Donderdag 27/06/2019

'intens levende mensen,daarvoor ga ik plat'

Dokter Luc Beaucourt (55) heeft in Iran een hartsvriend gevonden, de Antwerpse chirurg van Iraanse afkomst Nasser Nadjmi. Samen hebben ze door het puin van Bam gewandeld. Ze verzorgden samen de ledematen van de slachtoffers van de aardbeving, maar Nasser informeerde Beaucourt intussen ook over hun ziel, hun filosofie en levensdrift. 'Na jaren van altijd bezig zijn, heb ik weer dierbaarheid ontdekt, pure kameraadschap.' Beaucourt slikt. 'Godverdomme', vloekt hij, 'die kerel heeft mij geraakt.' Ons gesprek zal ook daarna meermaals stokken. Collega's van de arts hadden het ons vooraf gezegd. 'Vergis je niet, in die grommende pitbull zit een verschrikkelijk klein hartje.'

Marijke Libert / Foto's Stephan Vanfleteren

We waren begonnen met de vraag waarom Beaucourt is wie hij is: een bijter, een harde roeper, een gedreven man, de action hero die niet maalt om een controversiële uitspraak. "Het is moeilijk om van mezelf te zeggen wie ik ben", repliceert hij meteen, "maar mijn opvoeding zal er wel voor iets tussen zitten. Ik kom uit een dienstbaar huisgezin, ik had een vader die in zijn hele leven nooit vakantie heeft genomen. Bij hem was werken de prioriteit en beschikbaar blijven het levensmotto. Mijn vader was verantwoordelijk voor de 'polders en wateringen' in Oost-Vlaanderen. Als het regende 's nachts sprong hij uit zijn bed om overal in de omtrek pompen op gang te brengen, om ervoor te zorgen dat de landerijen droog bleven staan. Hij was altijd in de weer. Zo'n voorbeeld strekt, geloof ik."

Hoe bent u in die medische wereld terechtgekomen?

"Bij toeval. Mijn eerste droom was, zoals van elke jongeman, piloot te worden. Dat lukte niet omdat ik een bril droeg. Ik dacht er toen aan luchtvaartgeneeskunde te studeren, een discipline die zich richt op aandoeningen die verband houden met het vliegen. Er zijn echter maar twee dokters in België die in die materie gespecialiseerd zijn. De kans dat je in zo'n branche effectief je plek krijgt, is bijgevolg beperkt. Dus ben ik van armoe gewone geneeskunde begonnen, later chirurgie, en kreeg ik op termijn een grote interesse voor de orthopedie."

Wanneer ontstond die drift om de grote rampen te gaan opzoeken?

