Donderdag 28/10/2021

IN EEN ZETEL NAAR GOUD

Myriam Muylaert: 'Tafeltennis voor mindervaliden is keihard, we buiten schaamteloos elkaars handicaps uit. Waarom ook niet? Valide tafeltennissers gaan ook op zoek naar de zwakheden van hun tegenstander, dat is nu eenmaal topsport'

Erik Raspoet / Foto's Tim Dirven

'De Spelen van Athene? Niets anders dan een reusachtige try-out voor de Paralympics van Athene.' Het grapje is populair bij de selectie van vijfentwintig mannen en één vrouw die ons land vanaf 17 september vertegenwoordigt op de hoogmis van de gehandicaptensport. Het gebrek aan erkenning steekt, want ook gehandicaptensport is onvervalste topsport. Mondialisering en professionalisering tillen het niveau steeds hoger. En de lat in het Belgische kamp ligt hoog: vijf tot acht medailles. Ook de rolstoelrugbyploeg brandt van ambitie. Een podiumplaats in Athene, en het trauma van de Zwitserse koeienbellen is definitief vergeten.

Straks rugby kijken. In de trein verheug ik me op woeste taferelen die me bekend zijn van de televisie. Bonkige kerels met vuile knieën en bloedige wikkels om hun hoofd die naar elkaars voeten duiken. Nee, rugby is geen spel voor broekventen. Blauwe plekken en gekloofde wenkbrauwen horen bij de heroïsche strijd om de bal. Het blijft een wat onderschatte sport. Er komen spierkracht, snelheid en uithoudingsvermogen bij kijken, maar ook tactisch doorzicht en vooral ballistiek. Ik mag er graag naar kijken. Ballen die na een paraboolvlucht van 40 meter feilloos tussen de benen van een reusachtige H landen. Vooral benieuwd ben ik naar de scrum, een manoeuvre waarbij het lijkt alsof de twee teams elkaar collectief in de zompige grond proberen te boren. Hoe zouden ze dat klaarspelen met die rolstoelen? In het Bloso-centrum van Blankenberge volgt de ontnuchtering. Geen scrum, geen H-vormige doelen, en ook geen zompig grasveld. Rolstoelrugby wordt in een sporthal gespeeld. Vier tegen vier, met een volleybal in de plaats van een lederen struisvogelei. Maar, zo zal tijdens de training van de paralympische selectie snel duidelijk worden, het spelletje wordt er niet minder ruig om.

Op het eerste gezicht is het allemaal doodsimpel. Het komt eropaan met de bal over de doellijn van de tegenstander te rijden. Dat lukt aardig. Eindscores van 30 tegen 20 gelden in een rugbywedstrijd, gespeeld over vier periodes van acht minuten, als normaal. Nochtans zijn er beperkingen. De speler aan zet moet de bal om de tien seconden passen of laten stuiteren, het is verboden langer dan vijftien seconden in het eigen speelvak te blijven plakken, eenmaal de middenlijn is overschreden mag men niet naar de eigen helft teruggeven. En vooral: de tegenstander mag grof geschut hanteren om de aanval af te blokken en over te nemen. Tackelen kunnen deze spelers wel niet, en ook naar de voeten duiken behoort niet tot hun fysieke mogelijkheden. Wat ze wel kunnen is elkaar onvervaard in de wielen rijden. Of beter nog: frontaal botsen op een tegenspeler als die komt aangeracet. Geregeld gaat een rolstoel over de kop, al een geluk dat de atleten stevig vastgesjord zitten. Met een gewone rolstoel hebben deze monsters overigens weinig gemeen. Aanvallende modellen lijken wel scooters, alleen zijn de zware bumpers van ijzer. Verdedigende stoelen zijn dan weer behept met een vervaarlijk uitsteeksel om opponenten klem te rijden. De spelposities worden niet willekeurig verdeeld. Terwijl de zwaarst gehandicapten de verdediging voor hun rekening nemen, trekken de meest valide spelers ten aanval.

