Maandag 24/01/2022

In Kongo maken ze er een potje van

'De Lendu moorden en de Hema moorden. In deze oorlog maken ze mensen klaar en eten ze op. Niemand kan liegen, beide partijen hebben elkaar opgegeten.' In Ituri, in de Republiek Kongo, lijkt kannibalisme als oorlogsmisdaad zijn intrede te hebben gedaan.

Eliza Griswold

Luemba, 26 maart 2004. Amuzati Nazoli, de beroemdste pygmee ter wereld, zet zich op een rots en kruist zijn piepkleine armpjes. Ondanks de hitte heeft hij een rode bivakmuts op. We zijn in zijn dorp, een open plek in het Ituri-woud, dat zich uitstrekt over 32.000 vierkante kilometer. Amazati weigert zijn verhaal te vertellen tenzij hij betaald wordt.

Het verhaal, zoals ik het heb gehoord, is dat hij toekeek hoe in 2002 een groep soldaten van het rebellenleger zijn familie bereidde en opat: "Ze strooiden zelfs zout op het vlees terwijl ze aten, alsof kannibalisme voor hen heel gewoon was", zei hij toen. Zijn relaas, en de opschudding die het teweegbracht, hielp de internationale gemeenschap mobiliseren. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties klaagde de 'kannibaalrebellen' aan en stuurde een vredesmacht.

De onbehaaglijke vrede in een groot deel van het land na vijf jaar burgeroorlog is grotendeels een mythe. Deze hoek van de Democratische Republiek Kongo heeft geen functionerende regering meer gehad sinds Kongo onafhankelijk werd in 1960. De enige echte wet is een AK47-geweer.

In de herfst van 2002 begonnen twee van de rebellengroepen een veldtocht van plunderen, verkrachten en moorden doorheen het Ituri-woud. De soldaten verspreidden zich en staken alles achter zich in brand. Als beloning werd hen vier dagen van ongebreideld plunderen en verkrachten beloofd, ook van kinderen. Soldaten droegen zelfs T-shirts met de naam van de operatie erop, 'Effacer le Tableau' (schoon schip maken). De pygmeeën vluchtten voor de eerste keer in de geschiedenis weg uit het Ituri-woud. Amuzati en zijn clan keerden maar onlangs terug.

"Ik ga weg", zeg ik. Amuzati geeft toe. Zijn verhaal is gratis, zegt hij, maar geen foto's. Blijkbaar deed een andere fotograaf Amuzati urenlang poseren met zijn pijl en boog terwijl een leger mieren over zijn lichaam marcheerde.

In dit stukje Ituri heeft ontbossing de meeste dieren buiten het bereik van de pygmeeën gedreven. De pygmeeën drijven ruilhandel met boeren om aan voedsel te geraken. "Het is gemakkelijk om hen op te lichten", vertelde iemand me. Pygmeeën zijn uitstekende jagers, maar ze hebben de waarde van vlees nog niet geleerd. Ze ruilen tien gazellen voor één T-shirt.

Ik vraag Amuzati wat hij precies zag op de open plek op de dag dat zijn familie werd uitgemoord. "Ze sneden hen zoals ze vlees snijden", vertelt hij me. Amuzati keek toe terwijl zijn moeder, Mutandi, zijn jongere zus, Salam, zijn oudere broer, Mangbulu, en zijn neefje, de vijf of zes jaar oude Zipoa, in stukken gesneden werden door soldaten van het rebellenleger. Amuzati zegt dat hij niemand heeft zien opeten, maar hij is er zeker van dat dat wel gebeurd is nadat hij de jungle was ingerend.

Telkens als dit verhaal wordt herhaald, zegt hij, wordt het luguberder. Voor de pygmeeën, die op de onderste tree van de sociale ladder staan in de Democratische Republiek Kongo, is Amuzati een held geworden. Dankzij zijn pas verworven roem werd hij overgevlogen naar de hoofdstad Kinshasa om president Joseph Kabila te ontmoeten. Hij vond de stad fantastisch; mensen waren er talrijker dan bomen. Hij liep er een groep prostituees tegen het lijf, die hij zijn vriendinnetjes noemt. Dankzij de oorlog, ontbossing, en bezoekers zoals ik zijn de nomadendagen van de pygmeeën voorbij. Het komt bij me op dat zoals iedereen in het woud, Amuzati en de leden van zijn clan misschien wel geweren willen om zich te beschermen. Amuzati is ontzet wanneer ik dat opper. "Het zou een grote vergissing zijn om ons geweren te geven. De Bantu zouden ons zeker vermoorden als ze dachten dat wij hen konden vermoorden", zegt hij.

