Maandag 18/01/2021

Inderdaad

Het was goed dat Kenneth Selleslaghs er de dag voordien op was gewezen dat recyclageparken het brein tot rust brengen, want nu voelde hij het ook. Bij de nog nagenoeg lege containers heerste de gemakzuchtige gelatenheid van laat maar komen en er kan nog meer bij. Bij de volle containers hoorde het vermoeid maar tevreden soort rust dat ontstond nadat iets was volbracht. En dat terwijl hij het hier de eerste twee maanden van zijn werkende leven vooral lawaaierig had gevonden, en onveilig.

"Het opruimen", had de kleine ronde zigeunervrouw in gebroken Nederlands samengevat, "schept rust." Ze legde uit dat ze dat kon weten omdat ze schoonmaakster was en dus hetzelfde deed als hij, alleen kleinschaliger. "Onderschat je beroep nooit", had ze gezegd. "Je hebt meer in je macht dan je denkt." Daarna was ze achterwaarts van hem weggestapt, geheimzinnig grinnikend. Ter hoogte van de container met steengruis was ze in haar Fiat Panda geklommen en weggereden.

Kenneth staarde lang naar de container met snoeihout. Hij had de vrouw geholpen er twee verdorde olijfboompjes in te werpen en beklom de vier treden van de ladder langs de containerflank om er nog eens naar te kijken. De boompjes lagen met in elkaar verstrengelde kruinen tussen de geamputeerde takken. Massagraf, dat woord had hij hier ook eens opgevangen, en in het geval van het snoeihout begreep hij het. Hij daalde het laddertje weer af, wandelde langs de doorzichtige zakken met piepschuim naar de tafel met lege verfpotten, bleef staan naast die met tl-lampen. Deze voorwerpen, die wellicht in dezelfde fabriek waren geboren, hadden elkaar na een lange, eenzame reis weer gevonden. Dat soort rust had de vrouw waarschijnlijk bedoeld.

De gedachte aan rust in zijn hoofd hield Kenneth tot de middag bezig.

Tijdens de lunchpauze at hij aan de zijde van zijn collega's Ludwig en André zijn boterhammen op. Daar hadden ze een hok voor. Het gebeurde niet vaak dat ze er ongestoord samen konden zitten. Al een half uur lang was er geen enkele auto het recyclagepark opgereden.

"Neem de tijd. Het is niet gezond, hoe jij schrokt", zei Ludwig. André was de oudste, maar enkel Ludwig was op een vaderlijke manier bezorgd, bij momenten op het barmhartige af.

"Snel eten, dat kan hij, snel werken is wat anders", zei André. "Als je hem bezig ziet, vraag je je af wat er in hem omgaat. Vandaag heeft hij zeker een half uur naar dat snoeihout staan staren, daarna liep hij maar wat rond. Het zal wel zo zijn dat iedereen een kans moet krijgen maar het moet toch ook..."

"Hij zit erbij, André. Praat niet over hem alsof hij er niet bij zit."

"Ik zit erbij", beaamde Kenneth sereen.

"Werk je hier graag?", vroeg Ludwig.

Kenneth knikte. "Opruimen schept rust in mijn hoofd."

De mannen keken elkaar geamuseerd aan, begonnen toen tegelijk te lachen. Kenneth had geen idee waarom.

"Is daar dan iets dat kan rusten?", vroeg André. Hij maakte een vuist en tikte Kenneth met de knokkels tegen het voorhoofd. Het geluid dat hij daarbij voortbracht, moest een lege container voorstellen, dat wist Kenneth. André gebruikte veel geluiden om zijn woorden kracht bij te zetten. 'Motor', 'kassa' en 'lege container' keerden daarbij geregeld terug.

"Scheppen, zeg, dat 'schept' rust, zei je, slim hoor." Ludwig was er vrolijk van geworden. Daar was het dan toch goed voor. Maar het bleef spot.

Ze vonden hem dom, iedereen vond hem dom, er waren tests geweest en hulpleraren, uiteindelijk dan toch collega's. Ze hadden stuk voor stuk gelijk. Het vreemde was dat Kenneth zich enkel dom voelde als hij eraan werd herinnerd. Eigenlijk was dat met alles zo. Bij elke suggestie die hemzelf aanging, bij alles wat hij opriep, zaagde Kenneth in gedachten zijn schedeldak open, ging hij op zijn buik naast de opening liggen en liet hij zijn arm er tot bij de schouder in verdwijnen. Altijd viste hij wel iets op wat bij de bewering aansloot. Het zat er allemaal. Kon je dom zijn als je zo gevuld was? Waarschijnlijk wel.

