Donderdag 27/02/2020

Ingestort als een kaartenhuis

Paul Krugman heeft het allemaal zien aankomen. Tien jaar geleden schreef de Amerikaanse economist The Return of Depression Economics, waarin hij de economische perikelen doorlichtte die in de jaren negentig een hele reeks landen teisterden. Japan zakte toen weg in een aanslepende periode van groeirecessie. De ‘tijgereconomieën’ in Zuidoost-Azië wankelden. Het Verenigd Koninkrijk en Zweden kampten met valutacrisissen. En in Latijns-Amerika kregen Mexico, Argentinië en Brazilië af te rekenen met gigantische problemen. Die crisissen werden vrij snel opgelost. Niet pijnloos natuurlijk, dus vervelend voor de betrokkenen. Maar hoogstens enigszins verontrustend voor de rest van de wereld. En zeker geen reden om te twijfelen aan de postcommunistische dominantie van het kapitalistisch systeem. Want, zo werd ons verzekerd, die schokken konden niet worden vergeleken met de economische aardbeving die zich in de jaren dertig van de vorige eeuw voordeed.

Dodelijke bacterie

Krugman, wiens boek om die reden niet overdreven veel aandacht kreeg, stoorde zich aan die zelfgenoegzaamheid. Hij vergeleek de toestand in 1999 met een bacterie die vroeger dodelijke ziektes veroorzaakte, sindsdien door de geneeskunde als onschadelijk werd beschouwd, maar opnieuw de kop had opgestoken en hij waarschuwde dat “zelfs degenen onder ons die voorlopig aan de dans zijn ontsnapt dwaas zouden zijn als ze niet op zoek zouden gaan naar nieuwe medicijnen”.Dat gebeurde dus niet. Integendeel, nog in 2003 garandeerden prominente economisten als Nobelprijswinnaar Robert Lucas ons dat een grote depressie uitgesloten was omdat “de conjunctuurcyclus was beteugeld”. Met andere woorden: in plaats van beurtelings vette en magere jaren, zouden we voortaan nog alleen voorspoed beleven. Maar helaas, de bacterie kwam terug, de antibiotica waren niet meer efficiënt en de gevolgen kennen we.Voor Krugman, die jarenlang opbokste tegen de neoliberale waan van de dag, reden te over om opnieuw aan het schrijven te gaan, mede gesterkt door zijn vroegere gelijk, zijn populariteit als columnist (ook in deze krant) en door de Nobel Memorial Prize in Economics die hij vorig jaar ontving. Het resultaat, Crisiseconomie, is een herwerkte en geactualiseerde versie van zijn oorspronkelijke boek. Daardoor zal een deel Krugmanfans van het eerste uur bekend voorkomen, want dat is gewijd aan wat er in het laatste decennium van de vorige eeuw misliep met de wereldeconomie. De auteur wil daarmee aantonen dat de roemruchte bacterie nooit helemaal werd uitgeroeid en dat de waarschuwingen daarover ten onrechte werden genegeerd in een postcommunistische wereld die “werd geregeerd door het kapitalisme”. Want de crisis die we nu doorworstelen mag dan ernstiger zijn dan wat we sinds een halve eeuw meemaakten, ze is niet echt anders dan de vroegere problemen, schrijft Krugman. Integendeel: “Ze lijkt zelfs erg op wat we al eerder hebben gezien, maar dan in één keer: een barstende vastgoedzeepbel, vergelijkbaar met wat er gebeurde in Japan (waar de vierkante kilometer grond onder het keizerlijke paleis meer waard heette te zijn dan de hele staat Californië); een hele reeks bankcrisissen; een liquiditeitsval in de VS; een ontwrichting van de internationale kapitaalsstromen en een golf valutacrisissen zoals eind jaren negentig in Azië.” Na die parallellenvan de ongereguleerde schaduwbanken, die de klassieke depositobanken naar de kroon staken en waarvan de crisis rond de Long Term Capital Management al in 1998 de risico’s blootlegde - alweer zonder dat daar lering uit werd getrokken. De rol daarbij van nieuwe financiële innovaties zoals de roemruchte hefboomfondsen, die als doel hadden optimaal te profiteren van marktschommelingen of het systeem van schuldbekentenissen met een hypotheek als onderpand, ook al waren die hypotheken vaak op drijfzand gebouwd omdat ze vrijwel gratis werden weggegeven. Daarbij speelden ook de onophoudelijke renteverlagingen mee, waarvoor de vorige baas van de Amerikaanse Federal Reserve, Alan Greenspan, verantwoordelijk was. Net als de even naïeve als onwankelbare overtuiging dat de huisprijzen altijd en eeuwig zouden blijven stijgen - wat natuurlijk perfect aansloot bij de al even hyperoptimistische stelling over het einde van de conjunctuurcyclussen.