"De eerste keer dat ik grondig dooreen werd geschud, ook letterlijk, was toen we met een paar mensen van de Vlaamse universiteiten waren uitgenodigd in Libanon. We mochten gaan kijken hoe goed de joden er oorlog voerden. Ik was toen nog assistent, chirurg in opleiding. We gingen met een militaire colonne mee en zouden tot aan de groene zone in Beiroet trekken. De man die ons uitleg gaf was niemand minder dan Ariel Sharon, toen minister van Defensie. De Israëli's hadden een commandopost in een klooster boven op een berg. Toen we daar een bezoek brachten, ontplofte in de omgeving ineens een zware bom. We gooiden ons meteen allemaal op de grond. Sharon was de enige die rechtop bleef staan en gewoon verder uitleg gaf. Onverstoord. We vroegen hem waarom hij niet reageerde. Hij zei: 'Ach, neerliggen hoeft niet, die mannen kunnen toch niet mikken.' Later trokken we dus naar de groene zone en ook daar werden we op een gegeven moment onder vuur genomen. Zelfde scenario. De Belgen doken naar de grond. De enigen die dat niet deden waren Sharon... en ik. (lacht) Ik bleef naast de minister verderlopen. Toen mijn collega's vreemd opkeken, zei ik: 'Enfin, ik heb Sharon begrepen, die gasten kunnen niet schieten zei hij toch?' Misschien is dat de klik geweest en ben ik sindsdien blijven rechtop staan in moeilijke omstandigheden. Hoe dan ook, professor Suy zat toen ook in onze groep. Suy had de reputatie een keiharde te zijn, een strenge, een echte boeman, iemand die nooit een blad voor de mond nam. Hij zou mijn mentor worden. Die keer in Beiroet zei hij alleen: 'Kerel, jij hebt kloten aan je lijf, heb je geen zin om bij mij te komen werken.' Ik heb hem een tijdlang geassisteerd in zijn privé-praktijk en daar is wellicht een stuk van zijn manier van werken en van zijn, beginnen doorwerken. Ik heb nu ook de naam een harde te zijn. Dat moet als je in de rampengeneeskunde zit. Zo'n houding charmeert niet, ik weet het, maar ik trek mij daar niets van aan. Ik ben er niet om mensen te charmeren. Toen ik in 1982 de mogelijkheid kreeg om de leiding te nemen over de dienst spoedgevallen van het UZ in Antwerpen, heb ik dat gedaan omdat het mij de kans gaf voor de verrassing te gaan. Elke patiënt die binnenkomt, elke situatie is anders. Je moet op alles anders anticiperen. Intussen gingen in mijn omgeving allerlei krachten op elkaar inspelen. Mijn schoonvader was in Antwerpen kolonel bij de brandweer en een van de artsen bij mij in opleiding was de dochter van gouverneur Kinsbergen. Ik heb wat ik in handen hield steeds aangewend om zaken te verwezenlijken. Resultaat was dat Antwerpen de eerste provincie was die een Medisch Interventie Plan op poten zette. Ik ben later met de Mug's gestart, de Medische Urgentie teams. Alles werd eerst op bakken kritiek onthaald, maar later werd dit systeem overal overgenomen. De manier waarop ik voor elk plan ging, heeft me niet meteen tot de sympathiekste van het land gemaakt, maar het heeft effect gehad en met dat laatste stel ik het maar."

U zegt: geneeskunde is voor mij iets van boren en vijzen, van breuken rechttrekken en met je handen met een lichaam bezig zijn, heel primair.

"Geneeskunde is voor mij geen theorie, je moet het beoefenen. Als ik zie hoe geneeskunde momenteel wordt aangeleerd (schudt met zijn hoofd), dat is enkel nog via allerlei technische onderzoeken tot diagnoses komen. Ik vind dat je moet tasten, je moet een lichaam voelen. Vandaar dat ik zo graag met die missies naar het buitenland trek, naar rampen, waar je zonder röntgenmachine je werk moet doen, waar je daadwerkelijk iets rechtzet met de blote hand, waar het elementaire van het helen, van genezen nog bestaat, ontdaan van alle tierelantijnen.

"In België hebben we de mond vol van rampengeneeskunde, maar wij hebben hier nog nooit een ramp van betekenis gehád. Bon, er was de brand in het Switelhotel een aantal jaren geleden. Veertien doden en honderd gewonden en in een uur tijd was iedereen geëvacueerd. Waar kun je het dus anders leren dan in het buitenland, na een of andere natuurramp. Ik neem er mijn dokters en verpleegkundigen mee naartoe. Daar ontdekken ze de stiel. Met die mensen heb ik intussen een band. Vorige keer bij de aardbeving in India waren we er ook samen. Dat was een heel moeilijke opdracht, medisch gezien een stuk moeilijker dan wat we pas in Iran hebben meegemaakt. Ik vind het ook belangrijk dat ons werk veel verder gaat dan alleen maar helpen ter plekke. Na die aardbeving in India heb ik er bij gouverneur Paulus op aangedrongen de zaak te volgen, uit solidariteit met de grote Indische gemeenschap in Antwerpen. De gouverneur is met een rampenfonds gestart. We hebben tweehonderd miljoen frank verzameld en daarmee werden intussen twee dorpen heropgebouwd."