"Hey, eet verder!", riep Ludwig toen Kenneth opstond. "Ben je boos?"

Kenneth stapte op een volle metaalcontainer af. Met de armen boven het hoofd geheven trok hij zo hard hij kon aan het dekzeil dat hij erover trachtte te spannen.

"Laat dat zeil met rust, straks scheurt het!" André richtte zijn aandacht op zijn brood, begon nu zelf te schrokken. Soms kon hij het niet meer aanzien.

"Kom. Jij die kant." Ludwig stond plots naast hem, Kenneth deed wat hij vroeg. Samen trokken ze het zeil over de container, alsof ze de overblijfselen van een ijzeren olifant hadden verzameld, en die nu toedekten, klaar voor het graf. Een stilstaande metalen olifant, en een rijdende trein, wellicht zou de trein het dan halen, dacht Kenneth.

"Hou op met tobben. En fronsen. Je moet tegen een grapje kunnen. Dat geldt voor iedereen."

Misschien zou het toch eerder op een ontsporing uitlopen, dacht Kenneth.

"Wat jij nodig hebt, is een kroegentocht", zei Ludwig.

Kenneth keek naar hem op. Een kroegentocht. Inderdaad.

Ludwig liep als eerste naar binnen, onmiddellijk gevolgd door Kenneth, die de deur bleef openhouden voor het voltallige volleybalteam en het groepje vrouwen dat bij de volleybalspelers hoorde. Het team, waarvan Ludwig de kapitein was, hield elk jaar een kroegentocht in een stad die de leden niet goed kenden. Omdat ze dit jaar hoog waren geëindigd, werd het eerste drankje in elke kroeg door de club betaald en had ieder een vriend mogen uitnodigen.

"Ik had nooit gedacht dat onze jongens voor hun vrouwen zouden kiezen", zei Ludwig. "Er zijn vast geen vrouwen, zei ik nog tegen de mijne. En nu zit ik hier met jou opgescheept."

Ludwig lachte dus lachte Kenneth maar mee. Moeilijk, vond hij, humor.

"Wat drink je?"

"Cola", zei hij.

"Nee", zei Ludwig. "Geen cola. Ik rijd, jij drinkt."

"Bier?"

"Dat zou ik denken, ja."

Terwijl Ludwig de andere bestellingen opnam, keek Kenneth om zich heen, naar de gladde stralen die uit de tapkranen vloeiden en het met wolken beschilderde plafond. Hij ging niet vaak op café. De bedoeling was hem niet helemaal helder. Zijn gezelschap wist zich er blijkbaar wel raad mee; luid praatten de volleybalspelers en hun vrouwen door elkaar heen, hij kon niet verstaan waarover ze het hadden, alles smolt samen tot geruis.

"Aangenaam", zei de man naast hem.

"Redelijk", zei Kenneth. "Het is hier wat te klein."

Hij zag nog net dat de man de hand waarmee hij de zijne had willen schudden, weer introk. Toen Kenneth weer opkeek, stond naast zijn gesprekspartner een vrouw met een gek mutsje op.

"Dit is Laura", zei de man. "En ik ben Gerrit."

Kenneth knikte, vroeg zich af wat er van hem werd verwacht.

"En wie ben jij?", vroeg Laura.

"Kenneth Selleslaghs."

"Ben je de vriend van Ludwig?", wilde Laura weten. "Ik bedoel dé vriend?"

Aarzelend schudde Kenneth het hoofd.

"Volleybal je ook?", vroeg ze.

"Nee, je wandelt", zei Gerrit. Hij bracht een wijsvinger dicht bij Kenneths rechterneusvleugel. "Bij een wandelclub? Is het niet?"

Kenneth twijfelde even omdat Gerrit het zo affirmatief stelde. Hij wandelde natuurlijk wel eens. Misschien school er in hem zelfs een verwoed wandelaar. Toch schudde hij opnieuw het hoofd.

"Ik heb kanker gehad", zei Laura. "Maar nu ben ik genezen. Ik kom langzaam weer tot rust."

Tof, vond Kenneth. Ze glimlachten naar elkaar.

