dergelijke kleren. Dat is de indoctrinatie van de islamitische republiek. Regels vormen de religie van wie geen hart heeft."

Dat hoor ik keer op keer, zeg ik. Jongeren willen een religie van het hart.

"Om heel eerlijk te zijn denk ik dat Iran geen bijzonder religieus land is, misschien ook weer vanwege de regels. Mensen voeren de juiste gebaren uit, ze faken het, maar eigenlijk is hun geloof ver te zoeken."

De muezzin kondigt het einde van de vastendag aan. Atafe schenkt me een handvol van de groene druiven waarmee ze haar vasten breekt.

"Ik kan vrij open met mijn moeder praten. In haar jonge tijd was het ook niet al deugdzaamheid wat de klok sloeg. Maar het verschil is dat de ouders toen misschien wel tegen de jongeren protesteerden maar dat de staat hen tenminste met rust liet. Nu bestaat er een coalitie tussen ouders en overheid: de ouders zijn tegen vriendjes, en de staat is dat ook. Je kunt overal betrapt worden."

Ze leest, geeft ze toe, niets liever dan westerse romances. Ze heeft een boekje met de foto van Leonardo DiCaprio voor zich liggen: The Beach. "Ik kan er niet aan doen: dat is mijn ideaal, de romantische liefde. Maar in het Iran van vandaag is die liefde zo goed als onmogelijk. Word je toch verliefd op een jongen en hij op jou, dan word je bijna gegarandeerd op het laatste nippertje gedumpt voor de vrouw met wie hij een gearrangeerd huwelijk aangaat. Tal van vriendinnen is dat overkomen. En zijzelf houden aan hun liefdesaffaire een slechte reputatie over. Men zegt dat ze 'gemakkelijk' zijn. Het maakt niet uit of je met één jongen bent geweest of met honderd. Tot nu heb ik de kandidaten die mijn ouders voorstellen afgewimpeld. Maar lang kan ik niet meer wachten. Op je vijfentwintigste bereik je als vrouw je vervaldatum."

Ze knabbelt op haar laatste druif.

"Ik ben een meisje", zucht ze. "Op mijn drieëntwintigste ben ik een meisje, geen vrouw. Ik zal misschien altijd een meisje blijven."

Gaat het voor al haar vriendinnen zo?

"Niet voor allemaal. Het hangt af van de ouders. Als die hun dochter ondersteunen, kan ze zich een redelijke vrijheid permitteren. Ze kan seks hebben bij haar thuis met jongens die ook in vrijere families zijn opgegroeid en die misschien niet langer zo vasthangen aan de maagdelijkheid van hun partner."

Voor haar behoort dat soort liefde tot de onmogelijkheden. "Ik kan me niet alleen verplaatsen. Ik mag niet met de fiets rijden of met de motor. Ik heb geen rijbewijs en geen auto. Op al mijn uitstappen word ik gechaperonneerd, door mijn moeder of door een zus..."

"Ik ben", concludeert ze, "een slachtoffer van de revolutie." Haar jonge zusje komt haar een avondmaal brengen. "Zij zal het al gemakkelijker hebben. De dingen veranderen. En dit moet ik ook toegeven: ons leven heeft positieve kanten. In mijn familie word ik in de watten gelegd. Ik leef in een luxekooi."

De vrouwen knagen aan de islamitische republiek. De kledingregels schuiven met de dag op. De vormeloosheid is verleden tijd. De meeste vrouwen zeggen de kap vaarwel, ze dragen een hoofddoek die zo langzamerhand de helft van het haar bloot laat en die soms langs achteren een lange haarstreng laat ontsnappen. Het zwart wordt vervangen door grijs, groen of doorschijnend blauw. In de winterkou trekken schoolmeisjes een gecentreerde jas boven hun chador aan. Deze zomer zouden enkele halsuitsnijdingen te zien zijn geweest. De helft van de vrouwen draagt publiekelijk make-up, blos, milde oogschaduw, bijgelijnde wenkbrauwen. Af en toe hebben ze pech en stoten ze op een wachter van de moraliteit die hen lastigvalt en terechtwijst. Maar het sadisme van de revolutie keert zich meer en meer tegen de beulen. Mensen grappen in taxi's en elders over de executietechnieken waaraan ze de 200.000 mullahs van het land zullen onderwerpen. "Ophangen aan hun baard", suggereert er een. "Ze op een muur zetten", vindt een ander, "ze ophangen aan een slap koord en dan steen voor steen de muur demonteren." Er wordt smakelijk om gelachen, hoewel hetzelfde 'grapje' al talloze keren moet zijn verteld.