Het gaat bij u dus verder dan alleen maar even gaan spoeddienst spelen in een rampgebied, er moet een termijnproject aan vasthangen.

"Absoluut. Ook nu weer doen we dat voor Iran. De verdienste ligt daar voor het grote deel bij de Antwerpse arts Nasser Nadjmi, een plastisch chirurg die onverwachts zijn diensten aanbood voor Bam en zich vanuit de zorg voor zijn volk aan een termijnplanning wil zetten. Ik heb een intense warmte voor die man ontwikkeld, hij is een onwaarschijnlijke dokter en intussen is hij mijn vriend geworden. Hij had diezelfde redenering. We gaan niet naar Iran vanuit de intentie: vertrekken, iets tijdelijks opbouwen en dan weer opbreken. Nee, ons verhaal heeft een evolutie en een beoogd slot. Nasser, ik en de hele ploeg rondom ons, willen niet meer of minder dan dat we in Bam aan de heropbouw kunnen beginnen. (twijfelt even) Ik zou nooit kunnen meegaan met Artsen zonder Grenzen, omdat hun projecten minder dynamisch zijn. Zij doen onderhoudsprojecten. Ik weet dat die ook essentieel zijn, maar het acute probleem en de zaak een beetje mee oplossen is meer mijn ding. Het zit in mijn opleiding, als chirurg. Daar is het eerst handelen en dan nadenken. Bij de andere disciplines is het eerst denken en daarna handelen. (lacht)"

U en Nasser willen Bam heropbouwen, dat klinkt overmoedig, zelfs naïef.

"(glimlacht) Maar niet onuitvoerbaar. We hebben daarvoor vandaag ook de politieke steun gekregen. We zijn een paar uur geleden door de minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel ontvangen. We kregen van hem niet alleen een cadeau en een paar dankwoorden. We hebben er een heus project in de wacht gesleept. De infrastructuur van de gezondheidszorg in Bam is totaal vernietigd. Negentig procent van het medische personeel is dood. In Iran werken ze met een systeem van health houses, een soort huisartspraktijk waarin enkel verpleegkundigen werken. Daarboven heb je healthcare centra, waar een arts zit, en nog een niveau hoger staan de ziekenhuizen. Wij hebben de opdracht gekregen dat tussenechelon, die healthcare centra dus, weer op te bouwen. We gaan er een Belgische naam op plakken. Voilà. (wrijft zich de handen)"

U was met een te strak beeld over Iran vertrokken, wie en wat heeft dat beeld bijgesteld?

"Ik had een totaal verkeerd beeld. Onze westerse beïnvloeding zorgt ervoor dat wij Iran zien als een schurkenstaat, terwijl... Wat een prachtig volk heb ik daar niet ontmoet. Nasser lichtte me mondjesmaat in. Hij nam me op sleeptouw, legde uit, vertaalde, verklaarde. Op een dag was ik gaan wandelen met Nasser door het puin van Bam. Ergens op straat zat een vrouwtje haar eten klaar te maken, tussen de brokstukken van haar huis. Ze zag dat ik nogal doordringend naar haar keek en zei tegen Nasser, die haar taal sprak: 'Zeg tegen de dokter dat hij zich geen zorgen hoeft te maken, wij sleuren er ons wel door.' Als je soortgelijke taal hoort van iemand die alles en iedereen kwijt is en tussen het puin haar potje zit te koken... Die mensen daar hebben een enorme kracht. Na jaren slachtoffer te zijn geweest van oorlogen en geweld, ontwikkelden ze onder elkaar een grote solidariteit. Ze hebben een andere levensdrift. Ze leven veel meer filosofisch dan wij. Zelfs de topgeneraal van het leger, die ons tijdelijke hospitaaltje kwam bezoeken, die grote man, met al zijn macht en egards, was een beetje een filosoof. Hij begon zijn toespraak tot ons met een gedichtje, dat Nasser simultaan vertaalde. De generaal zei: 'U moet ons volk bekijken als een lichaam; als een van de organen mankeert neemt de rest het over en alles draagt samen zorg.' Ik heb tegen die hoge militair gezegd dat ik enorm veel respect voelde voor zijn volk omdat het in vierentwintig uur tijd vijftienduizend mensen uit het terrein kon evacueren. In een mum van tijd was iedereen naar de grote steden afgevoerd, precies door die solidariteit. Ik zei hem ook dat wij thuis in het Westen met al onze plannen en infrastructuur dat niet zouden kunnen verwezenlijken, omdat hier die spirit ontbreekt. Ik meen dat, echt. Als er een aardbeving in Antwerpen zou plaatsgrijpen, dan weet ik gegarandeerd dat we in de shit zitten. Wij zouden niet in staat zijn zoveel mensen te verplaatsen."