"Nooit aan gedacht om je bij een wandelclub aan te sluiten?", vroeg Gerrit.

Voor hij een antwoord kon bedenken, kondigde Ludwig aan dat het tijd was voor de volgende kroeg en werd Kenneth ingesloten door het volleybalteam naar het trottoir gevoerd.

Kroeg na kroeg wist het stel hem te vinden. Kenneth praatte met Laura over haar verdwenen kanker en met Gerrit over de geneugten van het wandelen. Hij deed zijn best beide verhalen te volgen, wat niet makkelijk was, aangezien ze door elkaar heen werden verteld. Hij begreep de bange momenten voor een operatie en de overweldigende natuurpracht onderweg. Nu en dan slaagde hij erin een vraag te bedenken waar ze allebei wat aan hadden. "Is jullie leven erdoor veranderd?", was bijvoorbeeld een schot in de roos; het verschil tussen voor en na bleek bij beiden enorm.

Het geruis nam toe.

"Gaan we dansen?", vroeg Laura.

De vraag overviel hem. Hij danste graag, maar zelden samen. Hulpeloos wachtte hij Gerrits reactie af.

"Ga je gang", zei die uiterst hartelijk. "Ik dans niet. Ik ben eerder het type van voet voor voet in een rechte lijn vooruit."

Kenneth maalde er niet om dat ze de enige dansers waren. Hij was hier goed in. Dat was meermaals over hem beweerd en Laura vond het nu ook. Hij draaide haar om haar as en rond die van hem, blindelings wist hij haar handen weer te vinden, achter zijn rug en boven hun hoofden. Gerrit en Ludwig stonden met elkaar te praten, misschien over hem. Hun blikken troffen elkaar. Die van Gerrit leek argwanend, maar was waarschijnlijk slechts afwezig; Kenneth had de gemoedsgesteldheden al vaker door elkaar gehaald bij het gezichten lezen.

"Had je al gezien dat ik geen wenkbrauwen heb?", vroeg Laura. "En ook geen wimpers." Ze knipperde nadrukkelijk met haar ogen.

Helemaal duidelijk zag hij het niet in de rode en gele spots. Als hij wilde mocht hij de verdikking waar vroeger haar zat betasten, het zou er binnenkort weer groeien, want ze was genezen, het leven lachte haar breder toe dan voorheen, het vroeg om verandering, volledig en voluit.

Nog maar net had Kenneth twee nieuwsgierige vingers langs de haarloze wenkbrauw laten glijden, of Gerrit kwam zijn gezichtsveld ingestapt, in een rechte lijn, met een gebogen elleboog en een gebalde vuist.

Van op de grond keek Kenneth hem aan. Hij stond ervan versteld dat hij nog bij bewustzijn was, zich zelfs wakkerder voelde dan anders.

"Die vuilnisman zit verdomme al vanaf de eerste kroeg mijn vriendin op te vrijen!", riep Gerrit buiten zinnen toen zijn tegenstribbelende lichaam door twee brede volleybalspelers werd weggedragen. Laura ging huilend achter hen aan, schreeuwend dat ze wilde leven met een grote L.

Ludwig hielp Kenneth overeind. Hij stopte twee hoeken van zijn eigen zakdoek in Kenneths neus om het bloeden te stoppen.

"Kenneth toch", zei hij dronken maar ernstig. "Gevloerd door de liefde."

Zo had Kenneth het nog niet bekeken. Waarschijnlijk had hij niet uit beleefdheid naar Laura geluisterd, niet enkel met haar gedanst omdat hij graag danste. Er zat vast meer achter en zijn laatste kans erop verdween huilend door een cafédeur naar buiten. Hij moest haar achterna, ook hij was genezen, wandelen interesseerde hem allerminst. "Je hebt meer macht dan je denkt", had de zigeunervrouw gezegd.

"Vooral hier blijven", zei Ludwig. Kenneth staakte zijn poging om tot bij de deur te komen. Ludwig wrong zich nogal wankel langs hem heen.

Waar de rest van de volleybalploeg en hun vrouwen getuige van waren, bleef voor Kenneth verborgen. Toen ze opgewonden naar buiten stormden, volgde hij.

Ludwig, nog maar net van de straat opgeraapt, schreeuwde naar Gerrits wegscheurende 4x4 dat hij uit de club zou worden gezet.