Wall Street vs. Main Street

Wat begon als een financiële crisis, mondde intussen uit in een globale crisis van de ‘echte economie’, waarbij we opnieuw te maken hebben met wat ook de Grote Depressie van de jaren dertig kenmerkte: te weinig vraag om de beschikbare productiecapacteit te kunnen gebruiken. Krugman onderstreept dat het te ver gaat om te spreken van een nieuwe Grote Depressie, maar hij geeft wel een aantal tips om te voorkomen dat het alsnog zover komt. Omdat we te weinig uitgeven pleit de auteur ervoor de kredieten weer te laten stromen en meer kapitaal te verstrekken. Ook roept hij op tot “tijdelijke nationalisering van een belangrijk deel van het financiële systeem” en tot betere internationale coördinatie. Nu zijn er sinds de crisis losbarstte, in tegenstelling tot de Grote Depressie, heel wat pogingen in die richting gedaan, maar die gaan Krugman niet ver genoeg - zoals blijkt uit de steeds scherpere columns die hij sinds de publicatie van dit boek schrijft. Een nationalisatie ligt ideologisch kennelijk te gevoelig voor president Obama en diens minister van Financiën Timothy Geithner wordt naar de mening van Krugman te zeer beïnvloed door Wall Street, in plaats van door Main Street. Wat, als dat klopt, ook vraagtekens plaatst bij de broodnodige hervorming van het financiële stelsel die volgens Krugman de tweede fase van de reddingsoperatie moet vormen, nadat eerst de recessie is aangepakt en beëindigd.Crisiseconomie is zonder meer een van de sleutelboeken geworden in de ongetwijfeld nog groeiende reeks crisisliteratuur. Mede dankzij de vlotte stijl, waarop de auteur getuige zijn inleiding wel héél erg trots is, maar die hem inderdaad in staat stelt om ingewikkelde zaken begrijpelijk neer te schrijven - met als mooiste voorbeeld het gebruik van een babysitcoöperatie in Washington (echt waar) om uit te leggen dat recessies kunnen worden bestreden door het wegnemen van monetaire schaarste.