Jullie taak in Bam was niet zo zwaar als die in India.

"Inderdaad en daardoor had ik soms de tijd om me in andere aspecten te verdiepen. Op een dag bezochten we het massagraf buiten Bam, waar een man met een bulldozer geulen groef waarin de lijken werden gelegd. De man vertelde dat hij vier kinderen was verloren maar de dag nadien weer aan het werk was gegaan. Hij vond dat hij ervoor moest zorgen dat iedereen kon worden begraven. Dan sla je je echt wel op het voorhoofd van 'mijn God, wat is dit hier?' Kortom, ik heb die mensen leren kennen, buiten hun pathologie. Ik begreep ook waarom mijn vriend Nasser het als zijn plicht beschouwde alle feesten in België aan zijn neus te laten voorbijgaan en zich geroepen voelde voor dit volk iets te doen. We hebben nog intense momenten meegemaakt. Ik herinner me dat we rondreden en plotseling een heel fiere familie tegenkwamen die niets meer bezat. Nasser vroeg of ze medicijnen of zo nodig hadden. Nee dus, maar ze misten wel een tent. We hebben gezegd: vandaag staat hier een tent voor jullie. We zijn naar ons commando gereden, maar dat kon ons geen tent geven. Ik was zo in mijn gat gebeten dat ik resoluut met Nasser naar het Iraanse leger ben gereden. De kolonel daar heeft onmiddellijk een tent laten afbreken en meegegeven. Daarna zijn we met de hele ploeg die tent gaan opstellen. Die familie had niet de moed gehad om het puin te ruimen, ze hadden de hele week boven de resten van hun huis op de grond geslapen. We hebben dat dan een beetje opgeruimd en hebben onder de brokstukken een kraantje gevonden en vrij gemaakt. Zo hadden die mensen tenminste weer stromend water."

Journalisten die u begeleidden vergeleken u nadien een beetje met de hopman bij de scouts. Enerzijds bevelend en autoritair, anderzijds 's morgens de enige die het terrein voor de tenten stond schoon te vegen.

"Ik ben ook scout geweest. Alweer heel fanatiek. Ik kende in die tijd alle planten, bloemen en boomsoorten van buiten. Als ik zoveel jaren later voor grote opdrachten vertrek, voel ik me inderdaad weer die leider. Maar wie leiding geeft, moet alles doen en dat betekent ook de sigarettenpeuken rond de hulptenten weghalen voor je aan de medische job begint. Je bent chef, maar voor de rest de gelijke van iedereen. Dat alles willen doen, wordt niet steeds geaccepteerd. Ik heb in Teheran bijvoorbeeld zwaar onder mijn voeten gekregen omdat ik geholpen had met het laden van onze C130. Ik had namelijk gehoord dat we binnen de twintig minuten alles binnen moesten hebben, anders konden we niet vertrekken. Bon, na die job ben ik bij de leiding geroepen die me zei: 'Dokter Beaucourt, het is niet uw taak het vliegtuig te laden.' Ik heb me niet druk gemaakt, maar wel gedacht: hoe kan ik met zulke enge mensen werken. Komaan zeg. Je gaat niet naar crisissituaties met zo'n instelling. Ik wil alles doen wat moet gebeuren. Ik hou niet van dat 'volgens het boekje'."