Licht of zwaar gehandicapt, voor de buitenwacht is het onderscheid niet meteen duidelijk. Al deze spelers lijden aan quadriplegie, verlamming aan de onderste en bovenste ledematen, opgelopen na een nekfractuur. Toch zijn er verschillen. Hoe hoger de breuk in de wervelkolom, hoe groter de schade. Een letsel aan de eerste of tweede nekwervel verlamt meer lichaamsfuncties dan een fractuur van pakweg de zesde cervicaal. In de regel hebben de verdedigers dan ook een hogere breuk dan de aanvallers. "Maar we hebben allemaal één ding gemeen", zegt Bob Van Acker. "Voor rolstoelbasket komen we niet in aanmerking. Bovenarms een basketbal hanteren is te zwaar. Daarom hebben ze in Canada deze sport bedacht, speciaal voor quadriplegiepatiënten. Het mooie aan rugby is dat iedereen kan meespelen, volgens zijn eigen mogelijkheden. Dat zit zo: de International Wheelchair Rugby Federation (IWRF) geeft elke speler op basis van zijn medisch dossier een klassering op een schaal van 0,5 tot 3,5. Spierkracht, reikwijdte, gevoeligheid van de handen en beweeglijkheid van de romp zijn de voornaamste parameters. Hoe meer mogelijkheden, hoe hoger de klassering. Een veldbezetting mag nooit meer dan acht punten totaliseren. Op die manier beletten ze dat alleen de sterkste spelers worden opgesteld."

Hij spuit een kwak lijm in zijn handschoenen. Een betere grip voor nog scherpere demarrages en vinnigere pirouettes, het is geen overbodige luxe voor deze aanvaller, die door de IWRF als een 2,5 werd ingeschaald. Medisch gezien is hij dan weer een C6, hij heeft zijn zesde nekwervel gebroken. De manier waarop dat gebeurde, was even stom als tragisch. Tijdens een nachtelijk studentenfeest, vijftien jaar geleden, gaf een medestudent hem een por. Vriendschappelijk bedoeld, maar het gevolg was dat hij van een muurtje naar beneden donderde. Maar ach, wat heet een stom ongeval? In de achtkoppige selectie zitten naast chauffeurs van verongelukte auto's en motoren ook twee slachtoffers van een duikongeval. Als tiener zijn ze onbesuisd met het hoofd vooruit in een ondiepe waterplas gesprongen. Dat gebeurt vaker dan je zou denken. Hoe dan ook, Bob was niet een man die bij de pakken bleef zitten. Speelde hij vroeger voetbal, dan ontpopte hij zich na zijn ongeval tot een van de pioniers van het Belgische rolstoelrugby. Het gaat niet bepaald om een massabeweging, want ons land telt slechts één ploeg, die noodgedwongen in de Nederlandse competitie aantreedt. Kennelijk zijn kwaliteit en kwantiteit in deze sport geen communicerende vaten. In tegenstelling tot Nederland heeft België zich wel voor Athene weten te plaatsen. Voor het Belgisch Paralympisch Comité (BPC) is het een opsteker van formaat. Het is al van de jaren tachtig geleden dat ons land nog eens met een echte ploegsport op de Paralympische Spelen vertegenwoordigd is.