Het politieke verhaal van november is de terdoodveroordeling van geschiedenisprofessor Hashem Aghajari. De professor had tijdens een lezing in Hamedan gezegd dat gelovigen geen apen zijn die gedachteloos de geestelijken moeten volgen. "Marx zegt: 'Religie is de opium van het volk', maar ik zeg dat het ook de opium van regeringen is."

Hoewel hij hem klaarblijkelijk in zijn lezing niet had vermeld werd Aghajari ter dood veroordeeld omdat hij de profeet Mohammed zou hebben beledigd.

De uitspraak, op 6 november, bracht duizenden studenten op de been, maar het vreemde was dat studenten die ik aansprak nooit zelf over de affaire begonnen. Hun grieven lagen elders. Ze vermoedden dat de studentenbetogingen ook weer pasten in het traditionele spel tussen hervormingsgezinden en behoudenden. De behoudenden arresteren een hervormingsgezinde op het moment dat de hervormingsgezinden de macht van de behoudenden willen gaan beknotten. Niet dat ze het goed vinden, maar zo gaat het nu eenmaal in Iran.

Er zijn tal van andere voorbeelden. Abbas Abdi, die een enquête publiceerde waaruit blijkt dat een meerderheid van Iraniërs betere betrekkingen met de Verenigde Staten wenselijk acht, is in de gevangenis gegooid en komt volgende week voor de rechter (officiële reden: de enquête zou met Amerikaans geld zijn betaald - de enquêteur was kort na de revolutie een van de studenten die de bezetting van de Amerikaanse universiteit leidde...).

Ik zoek een groepje studenten in Teheran University, de plaats waar Aghajari doceerde en, insjallah, na herroeping van het vonnis nog zal doceren. Ik merk hoe een student, die eerst behoedzaam om zich heen kijkt, plots tegen een portret van de hervormingsgezinde president Khatami schopt. Het glas begeeft het niet, maar het trilt langdurig. Wat heeft hij tegen Khatami? "Persoonlijk niets, maar wat zijn we met een hervormingsgezinde president als er geen hervormingen komen? Als hij niets kan realiseren, moet hij opstappen."

Aan het standbeeld van de dichter Ferdosi geven enkele vrolijke studenten wat graag hun mening (het is een van de paradoxen van het land: alle klagenden lijken ook wel vrolijk).

"Natuurlijk", zegt er een, "is het godgeklaagd wat professor Aghajari overkomt. Hij zei wat iedereen denkt, en hij drukte zich veel beleefder uit dan wij dat onderling doen. En toch riskeert hij nu de dood. Op de duur kan alles wat je zegt tot een veroordeling leiden."

"Mijn ouders", zegt een student literatuur, "zijn meegestapt in de revolutie. Maar ze geven nu toe dat ze een vergissing hebben gemaakt. Ze zijn dom geweest. Men had hen gezegd dat de sjah de olierijkdommen van dit land plunderde en dat na de revolutie iedereen gratis behuizing, water en zelfs een auto zou krijgen met wat de olie ons opbracht. Dat was de socialistische component in de revolutie. Maar algauw werden de socialisten uitgemoord en grepen de mullahs de macht. Zij bleken ons oliegeld voor andere doeleinden te gebruiken. We zijn nu armer dan ten tijde van de sjah. Als destijds de sjah het geld stal, wat doen de mullahs dan nu? Zij stelen meer dan de sjah."