"Ik hou van je, Laura!", riep Kenneth op zijn beurt.

Toen Gerrits auto remmend tot stilstand kwam en in achteruit weer naar de kroeg reed, duwde het volleybalteam hem naar binnen, waarna het als één man beschermend voor de ingang ging staan.

"Kom maar op!", hoorde hij Ludwig schreeuwen.

Kenneth wilde graag naar huis en liet zich tegen zijn zin meeslepen naar een laatste café waar de nacht moest worden afgesloten. Het gezelschap gedroeg zich rusteloos, nog opgefokt door het duwen en trekken bij het voorkomen van een tweede vechtpartij. Ze hadden allemaal verwacht dat dit ooit zou gebeuren, Gerrit had altijd iets asociaals gehad, bij momenten zelfs iets vijandigs. Hij was een gespleten persoon, iemand die niet kon kiezen. Wandelen paste hoe dan ook beter bij een individualist als hij, vonden ze.

Hoewel Gerrit hem bij het eerste gevecht behoorlijk had toegetakeld - zijn bovenlip hield niet op met bloeden - was Ludwig hem blijven uitdagen. Dezelfde overmoed legde hij nu in de woorden: "Ik kan altijd rijden!"

"Kenneth", zei de nuchterste en meest verantwoordelijke van het team. "Ludwig is geen Bob. Jij moet rijden."

"Ik heb geen rijbewijs."

"Dat dacht ik al." De volleybalspeler klonk plots geïrriteerd. "Blijf dan naast hem zitten wachten tot hij nuchter is. Zorg er in ieder geval voor dat hij zo niet de baan op gaat."

Kenneth had nooit gedacht dat Ludwig zo zwaar zou zijn. Hij had zijn collega's arm over zijn schouders geslagen en leidde hem met veel moeite naar de auto. Na wat luid protest was Ludwig ingeslapen. Halverwege trok zijn slappe lichaam dat van Kenneth mee naar de grond. Bij de auto aangekomen, liet Kenneth Ludwig voorzichtig tegen de carrosserie aanleunen, zodat hij zijn handen vrij had om de sleutel in zijn zakken te zoeken. Ludwig ontwaakte met een schok.

"Politie! Politie!" riep hij.

Kenneth opende het portier en hees hem op de passagiersstoel. Daar trok er een weemoedig waas voor Ludwigs ogen. Kenneth haastte zich naar de andere kant van de auto, ging aan het stuur zitten en sloot de deuren van binnenuit.

"Ik schaam mij", zei Ludwig met een grafstem. "Breng mij naar huis."

"Ik kan niet rijden", zei Kenneth. "Ik heb geen rijbewijs. Ik blijf bij je tot je nuchter bent."

"Jij kunt wel rijden, Kenneth. Nil volentibus arduum, godverdomme! Kwel jezelf toch niet zo met die onzekerheid. Iedereen kan rijden! Stop die sleutel in het contact, zet je voet op het gaspedaal en draai aan het stuur. Wat is daar moeilijk aan? Jij kunt dat!"

De woordenstroom had Ludwig uitgeput. Hij barstte in hevig snikken uit, viel daarna als een blok in slaap.

Als ik wil, dacht Kenneth. Hij stopte de sleutel in het contact en keek nog even naar zijn collega; een buitenmaats vogeltje dat met een gehavende, opengesperde bek een uitgebraakte worm afwachtte. Als ik wil, dacht Kenneth, dan kan ik dat. Hij startte en zocht het juiste pedaal, grommend schoot de auto uit de parkeerplaats. In het midden van de straat begon hij echter te schokken, begeleid door het geluid van een sladroger, het leek uit de vloer te komen. Voor Kenneth kon ontdekken wat het zou kunnen zijn, kwam hij weer op snelheid. Ik ben een kogel, dacht hij, niet zonder doodsangst. Het stuur draaide veel soepeler dan hij had verwacht. Met een wijde boog reed hij op de gevel van een huis in. Zijn hoofd bewoog in een golfbeweging in de richting van de voorruit. Ludwig opende de ogen. Op enkele centimeters van het brekende glas werden hun hoofden weer naar achteren gegooid. De airbags hadden dienst geweigerd.

Het geruis dat Kenneth al uren plaagde, was uit zijn oren verdwenen. Er heerste een stilte die enkel werd onderbroken door het geluid van de sladroger, maar ook dat klonk veel verder weg.

