Donderdag 29/07/2021

In opera zijn we elkaar tegengekomen

Nog voor ik de broers de hand druk, krijg ik de wind van voren: ik ben wat laat en zal het geweten hebben. Het is meteen duidelijk: er is een felle en een minzame, een brokkenmaker en een bemiddelaar, een nar en een filosoof. Maar het zijn broers, onmiskenbaar. Ruim van geest, groot van hart.Twintig jaar geleden riep Guy Joosten (links op de foto), toen nog theatermaker, dat de opera naar lijken rook. En dat het bepoederde publiek al te veel geld neertelde om dikke Duitse dames in gordijnen van jurken op en neer te zien hossen in een museumdecor. Marc Clémeur, tot voor kort intendant van de Vlaamse Opera, kon er niet mee lachen. Of misschien toch wel een beetje. “Doe het dan zelf”, zei hij. Zo gezegd, zo gedaan. Guy Joosten schoof Blauwe Maandag Compagnie, het theatergezelschap dat hij zeven jaar tevoren mee had opgericht, ter zijde en debuteerde als operaregisseur met La Cenerentola.Guy Joosten: “Ik startte in chaotische omstandigheden. Het huis in Gent lag in puin wegens verbouwingen. We zochten onderdak in de Vooruit. Marc Clémeur dacht: die Joosten komt van het theater, we sturen hem terug naar het theater. Dan halen we misschien wat van dat jonge theaterpubliek binnen. Maar de Vooruit was natuurlijk niet voor opera gemaakt. De orkestbak was te klein, de drilboren kwamen eraan te pas. Vervolgens bleek het dakgebinte te zwak om het decor aan op te trekken. Opnieuw zware werken. Bovendien was het winter, het sneeuwde. Geen vrachtwagen kon de helling nog op. Alles werd te voet naar boven gebracht. We werkten dag en nacht. Kregen om vier uur ’s nachts de muffe broodjes te eten die men in het café niet had verkocht. Als ik dit overleef, kan ik alles aan, dacht ik. Het ging goed. Meteen daarna begon ik aan de drie Mozart-da Ponte-opera’s, met Don Giovanni als eerste. Dat draaide uit op een schandaal. Op het einde liet ik Don Giovanni plassen op het graf van de Commendatore. Dat was not done.”Luc Joosten: “Mensen denken vaak dat ze een monopolie bezitten op de geest van het stuk. Terwijl ze in hun voorstelling van de dingen nooit komen tot de grond van de zaak.”Guy: “Ze menen niet alleen dat ze het stuk bezitten, maar ook dat ze ons bezitten. Dat heb ik onlangs nog in Barcelona ervaren. Spanje, een van de jongste democratieën in West-Europa, heeft na Franco zwaar moeten restaureren. Cultuur was monddood gemaakt. Tot in de jaren zeventig teerde men op recyclage. Een decor deed dienst voor verschillende opera’s. Zangers brachten hun kostuum uit vorige producties mee. Toen Franco verdween, bemoeiden politici zich niet met cultuur. Dat zou te veel naar de dictator ruiken. Cultuur werd aan de kunstenaars gegeven, maar dat ontaardde in chaos. Dus werd het een zaak van de burger. Nog altijd geloven burgers dat ze cultuur kunnen claimen. Een loge in de Liceu in Barcelona hoort families toe. Een box bestaat uit la mama - een gelifte vijftiger - een homoseksuele zoon die zich nog moet uiten, een dochter die nog van straat moet en een grootvader met een hoorapparaat. Die mensen betalen 275 euro voor een zitje. Als zij niet krijgen wat ze verwachten, zijn ze erger dan de hooligans van Camp Nou. (het voetbalstadion van FC Barcelona, FS)”Luc: “Door die mentaliteit durven een aanzienlijk aantal operahuizen nog weinig risico’s te nemen. Ze kiezen voor een veilige esthetisering. Dat wil zeggen: schone plaatjes en schone muziek. Zo houden ze iedereen tevreden. Een gevaarlijke situatie. Het zorgt in Europa voor eenheidsworst. Iedereen maakt hetzelfde. De theatrale hardheid die een operaverhaal soms heeft, krijgt daardoor geen ruimte meer.”