"Ik hoor dat islam in Europa populair wordt", zegt een collega uit de sectie filosofie. "Weet je wat wij zeggen? Hoe dichter je bij Mekka woont, hoe beter je de islam kent en hoe minder je ermee te maken wilt hebben. Hoe verder je woont, hoe minder je weet en hoe beter je de religie vindt."

'Men zegt ons', herneemt de eerste, "dat de mullahs voor het eerst in de geschiedenis de macht hebben en dat we nu voor het eerst in een ideale staat leven. Waarom is 40 procent van de bevolking dan werkloos? Waarom is er dan zoveel corruptie? Waarom hoopt iedereen die ik ken erop het land te kunnen verlaten? Men zegt dat de satan de economische crisis en de werkloosheid in Iran veroorzaakt. De satan, zijnde: Amerika en de zionisten. Maar waarom sponsoren wij ziekenhuizen voor de Hezbollah in Libanon als we er zelf onvoldoende hebben? Waarom verkopen we water als we zelf water te kort hebben? Verplicht Amerika ons daartoe? Dat onze leiders eindelijk ophouden met over Palestina te leuteren en dat ze ervoor zorgen dat hun eigen land goed bestuurd wordt. Ze zeuren over de misstanden in de wereld maar ze zwijgen over de misstanden in eigen land. Ons welzijn is hun eerste plicht, niet het welzijn van de Palestijnen."

Dat is toch ook een van de slogans van de betogende studenten: 'Vergeet Palestina en denk aan ons'.

"Misschien dat ik de volgende keer meebetoog. Zolang het Khatami maar niet ten goede komt." Ze zijn meer tegen de behoudende en oppermachtige geestelijke leider Khamenei dan tegen Khatami, geven ze toe, maar toch ook tegen Khatami. "Want", herhalen ze, "wat ben je met een hervormingsgezinde leider als er geen hervormingen komen."

Tussen deze twintigjarigen zou je kunnen denken dat niemand nog voor het regime is, of dat, zoals Ali eerder aangaf, 95 procent van de bevolking ertegen is. Dat zou wat zijn: een geestelijke leider die helemaal alleen een land in zijn conservatieve greep houdt, terwijl de jongeren drugs snuiven en naar Led Zeppelin luisteren.

"Natuurlijk nemen we drugs, natuurlijk drinken we alcohol. Doe jij nooit wat niet mag? Godsdienst is allicht goed, maar weet je hoe wij de verplichte godsdienst noemen? Holy Shit." En de filosofiestudent gaat verder over de verplichte religie die geen hart heeft. "We hebben een hart nodig."

Kort na het vrijdaggebed, dat ook aan Teheran University wordt gehouden, komt de tegenbeweging op gang. Enkele honderden oorlogsveteranen en heel traditioneel geklede vrouwen (de chador tussen de tanden om het gezicht te bedekken) lopen makjes achter anti-Amerikaanse spandoeken.

De betoging maakt weinig indruk.

Enkele dagen later is het wel ernst. Terwijl de studentenbetogingen altijd half clandestien plaatsvinden, timmeren de anti's rustig een podium bij elkaar voor de moskee van de universiteit. Deze tegenmanifestatie wordt georganiseerd door de basij (het woord betekent 'mobilisatie'), de vrijwilligersorganisatie die Iran tijdens de oorlog met Irak overeind heeft gehouden. Na de oorlog hebben de basij allerlei voordelen van de overheid verkregen, onder meer het recht om betoelaagd te studeren. Zijzelf en hun familie kunnen van die voordelen genieten. Daarnaast blijven de basij een paramilitaire organisatie die zo nodig het vuile werk opknapt voor de geestelijke leider Khamenei.

Is hij er dan voor dat de professor ter dood wordt veroordeeld, vraag ik aan een basij-biologiestudent die zich voorstelt als Saeed.

Saeed mist zijn linkerarm. Die is hij op dertienjarige leeftijd onder vijandelijk vuur verloren. Hij is nu eenendertig en ongeveer beroepsstudent.

"Natuurlijk wil ik niet dat hij opgehangen wordt, maar dat zal ook niet gebeuren. Het vonnis zal later herroepen worden."

