Zondag 26/09/2021

Interview met BB King (83), de laatste van de bluesgiganten

King bracht zijn leven door op de baan. Vroeger - veertig of vijftig jaar geleden - toerde hij meer dan driehonderd dagen per jaar, scheurend over de snelwegen en tweebaanswegen van Amerika. Hij speelde in de zwarte theaters en wegrestaurants van het ‘chitlin’ circuit’ (de plaatsen waar Afro-Amerikanen veilig konden optreden). De laatste dertig jaar breidde zijn reisroute uit naar Europa, Australië en het Verre Oosten. Nu King 83 is, is zijn schema noodzakelijkerwijze wat rustiger geworden. Maar hij voelt zich het meest comfortabel in zijn bus, die misschien wel het dichtste bij de definitie ‘thuis’ komt. Op die bus verkiest BB King mensen te ontvangen.We praten al meer dan een uur op de parking van de Canyon Club in Agoura Hills, een buitenwijk van Los Angeles waar King vanavond speelt, als er op de deur wordt geklopt. De deur gaat open en een grote, slanke zwarte man verschijnt, netjes gekleed in kostuum en een hoed met een gebogen rand. “Nummer één”, zegt de man en hij sluit de deur achter zich.King knikt. “Dat betekent dat de band op het podium staat en het eerste nummer speelt.” Uw band?, vraag ik. “Uh-huh.” Ik leun voorover om de bandopnemer uit te schakelen. “Er is geen haast”, zegt King. “We hebben nog heel veel tijd.”King is een erg grote man, ergens boven de 130 kilogram. Zowat zestig jaar geleden, toen hij een groentje was dat net van de plantage kwam, kreeg hij een goede raad van zijn achterneef Bukka White, ook een bluesman: “Als je een goede blueszanger wilt zijn, zullen er mensen zijn die willen profiteren. Kleed je dus alsof je naar de bank gaat om geld te lenen.” King nam die woorden altijd ter harte, maar kleedt zich nu alsof hij de bank bezit. Hij draagt een brandschone smoking, een strikje strak om zijn nek, glanzende zwarte schoenen en natuurlijk die diamanten ringen.Ook de bus is luxueus, en alles is op maat gemaakt. Helemaal achteraan is Kings thuis: een cocon van boterkleurig leder, dik tapijt en een hightech-uitrusting. Als hij op een knop drukt schuift het raam achter hem open. “Laten we eens wat lucht binnenlaten.” BB King is de laatste van de grote namen in de blues, de enige overlevende van een traditie die teruggaat naar de Mississippi Delta en de vroege jaren twintig van de vorige eeuw. Muddy Waters, John Lee Hooker, Howlin’ Wolf - zijn tijdgenoten en rivalen - zijn allemaal overleden. Maar King blijft opnemen en toeren. Drie jaar geleden was er zijn ‘farewell tour’ in Europa. Over enkele weken staat hij hier nogmaals op het podium. U lijkt nooit te stoppen, zeg ik, en hij lacht. “Als ik stop, word ik niet betaald.” Links van hem staat een enorme plasmatelevisie, rechts van hem een thuistheaterinstallatie met honderden dvd’s. Verspreid over de zitbanken liggen er nog meer. Hollywoodfilms, bloemlezingen en documentaires over blues- en jazzgitaristen waar hij zijn hele leven al naar luistert en die hij als zijn helden beschouwt. “Ik zie gitaristen zoals ik dokters zie. Je hebt een arts voor je hart, de cardioloog, je hebt er een die voeten en benen behandelt. Maar voor mij is George Benson degene die alle disciplines beheerst. Een soort uomo universale van de muziek. Maar ik hou van hen allemaal, tot en met de peetvader van de gitaar, Andrés Segovia.”