In plaats daarvan vraagt Amuzati nieuwe hemden, shorts en schoenen. Ik vraag de andere pygmeeën of ze ook zoveel om kleren geven. "Vroeger niet, maar we willen zoals alle anderen zijn", zegt een van hen. Hun stamhoofd, Kabila, (geen familie van de president): "Tegen de volgende generatie zullen er geen pygmeeën meer zijn die geen kleren dragen."

Hoe, vraag ik Amuzati, bereikte zijn verhaal de wereld? Een katholieke bisschop die Melchisedec Sikuli Paluku heet, antwoordt hij. Ik ga naar het stadje Butembo om de bisschop te ontmoeten.

Hij is een gedrongen en sombere man die op zijn hoede is voor de pers. Hij is ze beu. Voor hem zijn interviews een pact met de duivel. Hij ruilt zijn verhaal voor media-aandacht voor zijn tanende mensenrechtencampagne. Sinds 2002 veroordeelt hij openlijk de rebellengroepen die oorlog voeren in de Republiek. Onlangs, onder een vredesakkoord met de regering, hebben de rebellen posten binnen de regering ingenomen. Ondanks hun pas verworven legitimiteit blijft de bisschop hen beschuldigen van kannibalisme.

"De mannen van rebellenleider Bemba sneden vingers en oren af", vertelt hij me. "Dat was normaal. Maar toen zijn ze die ook aan de gevangenen beginnen te voederen.

"Ernstiger is dat de informanten zeiden dat de pygmeeën opgegeten werden", zegt hij. "Ik word de bisschop van de oorlog genoemd", vertelt hij me, zwakjes glimlachend. Omdat hij weigert toe te geven, heeft hij vijanden gemaakt onder de militaire machthebbers van de Republiek. Straffeloosheid is de orde van de dag, een bemoeizieke bisschop vermoorden zou niets abnormaals zijn.

Ineens kwamen de rebellen zijn richting uit. 150.000 burgers, waaronder pygmeeën, vluchtten zuidwaarts. Toen de horden verdreven en getraumatiseerde mensen aankwamen in het stadje van de bisschop waarschuwden ze hem voor de dreigende razernij. Maar hij kon weinig doen. Dus wendde hij zich tot de internationale pers. Toen zijn verhaal de aandacht van de wereld trok, gingen de media grotendeels voorbij aan de andere gruweldaden geassocieerd met 'Effacer le Tableau', in het bijzonder beschuldigingen van massaverkrachting.

"Slechts één woord werd onthouden: kannibalisme", zegt de bisschop. "Ik was erg verbaasd dat de mensen zich concentreerden op het kannibalisme, omdat ik had gezegd 'zware schendingen van de mensenrechten'."

Toen de beschuldigingen van kannibalisme geuit door de bisschop explodeerden in de internationale pers stuurden de Verenigde Naties een onderzoeksteam. De rebellen trokken zich een tijdje terug, de kracht van het woord leek de oorlog te stoppen.

Maar niet voor lang. Meer naar het noorden, in de omgeving van het stadje Bunia, werden aanklachten van kannibalisme toegevoegd aan de lange lijst van wreedheden tussen twee etnische groepen: de Hema en de Lendu. Hun oorlog heeft zijn oorsprong in stamindelingen gecreëerd door de Belgen.

Toen de kolonialisten wegtrokken in de jaren zestig namen de nu 150.000 Hema in de streek (typisch grote, nilotische veehoeders, verwant met de Tutsi's van Rwanda) hun plantages over. Maar het land was historisch gezien eigendom van de ongeveer 750.000 Lendu-boeren (stereotiep kleinere landbouwers). Onlangs ontdekte olie heeft het conflict tussen de Hema en de Lendu nog verergerd. Allebei willen ze de mogelijk lucratieve landrechten en hun strijd wordt aangewakkerd door buurland Oeganda.