Behalve de rugbyploeg stuurt België zwemmers, atleten, tafeltennissers, schutters, ruiters alsook een eenzame fietser naar Athene. 's Avonds maak ik kennis met de voltallige delegatie, zesentwintig sporters en dubbel zoveel begeleiders. Het BPC heeft verzamelen geblazen in het vakantiecentrum Petit Rouge, voorzien van alle gemakken, inclusief uitzicht op zee. Er zal tijdens het weekend in Blankenberge meer worden vergaderd dan getraind. Op het programma staan onder meer een infosessie doping en een mediatraining door oud-VRT-sportjournalist Louis De Pelsmaeker. De cursisten kunnen hun pas opgedane kennis dadelijk in de praktijk brengen als zondag de delegatie aan de pers wordt voorgesteld. Alle atleten zullen dan gehuld zijn in hun officiële plunje, identiek aan de uitrusting van de valide Athene-gangers. De professionele aanpak van het BPC illustreert hoezeer de gehandicaptensport het stadium van de ergotherapie is ontgroeid. Net als de olympische selectie telt de paralympische afvaardiging uitsluitend toppers die leven voor hun sport. Al heeft niet iedereen dat zo begrepen. "Gehandicaptensport is geen topsport", verklaarde triatleet Marc Herremans ooit in Humo. Een opvallende uitspraak, want Herremans deed ze kort nadat hij zelf in een rolstoel was beland. De kwestie duikt voortdurend op tijdens mijn gesprekken met paralympiërs. Soms worden verzachtende omstandigheden gepleit. 'Herremans heeft het nu eenmaal moeilijk om zijn handicap te aanvaarden.' Meestal echter zijn de reacties bitter. De gewezen 'Sportpersoonlijkheid van het jaar' mag dan intussen wel gas hebben teruggenomen, hij heeft een lelijke kras getrokken op de ziel van heel wat mindervalide sporters.

Niet dat er geen verschil zou bestaan tussen valide en mindervalide sport. Om maar iets te noemen: op de Paralympics liggen de Belgische medaillekansen een stuk gunstiger dan op de Spelen. Vier jaar geleden in Sydney scoorde ons land met dertig deelnemers negen medailles, waarvan er een met goud en vier met zilver waren bekleed. In Athene wordt officieel op vijf tot acht medailles gemikt, al mag het altijd ietsje meer zijn. Dat de selectie nu kleiner uitvalt dan vier jaar geleden komt door de strenge criteria. In disciplines zoals zwemmen en atletiek gold 95 procent van het wereldrecord als de minimumprijs voor een ticket naar Athene, in andere sporttakken waren een vijfde plaats op een WK of een derde stek op een EK belangrijke normen. Strenge criteria zijn noodzakelijk om de snelle evolutie in de gehandicaptensport bij te benen. Mondialisering en professionalisering stuwen de prestaties de hoogte in. We moeten ons dan ook niet blindstaren op de 26 medailles die België in 1996 in Atlanta wegkaapte. Sindsdien is er veel veranderd: meer landen, meer deelnemers, betere begeleiding en beter materiaal. Wereldrecords worden aan de lopende band scherper gesteld, en het eindpunt is nog lang niet in zicht. Tenslotte is competitiesport voor gehandicapten nog relatief jong. De eerste Paralympics werden in 1960 georganiseerd, en sinds Seoel 1988 vinden ze klokvast in dezelfde stad als de Spelen plaats. Het is hier dan ook een populair grapje: wat zijn de Spelen van Athene anders dan een gigantische try-out voor de Paralympics van Athene?

Ik doe een terrasje met Myriam Muylaert en Nico Vergeylen, twee van de vijf tafeltennissers in de paralympische selectie. Myriam lijdt aan spierzwakte in het rechterbeen, een euvel waar buitenstaanders weinig van merken. Tegenstanders kennen haar handicap des te beter. "Ze slaan zoveel mogelijk ballen naar mijn rechterkant", zegt ze. "Tafeltennis voor mindervaliden is keihard, we buiten schaamteloos elkaars handicaps uit. Waarom ook niet? Valide tafeltennissers gaan ook op zoek naar de zwakheden van hun tegenstander, dat is nu eenmaal topsport." Myriam komt uit in de klasse 9, rechtopstaande spelers met een relatief lichte handicap. In de Belgische delegatie zit ook nog een rolstoeltafeltennisser klasse 4. Klassering is de hoeksteen van de gehandicaptensport. Zonder een correcte inschatting van de fysieke mogelijkheden zijn er geen evenwichtige wedstrijden. Tegelijk vormt die klassering de achilleshiel van de gehandicaptensport. Het is vrijwel onmogelijk om in een klein land als België voor iedere categorie van elke discipline toernooien te organiseren, laat staan een competitie op poten te zetten. Zoals vele paralympische atleten is Myriam dan ook aangesloten bij een valide club van hoog niveau. Mede dankzij die aanpak klom ze naar de achtste plaats op de wereldranglijst van de klasse 9, net voldoende voor een paralympische selectie. Bij het BPC moet de opluchting groot geweest zijn, want Myriam Muylaert wordt de enige Belgische vrouw op de Paralympics. De oorzaken voor dat opvallende tekort zijn bekend. Na Sydney zijn enkele atletes gestopt, en nieuw talent laat op zich wachten. Kern van het probleem blijft het rekruteringsveld. Vrouwen voelen zich minder dan mannen tot competitie aangetrokken, een vaststelling uit de valide sport die a fortiori voor de gehandicaptensport geldt. Myriam zal het een zorg wezen, zij mag straks naar haar eerste Spelen. Niet slecht voor een vierenveertigjarige die pas vijf jaar geleden met tafeltennis begon. "Wat een avontuur", glundert de Mechelse postbediende. "Ik heb soms moeite om het te geloven."

