Dinsdag 22/09/2020

In het teken van de wellust

Zijn leven lang heeft Philippe Sollers gehoopt dat er een oorlog tegen hem zou worden ontketend maar, helaas, niemand stoorde zich aan zijn speldenprikken. Een behoedzame schets van de Zonnekoning der Franse letteren.

Portret door Jos de Man

Philippe Sollers

L'éloge de l'infini

Gallimard, Parijs, 1104 p., 1287 frank.

Hij hoort nergens bij. De prijs is te hoog. Hij wil niet onder het juk door van de vooroordelen. Hij wil zich niet naar de conventies plooien. Want, zo citeert hij Baudelaire: "De superieure mens is, meer dan wie anders, genoopt over zijn persoonlijke vrijheid te waken. Men kan stellen dat de hele maatschappij hem de oorlog heeft verklaard." De Tegenstander, door Sollers afwisselend geïdentificeerd als De Techniek, of Het Spektakel, loert op een kans om vrije geesten zoals de schrijver uit te schakelen.

Baudelaire werd wegens Les fleurs du mal voor de rechter gesleept. Philippe Sollers mag schrijven wat hij wil. Hij wordt gelezen en geprezen. Hem worden macht en aanzien toegedicht in de Parijse literaire kring. Verder trekt 'de maatschappij' zich niets van hem aan. Hij heeft zelf wel eens opgemerkt dat Het Systeem - dat monster van Loch Ness uit de jaren zestig - enige contestatie nodig heeft. De illusie dat niet alles in de wereld is afgestemd op efficiëntie, heeft een bedarend effect. Dat Sollers in de literaire visvijver haat en afgunst wekt, is een fait divers voor het boekenkatern.

Niks oorlog, derhalve? Nee, niet tegen hem persoonlijk. Niet tegen de moderne Messalina's die onvervaard hun erotisch dagboek publiceren. Noch tegen de keurige academische dames en heren die per pamflet de wandaden van de mondialisering aanklagen. Provocaties zijn juist prettig. Provocaties doen verkopen. De politiek getinte aanklachten vormen bovendien een rechtvaardiging, uit onverdachte hoek, voor de organisatie in welgekozen lustoorden, van milieuconferenties en derdewereldcongressen, die de zorgwekkende stand van zaken toedekken met loze intenties.

Sollers heeft vroeger nog zo gehoopt dat er een oorlog tegen hem zou worden ontketend. In zijn jonge jaren deelde hij de ene vervaarlijke speldenprik na de andere uit. Zijn doel was la subversion, de ondermijning. Eerst vond hij een nieuw soort écriture uit, die, onontcijferbaar als ze was, de taal ondermijnde. Niemand lag er wakker van. In 1968 ondermijnde hij, geïnspireerd door de Culturele Revolutie, meteen het hele bestel, door middel van muurkranten, en het smeden van allerlei hoogst geheimzinnige complotten. Een reis naar de Chinese Muur, op uitnodiging van Peking, leerde hem dat het maoïstische model misschien toch niet zo gunstig uitviel voor de vrijheid van de kunstenaar. Een vermakelijke episode. De literatuurcriticus Roland Barthes, die eveneens van de partij was, klaagde er bij zijn terugkeer in Le Monde over dat de gastheren op een heel andere manier met begrippen omsprongen dan westerlingen: "Het semantisch veld is ontregeld (...) Dit is het einde van de hermeneutica."

Treurig, maar een mens moet verder. Sollers leunt een poosje aan bij de Nieuwe Filosofen die na de onthullingen over de goelag de oorlog verklaren aan het stalinisme. Daar schiet hij ook niets mee op. Deze honk is immers al bezet door Bernard-Henry Lévy en André Glucksmann. Biedt onze Moeder de Heilige Kerk misschien een uitkomst? Sollers bedenkt een "paradoxaal katholicisme". Je hoeft niet te geloven om paaps te zijn. Het komt erop aan de totalitaire regimes te bekampen. Dan is de kerk een bondgenoot. De even verrassende als tijdelijke 'bekering' is wellicht te verklaren door Sollers adoratie van de door de kerk geïnspireerde kunst. Hij heeft later mooie stukken geschreven over onder anderen Piero della Francesca. En de Heilige Maagd vermocht hem eveneens te boeien, zozeer zelfs dat hij in zijn pas gepubliceerde essaybundel L'éloge de l'infini een studie opneemt over 'Le trou de la vierge'. Hij confronteert het mysterie van de menswording met L'origine du monde, Gustave Courbets onovertroffen afbeelding van de schaamspleet.

Volgen in 1977 de afkondiging van 'het einde van het marxisme', de faillietverklaring van de psychoanalyse en de verloochening van het grondbeginsel van het tijdschrift Tel Quel, dat door hem in 1960 was opgericht om kunst en letteren aan te sporen tot een onverpoosde mars voorwaarts. Sollers maakt ten slotte ook nog korte metten met de godfather van het surrealisme, André Breton.

Nu heeft hij links en rechts alleen nog vijanden, een gunstige omstandigheid voor wie ten oorlog wil. De communisten spuwen hem uit, de gewezen gauchisten noemen hem een verrader, de surrealisten schrijven hem af als grappenmaker, Le Figaro beschimpt hem met een aandoenlijke regelmaat. De medeoprichters van Tel Quel, die hij een voor een heeft ontslagen, verbergen hun rancune niet. En zijn echtgenote, de psychoanalytica Julia Kristeva, vraagt zich af of al dat gedoe wel nodig is.

Maar de politie? Slaat zij hem niet argwanend gade? Helaas, voor Sollers heeft zij geen belangstelling.

Dan maar, in 1980, een nieuw tijdschrift gemaakt. Het heet L'Infini, wat wijst op nieuwe, metafysische beslommeringen. In de postindustriële samenleving, gefascineerd door Le Spectacle, als een rat door een cobra, is de tijd verschrompeld tot het moment. Het verleden raakt in onbruik. Er wordt nog nauwelijks gelezen. De toekomst strekt zich uit tot de datum van de komende begroting. De taak van de schrijver is duidelijk: perspectieven openen, de tijd hervinden, zoals Proust dat heeft gedaan.

In 1982 publiceert Sollers de roman Femmes, benevens een onbevangen relaas van zijn talrijke intieme relaties, tevens het manifest van een elitair individualisme. Het boek vliegt de boekhandels uit. Sollers is beroemd, de oorlog is gewonnen.

Wat voorafgaat, is één mogelijke, en niet onjuiste, typering van Philippe Sollers, anno 2001 de Zonnekoning van de Franse letteren. Het is een schets die ingegeven wordt door behoedzaamheid. Men moet zich niet te licht tot waardering, laat staan bewondering, laten verleiden. Het is raadzaam, juist bij de bespreking van een auteur die iets betekent, dat wil zeggen die men herleest - en zo zijn er niet veel - zich niet uitsluitend te laten inspireren door wat Roland Bartes "le plaisir du texte" noemt. Een relaas van Sollers' bokkensprongen en omzwervingen, een verwijzing naar zijn teugelloze ambitie, een schets van zijn zelfingenomenheid zijn op hun plaats als zoveel waarschuwingen dat een beroemd auteur ook maar een mens is, vol contradicties, eigenzinnigheden, ondeugden en nare trekjes, en dat zijn teksten, hoe interessant ook, beter met een kritische blik worden gelezen. Dat verdienen ze ook.

Want juist dat eigenzinnige, dat bandeloze, dat verwaande, heeft hij weten om te buigen tot een levensstijl. De overtuiging dat hij een elitemens is, dat hij buiten, neen boven de goegemeente staat, heeft hem gedreven sedert zijn eerste roman werd opgehemeld door zowel François Mauriac, de meest gezaghebbende katholieke schrijver, en Louis Aragon, de talentrijkste communistische schrijver in het naoorlogse Frankrijk. Dat was in 1958, hij was vierentwintig en hij twijfelde er geen moment aan dat de lof hem toekwam, bijkans als een geboorterecht. Even later zou André Breton de eigenwaan nog aanvuren met de opdracht in een eerste druk van zijn surrealistische manifest: "Voor Philippe Sollers, lieveling van de feeën".

Elitemens, dat hoort men niet graag, de dag van vandaag. Daar hoort dus enige uitleg bij. Sollers is arrogant. Hij wil zichzelf wel eens over het paard tillen. Hij is nooit te beroerd om zichzelf te citeren. Dat is de achterkant van zijn talent. Grote schrijvers zijn altijd monomaan. Zonder dat kenmerk zouden ze loodgieter geworden zijn, of professor.

Niet los te zien van zijn eigenwaan, er integendeel organisch mee verbonden, is zijn creatie van zichzelf, als schrijver. Net als Proust en Nietzsche heeft hij van zijn leven een kunstwerk gemaakt. Zoals Proust zich in de salons van de noblesse, of in de luxebordelen van Parijs bewoog, niet enkel om erover te kunnen schrijven, maar vooral om zichzelf te herschrijven, zo heeft Sollers geleefd en zelfs gevrijd (zijn amoureuze escapades noemt hij 'veldwerk') met het oog op het relaas. Hij verzint geen verhalen, hij ademt proza. Hij schrijft met zijn lijf en zijn leden, met zijn longen, zijn hart en zijn penseel van de liefde. Het lichaam is zijn fundamentele thema. Wordt de tastbare realiteit allengs door vluchtige, virtuele, beelden, sensaties en simulaties verdrongen? Het antwoord van de schrijver is een ode aan het lijf.

De roman Passion fixe, het relaas van zijn affaire, veertig jaar geleden, met de schrijfster Dominique Rolin, is een hooglied van de wellust. In La guerre du goût schrijft hij: "Naarmate de tijd vordert geef ik er me steeds beter rekenschap van dat alles wat ik heb beleefd en geschreven in het teken stond van de wellust." Hij is een hedonist, een libertijn, een Casanova (de titel van zijn boek Casanova l'admirable is welsprekend, de inhoud een lofzang op de gewetenloze vrijbuiter van de seks, die zich nooit voor één gat liet vangen).

Niet dat hij geen zintuig heeft voor pijn en ellende. In Femmes staan prangende pagina's over de fysieke en psychische ellende van Jacques Lacan, de goeroe van de Franse psychoanalyse die aan het eind van zijn leven, terwijl een kanker zijn ingewanden wegvreet, door zijn vele vijanden verguisd wordt als een charlatan, en door zijn echtgenote met hysterische verwijten overladen. Typisch voor Sollers is de manier waarop hij in Femmes afrekent met de eminenties die zijn tijdschrift Tel Quel groot hebben gemaakt. Hij begraaft ze, letterlijk en figuurlijk. Op aangrijpende wijze beschrijft hij hoe de filosoof Louis Althusser krankzinnig wordt, zijn vrouw wurgt en in een gesticht verdwijnt. Hij staat bij het doodsbed van Roland Barthes, die door een autobus werd overreden.

In het lijden ontwaart hij ook de inspiratiebron van de grootste schilders van de twintigste eeuw. Zijn analyses van het werk van Picasso en Francis Bacon leggen de vinger op de blote zenuw van hun inspiratie: het door pijn verwrongen lichaam.

Picasso, Bacon, Cézanne leefden in afzondering, net als Proust en Nietzsche. Ze hebben de wereld waargenomen en trekken zich terug om eigen wereld te creëren. Sollers probeert hun voorbeeld te volgen. Hij wil ongrijpbaar zijn. Hij laat zich niet strikken in het vangnet van de geordende samenleving, zwemt niet argeloos in de fuik van een intieme relatie. Hij beschouwt het als een taak de "sociale komedie" te beschrijven. Echte schrijvers en kunstenaars zijn dwars, gaan tegen de keer in. Cézanne zwoer "qu'on ne lui mettrait pas le grappin dessus". Een grappin is een enterhaak. De kritiek, de salons, de bourgeoisie, daar had Cézanne niets mee te maken. Hij was een aristocraat in de betekenis die Hannah Arendt aan het begrip gaf, iemand die zich niet met de anderen vergelijkt. Die het spelletje van de afgunst niet meespeelt.

Sollers is het daar roerend mee eens. Al is hij met geen stokken weg te slaan uit de media die reputaties maken en breken. Dat is een van zijn vele paradoxen. Wie zijn eigen gang wil gaan in het verborgene, moet af en toe verschijnen. Het is een compromis, legt hij uit: dertig procent van zijn tijd gaat heen met interviews, lezingen, conferenties, en wat dies meer zij. En zeventig procent met schrijven, in Venetië of op het eiland Ré, of gewoon thuis in Parijs, met de telefoon van de haak.

Een groep, een vereniging, een vriendenkring, een sekte? Daar heeft hij geen tijd meer voor. Een academisch ambt? Hij is veel te 'inventief'. Hij parafraseert Proust: "De sociale existentie van de mensen bepaalt niet hun gedachten, maar hun vooroordelen." En: "Het komt erop aan te bevestigen dat onze persoonlijkheid niets uitstaande heeft met het sociale beeld dat de anderen er zich van vormen." Hij is geen bezoeker van de Roddelbeurs. Hij wil niet leven bij volmacht, hem verleend door een samenleving die voortdurend dezelfde rituelen van macht, invloed en rancune herhaalt.

Heeft hij macht, vraagt hem een reporter van Le Figaro. Hij haalt zijn vulpen tevoorschijn: "Dat is mijn macht. Als redacteur bij Gallimard geef ik jonge talenten een kans. Vergeleken bij de enorme financiële stromen in de wereld is dat minuscuul. Maar het is een verdienste."

Schrijvers moeten elkaar steunen, vindt hij. Daarom heeft hij het opgenomen voor Houellebecq, hoewel hij diens bestseller Elementaire deeltjes aanvankelijk als reactionair had getypeerd. Toen de jongere collega het mikpunt werd van de welvoeglijke pers, klom Sollers in de pen om de draak te steken met de "ellende van degenen die de boeken aanvallen die hun eigen ellende onthullen".

Het boek, de literatuur is het dierbaarste wat we hebben. Daarom leest hij enorm veel. Uit de inhoudsopgave van L'éloge de l'infini: Céline, Pascal, Rimbaud, Hölderlin, Mallarmé, de La Fontaine, Sévigné, La Bruyère, Balzac, Verlaine, Jarry, Artaud, Bataille, Claudel, Mauriac, Debord, Bukowski. Zijn voorbeeld is Balzac, die hele bibliotheken verslond, en Latijn leerde om Spinoza in de originele versie te kunnen lezen. Hij heeft twee boekjes geschreven over Sade, maar is eveneens vertrouwd met het oeuvre van de zelfs in Frankrijk totaal vergeten Fougeret de Maubron, auteur van Margot la Ravadeuse (Margot de kousenstopster), een bron van nuttige informatie. Zo verneemt de lezer dat in de achttiende eeuw het gebruik in zwang was van een samentrekkend zalfje, dat "een zweem van ongereptheid verleende aan dingen die het meest waren gebruikt". En wat te denken van de geschriften van de Heilige Ambrosius? Sollers neemt gretig kennis van diens worsteling met een bijzondere breinbreker: zal de mens na de wederopstanding nog uit vlees, bloed en sappen zijn samengesteld?

Sollers vormt in zijn eentje een soort Dead Writers Society. Hij schrijft, verklaart hij, over verdwenen auteurs opdat hun werk zou voortleven. Want de literatuur, "de ware wetenschap van de mens", is het geheugen van een beschaving. Zij is misschien nog het enige verweer tegen de almacht van de spektakelmaatschappij, tegen de verdoving en verslaving door spelletjes en babbelshows, clichés, trends en flashes. De zwijgende meerderheid maakt een oorverdovend kabaal. Zij verdraagt de stilte niet. Sollers haalt een Amerikaanse dj aan, die cynisch zijn vak ontleedt: "Het minimalisme en het repetitieve karakter (van de muziek) conditioneert de mensen. Het is het principe van Pavlov."

Dat de consument kwijlt als een afgerichte hond, is geen nieuws. Guy Debord (La société du spectacle), een mentor van Sollers, en Jean Baudrillard hebben dat veertig jaar geleden al betoogd. Sollers brengt op dit punt slechts een zwakke echo voort. Vrij recent daarentegen is het mondiale seksuele kwijlen. Het heeft bitter weinig met erotiek, en alles met frustraties te maken. Voor tekst en uitleg kan de lezer bij Sollers terecht. Dit is zijn vakgebied. Hij schrijft er vrijmoedig en geestig over. En schuwt alweer de paradox niet.

De libertijn is getrouwd, al meer dan dertig jaar. Met Julia Kristeva leeft hij in intellectuele verstandhouding. Een onuitputtelijk gespreksthema aan de Rive Gauche. Toen Le Nouvel Observateur in 1996 een coververhaal verzon over De Ontrouw, ondertitel 'Wanneer de vrijheid de echtparen redt', kwam de verslaggever vanzelfsprekend bij het onwaarschijnlijke span Kristeva-Sollers terecht.

"Het woord echtpaar beval me niet," verkondigde Sollers terstond. "Wij zijn getrouwd, maar we hebben elk onze eigen persoonlijkheid, onze eigen naam, activiteiten en vrijheid." Het klassieke verhaal van de ontrouwe echtvriend.

Kristeva legde uit waarom het niet anders kan: "De liefde omvat twee onafscheidelijke componenten, de behoefte aan verstandhouding en duurzaamheid, en de dramatische noodzaak van de begeerte, die tot ontrouw kan leiden." Man en vrouw hebben niet dezelfde behoeften en belangen, legt Kristeva uit, noch op seksueel, noch op affectief vlak: "Wij zijn een stel, gevormd door twee vreemden." Het gebod van trouw noemt ze archaïsch, een behoefte aan zekerheid die in homo sapiens verankerd zit. En de hartstochtelijke liefde? Sollers: "Passie is vreugde en dood. Zij is fascinerend en fataal." Hij besluit: "Passie is niet te rechtvaardigen."

In het essay 'Femmes... Le secret' vaardigt hij de regel van vier uit: liefde is geen zaak van twee, maar van vier personen. En die komen nooit overeen. "De vrouwelijke kant van een vrouw zal nooit de vrouwelijke kant van de man zijn, en het mannelijke van de man is niet te vergelijken met het mannelijke in de vrouw."

Een fusie is onmogelijk, tenzij misschien tussen twee vrouwen. Een vriendin van Sollers vertelde hem: "Het prettige met een vrouw is dat het nooit ophoudt." Mannen zijn doordouwers. Vrouwen klagen daarover, en "begrijpen niet wat de mannen bezielt die zo nodig moeten penetreren. Waarom zou de penetratie verplicht zijn, vraag ik u?" En is de "crisis van de mannelijke seksualiteit" niet te verklaren door het feit dat mannen hun latente homoseksualiteit verdringen? "De mannen slagen er niet meer in elkaar te beminnen langs de vrouwen om."

In zijn romans voert Sollers de koele minnaar op. Hij heeft Eros in zijn vingers. Hij bespeelt mannelijke en vrouwelijke snaren. Het onverpoosde veldwerk van de auteur, en zijn nauwe banden met psychiaters zoals zijn eigen vrouw en Jacques Lacan, heeft de conclusie opgeleverd dat slechts een procent van de mensen aanleg heeft voor erotiek. De overige 99 procent rommelt maar wat aan. Hun verrichtingen zijn een parodie op het echte werk. Het mangelt hen aan verbeelding, nochtans "de wieg der lusten, want zij alleen creëert en leidt ze; wanneer haar inspiratie ontbreekt blijft er slechts een lomp en stompzinnig fysiek gedoe". Terneergeslagen strompelen de stakkers voort, jammerend over hun onvermogen. Fiasco en veinzerij zijn schering en inslag van het ondeskundig geploeter. Sollers behoort uiteraard tot de uitverkorenen. De vrije liefde heeft voor hem geen geheimen. De jonge man die veertig jaar geleden introk bij een twintig jaar oudere dame (het verhaal van Passion fixe) kende de regels van spel: tolerantie en discretie. Trof zij andere minnaars? Zo wil het de natuur van vrouwen, die voor de liefde geschapen zijn: "In hun lendenen wonen de maan en de getijden, de ervaren zeeman zal dus geredelijk aanleggen in hun grotten en hun havens." Heeft hij zin in haar vriendin? Vooruit dan maar. De libertijn kent geen remmingen. In Sollers' roman Les folies françaises deelt een schrijver drie jaar lang geheel ontspannen het bed met zijn dochter, een studente in de letteren.

Toeval: ik blader in de eerste roman van Houellebecq, Extension du domaine de la lutte, en lees een aangestreepte paragraaf: "Ik zei bij mezelf dat in onze samenleving de seks gewoon een tweede systeem van differentiëring is, geheel onafhankelijk van het geld; en het gedraagt zich even meedogenloos als het geld."

Sollers zegt: het is met seks als met piano spelen. Weinigen hebben het in de vingers. Hij is een geboren pianist. Toen hij nog jong en krachtig was, heeft hij wel eens de indruk gekregen dat hij een gouden hengst was, een étalon d'or (goudstandaard). De meest ravissante dames boden zich aan. Een echte kwelling van Sint-Antonius. Toen hij de vijftig naderde, deed hij het wat kalmer aan. De tongen kwamen los. Hij was, zo heette het "vermoeid, versleten, oud, opgebruikt, dood". Toen herrees hij weer, "verbouwd, met een nieuwe laag verf, het luchtruim klievend, met de nieuwste technische snufjes. Nieuwe draaiende kanonnen. Nieuwe vuurpijlen, raketten en torpedo's!" Hij kijkt in de spiegel en hij ziet Casanova.

Net als Proust en Nietzsche heeft Sollers van zijn leven een kunstwerk gemaakt. Zoals Proust zich in de luxebordelen van Parijs bewoog, vooral om zichzelf te herschrijven, zo heeft Sollers geleefd en gevrijd met het oog op het relaas

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234