Maar is het goed dat een rechter de vrije meningsuiting beteugelt?

"Ik ben voor de vrijheid, zolang de vrijheid niet tegen de islam indruist."

Deze groep is duidelijk goed georganiseerd. De manifestanten worden met bussen aangevoerd, de vrouwen staan links, de mannen rechts, en ze scanderen afwisselend. "Dood aan Amerika", roepen de vrouwen; "Dood aan Israël", roepen de mannen. Om gezamenlijk te eindigen: "Lang leve Khamenei."

Naderhand wordt ook "Dood aan Aghajari, dood aan de Iraanse Salman Rushdie" gescandeerd.

Saeed knipoogt af en toe. Hij roept ook, maar hij denkt er het zijne van. Het valt niet uit te maken hoevelen er roepen zonder te geloven.

Volgens de tv (die nooit de oorspronkelijke betogers heeft getoond maar nu wel uitgebreid de tegenbetoging in beeld brengt) zijn er tweeduizend basij opgedaagd. Ik denk dat het er veeleer vijfhonderd zijn.

Buiten de poorten van de universiteit vindt een betoging tegen de tegenbetoging plaats. De politie grijpt in, een knokploeg van de basij vervoegt zich bij de politie. Tegen de tijd dat ik de poort uitkom (die gesloten is om de andere betogers buiten te houden) is het ergste leed alweer geleden. Ik zie een paar studenten met bloedneuzen die vertellen dat er enkele beenbreuken te betreuren vallen. Die slachtoffers werden afgevoerd. De woede bij de studenten is nu groot. Een vrouw, de moeder van een student, vraagt aan een agent waarom hij op de studenten slaat. Hij dreigt haar in het gezicht te slaan. De vrouw duikt weg, haar zoon probeert de arm van de agent tegen te houden. Enkele basij roepen verwensingen naar de vrouw, die zich met haar zoon uit de voeten maakt. "Ik wil niet dat mijn zoon moet leven zoals ik dat heb moeten doen", zegt ze hoofdschuddend. "Hij verdient beter."

De dubbele manifestatie maakt een ander gegeven duidelijk. Er is een klasseverschil tussen betogers en tegenbetogers. De mannelijke basij gaan slecht gekleed en zijn ongeschoren. Ze zijn de paupers van de maatschappij die de machthebbers in het zadel houden en die zo te zien niet veel ander houvast hebben dan hun religie en hun organisatie. Ze zijn in de dertig maar leven nog altijd op slaapzalen. De vernieuwers zijn halve of hele yups, die de nieuwste cd's gehoord hebben en klagen over het gebrek aan zakgeld. De basij zijn in de minderheid. Bij de recentste presidentsverkiezingen haalden de conservatieven nog ongeveer 20 procent van de stemmen. Zelfs in de heilige stad Qom werden ze weggestemd. Maar toch blijven ze aan de macht, en toch blijft hun aanhang arm...

De chauffeur die me van de manifestatie wegvoert, een kale man van in de vijftig, verontschuldigt zich voor wat er gebeurt: "I am muslim, I am sorry." Ten tijde van de sjah zou hij zich nooit voor zijn geloof hebben moeten verontschuldigen, zegt hij erbij, overschakelend op Duits. "Toen konden we trots zijn op Iran. Nu zijn we de poppen van..." Hij maakt een cirkelbeweging boven zijn hoofd: de mullahs.

Iran, zegt een buitenlandse waarnemer, is het tegenovergestelde van veel Arabische landen. "In de Arabische landen zijn de regimes pro-Amerika terwijl de bevolking anti is. In Iran is het regime tegen terwijl de bevolking pro is."

"Dat", legt een Iraanse professor uit, "is de paradox van dit land. Iedereen houdt van de religie, maar maak religie verplicht en iedereen wordt een tegenstander van religie."

Denk niet te gauw, zegt een buitenlandse inwoonster, dat je Iran begrijpt. "Dit land is als een Perzische miniatuur. Je volgt een lijn, en ze kronkelt alle kanten op."