Jullie brengen Wozzeck van Alban Berg. Hoewel het een meesterwerk uit de vorige eeuw is, is het niet meteen wat men noemt mooie muziek.

Luc: “Maar het is wel een bijzonder krachtige partituur. De welluidendheid van de muziek verdoezelt in sommige opera’s de hardheid van het verhaal. Hier niet. Hier versterkt de grillige compositie de verstoorde relatie tussen Wozzeck en de maatschappij.”Guy: “Het is toch onwaarschijnlijk hoe een toneelstuk gebaseerd op een banale gebeurtenis, een crime passionel, half afgewerkt en honderd jaar later zijn weg vindt naar de opera. De auteur George Büchner, een Duitse student geneeskunde, overleed op drieëntwintigjarige leeftijd en liet slechts flarden van de tekst na. Voor de Weense componist Alban Berg was dat nochtans voldoende om er een opera van te maken. Alleen al het feit dat Berg toevallig op het werk van Büchner stoot, daarin zaken herkent en zo aangegrepen wordt dat hij er muziek op zet, maakt dit stuk de moeite. Stel dat iemand honderd jaar eerder met Wozzeck aan de slag was gegaan, we hadden die opera nooit willen maken. Hij zou ontstaan zijn in de traditie van de Grand Opéra, en ons geen relevant materiaal hebben opgeleverd.”Luc: “Dit werk laat vooral zien hoe omstandigheden een individu tot waanzin drijven. Zijn omgeving beschouwt Wozzeck als een outcast en psychopaat. Terwijl hij misschien nog de normaalste van het gezelschap is. Dat trachten wij ook te benadrukken.”Guy: “Ergens zegt iemand tegen Wozzeck: ‘Maar man, jij bent als een open scheermes waaraan men zich kan snijden.’ Wozzeck confronteert zijn medemens inderdaad met een beangstigende normaliteit. Wozzeck heeft een fout gemaakt. Hij heeft een onecht kind op de wereld gezet. Nu, Berg had er ook een. Hij wist dus wat het was. Wozzeck wil er ondanks erbarmelijke leefomstandigheden de verantwoordelijkheid voor dragen. Dat zo iemand waarden en principes heeft, is voor de gekken rondom hem pure waanzin.”

Jullie hebben ondertussen het een en ander opgebouwd. Dat zou jullie moeten toelaten jullie eigen ding te doen. Wat maken jullie zich dan nog zorgen om de behoudsgezinde reactie van operahuizen?

Guy: “Wij investeren veel tijd in de toekomst. We geven allebei les en werken dus vaak met jonge mensen die later in het vak willen stappen. Vandaar onze bezorgdheid. Wat Luc zegt, klopt. Opera is steeds meer voor galeristen. Zo vrijblijvend dat iedereen wel zijn gading vindt. Maar het tegenovergestelde bestaat evenzeer. Het is met name in Duitsland een tendens om schandalen uit te lokken. Zet het koor naakt op scène en de pers komt vanzelf. Beide uitersten zijn een vorm van leegheid. Een dergelijke situatie legt een juk op de schouders van jonge honden die willen starten. Ze krijgen al op voorhand te horen: niet zo. Dat werkt allesbehalve motiverend. Ik zie het gebeuren bij mijn assistenten. Er zijn er die bewust blijven hangen. En zij die durven te springen, hebben het zeer moeilijk.”

Waar ligt, na twintig jaar, jullie verdienste voor opera? Is het jullie gelukt om een ruimer publiek te overtuigen?