King werkte op een plantage toen hij zeven was en stopte met school op zijn vijftiende. Hij verbergt niet dat hij zich door zijn gebrek aan onderwijs vaak benadeeld voelt in het leven. Maar het liet ook een erfenis na in de vorm van een gretige drang tot zelfverbetering. “Dit is mijn school”, gebaart hij naar de laptop op de tafel naast hem. “Ik koop software over dingen die ik wil leren.” Wat voor dingen wilt u leren? “Wat wil ik níet leren? Ik heb ‘how-to’-boeken, geschiedenis, natuur. Niemand die zegt: ‘Je zou beter dit leren.’ Maar ik denk dat ik nog steeds een hoofd op mijn schouders heb en dat bevalt mij.”Leren, zelfs wat de gitaar betreft? “Vooral wat de gitaar betreft!”, lacht hij. “Het lijkt alsof ik altijd al harder moest werken dan andere mensen. Al die nachten wanneer iedereen sliep en je in je kamer toonladders probeert te spelen. Ik vraag me af waar ik was toen het talent werd uitgedeeld aan George Benson, Kenny Burrell, Eric Clapton… O, er zijn er zoveel meer! Begrijp me niet verkeerd, ik zou niet zoals hen willen zijn. Maar ik zou graag even goed zijn.”Denkt u echt dat u dat niet bent? Hij denkt er even over na. “Ik weet niet hoe ik je dit moet uitleggen, maar ik zal het proberen. Veel mensen geloven wat andere mensen zeggen. Maar ik ken mijn beperkingen. Ik geef je een voorbeeld. In 2008 publiceerde Rolling Stone een artikel over de honderd beste gitaristen. Ik geloof dat ze mij in de top vijf hadden gezet (om precies te zijn, King stond op de derde plaats, MB). Daar ga ik niet mee akkoord. Je vermeldt Barney Kessel, George Benson, nog wat oudere kerels - man, ik kom nog niet in hun buurt. Daarom zeg ik dat ik nog steeds leer. Op deze leeftijd heb ik een motto, ik denk dat dat het beste woord ervoor is. Als ik niet iedere dag iets nieuws leer, is die dag verloren.” Hij lacht en schudt langzaam zijn hoofd. “Ik denk nu zo omdat er minder dagen zijn.”

Tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw ontsproten er drie dingen uit de donkere vochtige bodem van de Mississippi Delta: katoen, hevige armoede voor degenen die het plukten en de blues - als troost, entertainment en ontsnappingsroute naar een beter leven. BB’s ouders, Albert en Nora Ella King, waren landbouwpachters en Riley, zo luidde zijn doopnaam, was hun eerste zoon. Hij werd geboren in 1925 in hun houten hut op een plantage nabij Ita Bena, een kleine Deltastad. Wegens gebrek aan andere transportmiddelen ging een buur te voet een vroedvrouw verwittigen, maar die kwam te laat voor de geboorte. Een tweede kind stierf als baby. Toen Riley vier was scheidden zijn ouders en verhuisde zijn vader. Riley zou hem tien jaar lang niet meer zien. Zijn moeder nog tweemaal voor ze stierf toen Riley negen was. Hij werd daarna grootgebracht door zijn grootmoeder. Zijn jongensjaren waren gevuld met werken op haar pachtgrond: katoen plukken en fijnhakken. Tijdens de vijf à zes maanden tussen oogsten en planten wandelde hij dagelijks acht kilometer heen en terug om samen met een vijftigtal andere kinderen van verschillende leeftijden in één klaslokaal van de Elkhorn School les te volgen.Zijn eerste kennismaking met blues was op de opwindfonograaf van zijn oudtante. “Mijn moeder wist dat mijn tante mij graag zag en nam me daarom mee op bezoekjes. Het was leuk om bij haar te komen, maar mijn tante snoof tabak en kuste mij altijd. Dat haatte ik, maar dan herinnerde mijn moeder mij eraan dat ze een fonograaf had. Dus ging ik toch mee. Zo leerde ik mensen kennen als Blind Lemon Jefferson, Lonnie Johnson, Barbecue Bob, Mississippi John Hurt. Mijn favorieten waren toen en zijn nog steeds Lonnie Johnson en Blind Lemon. Nu staan ze op mijn mp3-speler”, lacht King. “En ik kan nog steeds niet spelen zoals hen.” Op zestienjarige leeftijd werkte hij als tractorbestuurder op de plantages. “Toen ik katoen plukte betaalden ze 35 cent per honderd pond, en ik werd er vrij goed in. Ik kon meer dan 400 pond per dag plukken. Dan leerde ik met tractoren rijden en ook daar was ik heel goed in. En als je een tractor bestuurt op een plantage ben je bijna een ster, want je doet iets wat niet iedereen kan. En toplonen van toen waren 22,5 dollar per week, wat meer was dan wat al de anderen verdienden.” Hij zong in de kerk en droomde ervan te kunnen zingen en gitaarspelen zoals zijn pastoor, eerwaarde Archie Fair. ’s Zaterdags wandelde hij de stad in met zijn gitaar over z’n schouder en zong hij spirituals op straathoeken. “Ik zat daar dan op straat en mensen vroegen me gospelnummers te spelen. En dan gaven ze een klopje op m’n hoofd en zeiden ze ‘Dat is leuk, jongen’. Maar een fooi gaven ze nooit. De mensen die me vroegen de blues te spelen gaven altijd een fooi. Ik verdiende 40 tot 50 dollar. Zelfs terwijl ik niet het grootste licht was, begreep ik dat het logischer was om blueszanger te zijn.”