"Gaat het?", vroeg hij aan Ludwig, die nog niet een keer met zijn ogen had geknipperd.

"Had ik je gevraagd om te rijden?"

Kenneth was niet helemaal zeker of Ludwig het echt als een vraag bedoelde. Hij knikte voorzichtig.

"Weg", zei Ludwig.

"Pardon?"

"Ga hier onmiddellijk weg!"

Toen Ludwig een hand om zijn hals spande, begreep Kenneth dat hij niet zo snel mogelijk weer weg moest rijden, maar dat hij uit de auto moest verdwijnen. Hij rukte zich los en werkte zich naar buiten, rende weg van de bewoners van het huis, die in hun kamerjassen op straat stonden en hem met de handen in de zij nakeken, te verbouwereerd om achter hem aan te gaan. Een spoor van verlichte ramen trok door de huizenrij, gordijnen werden opzij geschoven, blikken geworpen. Hij hoopte dat die mensen niet zouden gaan schreeuwen wat ze over hem dachten. Rust, dacht Kenneth, rust.

Verward en verkleumd wachtte hij naast een rij supermarktkarren tot het weer licht werd. Hij was erbij gaan zitten, maar de winter had hem met bevroren handen van de tegels af geduwd. Er ging veel door hem heen, maar een plan of een oplossing was er niet bij. Naar huis gaan leek hem geen goed idee, daar stond de politie hem vast op te wachten, of Ludwig, die er zeker voor zou zorgen dat hij zijn baan kwijt zou raken. Vreemd, vond Kenneth; de bocht die zijn leven in korte tijd had gemaakt, was even drastisch als die van de auto op weg naar de gevel. Hij piekerde zich suf om te achterhalen hoe hij wat er mis was gegaan had kunnen vermijden, kwam er niet uit.

Als die vrouw van de olijfbomen nog maar eens langskwam, dacht hij. Ze had het over ruimte scheppen in zijn hoofd gehad en hoewel hij niet wist hoe hij dat opruimen moest aanpakken, toch leek dat precies wat hij nu nodig had.

Hij besloot te wachten tot de supermarkt open zou gaan. Dan zou hij een kar nemen en daar binnen mee rondrijden tot hij iemand zag zoals de zigeunervrouw. Iemand die hem echt aardig leek, iemand met wie hij tot bij een kofferbak, een garage of een voordeur op zou trekken. Hopelijk kon die persoon hem dan opdragen wat hem te doen stond, hem zeggen wat voor iemand hij was.

Het werd klaar. Kenneth zocht de opkomende zon, gaf het op toen hij besefte dat het nog lang kon duren eer ze van achter een van de omringende flats tevoorschijn zou komen. Geruime tijd voor het openingsuur verzamelde een groepje mensen zich zo dicht mogelijk bij de ingang van de supermarkt. Er was niemand bij die er aardig genoeg uitzag. De caissières die even later arriveerden, liepen door het groepje heen alsof het er niet stond. Wel namen ze Kenneth met slaperige arrogantie in zich op. Binnen deden ze de lampen aan.

Kenneth sloot zich niet aan bij het groepje voor de ingang dat nu naar binnen mocht, hij zou pas een kar losmaken als er iemand opdoemde die hem daartoe verleidde.

Hij keek naar de mensen die uit hun auto's of van hun fietsen klauterden. Veel onleesbare gezichten. De enige woorden die hij opving, waren zwaar of stekelig. "Dat komt allemaal door jou! Dat is allemaal jouw schuld!", riep een vrouw tegen een huilende kleuter, die zich desondanks tegen haar brede dij aan wilde drukken.

Kenneth was zo uit het veld geslagen door het tafereel, dat hij de mollige tiener die voor hem stond niet meteen opmerkte. Toen hij haar aankeek, werd hij meteen bedolven onder een lawine van begrip en empathie.

"Geeft u me uw hand." Ze fluisterde het haast.

Kenneth bood zijn hand aan. Ze wilde er iets in stoppen, hij hoopte dat het geen insect was.

Er lag een muntstuk van twee euro op zijn handpalm. Dacht ze dat hij geen geld had voor een winkelkar?

"U kunt er ook niets aan doen. U hebt niet voor dit soort leven gekozen", zei ze.

Dat was wel waar, maar Kenneth begreep nu toch dat het om een misverstand ging.