Guy: “Het gaat allang niet meer om verloren gelopen oude dames die op zondagmiddag de weg naar het pannenkoekenhuis niet vinden. Uit publieksondervragingen blijkt dat het profiel van de toeschouwer divers is. Dat wijst op een wijziging in mentaliteit en is niet zozeer onze verdienste. Waar we wel toe hebben bijgedragen, is een intensere jongerenwerking. Waar we kunnen, nemen we initiatieven. De Vlaamse Opera bijvoorbeeld vult, voor grote producties en tegen betaling, haar koor aan met mensen uit het Conservatorium. Hervormingen in het onderwijs zullen studenten in de toekomst verplichten stage te doen. Zo’n kooropdracht kan eventueel als stage doorgaan. De vergoeding vervalt dan weliswaar, maar als we inhoudelijk voor een sterk programma zorgen, zullen studenten zich niet lang hoeven te bedenken.“In de Operastudio gingen we ook zo te werk. Het was de enige operaschool in Europa waar studenten betaalden om les te volgen. We hadden dus behoorlijk wat concurrentie. Maar ons aanbod was ijzersterk. Elke docent stond ook in de praktijk. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar het was uitzonderlijk. De coaching stopte niet aan de schooldeur. We begeleidden de studenten ook bij de overgang naar het professionele circuit.”Luc: “De Operastudio is ondertussen bijna weggekwijnd. Toen bleek dat er van overheidswege weinig steun kwam om volwaardige producties met studenten op touw te zetten, hoefde het voor Guy niet meer. Hij was niet geïnteresseerd in schooltje spelen, enkel in een volwaardige operaopleiding voor zangers. We doceren nu allebei aan het Conservatorium van Antwerpen. Ik geef bovendien nog les in Maastricht, Guy in Barcelona. En elke dag weer merk ik hoeveel voldoening het geeft als studenten de theorie kunnen toetsen aan de praktijk. Al was het maar door eens een repetitie bij te wonen.”

Jullie werkten al samen bij Blauwe Maandag Compagnie. Hebben jullie ook samen de stap naar de opera gezet?

Luc: “Ik kom er altijd een jaar of twee later aan. Ik ben ook twee jaar jonger. Onze eerste opera samen was Carmen, voor De Munt. Er viel iemand weg en ik sprong in. Mijn studies filosofie heb ik altijd gekoppeld aan een grote liefde voor muziek. Zo werd opera mijn plek.”

Dat is het ondertussen bijna twintig jaar. Wat is er mis met theater dat jullie nooit zijn teruggekeerd?

Guy: “Met theater is niets mis. Maar een mens draait in zijn leven al eens een bladzijde om. Als dat bewust gebeurt, bladert hij niet terug. Theater is een afgesloten verhaal. Toen ik de deur achter mij dichttrok, wist ik heel zeker: nu is het gedaan. Ontevreden? Ook, misschien. Inhoudelijk vond ik geen voldoening meer. De tekst bleek almaar meer ondergeschikt aan de emotie en dat zinde mij niet. Ik was erg met taal begaan, maar het spreken op zich werd allang niet meer onderwezen. Nu is dat nog geen reden om ermee op te houden. Alles komt en gaat en keert terug. Zo is er een tijd geweest dat we geen auditie konden doen of men trok de kleren uit. Op de duur kon ik geen naakt lichaam meer zien. Maar die dingen gaan over. Net als de periode van het slijk en het water op de bühne. Nu, wat er ook van zij: voor mij was het voorbij.”

Jullie tandem rolt al jaren als de beste. Hoe vanzelfsprekend is jullie samenwerking?

Guy: “Die moeten we elke keer weer verdienen. Omwille van de familieband wordt onze tandem met argusogen gevolgd. Als de ketting ook maar even begint te piepen, staat iedereen erop te kijken. Een dramaturg weegt extra op het budget van een productie. Dus waarom zou een huisdramaturg niet evengoed voor elkaar krijgen wat mijn broer presteert?”

Inderdaad, waarom?