Voor Nico Vergeylen, achtste in de wereld in de klasse 8 rechtopstaand tafeltennis, hebben de Paralympics geen geheimen meer. "Dit worden mijn vierde Spelen", zegt hij. "Toch blijft het spannend. Ik krijg nu al kippenvel als ik aan de openingsceremonie denk." Een medaille heeft Nico nog niet behaald, maar mooie herinneringen des te meer. Zoals die keer in Barcelona toen hij tegen een Spanjaard speelde. Het was laat, hun wedstrijd was de enige die nog liep. De score ging gelijk op, zesduizend Spaanse en een stuk of vijf Belgische supporters reden op de roetsjbaan van de sportpassie. "Bij ieder punt van de Spanjaard leek het alsof de zaal ging instorten", vertelt Nico. "Maar ik hield het hoofd koel, en ik heb die match gewonnen. Na het beslissende punt kwam mijn tegenstander mij omhelzen en stak hij mijn vuist omhoog. Daarop kreeg ik een staande ovatie van het voltallige publiek. Dat zijn momenten om in te lijsten."

We slenteren over de dijk van Blankenberge. Nico, een boomlange kerel van vijfendertig, loopt stram. Als kind leed hij aan een zeldzaam soort reuma, waarvoor hij een jammerlijk mislukte knieoperatie onderging. "Soms gebruik ik een rolstoel om mijn benen te sparen", zegt hij. "Het is merkwaardig hoe anders de mensen dan naar je kijken. Stap ik zelf een café binnen, dan word ik als een gewone klant bediend. Ga ik met de rolstoel op café, dan vraagt de ober aan mijn vrouw wat ik wil drinken, alsof ik een hulpeloos kind ben." Hilarisch en triest tegelijk, dat geldt ook voor een populair misverstand waar niet alleen Nico zich blauw aan ergert. Al te vaak worden de Paralympics met de Special Olympics voor mentaal gehandicapten verward. "Niks tegen mentaal gehandicapten", zegt Nico. "Ik geef trouwens zelf training in een club voor mentaal gehandicapten. Maar die verwarring wijst wel op een imagoprobleem. De pers neemt ons nog altijd niet ernstig. Van de Paralympics in Sydney kreeg de Vlaamse televisiekijker welgeteld twee items te zien: ons vertrek vanuit Zaventem en onze aankomst op Zaventem. In Athene belooft het al iets beter te worden. Louis De Pelsmaeker gaat ernaartoe met een eigen cameraploeg, en de VRT is van plan aandacht te besteden aan Belgische medailles."