"Ik sta hier niet te bedelen", zei hij, al vroeg hij zich meteen af of dat wel waar was.

Ze tuitte haar lippen een beetje, knipperde vertraagd met haar ogen, deed zijn mededeling met eindeloos geduld teniet.

Mijn hemel, dacht Kenneth, ik leid een daklozenbestaan.

"Kan ik u een warme maaltijd aanbieden?", vroeg ze. "Soep?"

Even later wandelde hij naast haar langs de voedingswaren. Ze vroeg hem naar zijn favoriete groenten, die hij vervolgens woog. Bij alles wat hij in het karretje legde, benadrukte hij dat hij er zelf voor zou betalen. Zij reageerde daar niet op.

Het huis waar ze hem binnen troonde, rook naar schoonmaakmiddelen, etherische oliën en bloemen. De geuren waren zo overheersend dat Kenneths lege maag ervan samentrok. Hij lonkte naar de sofa, had zich graag op de zachte kussens uitgerekt, het dekentje over zich heen getrokken, zijn vermoeide ogen gesloten.

Maar het meisje gebood hem aan de keukentafel te gaan zitten en begon als een Japanse chef tijdens een kookwedstrijd met een groot mes groenten te snijden. Ze spoelde de stukjes af en gooide ze met twee bouillonblokjes in een kom met water.

"We hadden vroeger zeven katten." Ze zei het zonder zich naar hem om te draaien. "Maar ze zijn allemaal doodgegaan. Op twee maanden tijd. Allemaal dezelfde ziekte."

"Oh", zei Kenneth.

Verwoed begon het meisje de soep te kruiden.

"Het is een inductiekookplaat", zei ze. "Het gaat heel snel."

Daarna kwam ze tegenover hem zitten. Voor het eerst had ze niets omhanden en Kenneth kon zien dat ze daar nerveus van werd. Ze had geen leeftijd om soep te maken. Hij stelde zich een overstroomde stad voor en iemand die vanuit een reddingssloep naar het meisje opkeek, dan zonder haar wegvoer. Hoe zij het bootje van achter het raam op de eerste verdieping nakeek. Kenneth nam zich voor alles te eten wat ze hem voorzette, hij had de indruk dat hij haar daar een groot plezier mee zou doen.

"U kunt hier niet overnachten", zei ze. "Dat heb ik mijn moeder en haar vriend beloofd. Dat niemand hier zou overnachten. Ze zouden het niet te weten komen want ze zijn op reis, maar ik hecht veel waarde aan betrouwbaarheid."

Kenneth knikte.

"U kunt na het eten wel een dutje doen op de sofa", zei ze. "Dat is geen overnachten."

Opnieuw knikte Kenneth, dankbaarder deze keer.

Daarna wachtten ze tot de inductieplaat haar werk had gedaan. Het meisje zette de radio aan zodat het zou lijken dat ze niet zwegen.

"Niet om over naar huis te schrijven", zei iemand in de studio. "Maar draaglijk."

"Zo is dat", lachte de presentatrice.

Daarna werd er een springerig nummer gedraaid dat Kenneth niet probeerde te verstaan, zijn Engels was niet goed. Hij slikte de eerste gloeiende lepel door, zei dat het lekker was. Een fontein van peper schoot hem in de neus.

"Dank u", zei het meisje.

Een dertigtal lepels later bedankte hij haar en vroeg hij of hij dan echt even op de sofa kon gaan liggen. Dat kon.

Hij herinnerde zich naderhand geen enkele droom, alleen dat hij opnieuw tegen de gevel was gereden. Dat had hem gewekt.

Het meisje stond de verwelkte blaadjes uit een ruiker bloemen te trekken. Toen ze zag dat hij wakker was, kwam ze naast de sofa staan en keek ze met een schuin hoofd op hem neer.

"U ziet er uitgerust uit!", riep ze. "Gelukkig zelfs! Er is nog zoveel dat u kunt bereiken!"

Ze spreidde haar armen bij elk woord opnieuw voor zich uit. Er verschool zich een maniak in haar, zag Kenneth nu, maar ze had wel gelijk. De zon smeerde dikke lagen honing tegen de ruiten. Buiten werd alles in gereedheid gebracht.

---

VOLGENDE WEEK: 'ADLER HOTEL' VAN PETER VERHELST

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234