Na de schermutselingen en na een oproep van de hervormingsgezinden worden verdere studentenacties tijdelijk opgeschort. Een student in de rechten die zelf niet mee heeft betoogd, biedt wel een analyse aan. "De situatie is nog niet ellendig genoeg voor een nieuwe revolutie. We moeten eerst nog een beetje dieper zakken, maar dat zal niet lang duren."

De dertigers lijken, in tegenstelling tot de wat ouderen, niet erg enthousiast over de studentenbetogingen. 'Waarom niet?', vraag ik aan Faroesj, die "godzijdank" door zijn ouders werd tegengehouden toen hij naar het Iraakse front wou. Faroesj is vooraan in de dertig, hij studeerde kunstgeschiedenis. Een studierichting, zegt hij, die eigenlijk afgeschaft was na de revolutie. Maar toen kregen de profs het lumineuze idee om islam bij elke cursustitel te vermelden. Islam en de evolutie van Romeinse zuilen. Islam en de architectuur ten tijde van Darius. Prompt werd de richting opnieuw ingevoerd.

Faroesj werkt nu op een van de talloze stichtingen die na de revolutie in het leven zijn geroepen. Die stichtingen, die in principe de revolutie moeten behartigen maar in de praktijk vaak open kanalen voor corrupte mullahs zijn, zouden 58 procent van het overheidsgeld opsouperen (zie kaderstuk 'Ken uw ayatollah'). Hij wordt slecht betaald, maar er wordt niet veel van hem verwacht. "Ik houd me aan de vormen. Ik rook en eet niet in het openbaar tijdens de ramadan. Ik zoek een kamertje waar ik dat ongestoord kan doen. Verder laat iedereen me met rust. Kom ik niet, dan kom ik niet. Geen gezeur."

Eigenlijk, merk ik, is hij even negatief over het regime als de studenten, waarom doet hij dan zurig over hun acties?

"Ze zijn naïef, ze denken dat ze voor zichzelf vechten, maar eigenlijk vechten ze voor Khatami. En ik mag dan een slechte moslim en een slechte revolutionair zijn, maar het choqueert me met welk gemak ze de lof zingen van de VS, hoe ze hun dure koffies drinken in een pseudo-Pizza Hut. Ik luister ook naar Amerikaanse muziek, ik probeer ook naar MTV te kijken op de dagen dat de Osbournes spelen, ik ben dol op Black Sabbath, maar wees alsjeblief niet naïef over de bedoelingen van de Amerikanen. Die hebben alleen hun eigenbelang op het oog."

Er is meer aan de hand dan dat.

"Ik had zelf wel willen protesteren als student, maar wij zouden gewoon ter dood gebracht zijn. De jongeren hebben het zoveel gemakkelijker. Wij werden van school getrapt als we jeans droegen of als we gladgeschoren naar de les kwamen - ik vergeet nu waarom, maar het scheermesje werd toen onislamitisch bevonden. We mochten ternauwernood naar meisjes kijken, ook al waren ze van kop tot teen bedekt. We hebben zoveel gemist."

Intussen, zegt hij, is het land wel grondig aan het veranderen. Hij vreest dat de studentenacties een weerbots zullen teweegbrengen.

"De ayatollah Khomeini - en ik ben geen fan van de ayatollahs - heeft zelf de hervormingsbeweging in gang gezet. Tegen het einde van zijn leven had hij de fatwa tegen Salman Rushdie uitgevaardigd om de radicalen te paaien, maar tegelijk hief hij bijvoorbeeld het verbod op het schaakspel op. Hij voorzag een minder strenge toekomst. Laten we die evolutie op haar beloop laten."