Gokkers

“Het gaat niet zozeer om wat er is gebeurd, als wel om waarom het is gebeurd”, schrijft Krugman in de inleiding van zijn boek. En inderdaad, over dat ‘wat’ is de jongste tijd al heel veel gepubliceerd zodat we allemaal (zouden moeten) weten dat (vooral in Amerika) zowel burgers als overheid boven hun middelen leefden en de schulden opstapelden; dat het niet echt verantwoord is om spotgoedkope hypotheken toe te kennen aan mensen zonder onderpand of vermogen en dat elke zeepbel vroeg of laat uit elkaar spat.Dat zijn, heel in het kort, de grote lijnen van de recessie waarin de wereld nu is gedompeld. Voor het vlees op dat geraamte zorgt nu William D. Cohan, oud-onderzoeksjournalist en ex-Wall Streetbankier. Dankzij zijn achtergrond heeft hij al eerder gezorgd voor schitterende boeken over de duistere kanten van de Amerikaanse financiële wereld. Barbaren aan de poort bijvoorbeeld, over het overnamegevecht rond het conglomeraat JRJ Nabisco. Of The Smartest Guys in the Room, over de megalomane fraudeurs achter Amerika’s grootste energieconcern Enron. Nu is er dus Cohans als een thriller lezende House of Cards, waarin hij de wildgroei in Wall Street beschrijft aan de hand van de ondergang, in de lente van 2008, van Bear Stearns, een van Wall Streets belangrijkste investeringsbanken. En dat was het startschot voor de financiële crisis die is uitgegroeid tot een wereldwijde recessie.Zoals al blijkt uit de ondertitel, How Wall Street’s Gamblers Broke Capitalism, wordt een groot en fascinerend deel van het boek gewijd aan de mannen die Bear Stearns de voorbije decennia leidden en van een bescheiden en relatief beschaafd bedrijf deden uitgroeien tot een van de haaien die de wereldeconomie dreigen te verslinden. Mannen die worden beschreven als “larger than life”, voor wie ook termen als ‘arrogant’, ‘hebzuchtig’ of ‘lomp’ prima passen en die inderdaad niet vies waren van een gok. Agressieve mannen als ‘Cy’ Lewis, ex-footballspeler en schoenverkoper die in 1933 in dienst ging bij Bear Stearns. Deze zoon van Oost-Europese immigranten waagde tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn grote gok door tegen een spotprijs spoorwegaandelen op te kopen, die toen vrijwel niets opbrachten omdat het spoornet door president Roosevelt was opgeëist, maar die na het einde van de oorlog wel geld waard werden. Na hem kwam ‘Ace’ Greenberg, ook een aankomende sportster, maar vooral iemand “met het instinct van een gokker” die zich mede daardoor snel opwerkte tot een van de meest succesvolle traders in Wall Street en tot topman bij Bear Stearns. En bovenal was er Jimmy Cayne, een geboren verkoper, die, toen de stad New York in 1975 failliet dreigde te gaan en geen staatssteun kreeg (getuige de krantenkop ‘President Ford to City: Drop dead’) en hij gemeente-obligaties kocht voor een kwart van hun waarde. En zie, New York viel niet dood maar bloeide. Kassa dus. Toch was de échte passie van Cayne het bridgespel, dat trouwens bij andere topmensen ook populair was, maar waarin hij een heuse kampioen was. Zelfs als CEO tussen 1993 en 2008 verliet hij zijn riante, ebbenhouten kantoor vaak al ’s middags om te gaan kaarten. Maar dat werd hem niet kwalijk genomen zolang Bear Stearns onder zijn leiding uitgroeide tot een van de meest winstgevende bedrijven in de sector. Cayne zelf werd daar trouwens niet slechter van, want hij ging er prat op de eerste miljardair in Wall Street te zijn en kon zich dus de sigaren van 150 dollar per stuk permitteren waar hij zo gek op was dat het stedelijk rookverbod in zijn kantoor niet gold.

Echte geldmachine

Schitterend is Cohans beschrijving van de reusachtige ego’s, de complotten en conflicten die werden uitgevochten in de media. Van grofgebekte, dictatoriale mensen die hun ondergeschikten letterlijk over de vloer lieten kruipen om hun evaluatie te kunnen lezen. Maar die wel zorgden dat Bear Stearns volgens de vakpers in 2006 “een echte geldmachine” was geworden.Maar toch waren er op dat moment al mensen die zagen dat zich wolken samentrokken boven de straat in de zuidpunt van Manhattan, en dus ook boven Bear Stearns. Mensen als ex-Federal Reserve-president Paul Volcker, die een jaar eerder “verontrustende trends” signaleerde. Of de journalisten die waarschuwden dat er een kredietcrisis dreigde. De reden: de immobiliënzeepbel die onder Clinton met de beste bedoelingen was begonnen en door de Fed vanaf 2000 werd gestimuleerd door constante verlagingen van de rentevoet, wat lenen goedkoper maakte. De rommelhypotheken die daar het gevolg van waren dienden als basis voor obligaties, dus toen de huizenmarkt instortte en de obligaties niets meer waard waren omdat de hypotheken geen waarborg meer boden, barstte de bom. En het eerste slachtofffer daarvan was Bear Stearns, de marktleider in die hypotheekobligaties.Eerst bleven Cayne en Greenberg doen alsof hun neus bloedde en optimistische taal uitslaan, want per slot van rekening stonden de aandelen van het bedrijf ook in januari 2007 nog op een recordkoers. Zelfs toen de twijfels over de positie van de firma leidden tot de ondergang van de hefboomfondsen die in 2003 waren gevormd, was de eerste reactie van Cayne “Fuck them. Laat die fondsen maar ondergaan. Het is ons geld niet. Laat de banken maar verliezen lijden.” Maar de aandelenkoers bleef dalen, wat er trouwens ook voor zorgde dat Cayne persoonlijk een miljard dollar van zijn fortuin kwijtraakte, het vertrouwen in de firma slonk zienderogen en toen Cayne ook nog door een “cunt from the Wall Street Journal” ervan werd beticht marihuana te roken, moest hij als CEO aftreden. De minder kleurrijke mediabankier Alan Schwartz kreeg vervolgens de weinig benijdenswaardige taak om te proberen de meubels te redden en de uiteindelijke overname, voor een habbekrats, van Bear Stearns door JPMorgan Chase af te handelen.Schwartz zorgt bovendien voor de perfecte afsluiter van dit spannende boek. Enkele maanden na de overname van zijn bedrijf en na het nog altijd omstreden faillissement van de volgende domino, Lehman brothers, vatte hij de gebeurtenissen als volgt samen: “Als zoiets gebeurt gaat iedereen op zoek naar een zondebok. Maar in feite is iedereen verantwoordelijk: ‘we all fucked up’. De regering. Wall Street. De rating agencies. De commerciële banken. De regulatoren. De investeerders. Iedereen.”