In 1948, nadat hij een poosje in het leger zat, verliet King de plantage en verhuisde hij naar Memphis. Hij trouwde op z’n zeventiende, maar zijn vrouw bleef achter. Hij vond werk bij een bedrijf dat brandstoftanks maakt. “Omdat ik zwart ben kon ik niet terecht bij de vakbond, dus het enige wat ik kon doen was het metaal vasthouden terwijl de lassers het lasten. Maar ik deed dat graag.”Memphis was de toegangspoort naar het noorden. Beale Street, het Broadway van het zuiden, barstte immers van de muzikanten die voor aandacht en een doorbraak vochten. King speelde in bars en clubs en kreeg uiteindelijk een vaste plek bij het zwarte radiostation WDIA, nadat hij een jingle componeerde voor de sponsor van het programma, Pepticon Health Tonic. Hij koos als schuilnaam voor ‘Beale Street Blues Boy’, niet veel later verkort tot Blues Boy en uiteindelijk BB.King is altijd een bescheiden man geweest. Zijn vooruitgang kan gezien worden als een triomf van talent over zelftwijfel. Een goed voorbeeld hiervan is zijn verhaal over een vroegere ontmoeting met blueszanger Howlin’ Wolf. Wolf werd geboren als Chester Burnett en was een fors gebouwde man met een dominante persoonlijkheid en een stem die de duivel kon laten schrikken. Zijn meest bizarre truc was die met het colaflesje. Hij schudde ermee, stak het in zijn broek terwijl hij naar de microfoon liep, ritste zijn broek open en ontkurkte het flesje om vervolgens het publiek nat te sproeien. “Dit verhaal gaat ver terug. Ik had gehoord over Wolf maar ik kende hem niet. Een kerel genaamd Willie Ford had een kleine nachtclub, zowat zestig kilometer ten westen van Memphis. Wolf werkte voor hem maar toen hij op familiebezoek ging, contacteerde Willie Ford me via het radiostation, en hij nam me aan om Wolf te vervangen zolang die weg was. Het was een fantastische tijd. Ik was jong - in de twintig - en hield van de meisjes. Er werd achterin poker gespeeld, en mijn job was om de mensen die niet gokten te onderhouden, te laten dansen. Ik was niet geweldig goed, maar er was één ding waar ik goed in was en dat was het ritme van mijn voet - ik kon maat houden. En als je maat weet te houden, dansen de mensen die kunnen dansen. Ik heb nog nooit in mijn leven gedanst. Mijn job was om gedurende 30 tot 40 minuten te spelen en dan te stoppen om de jukebox een kans te geven. Ik vond dat leuk, want er dansten veel meisjes en zo kreeg ik de kans om even te zitten en naar hen te kijken.” King moet lachen om die herinnering. “Ik probeerde het bij élk meisje, want ze waren allemaal mooi in mijn ogen.” “Ik zal er zowat twee weken gezeten hebben, toen Wolf terugkwam. Willie Ford zei dat hij ons niet allebei kon houden. Dus liet hij ons spelen, en tegen het einde van het liedje konden de mensen stemmen. Toen zei hij: ‘Oké, het ziet er naar uit dat de mensen jou hebben gekozen, B. Dus Wolf, ik zal je moeten laten gaan vanavond. Maar ik laat je nog wel een laatste set spelen.’ Toen ik Wolf hoorde spelen, man, ik moest huilen. En daarna vertelde ik hem: ‘Ik wil de job niet, hou jij hem maar.’ Zo goed was hij. Maar hij wou de baan niet. We waren nog groentjes toen, we probeerden het allebei te maken. De volgende keer dat ik hem zag was mijn plaat een hit. En de zijne ook. We praatten niet over die avond, maar ik heb er zeker nog aan gedacht, en ik zeg nog steeds dat er niemand was die klonk als Wolf, of speelde zoals hij.”