Maurah, een schilderes, denkt er ongeveer net zo over. "Het hangt af van je gezichtspunt. Je kunt zeggen: de vrouwen in Iran worden gediscrimineerd, en dat klopt ook wel. Maar vergeleken met de Arabische wereld zijn we koninginnen. Het klopt dat er veel onnozele wetten bestaan, maar wij zien die wetten verschuiven. Ik erger me niet te veel aan de kledingwetten. Als de wet niet zou bestaan zou ik er niet aan denken me te bedekken, maar uiteindelijk is de chador goedkoop en gemakkelijk in die zin dat je niet moet nadenken over wat je zult aantrekken. Een vrouw mag nog altijd niet alleen zingen, maar tegenwoordig kun je overal vrouwen horen zingen. Men zet er een man naast die af en toe iets prevelt, in een dichtgedraaide microfoon, en klaar is Kees: de vrouw zingt niet alleen. Ik heb onlangs een cd van Céline Dion gekocht in een heel officiële winkel. Ik neem aan dat die niet de hele tijd duetten zingt. Ballet is verboden, maar ik heb gisteren een balletvoorstelling bijgewoond. Men noemt het anders, men noemt het 'gecoördineerde beweging'. Maar het resultaat is hetzelfde: vrouwen dansen op het toneel."

Ik heb gehoord dat niet zolang geleden een Shakespeare-vertoning door conservatieve hooligans in elkaar is geramd. Zowel de acteurs als het publiek werden geslagen. De volgende dag meldden de kranten dat het stuk bij gebrek aan belangstelling werd afgevoerd.

"Dat heb ik niet gehoord. Maar ik zeg niet dat dit systeem perfect is. Ik zeg dat we al een lange weg hebben afgelegd. De hervormingen van Khatami werken wel. En zeg nu zelf: eigenlijk is het toch lollig om een verboden ballet op te voeren onder de naam van 'gecoördineerde beweging'."

De regels worden rekkelijk.

De hypocrisie, zegt de buitenlandse inwoonster die op de ingewikkeldheid heeft gewezen, is een tweede natuur geworden. "De meeste jongeren die in de les de goede moslim moeten uithangen, kunnen thuis in het fotoboek kijken naar foto's van hun moeder in bikini. Denk niet dat die moeders ineens van mening zijn veranderd, denk niet dat die kinderen niet beter weten. Maar iedereen doet alsof, tot op zekere hoogte."

De bazaar vormde traditioneel de machtsbasis van de mullahs en de conservatieven. De winkeltjes lijken niet te floreren maar dat is de schijn die de basari's altijd hebben opgehouden. De armoede van de bedelaars en de verkleumde geldwisselaars die zich in de wijk ophouden, is allicht wel echt. Alle basari's hebben nog portretten van de geestelijke leiders hangen, maar ook hier is de steun voor de mullahs blijkbaar aan het wegebben.

Javed verkoopt tapijten en helpt reislustigen aan visa voor Canada of Australië. Hij keurt een tapijt waarop de beeltenissen van de ayatollahs Khomeini en Khamenei zijn aangebracht. De maker vraagt 3.000 dollar. "Volgens mij is het er 1.000 waard", zegt Javed, "maar ik zal het niet kopen." De conjunctuur is niet goed voor tapijten met ayatollahs, al kan zo'n tapijt mettertijd een verzamelstuk worden.

"Het klopt wel", zegt hij, "dat basari's vaak de mullahs hebben ondersteund. Maar waarom deden we dat? We wilden geen belastingen betalen en de mullahs gaven ons daar volmondig gelijk in, want de staat was toch maar corrupt. De sjah wilde grootwarenhuizen in plaats van een bazaar die hij niet kon controleren, en ook daarom waren we tegen hem. Hij liet de hoofddoek voor vrouwen verbieden, en hoewel dat mij persoonlijk niet stoorde, haalde hij zich zo veel vijanden op de hals. Maar de tijden zijn veranderd. Mensen denken nu veel milder over de sjah en veel minder mild over de mullahs. Want toen zij eenmaal aan de macht kwamen, hielden zij natuurlijk niet op met bedelen, of hoe ze dat ook noemen - ze eisten religieuze belastingen. Tegelijk vinden ze dat we nu ook belastingen aan de overheid moeten betalen. We betalen meer dan ten tijde van de sjah. En wat doen de mullahs in ruil voor dat alles? Niet veel. Je kunt slechts enkele handelaars een monopolie bezorgen, en de anderen zijn dan gegarandeerd nijdig. We zijn dus zeker niet allemaal voor de mullahs. We zijn evenmin voor de hervormingsgezinden, want wat ze ook beweren, dat zijn verkapte socialisten. De mullahs zijn op zijn minst nog de vrije markt genegen."