De reacties op uw manier van werken zijn soms ronduit aanvallend. Toen u weg was kreeg u een veeg uit de pan in De Standaard. U werd er min of meer als een soort potentaat van de hulpverlening geschetst.

"(zucht) Dat doet pijn, ik geef het grif toe. Journalisten die een beetje zitten te azijnpissen, in hun kot. Veilig achter hun computerschermpje grijpen zij met woorden naar de macht, terwijl wij ons elders gewoon inzetten met de blote handen. Ik ken het onderhand. Ik ben op dezelfde manier aangevallen toen ik nogal tekeerging tegen die weekendongevallen. De mediageile dokter, zeiden ze. Ik ben nochtans nooit op mijn knieën voor de camera's gaan liggen om gefilmd te worden. Mijn discours hoorden ze graag, vooral die harde taal, mijn soms ongecontroleerde reacties en oneliners. Beaucourt zou wel weer eens stampen, dachten ze, en natuurlijk stampte ik, dat is mijn natuur. Ik heb de media natuurlijk ook nodig gehad. Toen ik de jonge weekenddoden in de aandacht wou brengen bijvoorbeeld. Ik wou die boodschap kwijt. Ik kreeg later niet alleen kritiek in de pers, - ook in De Morgen - maar ook op het veld. In de discotheken hingen affiches met de tekst 'dood aan Beaucourt'. Zelfs mijn kinderen werden erop aangekeken. 'We zijn het beu om de smoel van uwe pa op de televisie te zien', hoorden ze van leerlingen op school. Zelfs een leraar heeft hen dat ooit in het gezicht geworpen. Ik moet me dan inhouden, ik zou bijna fysiek gaan reageren."

Wat vinden uw drie kinderen van uw aanwezigheid in de media, uw harde stellingname over verkeersdoden, uw nultolerantie inzake alcohol- en drugsgebruik achter het stuur?

"De jongste is zeventien, de dochter tweeëntwintig en de oudste vierentwintig. Thuis wordt er heel weinig over die dingen gesproken. Zij weten natuurlijk wel waar ik mee bezig ben en ik ben blij dat ik met mijn kinderen geen problemen heb in verband met de zaken die ik aankaart. Zij nemen geen drugs. Snelheidsfreaks zijn het evenmin. Mijn oudste zoon doet momenteel nog alle verplaatsingen per fiets (lacht). Echt, ik zit er voor niets tussen. Hij wil gewoon niet met de wagen rijden."

Ze zullen het u wellicht niet komen zeggen als ze een joint hebben gerookt of te diep in het glas hebben gekeken.

"(glimlacht) Ze zouden het niet hoeven te zeggen, ik zou het zien. Ik ken de kenmerken van verslaving en dronkenschap helaas te goed. Indien er problemen waren, zouden we het weten van elkaar. (wacht even, leunt achterover) Misschien moet ik hier ook maar toegeven dat ik een slechte vader voor ze ben. Ik heb ze van op een afstand zien opgroeien, mijn vrouw is de compenserende factor thuis. Zij volgen mij ook op een afstand en ergeren zich ook aan die reacties. Ach, ik zorg er natuurlijk zelf een beetje voor dat ik kritiek krijg, maar veranderen kan ik dat niet. Het is de aard van het beestje."

Laatst in de krant De Zondag zei u dat honderdtachtig per uur rijden op de snelweg kon. U was zelfs bepaald minzaam voor Jean-Marie Dedecker. Nogal wiedes dat de kranten u dan vastspijkeren en zeggen dat u een bocht van formaat maakt.