Luc: “Ten eerste: niet iedereen heeft de bagage. Een zaal van zeshonderd toeschouwers in het Duits animeren met een uiteenzetting over opera, dat gaat niet vanzelf. Ten tweede help ik een concept voor een operaregie ontwikkelen. Dat veronderstelt een vertrouwdheid met het theater en de opera, en een aanpak die afwijkt van een bureau-dramaturgie. Ten derde zijn we broers. Wij bezitten de gemeenschappelijke taal van het ongesproken woord. Ik weet bijvoorbeeld wanneer ik mijn mond moet houden.”Guy: “Als de liefde goed zit, zijn woorden overbodig. Door het werk hebben we elkaar als broers beter leren kennen en waarderen. We zijn meer broer geworden. Eindelijk ontdekten we een gemeenschappelijke interesse. In een ver verleden zagen we vooral de verschillen. Onze bezigheden lagen zo ver uiteen dat we elkaar letterlijk en figuurlijk niet tegenkwamen.”Luc: “Ik trok me graag terug in literatuur en muziek. Voor Guy was het leven een groot theater. Hij was veel meer lijfelijk aanwezig.”Guy: “Zo heb ik mijn entree als misdienaar niet gemist. Het gebeurde op kerstavond, in de kathedraal van Hasselt. De bisschop ging voor. Ik zat toe te kijken van op de reservebank, toen de eerste misdienaar, die met de staf, lijkbleek werd en omviel. Hij had wat te veel gepimpeld tijdens de kerstmaaltijd. Dat in combinatie met de geur van mirre en wierook maakte hem onwel. Toen kwam ik. Meteen door de grote deur naar binnen. Fantastisch. Ook bij de scouts stak ik de toneelvoorstellingen ineen, regisseerde de kampvuurnummers, zorgde voor het spektakel. Het is nooit anders geweest. Op een dag dacht ik: nu moet dat allemaal nog wat inhoud krijgen. En ik klopte aan bij mijn broer op de kamer, waar hij om vier uur ’s ochtends Goethe lag te lezen.”

Zit de liefde voor de kunsten jullie in het bloed?

Luc: “Onze ouders hielden zich niet bezig met muziek, theater of literatuur.”Guy: “Ze hadden een rijk gevuld beroepsleven. Moeder runde een drukke zaak. Vader werkte op de computerafdeling van een staalbedrijf. Al zijn vrije tijd bracht hij door op het tennisveld, als tennisleraar. Door ons is een nieuwe wereld voor hen opengegaan. Onze premières bepalen hun agenda. Ze reizen naar New York, Barcelona, Helsinki.”Luc: “Onze vader heeft, op één na, alle voorstellingen van Guy gezien. Ook die van Blauwe Maandag Compagnie. Zelfs mijn inleidingen bij de voorstellingen van The Metropolitan Opera in Kinepolis willen ze niet missen. Ze zeggen het nooit met zoveel woorden, maar op premières voel ik hen overstromen van trots. Ook al kozen we wegen die ze niet kenden, we kregen alle mogelijkheden. We reisden veel, groeiden op in openheid en vrijheid en staan dus met een grote bereidheid in het leven. Daarbovenop zijn we ook nog eens uitstekende tennissers. (grijnst)”

Het reizen zit er nog altijd in. Jullie werken voor operahuizen overal in Europa. Guy debuteerde zelfs aan de Met in New York. Hoe belangrijk zijn die uitstappen voor jullie?

Guy: “Ze zijn noodzakelijk. Als ik hier te lang blijf, krijg ik de kerktoren op mijn hoofd. Er overvalt mij snel een gevoel van onrust. Elders zou het mij net zo vergaan. Na verloop van tijd moet ik weg en even later kom ik met een andere kijk terug. Enkel Vlaamse Opera, je zou niet eens met mij willen praten.“Mijn zoon van negen voelt zich net zo’n globetrotter. Hij spreekt Engels, Frans, Duits en Nederlands. Nu volgt hij op eigen verzoek ook Spaans, omdat we zoveel tijd in Barcelona doorbrengen. Vele talen zijn een zegen voor een kind. Toen hij klein was, namen we op onze verhuizingen nooit een nanny mee. We engageerden er eentje in het gastland zelf. Op een avond - we woonden in Göteborg - kwam ik thuis en hij zei: ‘Titta pappa, flicka.’‘Pipa poepi pa’, antwoordde ik. Maar wat hij sprak, was Zweeds: ‘Kijk papa, een meisje.’”