Begrijp ik het goed, dat de havelozen zoals de basij tegelijk de mullahs en de vrije markt ondersteunen, terwijl de yups voor de socialisten kiezen?

"Volgens mij klopt dat helemaal. De paupers laten zich naaien door aalmoezen, en de yups laten zich paaien door een grotere persoonlijke vrijheid. De basari's kiezen geen van beide meer. Als het van mij afhangt: weg met de mullahs, leve de sjah. Nu zijn we rijp voor die man. Hij is spijtig genoeg overleden."

Een tweede handelaar is nog resoluter dan de eerste. Hij nodigt me uit in zijn huis, zodat zijn dochters zich kunnen oefenen in de kunst van het zonder hoofddoek met een vreemde man praten.

De twee zussen werden enkele minuten tevoren door hun vader verwittigd. Ze hebben zich chic aangekleed en opgemaakt maar krijgen nu geen woord over de lippen. 'How are you?', vraag ik. Ze glimlachen dwaas. 'What are your names?' Ze zijn het vergeten.

"Zie je, dit is niet normaal. Ikzelf ben door de revolutie ongelovig geworden. Ik reis geregeld naar de Arabische wereld. Dan merk je pas hoe verschillend we zijn. Heb je al één Iraniër horen dwepen met Bin Laden? Geen enkele. Want ondanks onze reputatie zijn we niet fanatiek of bloeddorstig. Wij zijn geen moslims, wij Perzen zijn Zoroastristen. Dat ben ik sinds 11 september gaan beseffen: de islam is een vreemd lichaam dat veertien eeuwen geleden in ons bloed is geïnjecteerd en dat we mettertijd weer zullen uitstoten. En het kan niet vroeg genoeg gebeuren."

De twee hoofddoekloze zussen kijken niet-begrijpend toe.

Een derde handelaar is toch iets voorzichtiger: "Iraniërs zijn perverse mensen. Ik verras je misschien, maar zo is het nu eenmaal. Je had dit land ten tijde van de sjah moeten meemaken: totale bandeloosheid. Wij hebben een sterke religie nodig, willen we niet ontsporen."

En wat dan met de corruptie van de geestelijken?

"Geen enkel systeem is perfect."

Ik had ook aan Firdaus, de doofgebombardeerde vrijwilliger van Shalamcheh, gevraagd wat hij van het huidige Iran vindt.

"Het is niet geworden wat ik me ervan had voorgesteld", zei hij. Hijzelf reist veelvuldig naar het buitenland, hij heeft zich losgewerkt van de andere basij, al heeft hij nog begrip voor hun houding. "De revolutie is hun leven. Het spreekt vanzelf dat ze niet zomaar opgeven waarvoor ze hebben gevochten.

"De twee kampen hebben me ontgoocheld. Hun eerste taak moet zijn het land vooruit te helpen. In plaats daarvan spenderen ze al hun tijd aan bekvechten. Maar als vader is mijn visie ook veranderd. Vroeger dacht ik: mijn dochter moet een goede revolutionair worden. Tegenwoordig denk ik: wil ik echt dat ze in chador loopt en 'Dood aan Amerika' roept? Dat is niet de toekomst die ik haar nu toewens. De tijden zijn veranderd."

Alle hierboven vermelde gesprekspartners zijn onherkenbaar gemaakt, door hun naam, hun locatie of hun beroep te wijzigen. De krant 'IranNews' citeerde eerder deze maand uitspraken van studentenleider Razavi Faqih. Enkele dagen later gaf de krant toe - om de student te beschermen - dat ze hem foutief had geciteerd. Desondanks werd Razavi opgepakt en voorgeleid. In een land waar op woorden de doodstraf kan staan, is het beter geen risico te lopen.

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Info: www.fondspascaldecroos.com.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234