"Ik heb gezegd: voor mij is honderdtachtig per uur perfect aanvaardbaar, maar gekoppeld aan een zwarte doos in elke wagen. Dedecker vindt dat hij op de snelweg zo snel mag rijden? Bon, ik heb me daar vroeger altijd tegen verzet, maar nu zeg ik: koppel dat vast aan een zwarte doos. Op het moment dat hij een ongeluk heeft, zullen we het zien en dan draait hij maar op voor de kosten. Ik denk dat we op die manier het verantwoordelijkheidsgevoel veel sneller zullen beïnvloeden en veranderen. Hetzelfde geldt voor alcoholgebruik. Ik zeg nu: geen controles meer op alcohol, drugs of medicatie in het verkeer. Jawel, ik durf te evolueren in mijn standpunten. Maar, ik zeg ook: wie betrokken is bij een verkeersongeval krijgt anderhalf uur de tijd om het bewijs te leveren dat hij negatief is. Kan hij dat niet, dan draait hij ferm voor zijn gedrag op. Keer de bewijslast gewoon om. Het lijkt me een veel eerlijker systeem."

Kortom, weg met de zware controles. En wat dan met de superhoge boetes die deze week bekend werden gemaakt, ook niet uw ding?

"Ik ben er geen grote voorstander van, het is trouwens een sociaal ongelijk systeem. Wie rijk is kan zich meer snelheid veroorloven. Ik geloof in het principe van de alternatieve straffen. Voor de tien kilometer per uur die u te snel rijdt, zet men tien weken een klem op uw wagen. Dat doet pas pijn. Mijn spoedafdeling zit ook in dat systeem van alternatieve straffen. Ik heb hier een jongeman gehad die ooit een zware overtreding beging met de dood van een persoon tot gevolg. Hij heeft twee jaar lang elk weekend op onze dienst gewerkt. Hij bleek een goede kracht te zijn en ik heb hem in dienst genomen. Zijn proces is wel nog hangende. Die gast heeft door die straf uit te voeren zijn mogelijkheden kunnen tonen en hij kan er zelfs zijn toekomst door uitbouwen. Is dat geen fantastisch voorbeeld van hoe het ook kan?"

Toch blijkt dreigen met boetes veel meer effect te hebben op het rijgedrag dan jarenlang rondlopen met bloederige dia's van verkeersslachtoffers. Dat moet toch steken?

"Er is wel een sociaal draagvlak gecreëerd. Mede door die agressieve manier werd eindelijk over een probleem gesproken en nam de aandacht voor verkeersveiligheid enorm toe."

U zei daarnet: ik ben geëvolueerd in mijn denken over bepaalde zaken, inzake de verkeersaanpak. Maar deed u dat ook inzake drugs? In Iran bent u veelvuldig geconfronteerd met opiumverslaving, wat voor effect heeft dat gehad op uw denken?

"We hebben inderdaad heel veel opiumverslaafden verpleegd. Die mensen reageerden dermate slecht op medicatie dat ik op een bepaald moment drie- tot viermaal de dosis moest geven om effect te hebben. Ik heb toen gezegd: kunnen we niet op een of andere manier aan opium geraken zodat die mensen hier rustig worden. Kijk, je moet alles in zijn context zien. Ik ga dáár toch geen strijd voeren tegen druggebruik zeker, in een omgeving waar de geplogenheden anders zijn. Opium is een stuk van hun cultuur, ze doen er zelfs opium in hun voeding. Ik heb het zelf geproefd. De militairen hebben voor ons een maaltijd bereid waarin opium was verwerkt."

U hebt dus opium tot zich genomen in Iran! Dokter Beaucourt!

"Dat was inderdaad voor het eerst en het was beslist niet slecht. Ik heb overigens niets gevoeld (lacht luid). We kregen wel niet zo'n hoge dosis. We aten rijst met auberginesaus en zoals wij peper gebruiken, hadden zij er opium over gestrooid. Niet meer en niet minder."