Een week later. Jonas Martens trekt baantjes in het stedelijke zwembad van Beveren. Het is al zijn tweede training vandaag. Tijdens de vakantie brengt hij drie tot vier uur per dag in het water of in het krachthonk door. Aan snelheid noch stijl valt te merken dat zijn rechterbeen ontbreekt. Pas als hij zich uit het water hijst, valt op wat een schitterende atleet hij is. Gespierde armen, brede schouders, een omgekeerde driehoek op één been. Toen hij zes jaar was, werd zijn been geamputeerd, het was de enige manier om de uitzaaiende botkanker te stoppen. "Kort daarna ben ik beginnen te zwemmen", zegt hij. "Niet als therapie, maar gewoon omdat mijn vriendjes gingen zwemmen. In het begin kantelde ik om. Benen zijn cruciaal voor het evenwicht bij het zwemmen, maar hun aandeel in de voortstuwing is relatief klein. Tenzij je schoolslag zwemt, uiteraard. Ik kom uit in de S9-klasse, zwemmers die een volledige arm of een volledig been missen. Je moet er eens op letten: in de finale van de schoolslag zie je niets dan armamputaties, terwijl de vrije slag volledig door de beenamputaties wordt gedomineerd."

Ook Jonas traint in een valide club, waarmee hij wedstrijden zwemt. Ondanks zijn handicap kaapte hij een medaille weg op een B-kampioenschap, zeg maar de subtop van de valide zwemsport. Bij de gehandicapten staat hij zonder meer aan de wereldtop. Sydney was nog een leerschool. De toen zeventienjarige Waaslander werd met een matige chrono geselecteerd, wat hem overigens niet belette een vijfde plaats te versieren op de 100 meter rugslag. In Athene zijn de verwachtingen veel hoger gespannen. Podium op de 50 meter vrije slag en de 100 meter rugslag, en minstens een finaleplaats op de 100 meter vrije slag. Niet het BPC maar hijzelf heeft de lat zo hoog gelegd. "Van nature ben ik nogal rustig", legt hij uit. "Ik moet mezelf onder druk zetten. Daarom bazuin ik rond dat ik voor goud ga."

De concurrentie belooft nochtans bikkelhard te worden. Er is James Crisp, het Engelse wonderkind dat op zowat alle afstanden en in alle stijlen excelleert. En er is Xiaoming Xiong, de Chinees die een ongenaakbaar wereldrecord op de 50 meter vrije slag heeft gevestigd. "26.30", zegt Jonas. "Meer dan een seconde sneller dan mijn besttijd, nochtans de tweede snelste chrono ooit. Die Chinees heeft dan ook vier ledematen, wat zeer uitzonderlijk is in de S9-klasse. Ik heb hem nog nooit gezien, maar er zal wel iets anders aan hem schelen." Zowel James Crisp als Xiaoming Xiong zijn profs die buiten het zwemmen niets om handen hebben. Het is een mondiale trend. Sportgrootmachten als de Verenigde Staten, Canada, Australië, China en Duitsland sturen steeds meer beroepsatleten naar de Paralympics. Niet dat we al die landen over dezelfde kam mogen scheren. In China, waar iedere medaille in nationaal prestige wordt vertaald, sponsort de overheid. In Groot-Brittannië zijn gehandicapte sporters dan weer populair genoeg om privé-sponsors aan te trekken. Ook dat is een trend in de Angelsaksische wereld: gehandicapte atleten worden marketingiconen, net als hun valide collega's. Tijdens de vorige Paralympics hing Sydney vol met barnumaffiches van Australische deelnemers. Sexy atletes poseerden met hun prothese, en niet louter voor het goede doel. "Ik zie het in België nog niet zo gauw gebeuren", zegt Jonas. "Zelf zou ik zo'n aanbod wel willen overwegen. Niet dat ik graag een BV wil worden, integendeel. Maar als gehandicapte topatleet vervul je hoe dan ook een voorbeeldfunctie. Heel wat mindervaliden zien hun lichaam louter als een bron van beperkingen. Wij leveren het bewijs dat je als gehandicapte ook topprestaties kunt leveren."

Voorlopig kan Jonas echter alleen dromen van profstatuten en privé-sponsors. Hij is al blij als de Vlaamse Liga voor Gehandicaptensport zijn verplaatsingskosten voor buitenlandse stages compenseert. Gelukkig beschikt hij als student lichamelijke opvoeding aan de KU Leuven over een geheim wapen. "Ik studeer bij professor Persyn", zegt hij. "Een van de grootste zwemspecialisten ter wereld. Persyn benadert het zwemmen vanuit de hydrodynamica. Een zwemmer is een volume dat zich in het water voortbeweegt, net als een vis of een boot. Aan de hand van onderwaterbeelden kan hij voor ieder lichaam de ideale zwemstijl bepalen. Daar heb ik veel van geleerd. In alle bescheidenheid gezegd: van alle paralympische zwemmers heb ik de beste techniek."

Voorsprong door techniek. Ooit was het de slogan van een Duitse autoconstructeur, maar het zou evengoed de lijfspreuk van Gino De Keersmaeker (34) kunnen zijn. De kogelstoter en discuswerper is een boegbeeld van de vaderlandse gehandicaptensport, een van de twee paralympiërs bovendien die op de loonlijst van het Bloso staan. Dat voorrecht is niet uit de lucht komen vallen. Net als tafeltennisser Vergeylen is Gino De Keersmaeker al aan zijn vierde Paralympics toe. Moest hij in 1992 in Barcelona nog vrede nemen met een elfde plaats, dan was het vier jaar later in Atlanta bingo. Hij wierp 43,26 meter, goed voor een gouden plak én een wereldrecord. Hij zou dat record nog meermaals breken, telkens met een worp uit stand. In Sydney moest hij evenwel de duimen leggen voor Fanny Lombaard, een Zuid-Afrikaan met een sensationele techniek. Lombaard, ook actief als vijfkamper, maakt anderhalve draai om zijn as alvorens zijn schijf te lanceren. Voor valide discuswerpers is dat vanzelfsprekend, voor gehandicapte atleten allerminst. Al een vol jaar lang is Gino de rotatiebeweging aan het oefenen. "Het werpen uit stand heeft zijn limiet bereikt", zegt hij. "Om verder te gooien moet ik die draai onder de knie krijgen. Het begint aardig te lukken. Mijn record uit stand is 46,13. Op training heb ik met draai al verder geworpen."

Ik krijg een demonstratie, alweer in Beveren, waar op de atletiekpiste een interclubmeeting plaatsvindt. Gino begint de discuscompetitie met twee worpen uit stand en waagt zich pas in de finale aan het riskante werk. Het draaien moet snel en vloeiend gebeuren, zodat de kracht overgaat in de arm die de discus lanceert. Geen sinecure voor iemand als Gino, die zijn linkeronderbeen mist. Ook vóór zijn treinongeval in 1991 deed hij aan atletiek. Om zijn as draaien tijdens het discuswerpen, hij kon het met zijn ogen dicht. Nu is het echter zwoegen geblazen. Halverwege de spin komt zijn hele lichaamsgewicht op zijn prothese te liggen. Precies op dat punt sluipt een lichte hapering in het manoeuvre, het is trainer en gewezen speerwerper Tony Duchateau niet ontgaan. Nog zes weken hebben ze om de bug eruit te halen. Er staat veel op het spel, want de ambities voor Athene zijn groot. Gino wil eindelijk die medaille in het kogelstoten, nadat hij in Atlanta en Sydney telkens net naast het podium is beland. Maar bovenal: hij wil zijn gouden medaille terug in het discuswerpen. "Dat blijft mijn lievelingsnummer", zegt hij. "Vergeet niet dat discuswerpen een van de allereerste olympische disciplines is, het dateert al van de antieke Spelen. Op dat nummer goud pakken in Athene, de bakermat van de Spelen. Geef toe, dat is het hoogste wat een sportman kan bereiken."

Ook in de sporthal van het Gentse UZ worden medailledromen gekoesterd. De rugbyploeg is bezig aan de opwarming voor de oefenpartij. Zeven rolstoelen vormen een kring waarin de achtste als bezeten rondtolt. Zeven frontale botsingen moet hij uitlokken, voor de mannen in de kring komt het eropaan de charge te weerstaan zonder een duimbreed te wijken. Ze houden er in de aanloop naar Athene een strak trainingsschema op na. Gisteren hebben ze in Leuven aan de conditie gewerkt. Kilometers afmalen, spurtjes trekken, de brede schouders en stoere biceps zijn er heus niet vanzelf gekomen. Het moet gezegd, ze hebben veel voor hun sport over. Een wedstrijdstoel kost algauw 4.000 euro, te betalen uit eigen zak. Ook de verplaatsingen wegen zwaar. Ludwig komt uit Limburg, Christophe pendelt zelfs helemaal vanuit de Borinage. "In feite zijn we voltijds met rugby bezig", zegt Leuvenaar Koen Delen. "Als er geen groepstraining is, gaan we individueel oefenen, handbike of wheelchair. Het is geen toeval dat niemand van de ploeg gaat werken. Sommigen zouden het wel kunnen, maar de combinatie met rugby is haast onmogelijk. Als gehandicapte spring je niet zomaar in je loopschoenen. De voorbereiding slorpt al evenveel tijd en energie op als de eigenlijke training."

Worden ze in Athene beloond met onsterfelijke roem? Bob Van Acker blijft voorzichtig. "De Amerikanen zijn favoriet. Maar eigenlijk kun je geen enkel van de acht teams op voorhand afschrijven. België speelt in de eerste ronde tegen Groot-Brittannië. De jongste vijf confrontaties hebben we verloren, maar als we een goede dag hebben, kunnen we ze kloppen."

Eigenlijk kan het nu al niet meer stuk. De kwalificatie is een historische revanche voor de gemiste trip naar Sydney. Ze begrijpen nog altijd niet hoe het mogelijk was. België was huizenhoog favoriet voor de beslissende uitwedstrijd tegen Zwitserland. Lag het aan het gejoel van de Zwitsers of aan het geklingel van de koebellen? Feit is dat de Belgen ondermaats presteerden, terwijl de Zwitsers over het terrein reden alsof er een raketmotor in hun rolstoel stak. "Ik kan het je verzekeren", zegt Bob. "Na die match zijn er tranen gevloeid in de kleedkamer."

De oefenpartij begint. Het gaat er hard toe, er wordt gehijgd en gekreund. De mobiele ventilator blaast op volle kracht, maar het blijft een druppel op een hete plaat. Klimaatregeling is nochtans geen detail, want quadriplegie tast onder meer de zweetfunctie aan. Niet zo echter bij Lars Mertens, in alle opzichten het buitenbeentje van het team. Hij is pas zeventien jaar, met jaren voorsprong de benjamin. Bovendien lijdt hij niet aan quadriplegie, het is een hersenbloeding bij de geboorte die zijn motoriek heeft aangetast. Zijn klassering als 3-punter was kantje boord. Lars kan aardig lopen en speelt al zijn leven lang rolstoelbasket. Geen haar heeft het gescheeld of hij werd te fit bevonden voor het rolstoelrugby. Nu hij van de IWRF groen licht heeft gekregen, wordt veel van hem verwacht. Hij zit hoog in zijn stoel en kan bovenarms ballen vangen, de ideale targetman in de aanval. "Maar ik moet nog veel leren", beseft de jonge Gentenaar. "Rolstoelrugby is veeleisend, zowel fysiek als tactisch. En dan die botsingen, daar moet ik nog aan wennen. Vooral de Ludwig, die heeft de zwaarste stoot van de hele ploeg. Als die komt aanstormen, moet ik echt op mijn tanden bijten." Er wordt gewisseld, Lars gooit zich opnieuw in de strijd. Even later wordt hij met rolstoel en al omvergekegeld. Door de Ludwig natuurlijk, de zwaarste stoot van de ploeg.

De Paralympische Spelen, van 17 tot 28 september, níét op Sporza.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234