In 1949 maakte King zijn eerste opnames voor de kleine, lokale platenfirma Bullet, wat op zijn beurt leidde tot een contract met een groter label uit LA, Modern. In 1952 had hij zijn eerste nummer één-hit te pakken in de r&b-hitlijsten met ‘Three o’clock blues’. King pendelde eindeloos heen en weer over het hele land, terwijl hij zijn sound uitbreidde van ‘één man, één gitaar’, over een klein gezelschap, tot een dertienkoppige band. De band reed rond in een Greyhound-bus bekend als Big Red, terwijl King apart reisde in zijn Cadillac met chauffeur. In 1956 speelde hij 342 onenightstands. In 1958 werd Big Red afgeschreven na een frontale botsing met een olietanker. Als bij wonder kwam Kings band er zonder kleerscheuren van af; de vrachtwagenbestuurder en een passagier kwamen om het leven. De verzekering van de bus was op dat moment slechts enkele dagen vervallen. Kings aansprakelijkheid werd vastgesteld op 100.000 dollar, en hij zou er jaren over doen om die schuld af te betalen. Doorheen de jaren zou King bij maar liefst vijftien auto-ongelukken betrokken raken. Alhoewel zijn platen een vaste waarde waren in de r&b-hitlijsten, zag King nooit veel winst. “Ik kreeg wel eens te horen: wat je niet weet, kan je niet deren. Maar het deert je wel”, zegt hij met een meelijwekkende glimlach. “Ignorance is bliss? Dat is wat mij betreft bullshit. Ik verdiende een halve cent voor één kant, één penny voor een album. Het is zoals het maken van een bus. Als jij deze bus voor mij bouwt en ik wist er niets van af, dan kon je me alles aanrekenen en ik zou het betalen. Wie van ons is dan gek? Ik natuurlijk. En zo hebben ze mij behandeld met de albums. Maar ik neem hen niets kwalijk, want als je het niet weet, dan weet je het niet. Ik heb eruit geleerd.” Zo’n uitbuiting is een bekend thema in de geschiedenis van de popmuziek, en al helemaal bij de zwarte muziek. Toch komt King over als een man met geen greintje bitterheid. Hij houdt ervan om de laatste woorden van zijn moeder op haar sterfbed te herhalen: als je altijd vriendelijk bent voor anderen, zullen zij dat ook voor jou zijn. “Eigenlijk ken ik niemand die ik niet graag heb”, zegt hij op een bepaald moment. “Er zijn momenten geweest dat ik omringd was door mensen waar ik liever niet bij was, en als ik weg had kunnen gaan had ik dat gedaan. We hebben een gezegde in Mississippi: we just don’t seem to set horses, we komen gewoon niet overeen. Met andere woorden: die persoon zegt altijd iets om je op de kast te krijgen, begrijp je? Als mensen je gemeen behandelen, heb je hen niet graag, maar niet omwille van hun persoon, om wie ze zijn. Ik ben geboren en getogen in een verdeelde maatschappij, maar toen ik dat achter me liet was er niemand die ik niet kon hebben, behalve de mensen die me slecht hadden behandeld. En dat duurde ook maar zolang ze me effectief slecht behandelden.” Dus u gelooft dat mensen in de grond van hun hart goed zijn? King kijkt me aan. “Niet alleen in de grond van hun hart, ik geloof dat álle mensen goed zijn. Sommigen doen gewoon slechte dingen. Ik had ooit een leraar - God hebbe zijn ziel, hij overleed een paar jaar geleden - Luther H. Henson. In de periode dat ik mijn moeder verloor kon ik hem alles vragen en hij gaf me altijd het juiste antwoord. Hij vertelde me: ‘Er komt een tijd dat mensen je niet meer op je huidskleur beoordelen, maar op je daden, hoe je handelt en hoe jij mensen behandelt.’ Met die woorden zette hij me aan het denken en ik denk dat ik daardoor wat meer deed wat er van me verwacht werd. En later hoorde ik Martin Luther King zeggen: ‘Ik heb een droom, waar je niet op je huidskleur beoordeeld zal worden…’ Natuurlijk was ik al jaren een man toen King op het toneel verscheen, maar het raakte me diep omdat het voor mij versterkte wat Luther Henson me al had verteld toen ik nog een jongen was.”