Nu u de drug geproefd hebt, verandert u niet uw stelling?

"(lacht) Nee, ik blijf bij mijn principe van nultolerantie. Ik hoop dat de medische literatuur ons in de toekomst steeds meer bewijsmateriaal zal leveren over de vaststellingen die ik al een tijdje in de praktijk doe. Ik blijf beweren dat soft drugs neveneffecten hebben. Er rijzen problemen bij regelmatige gebruikers ervan. Bij mensen die langdurig soft drugs gebruiken kunnen psychoses ontstaan, ik heb het meermaals meegemaakt."

U schermt graag met bepaalde medische literatuur, maar er zijn ook onderzoeken die uw bevindingen tegenspreken, zoals recent in Nederland. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersbeleid stelde vast dat het gebruik van soft drugs bijzonder weinig effect had op het rijgedrag.

"Die onderzoeken zijn er, inderdaad, maar het blijft een feit dat we geen duidelijkheid hebben over wat de gevolgen op termijn zijn. Als er ook maar de minste twijfels bestaan, moeten we dat onderzoek verder voeren. Ik ben er hoe dan ook van overtuigd dat je binnen dit en een paar jaar meer en meer doorslaggevende medische argumenten zult vinden om ten minste te besluiten: wees voorzichtig met die spullen. Ik zeg ook niet: we moeten het verbieden. We kunnen het niet meer verbieden, drug zijn d'office geïntegreerd."

Oei, ook hier toch een switch. Waar is de tijd dat u het parlement zou bestormen, indien de drugswet werd gestemd.

"(lacht) Tja, dat heb ik inderdaad gezegd tijdens een debat met senator Lozie. Ik was toen kwaad omdat Lozie ineens een gedoogbeleid voorstond dat veel verder ging dan alleen de soft drugs. Dat vond ik een hele stap te ver. Nu, ik heb nadien weer een sigaar mogen smoren."

U zoekt altijd zwaardere uitdagingen, bent u misschien uitgekeken op spoed?

"Dat klopt. Spoed is een beetje routine geworden. Nu zie ik echter de vijfenvijftig voorbijgaan en over een paar jaar is het ermee gedaan. Ik zou best nog een stukje van de wereld willen zien maar ik heb geen reserve opgebouwd. Ik heb kosten gehad, studerende kinderen, dat soort dingen. Waarom zou ik niet mogen dromen van andere uitdagingen voor een paar jaar. Die dadendrang blijft, zoiets schuur je uit mij niet weg. Misschien ben ik wel een goede crisismanager. Waar ik ook een beetje van droom, is leiding te hebben over crisisteams."

U bent toch bezig met het project Astrid, een breed Belgisch communicatieproject voor de verschillende hulp- en veiligheidsdiensten?

"(zucht) Ik bots daar op zo ongelooflijk veel inertie. Vooral vanuit de medische wereld zie ik die extreme terreintjesdrift weer naar boven komen. Zodra er over openheid en communicatie wordt gesproken, worden de bakens uitgezet. Terwijl wij op het veld gewoon naast elkaar werken. Politie, brandweer en medische disciplines geven elkaar de hand. Toch leeft bij de medici het idee van: de politie zal zich wel weer bemoeien. In de praktijk stel ik vast dat dit niet het geval is. Ach, het komt altijd neer op macht, macht en nog meer macht. Hoe ouder ik word, hoe meer die zaken mij opvallen. Het maakt me zeker niet vrolijker."

U hebt het naar het schijnt ook lastig met ouder worden.

"Enorm. Ik word ook bang voor de dood. Ouder worden is om twee redenen verschrikkelijk voor mij: ten eerste is er die angst dat ik niet meer zal kunnen werken. Ten tweede is ouder worden drastisch onderweg zijn naar sterven. Ik ben bang om stil te vallen, geen doel meer te hebben als ik opsta, ik heb ook nog zo veel te zien en te leren."