De voorbije vijf jaar werden meer dan 50.000 mensen gedood in Ituri. Nog meer mensen worden afgeslacht en begraven. Sommigen hebben het overleefd en worden gevangengehouden buiten het bereik van de VN.

Een van de overlevenden, Vivienne Nyatumale (30), vertelt me dat ze 75 dagen lang de gevangene was van Lendu-strijders. "Ze maakten me de vierde vrouw van stamhoofd Abele", zegt ze. Op vijf verschillende gelegenheden voordat de Lendu-strijders een Hema-dorp aanvielen, vertelt Vivienne, werden Hema-mannen voor de menigte gebracht, klaargemaakt, en opgegeten door de strijders. Uiteindelijk kon ze na een slachting ontsnappen. Vivienne is een van een handvol vrouwen die me vertellen over verkrachtingskampen verder langs de Fataki-weg, waar we twee dode mannen vonden.

Dan ontmoet ik Chantal Tsesi. Terwijl ze een groene gebatikte doek over haar linkerschouder drapeert, zegt Chantal (24) dat ze zich op 27 augustus 2002 om 5 uur 's ochtends bewust werd van schoten in het goudwinningsstadje Mabanga-Gélé. Ze was alleen met haar zesjarige zoontje, Claude, toen mannen gewapend met machetes haar huis binnendrongen.

"'Vandaag gaan we je arm afsnijden zodat je geen mandro (traditioneel bier) kunt maken', zeiden ze. Ze sneden mijn arm eraf. Ze maakten hem klaar, terwijl ze onze mandro dronken, en aten hem op met de rest van de bonen en de rijst." Claude was ontsnapt met familieleden. Dan zegt ze dof: "Ze zeiden me dat ze mijn man gingen zoeken en zijn hart gingen opeten."

Na de aanval verbleef Chantal drie maanden in het ziekenhuis van Drodro, waar de patiënten later bed per bed vermoord werden. Daarna liet haar echtgenoot haar in de steek omdat ze niet meer kon werken.

In het dorp woonde Chantals moeder, Eliza Dz'da, bij een andere dochter, Georgette, en haar vier kinderen. Allemaal, zegt Eliza, werden ze vermoord. "We hadden een schuurtje en dat braken ze af om het vuur te maken. Ze namen ons voedsel en maakten stukken van Georgette en de kinderen klaar."

Eliza en Chantal zeggen allebei dat ze niet geïnteresseerd zijn in wraak. "God zegt dat als iemand je iets ergs aandoet, je het hem moet vergeven", zegt Chantal. Eliza: "Ik heb altijd met de Lendu samengeleefd, omdat ze altijd voor ons gewerkt hebben. Als ze op de boerderij kwamen werken, aten ze met ons, en op het einde van de dag gaven we hen geld." Van op afstand lijkt hun verlangen om te vergeven onverklaarbaar. Van dichtbij, te midden van de oorlogsmoeheid, is het gemakkelijker te begrijpen.

Maar de idee van vergeving en de realiteit ervan zijn twee heel verschillende dingen. Om te proberen voorbij de etnische verdeeldheid te geraken die in elk verhaal verweven zit, zoek ik Petronille Vaweka op, voorzitster van de Bijzondere Vergadering van Ituri. Ze twijfelt niet aan de verhalen. "Je kunt het niet wegstoppen, de Lendu moorden", zegt ze. "De Hema ook, maar zij moorden in het geheim. Nu in deze oorlog, met drugs, maken ze mensen klaar en eten ze op. Niemand kan liegen; beide partijen hebben elkaar opgegeten."

In een conflict over land, goud, en olie lijkt kannibalisme als oorlogsmisdaad zijn intrede te hebben gedaan in de 21ste eeuw. Ongetwijfeld spelen elementen van zowel mythe als magie een rol in de verslagen. Geruchten van kannibalisme doen zowat hetzelfde als kannibalisme zelf: ze jagen angst aan. Die angst wordt een vorm van psychologische oorlogsvoering op zich.

© The Independent

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234