Met de opkomst van de burgerrechtenbeweging in de vroege jaren zestig begon het jonge zwarte publiek, dat altijd een constante factor was geweest voor BB King, zijn rug te keren naar de blues, dat geassocieerd werd met harde tijden en onderdrukking. Op datzelfde ogenblik vonden nieuwe fikfakkende urban-blueszangers als Muddy Waters en John Lee Hooker een nieuw publiek bij jonge blanken in koffieshops en op folkfestivals. King viel, in zijn eigen woorden, tussen de mazen van het net. Hoewel zijn zuinige en precieze single-note gitaarspel een grote invloed had op een generatie van jonge rockgitaristen, met niet als minste Eric Clapton, had King nog nooit voor een blank publiek gespeeld. Tot 1967, toen hij geboekt werd om op te treden in het Fillmore West in het zwarte gedeelte van San Francisco, een dancing die was overgenomen door impresario Bill Graham en het brandpunt was geworden van de bloeiende hippiescene. “Ik had al eens gespeeld in Fillmore toen het een ‘zwart’ theater was, maar die keer zag ik allemaal langharige jongeren buiten staan. Ik dacht: mijn agent heeft een fout gemaakt. Ik had wel eens een blanke ontmoet die zei ‘Boy, jij bent echt wel goed’, maar ik was me er niet van bewust dat er zo veel naar me hadden zitten luisteren. Dus ik stuurde mijn roadmanager naar binnen om de promotor te halen, en ja hoor, Bill Graham kwam naar buiten en zei: ‘Nee, B, dit is de juiste plek.’ Ik voelde me als een kat met zeven honden rondom zich! En toen we binnenkwamen: geen tafels, gewoon jongens die op de vloer zaten. Ik trok naar de kleedkamer, dezelfde waar we vroeger zaten, diezelfde oude sofa met scheuren in, alsof iemand er in had zitten snijden met een mes. Ik was nerveus omdat ik nog nooit op die manier voor mensen had gespeeld. Dus ik zei tegen Bill dat ik een drankje nodig had. Hij kwam aanzetten met het kleinste glaasje sterkedrank dat ik ooit heb gezien. Ik nam er een slokje van en probeerde mijn gedachten te verzetten. Uiteindelijk kwamen we het podium op en Bill zei ‘dames en heren’ - en toen werd het zo stil dat je een naald kon horen vallen. ‘Mag ik u voorstellen: de voorzitter van de raad: BB King.’ Dat is de kortste en beste intro die ik ooit gekregen heb in mijn leven. Ze stonden allemaal recht en begonnen te roepen. Ik denk dat ik een set had van 45 minuten, en ze moeten wel drie of vier keer zijn gaan staan. Die nacht zag ik het verschil.”

Volgens King heeft hij veel van zijn succes te danken aan Sid Seidenberg, een accountant die, een jaar na het Fillmore-concert, ook de job van manager voor zijn rekening nam. Met als enige uitzondering een korte periode in de jaren 1970, begeleidde hij King altijd, tot aan zijn dood in 2006. “Sid maakte dingen mogelijk waarvan ik nog niet eens durfde dromen”, zegt King. Onder Seidenbergs management begon King op festivals te spelen, in showrooms in Las Vegas en concerthallen. Hij had zijn eerste en enige miljoenenplaat in 1970 met ‘The thrill is gone’ - het nummer dat direct met hem geassocieerd wordt. Vanaf dat moment treedt hij met jazzmuzikanten en symfonische orkesten in negentig verschillende landen op. Een half dozijn keer speelde King in het Witte Huis en voor paus Johannes Paulus II gaf hij een privé-optreden in het Vaticaan. (Toen hij hoorde dat de kerkvader gitaar speelde, bood King hem een van zijn exemplaren aan.) King kreeg zes eredoctoraten van Amerikaanse universiteiten en een museum dat werd opgedragen aan zijn levensverhaal, het BB King Museum en het Delta Interpretive Centre in Indianola, Mississippi. Hij leende ook zijn naam uit om alles van luchtvaartmaatschappijen tot sladressing te verkopen. Net zoals Louis Armstrong beschuldigd werd van ‘selling out’ voor het blanke publiek, werd ook King geminacht door - meestal blanke - ‘puristen’ die het idee blijven voeden dat blues de muziek van armoede en romantische ellende is. Hij vertelt een verhaal van toen hij in een orkestzaal in Idaho speelde en een criticus schreef: ‘BB in de Symphony Hall, geen vuil op de vloer, geen rook in de lucht, en dat is blues?’ “Maar mijn antwoord is: waarom niet? Is een orkestzaal niet gebouwd voor prachtige muziek? En de blues is prachtige muziek, én de muziek van iedereen.” King had altijd al de reputatie van een vriendelijke man in een onvriendelijke business, een eerlijke werkgever waarvoor muzikanten graag werken en een man met een vrijgevigheid voor vrienden. Zelfs toen hij zelf dronk, bleef hij vasthouden aan wat hij de ‘oude code’ noemt: niet drinken of roken op het podium en geen drugs. Zijn twee zwaktes waren romantiek en gokken. Zijn leuze was steeds dat ‘alle vrouwen engelen zijn’ en je merkt dat hij er naarstig aan werkte om de hemelpoorten te mogen passeren. Hij trouwde tweemaal, maar heeft vijftien kinderen bij evenveel vrouwen. Dat is een bron van enige schaamte. “Ik denk dat de maatschappij alleen daarom op mij zou neerkijken”, zegt hij. Maar King zorgde goed voor al zijn kinderen en financierde de universitaire studies van veel van zijn klein- en achterkleinkinderen.