Jullie hebben al een lang traject afgelegd. Is het stilaan ‘de een niet zonder de ander’ of stellen jullie de samenwerking nog wel eens in vraag?

Luc: “Dat doen we zeker. We beschouwen onze tandem allerminst als vanzelfsprekend. We zullen bij elk nieuw project afwegen of een eventuele samenwerking de beste mogelijkheden biedt. Tot nog toe bleek dat altijd wel het geval te zijn.”Guy: “Het is niet zo dat we ooit hebben beslist: voortaan gaan we samen in zee en we nemen er alle mogelijke consequenties bij. Zo werkt het niet. Wie berust, krijgt vooral veel zitvlees. Het leven wordt er geen seconde boeiender door. Niet dat we voortdurend lopen te twijfelen. Ik vraag me ook niet elke ochtend af of het wel evident is dat mijn vrouw naast mij in bed ligt. Wie dat doet, staat niet meer op. Maar er zijn momenten dat de vraag zich opwerpt. Ik ben ook zo veeleisend, voor mezelf, mijn team, voor hem. Maar hij heeft natuurlijk naast de opera nog zijn uitgebreide taak als docent en onderzoeker.”

Niet alleen in de maandenlange voorbereidingsfase, ook tijdens de repetities ben jij voortdurend aanwezig, Luc. Als Guy’s steun en toeverlaat?

Luc: “Dat hoeft niet. Het gaat vaak om zware uitputtende producties. Maar Guy verschijnt uiterst gewapend aan de start van de repetities. Hij laat niet af vooraleer het punt is gezet. Dat is een blok beton. Ik kijk vooral, luister, geef vertrouwen. Tijdens het repetitieproces gebeurt nog ontzettend veel. Het plan op tafel mag nog zo duidelijk zijn, er komen altijd onverwachte factoren tussenfietsen. Ook in dialoog met de zangers evolueert de voorstelling. Tot aan de generale is er voortdurend beweging.”

Hoe ervaar je Guy als regisseur?

Luc: “Hij begint grondig voorbereid aan de repetities met de zangers. Waardoor er alle ruimte is om van alles uit te proberen. Zangers mogen voorstellen doen, argumenteren, discussiëren, zolang de energie maar binnen de repetitieruimte blijft. Guy’s tweede zin in een introductiegesprek, na de verwelkoming, luidt zonder uitzondering als volgt: het werk gebeurt op de werkvloer.”

En niet achter de rug van de regisseur?

Guy: “Neen, dan word ik gevaarlijk. Dat accepteer ik niet. Niet alleen naar mij toe, ook niet onder elkaar. Alles staat ten dienste van het project. We krijgen de ruimte, de vrijheid en het geld om ons als narrenvolk van de maatschappij te gedragen. Dan moeten we het ook serieus doen. Als we onze tijd verspelen met onderlinge krachtmetingen of ongeconcentreerdheid, hoeft het voor mij niet meer. Het gaat zelfs zo ver dat ik vervang. Ik steek veel tijd in het op zoek gaan naar de juiste cast. Ik heb speciaal gewacht tot Gabriel Suovanen vrij was voor de rol van Wozzeck. Het is geen evidente keuze. Wozzeck is doorgaans wat zwaarder, wat dramatischer bezet, maar ik ben altijd blijven volhouden dat het ook over kwetsbaarheid gaat. Ik cast trouwens niet alleen op technische vaardigheden, maar kijk ook naar de mens achter de zanger. Elke derde zin van het introductiegesprek luidt trouwens: en de diva, dat ben ik. Dat ondermijnt meteen mogelijke ambities in die richting. Le diva, c’est moi. Dan lachen ze eens, de een al wat groener dan de ander, maar iedereen weet waarover het gaat. Geen caféklap, dus. What you see is what you get.”Luc: “(Achter de rug van de regisseur) Hij zegt wel dat hij de diva is, maar voor alle duidelijkheid: de échte diva is het werk, natuurlijk. We zien u bij Wozzeck!”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234