William D. Cohan

William D. Cohan studeerde aan de Duke-universiteit, werkte eerst als onderzoeksjournalist en ging vervolgens aan de slag in Wall Street, waar hij opklom tot vice-president bij Lazard Frères, directeur bij Merrill Lynch en managing director bij JPMorgan Chase.De ervaringen die hij in die jaren opdeed, leidden in 2007 tot het boek The Last Tycoons, de geheime geschiedenis van Lazard Frères, dat verschillende prijzen won. Zijn nieuwe boek, House of Cards, kreeg schitterende kritieken en klom hoog op de bestsellerlijsten. William Cohan schreef ook artikelen voor de New York Times, de Washington Post, de Daily Beast, Fortune en de Financial Times.

Paul Robin Krugman

Paul Robin Krugman doceerde aan het MIT en aan Yale, en is momenteel hoogleraar aan Princeton. Krugman maakte vooral naam als specialist inzake internationale handel en kreeg voor zijn werk aan de ‘new trade theory’ eerst de Amerikaanse John Bates medaille voor jonge economisten. In de herfst van vorig jaar leverde zijn ‘analyse van handelspatronen’ hem ook de Nobelprijs economie op. Hij schreef een twintigtal boeken en publiceerde artikelen in Foreign Affairs, Harvard Business Review, Scientific American en andere tijdschriften. Sinds tien jaar schrijft hij spraakmakende columns voor de New York Times, die ook in deze krant te lezen zijn.

Terugblik op de Grote Depressie

Nu we weten dat de huidige crisis de ergste is sinds de Grote DepressieThe Affluent Society) en adviseur van de presidenten KennedyGeen slecht idee dus om zijn klassieker De crash van 1929, die hij in 1954 schreef, nog eens uit te geven. Voorzien van een voorwoord van de Nederlandse economist Arnold Heertje, die het boekje in een hedendaags perspectief plaatst, door te wijzen op de verschillen tussen de economische wereld in de jaren dertig en die van nu, zoals het feit dat de overheden nu wel ingrijpen en destijds niet.Maar hoewel het maken van vergelijkingen tussen twee tijdperken gevaarlijk is, blijft het toch onthutsend om te zien hoeveel raakvlakken er wél zijn. Ook die crisis werd voorafgegaan door huizenspeculatie, met name de ‘speculatieve orgie’ in Florida. Ook toen deed zich op de aandelenbeurzen iets voor wat we nu een ‘zeepbel’ noemen. En ook toen doken reeds namen op van firma’s als Goldman Sachs en werd er gezocht naar boosdoeners. Zelfs het woord ‘hefboom’ komen we bij Galbraith al tegen, net als ‘de wonderen van de meetkundige reeks’.Dat de beurscrash werd gevolgd door een Grote Depressie die tien jaar duurde, kwam volgens Galbraith door een falende overheid en doordat de economie toen, ondanks de bekend klinkende lofzangen, “fundamenteel ongezond” was, om redenen die we soms ook 80 jaar later herkennen. In de naoorlogse bloeiperiode toen hij De crash schreef, zag hij op veel van die punten beterschap, hoewel hij waarschuwt dat “het onverstandig zou zijn de economie bloot te stellen aan de schok van een nieuwe grote speculatieve ineenstorting”. Wat daarvoor zou kunnen zorgen, wist Galbraith ook al: “de buitensporige drang van de Amerikanen om snel rijk te worden met een minimum aan fysieke inspanningen”. Alweer niets nieuws onder de zon.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234