U zou zich eindelijk op uw privé-leven kunnen storten, waar u de voorbije dertig jaar de grote afwezige was.

"Dat is zo, maar mijn vrouw en mijn kinderen hebben dat aanvaard. Ik heb vorig jaar mijn vakantie niet opgenomen, we zijn vorig jaar niet samen met vakantie geweest, ook het jaar daarvoor bleven we thuis."

U zit niet aan de oudejaarsavonddis, elk weekend hangt u ergens in de vangrail naast de snelweg gekwetsten te bekijken. Waarom blijft uw vrouw bij u?

"(lacht luid) Wij hebben duidelijke afspraken over de manier waarop ik werk. Ik heb trouwens een zeer belezen vrouw die me continu voedt. Als ik begin met 'ik zal proberen' krijg ik van haar de opmerking 'in proberen zit de mislukking al vervat'. Kijk, vandaag werden we ontvangen door minister Michel. Mijn vrouw zei, toen ik vertrok: 'Je wordt vandaag ontvangen, omdat je goed gescoord hebt in de media. Was het scheef gelopen, ze hadden je niet zien staan.' Zij drukt me steeds weer met de neus op die realiteit."

Het wordt hoog tijd dat mevrouw Beaucourt eens wordt geïnterviewd, zij ligt verdorie ten grondslag aan uw eigenzinnige gedrag.

"(meesmuilend) Probeer niet, zoiets weigert ze. Ze is de stille kracht, ze kent mij. Ze laat me elke keer vertrekken, naar het buitenland, naar de rampen. Ook nu weer begreep ze dat ik naar Iran moest."

Wat beweegt u nog na al die jaren? U hebt zoveel leed gezien, zoveel bloed, zoveel doden, wat ontroert u nog?

"Buitengewone mensen leren kennen... (stem stokt) Dat ik een hartsvriend vond, een beetje ver in Iran. Na al die jaren ploeteren ontdekte ik een figuur naar wie ik eindelijk weer eens kon opkijken. Dan zeg ik... godverdomme. Die gast, hij heeft me vanbinnen geraakt. Zo diep. Ik ben er nog niet goed van. Ik hoop dat ik hem niet verlies. Hij is me te dierbaar geworden. Zo'n vriend raakt me meer dan een zwaar slachtoffer dat wordt binnengerold. Het klinkt misschien hard, maar dat is routine geworden. Het zware slachtoffer lijkt op het vorige zware slachtoffer en dat zal op het volgende lijken. Echte, levende, intens levende mensen, daarvoor ga ik plat.

"Wat me ook ontroert, is de confrontatie met de eindigheid, met mijn vader bijvoorbeeld. Mijn vader heeft een zware beroerte gehad en zit nu te wachten in een rusthuis in Gent. Om de veertien dagen ga ik hem bezoeken. Ik haal hem dan op, breng wat tijd met hem door en voer hem terug. Telkens als ik van hem afscheid neem, ben ik er het hart van in. Ik kom dan ook steevast depressief thuis. Het is een van mijn grote zwakheden dat ik daar niet mee kan omgaan. Als ik mocht kiezen... laat me niet geduldig wachten, maar bezorg me een snelle dood. Knak en gedaan. Laat me sterven zoals ik geleefd heb. Ik ben ook zo bang voor het nodeloze afzien."

Zou u in dat geval om euthanasie vragen?

"Meteen. Ik ben tegen onze huidige euthanasiewet, die ons minder mogelijkheden geeft om een bewust gekozen dood te laten uitvoeren. De vraag om te mogen sterven is privé, het is iets wat besproken wordt tussen de patiënt en zijn omgeving en tussen de patiënt en zijn dokter. Voor de rest heeft niemand iets in de pap te brokken. De mens wordt anoniem geboren, laat hem ook anoniem vertrekken."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden