Dinsdag 20/08/2019

Interview

“In hockey laat je je niet vallen om een penalty te krijgen”: Arthur Van Doren, de beste hockeyer ter wereld

Arthur Van Doren. Beeld Thomas Sweertvaegher

“Uno spelen, dat is een hit bij ons.” Arthur Van Doren (24) over de hechte band tussen de Red Lions, zijn toekomst en het verschil tussen hockey en voetbal. “Morgen ga ik mijn auto halen, een Evoque. Ik had een zwarte gevraagd,  ik zie wel wat ze mij geven.”

Als Arthur Van Doren – wereldkampioen en beste speler van de voorbije World Cup, bijgenaamd King Arthur – op ’t Zuid in Antwerpen Kolonel Coffee betreedt, vallen de diensters in katzwijm, grijpen de klanten naar hun iPhones voor selfies en vragen ze handtekeningen op hun intieme delen. Wat een wereldtitel allemaal doet.

Het had gekund, maar Van Doren is geen voetballer. Anderhalf uur heeft de Messi van het hockey afgelopen woensdag zijn uitleg gedaan aan een tafeltje bij het raam. Geen mens keek op, geen passant staarde hem aan en niemand die ook maar aanstalten maakte voor een selfie.

Wie is Arthur Van Doren?

- geboren op 1 oktober 1994 in Antwerpen
- speelde tot dit jaar voor de Belgische club KHC Dragons, stapte over naar het Nederlandse HC Bloemendaal
- komt al sinds zijn 17de uit voor het Belgische nationale team
- werd dit jaar door de Internationale Hockey­federatie uitgeroepen tot beste speler van de wereld, en tot beste speler van het afgelopen WK in India
- werd vorige week wereldkampioen met België
- won eerder al zilver met België op de Olympische Spelen van Rio en op de EK’s van 2013 en 2017  

De diensters hadden hem herkend. “Hij komt hier vaker.” Het leven is niks veranderd voor Arthur Van Doren, het 24-jarige zondagskind uit Brasschaat. Misschien is zijn eeuwige glimlach nog breder geworden. En zijn stem is tijdelijk hees.

“Sorry voor die stem hoor. Te veel gefeest, te weinig geslapen, ik wil dit zo intens mogelijk beleven. Gisteren waren Loïck Luypaert, Thomas Briels, Sebastien Dockier en ik op de kerstmarkt en toen we café Den Engel binnenstapten, stond een lange tafel spontaan recht en begon te applaudisseren. Dat zal ook wel voorbijgaan.”

Niet als jullie blijven om goud meedoen en af en toe winnen. Je stond toch op dat balkon dinsdag?

Arthur Van Doren: “Ja, daar kan ik nog steeds niet bij. Dat was niet een groepje supporters zoals op de luchthaven, hoewel we het daar al druk vonden, maar een hele Grote Markt vol met fans die daar speciaal voor ons stonden. Wij hockeyers zijn dat niet gewend. Wat een rollercoaster hebben wij meegemaakt.”

Helemaal onverwacht was die titel niet na vier verloren finales, waaronder de olympische, toch?

“Neen. Wereldkampioen worden was ons doel, maar we hebben nooit stilgestaan bij wat dat kon teweegbrengen. Het toernooi verliep ook voor ons raar. Tussen die eerste twee wedstrijden zaten zes dagen. Je kunt maar zoveel trainen en kaarten, je wilt toch vooral hockeyen en winnen. In het begin liep het ook nog niet zoals we het wilden, maar wij zijn echt gegroeid in het toernooi. In de finale waren we op ons best.”

Beeld Thomas Sweertvaegher

Kaarten? Ik dacht eerder Netflix kijken.

“Dat hangt van speler tot speler af. Ik heb Peaky Blinders nog eens bekeken, maar kaarten met de groep is toch gezelliger. Vooral Uno is een hit bij ons, zeker als de verliezer opdrachten krijgt. Dertig minuten in de lift gaan zitten, is het meest vervelende. Of ‘opdienen’, de winnaar bedienen. Het leukste is ‘koffie halen’. Als je hebt gewonnen en je zegt nog maar ‘wat heb ik zin in koffie’, dan moet de verliezer koffie halen voor jou. Je niks aantrekken van je opdracht is geen optie in dat team van ons.”

Dat lijkt melig maar wie in een team heeft gefunctioneerd, herkent dat. Het smeedt een band.

“Wij zijn een hecht team. Iedereen die erbij komt, past zich aan. Oudere spelers zullen de jongeren terecht­wijzen als die iets doen wat wij niet gewend zijn of niet past. (neemt de fotograaf bij de schouder) ‘Hé maat, dat doen we niet meer, hè?’

“Soms vraagt men mij hoe dat zit met Frans­taligen en Nederlandstaligen in onze ploeg. Dat is echt geen issue. Je hebt natuurlijk wel een betere band met de ene dan met de andere, maar iedereen spreekt elkaars taal. Bijna alle Frans­taligen spreken perfect Nederlands.

“Onze normale voertaal is Engels omdat de coach Nieuw-Zeelander is, maar op het veld maken we afspraken over hoe we elkaar coachen. Best wel handig. In het Nederlands tegen Fransen, maar in het Frans tegen Nederland en natuurlijk geen Engels tegen landen die Engels begrijpen.”

Waar is jullie psycholoog gebleven?

“Die hebben we niet meer. Shane McLeod, onze coach, neemt dat voor zijn rekening. Een heel inspirerende man. Elk toernooi heeft hij wel iets aparts in petto. Nu ook weer: hij had de zes voornaamste landen voor de wereldtitel in een poker­spel rond de tafel gezet en elke keer paste hij dat aan. Echt heel apart. Hij is Nieuw-Zeelander en coacht ons in de stijl van de All Blacks: proud to wear the shirt. Mijlpalen als vijftig of honderd interlands passeren niet zomaar, dat zijn gelegenheden om de speler en het team te eren.

“Shane is meer coach. Onze veldtrainer is een Nederlander, Michel van den Heuvel. Dat is de man van de oefen­stof en van het brullen. Shane zal nooit zijn stem verheffen, echt nooit. Hoewel, één keer hadden we iets gedaan wat hen echt niet beviel – neen, ik zeg niet wat – en toen heeft hij even iets duidelijker gesproken dan anders. Niet luider, gewoon de woorden meer benadrukt. Wij nadien tegen hem: ‘Shane, volgende keer zo hard niet meer roepen.’ Daar kan hij dan even goed om lachen.”

Hard werken creëert een team. Zo hebben jullie de kloof met de wereldtop gedicht.

“Dat klopt. Zo hard zelfs dat de Duitsers en de Nederlanders met wie ik samen­speel in de Nederlandse hoofdklasse bij Bloemendaal vonden dat we overdreven. ‘Jullie gaan overtraind op dat WK toekomen.’ Wij trainen standaard drie keer per week met de nationale ploeg en de laatste voorbereidingsweken zelfs vier keer, van maandag tot donderdagnamiddag. Daarna reed ik naar Bloemendaal en trainde ik daar donderdagavond met de club en op vrijdag ook. Op zaterdag was er wedstrijd. Bij de club vonden ze dat niet leuk, maar ik had dat besproken toen ik mijn contract tekende: het programma van de nationale ploeg ging voor.

“Dat we dan ook nog Duitsland en Nederland inpakten op dit WK deed extra deugd. Er was bij Nederland wel commentaar op onze speel­stijl. Laf hockey en zo. Zij deden niks meer dan wij. Onzin, ik heb die speler daarop aangesproken. Op hockey.nl verscheen een artikel dat we mentaal te zwak waren voor een grote prijs. Idem in Australië: gebrek aan leiderschap, daarom winnen ze geen finales. Ze hebben ons onderschat. Dat heeft ons geprikkeld.”

Jullie hebben anders een goeie leider in jullie keeper.

“Vincent Vanasch is een fenomeen, echt waar. Toen we ons, voordat duidelijk werd dat er een voetfout was gemaakt, wereld­kampioen waanden en dat aan het vieren waren, stapte Vanasch naar de bank en vroeg er om water. Toen hij terug­keerde, zei hij: ‘Scoren en ik pak de volgende.’ Ik keek toen recht in zijn ogen en ik zag het meteen: wij worden wereldkampioen.

“Vincent Vanasch is de meest professionele hockeyer die ik ken – een machine – en ook een schitterende, bescheiden gast. Die doet en laat er alles voor. Hij zou als kine een mooie praktijk kunnen uitbouwen, maar offert alles op voor zijn sport.”

Doelman Vincent Vanasch in actie tijdens de shoot-outs in de WK-finale tegen Nederland. Beeld Photo News

Als we Arthur Van Doren spreken, is hij net terug van een begrafenisplechtigheid. Tijdens het WK overleed de vader van ploegmaat Simon Gougnard.

Hoe feesten jullie terwijl een ploegmaat aan zijn pas overleden vader denkt?

“We waren deze ochtend bij de begrafenis. Die euforie zit nog in ons en dan dat contrast, dat verdriet bij die familie, heel heftig. De vader van Simon Gougnard was erg ziek en hij overleed in de nacht voor onze halve finale tegen Engeland. Wij wisten niet dat hij was overleden. Simon heeft dat geheim­gehouden voor ons. Hij heeft de hele nacht wakker gelegen en vertelde het ons pas bij de meeting voor de wedstrijd. Hij in tranen, wij in tranen.

“Maar dan die wedstrijd. Wat Simon daar heeft gepresteerd, onwaarschijnlijk. En dan scoort hij ook nog eens de belangrijke tweede goal die Engeland knock-out slaat. Ik krijg er nog kippenvel van. Hij scoort, staat daar alleen, kijkt naar de hemel en als hij terug naar beneden kijkt, staat iedereen rond hem, maar echt de hele ploeg. Ik ben bijna zeker dat dit ons dichter bij elkaar heeft gebracht. We waren gelinkt.”

Jullie zijn sterren, de besten van de wereld, maar er zit niks blasé aan. En dat terwijl jullie sport wel dat imago heeft. Dat contrast is zo bijzonder.

“Wij zijn doodnormale mensen. Wij spelen voor ons plezier. Oké, jij zegt mij nu dat het gemiddelde salaris in de Belgische voetbalcompetitie 350.000 euro is. Eigenlijk wilde ik dat niet weten, maar het stoort mij ook niet want ik wil hockey niet vergelijken met voetbal.

“De bedragen in hockey zijn natuurlijk niet vergelijkbaar. De beste West-Europese hockeyer kan misschien iets meer dan 100.000 euro verdienen als hij ook in India gaat spelen. Ik heb het best goed en naast mijn stick­sponsor Osaka heb ik onlangs ook een contract getekend met Land Rover en Red Bull. Morgen ga ik mijn auto halen, een Evoque. Ik had een zwarte gevraagd, ik zie wel wat ze mij geven.

“Waarom zou ik klagen? Ik heb een fantastische jeugd gehad, ik ben 24 en reis nu al bijna tien jaar de wereld rond om samen met mijn vrienden te doen wat ik het liefste doe: hockey spelen. Ik kijk nu al uit naar de nieuwe Pro League, die in januari begint.”

Studies schieten er wel bij in met zo’n programma.

“Ja, sommige jongens hebben toch een heel mooi diploma. Ik ben ooit begonnen aan handels­wetenschappen, maar ik ben ermee gestopt in het jaar van de Spelen. Mijn vader heeft een beton­bedrijf en daar heb ik al wat gewerkt. Vangnet? (lacht) Dat zeg ik niet met zoveel woorden. Misschien begin ik een studie in Amsterdam.”

Waarom woon jij in Amsterdam terwijl je in Den Haag hockeyt?

“Ik woon onder De Pijp (trendy oude volksbuurt in Amsterdam-Zuid, HV). Fantastisch wonen. Oké, op een slechte dag rij je ook langer dan een uur naar Den Haag, maar het bevalt mij daar heel erg. En Amsterdammers vinden het leuk om hun stad te tonen aan wie er zich voor interesseert. Neen, zoals het er nu voorstaat, blijf ik daar nog een tijdje. Ik wil kampioen worden in de sterkste competitie ter wereld.

“Nu primeert de nationale ploeg nog even, maar als de competitie weer begint, zullen de Belgen die in de hoofdklasse spelen best wel wat steken onder water geven, daar kun je van op aan. Maar de Nederlandse sporter kan daarmee om. Die hardheid onder elkaar kan ik waarderen. ‘Verwacht je iets anders van mij? Neen, dan nu uwen claxon dicht.’

“Toen onze bar in ons hotel sloot, de nacht na de finale, zijn we naar het hotel van de Neder­landers getrokken en hebben we daar nog wat doorgevierd. Dat kan hoor, wij kennen die jongens allemaal en we hebben respect voor elkaar. Toen de mensen die gingen ontbijten vroegen waarom wij al in de bar zaten, dachten we: misschien is het tijd om naar huis te gaan.”

Hoe word je hockeyer?

“Door te gaan hockeyen. Ik deed alles: tennissen, voetballen, ping­pongen. Mijn vader heeft heel kort gehockeyd, mijn oom deed het bij Dragons in Brasschaat waar ik ben opgegroeid. Pa en ma zijn zelfstandige, pa met een beton­bedrijf en mijn mama is schoonheids­specialiste.

“Ik was een redelijke tennisser. Toen ik 14 was, had ik net mijn B-klassering en moest ik kiezen. Het werd hockey omdat ik dat het liefste deed en ook het beste kon, maar eigenlijk liggen alle sporten mij waarin oog-hand­coördinatie een grote rol speelt. Ik was 15 en stond in de eerste ploeg van Dragons. Twee jaar later zat ik bij de nationale ploeg.”

Hoe word je de beste hockeyer ter wereld en dan nog als verdediger?

“Je mag hockey niet te veel vergelijken met voetbal. De opbouw van het spel lijkt op het eerste gezicht op elkaar, maar in hockey heb je als verdediger veel meer invloed op het spel dan in het voetbal. Het begint bij de onmogelijkheid van de doelman om de bal uit te trappen. De centrale verdedigers bepalen het tempo van de wedstrijd en van mijn vijftiende heb ik daar gespeeld. De lange harde inspeel­pass is mijn specialiteit, daar kan ik echt van genieten.”

Je werd bewierookt in de kranten. Hier, lees mee: ‘De slimste hockey­mens ter wereld’. En nog uit de Volkskrant: ‘De man met een magneet in de hockey­stick’.

“Ach zo. Die heb ik niet gezien. (leest aandachtig en een gelukzalige glimlach verschijnt) Mooi als ze dat over jou zeggen, maar ik overdrijf echt niet als ik zeg dat ik maar zo goed ben als de ploeg waarin ik speel. Als ze met mijn diepe ballen niks aanvangen voorin, dan kan ik niet opvallen. Ik speel met de beste spelers van de wereld en daardoor kan ik ook uitblinken.

“Die magneet in mijn stick, dat is een metafoor, voor alle duidelijkheid. Het mooiste compliment dat ze mij hebben gegeven, is: jij hebt die wedstrijd al gezien en nu speel je die voor de tweede keer. Ik kan het ook niet helpen dat mijn spel zo lijkt. Ik zie vaak wat er moet gebeuren en waar de gaten zijn, hoe we het kunnen oplossen.”

Jullie spreken over normen en waarden in het hockey. Leg nog eens uit wat dat inhoudt.

“Dankbaarheid. Omdat het land ons heeft gesteund. Wij proberen dat ook terug te geven. Jij vraagt een interview, ik ben daar blij om. Wij zijn echt normale mensen. Ik hoor ook wel dat wij een elite­sport zouden beoefenen, maar daar is niks van aan. Ik ga daar zelfs niet meer tegenin.

“In hockey draait alles om onderling respect. Zo’n finale tegen Nederland is best wel intens, bikkelen tot het eind, maar altijd in respect. Bij ons zul je nooit een tik tegen je schouder krijgen en neergaan alsof ze je net hebben onthoofd. Er zal ook nooit een speler zich laten vallen in de hoop een penalty te krijgen.”

Worden de Red Lions vanavond verkozen tot team van het jaar?

“Laten we dat hopen. Wel mooi dat de stemming is heropend. Het zou prachtig zijn. Maar als het niet zo is, dan zijn we niet minder blij.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden