Vrijdag 18/06/2021

In het oog

'Toen ze de Internationale gingen zingen, ben ik, als enige in het hele theater, zeer opvallend niet opgestaan: niet omdat ik niet wilde, maar omdat ik NIET KON'

van de revolutie Prozaschetsen en dagboekfragmenten van Marina Tsvetajeva

Marina Tsvetajeva

Samenstelling en commentaar Irina Grivnina; uit het Russisch vertaald door Anne Stoffel, De Bezige Bij, Amsterdam, 333 p., 900 frank.

Marina Tsvetajeva (1892-1941) geldt als een van de grootste dichters van de twintigste eeuw. Dat de Russische intelligentsia die na de revolutie naar Europa was uitgeweken haar links liet liggen, had te maken met haar tweeslachtige houding tegenover het nieuwe Rusland. Ze vervloekte het bolsjewisme, maar kon wel begrip opbrengen voor enkele fatsoenlijke communisten. Men verweet haar haar non-conformistische levenswandel, ze wisselde nogal eens van minnaar. Zelf noemde Tsvetajeva die bevliegingen een vorm van betovering die haar inspireerde. Als haar poëtisch vampirisme was bevredigd, werden de minnaars meteen afgevoerd.

Dat kon dus allemaal niet. Marina Tsvetajeva werd beschouwd als een bohémienne met een onmogelijk karakter. En dan was er de heisa over haar man Sergej Efron, die had gevochten voor de Witten. Het echtpaar zocht na de burgeroorlog een onderkomen in Parijs, maar Sergej raakte in 1937 verwikkeld in een duistere spionagezaak en vluchtte opnieuw, naar Sovjet-Rusland. Marina Tsvetajeva volgde hem twee jaar later. Hij werd kort na haar terugkeer gefusilleerd. Tsvetajeva bleef achter, door iedereen in de steek gelaten. In augustus 1941, toen Moskou na de invasie door Hitlers troepen werd ontruimd, pleegde ze zelfmoord. Ze verliet voor het laatst de stad waar ze van 1917 tot 1922 getuige was geweest van het leven in tijden van revolutie en burgeroorlog.

Tijdens de eerste jaren van het sovjetregime zat Tsvetajeva in het oog van de storm. Of beter: zij was zelf het oog dat de chaos in Moskou observeerde. Haar verzamelde notities wilde ze in de jaren twintig publiceren als een afzonderlijk boek, maar die "kroniek van mijn ziel", zoals ze het noemde, is nooit verschenen, haar dichterlijke ziel eiste voorrang voor de poëzie. De in Nederland wonende Russische schrijfster Irina Grivnina heeft voor het eerst Tsvetajeva's prozaschetsen, dagboekfragmenten en brieven uit de jaren 1917-'22 samengebracht en van commentaar voorzien in de verzamelbundel Ik loop over de sterren.

De bundel verschaft een volledige inventaris van Tsvetajeva's impressies, nog warm van emotie. Tijdens de revolutiejaren probeert ze zonder haar man, die op de Krim verbleef, met haar twee dochtertjes te overleven in Moskou. Dat gaat uiterst moeizaam, er is gebrek aan alles en de romantische drama's in verzen die ze schrijft, brengen geen brood op de plank. In het najaar van 1918 gaat ze op voedseltocht buiten Moskou. Op het perron bij de spoorweg krioelt een hongerige meute: "Geen mensen met zakken, zakken op mensen... Jekkers, overjassen... Rimpels, schapenvachten... Geen mannen en geen vrouwen: beren, het." In Moskou regeert het grauw, het sovjetburgerdom dat zich heeft aangepast aan het proletarische regime. Heel Moskou heeft schurft, noteert Tsvetajeva, en ze voorspelt dat er geen weg terug is, "de bolsjewieken zijn nog maar pas begonnen".

Ze vindt werk in het Volkscommissariaat voor Nationaliteiten, geleid door Stalin. Ze resumeert er krantenknipsels die al haast onleesbaar zijn geworden, in een herenhuis dat Lev Tolstoj nog opvoerde in Oorlog en vrede. De ironie van de revolutie: een begaafde dichteres verzamelt sovjetpulp in een ruimte die is gecanoniseerd in het meesterwerk van de klassieke Russische literatuur. Maar van literaire meesterwerken kun je niet leven in de hongerwinter van 1919. Tsvetajeva noteert een korte ontmoeting op straat met Boris Pasternak; hij gaat boeken inruilen voor brood. Die winter brengt Tsvetajeva ten einde raad haar dochtertjes onder in een tehuis. Een fatale beslissing: de twee jaar oude Irina sterft aan ondervoeding. Tsvetajeva had geen keuze, maar ze wil zich niet gewonnen geven, ook niet als ze eind 1920 in een Moskous theater verneemt dat het laatste bolwerk van de Witten, de Krim, is gevallen: "Toen ze de Internationale gingen zingen, ben ik, als enige in het hele theater, zeer opvallend niet opgestaan: niet omdat ik niet wilde, maar omdat ik NIET KON."

Tsvetajeva's ooggetuigenverslag over de revolutiejaren in Moskou bestaat uit heterogeen proza: brieven aan familie en literaire vrienden, dagboeknotities, verhaalscherven, uitweidingen. Met tussendoor poëtische aforismen, zoals dit: de liefde van een oude man geeft haar het gevoel bemind te worden door een hele eeuw. Daarnaast is er de historische en persoonlijke commentaar van Irina Grivnina op Tsvetajeva's prozamateriaal. Die toelichtingen zijn ook een uitgesproken apologie van de Russische dichteres. Tsvetajeva verwaarloosde haar dochters niet, schrijft Grivnina, ze beminde hen mateloos in haar poëzie, waarin haar moederliefde het mooist tot uiting komt. En wat Tsvetajeva's minnaars betreft: Grivnina vraagt zich af waarom Poesjkin en andere mannelijke dichters wel vrouwen als inspiratiebron mogen gebruiken, terwijl Tsvetajeva, die mannen op dezelfde manier behandelt, een losbandige moeder wordt genoemd. "De enige verklaring voor dit double-speaking lijkt te zijn dat zij een vrouw was..."

Grivnina reconstrueert zeer nauwgezet de inrichting van Tsvetajeva's kamer in Moskou en ze trekt ook heel precies na wie er op diverse tijdstippen voor haar kinderen zorgde of wanneer ze zich weer eens door een mannelijke inspiratiebron liet betoveren. Lofwaardig, dat gevoel voor historische nauwkeurigheid in de details. Het ontbreekt helaas in andere, grootschalige terzijdes. Grivnina fulmineert over rode plunderingen in naam van de Grote Revolutie, over de nieuwe kaste van jonge ploerten. De twintigste eeuw heeft volgens haar meer van die types voortgebracht: Hitlerjugend, Rode Khmers, jonge Chinezen tijdens de Culturele Revolutie, jonge Cubanen... Jonge Cubanen? Oké, als alles hier toch op een hoop wordt gegooid, wat dan met jonge Amerikanen in Vietnam en jonge Russen in Tsjetsjenië, wat met jonge Serviërs in rechtgelovige milities, wat met al die andere ploerten?

Ik bedoel maar: Marina Tsvetajeva kon nog begrip opbrengen voor de fatsoenlijke mensen van de tegenpartij; haar bewonderaarster Grivnina houdt het bij zwart-wit. Bij demonie en hagiografie in naam van de dichterlijke vrijheid. Tsvetajeva was een groot talent. Dat ontdek je het best door haar poëzie te lezen. In de prozabundel Ik loop over de sterren vertoeft ze in de ondermaanse vrieskou van een geteisterd Moskou. Je moet al erg veel van haar houden om je door deze zwaar becommentarieerde schetsen, dagboekfragmenten en brieven heen te worstelen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234