King was altijd een verstokte gokker - tijdens autoritjes wedden de bandleden zelfs op regendruppels die van het raam naar beneden gleden - en zijn beslissing om zowat dertig jaar geleden naar Las Vegas te verhuizen leek niet meteen de meest voorzichtige keuze. Maar vreemd genoeg, zegt hij, hielp hem dat net om de gewoonte te breken. “Als ik geld en zin had, kon ik altijd naar casino’s gaan, dus ging ik in feite minder.”Natuurlijk zal hij ooit met pensioen gaan - “dat doen we ooit allemaal” - maar zolang zijn gezondheid goed blijft heeft hij niet de neiging om dat te doen. “Ten eerste”, zegt hij, “is het belangrijk dat de blues levend blijft als muziekvorm. En ten tweede blijven de boekingen binnenkomen. En het is tegen mijn natuur om geld te weigeren.” Je voelt een onuitgesproken knagend gevoel dat zijn platenverkoop nooit strookte met zijn reputatie. Zijn bestverkochte opnames waren samenwerkingen: de single ‘When love comes to town’ die hij in 1989 opnam met U2, zijn album met Eric Clapton, Riding with the King (2000). “Daarnaast hoor je mijn platen weinig op de radio.” Hij is te diplomatisch om het letterlijk te zeggen, maar het valt duidelijk af te leiden: de blues wordt nog steeds beschouwd als tweederangsmuziek.Hij trad op tijdens de Grammy Awards. “Eén of twee keer, maar ik heb er nooit andere blueszangers gezien.” Vorig jaar won zijn album One kind favor een Grammy voor beste traditionele bluesalbum. Dit jaar, zegt hij, werd hij op het laatste moment gevraagd om op te treden als eerbetoon aan wijlen Bo Diddley, samen met Buddy Guy, John Mayer en Keith Urban. King gelastte een show in Florida af om naar LA te vliegen. “Ze lieten ons spelen en vermeldden niet eens onze naam.” De goedhartige toon die hij gedurende dit hele gesprek volhield verdwijnt plots. “We werden een beetje behandeld zoals ik behandeld werd tijdens de segregatie in Mississippi. Ik was triest en gekwetst.”King maakt aanstalten om op te staan. Zijn band staat al vijftien minuten op het podium en het is tijd voor hem om te gaan. Maar zo wil hij het gesprek niet laten eindigen. “Er is nog een ding dat ik je wil vertellen: vroeger werden we rhythm & blues-zangers genoemd. Maar na rock-’n-roll waren we blijkbaar ons ritme kwijt, want nu heet het gewoon blues.” Hij lacht, het is een goed ingestudeerde zin. “Maar probeer niet gewoon een blueszanger te zijn. Ik probeer een entertainer te zijn. That has kept me going.” We schudden elkaars hand. Ik stap uit de bus en loop naar de hoofdingang van de club. Als ik binnenwandel, komt King net op het podium. Tegenwoordig treedt hij al zittend op, terwijl hij de microfoon dichter naar zich toetrekt en zijn gitaar, ‘Lucille’, als een baby in zijn schoot ligt. Er bestaat een muzikantenterm, ‘travelling’, de band zachtjes zijn gangetje laten gaan terwijl de zanger tegen het publiek praat. King doet veel aan travelling nu, maar wanneer hij uit volle borst met een lied losbarst of Lucille streelt is het effect even opwindend als altijd. Hij treedt bijna twee uur op. Op het einde bedankt hij het publiek overvloedig en zegt hij dat hij hen hopelijk niet heeft verveeld- alsof dat mogelijk zou zijn. Zijn band verlaat het podium, maar King blijft zitten en signeert geduldig de stukjes papier en foto’s die hem worden aangereikt. De zaallichten knippen aan, de mensenrij wordt langer en hij blijft signeren. Er is geen haast.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234