Dinsdag 17/09/2019

‘In deze hel overleef je door je zorgen te maken over de kleine dingen’

Mijn Congolese vriend Cléon staat op me te wachten in het niemandsland tussen Burundi en Congo. “Werkt u voor een ngo?”, vraagt de douanebeambte nadat hij met zijn baas overlegd heeft over het permanente visum voor Congo in mijn verlopen paspoort. “Nee, nee”, zeg ik. “En u?”, vraagt hij aan Cléon. Die ook niet. “Wij zijn vrienden”, zeg ik. De be

ambte zet zich aan het schrijven in zijn grote boek en dan weet ik dat het in orde is: ik mag het land in, zonder te betalen.

Het wegdek aan de Burundese kant van de grens was al niet goed, maar nu wordt het pas echt erg. Het asfalt is aan weerszijden weggevreten en soms is het gebarsten of zijn er gapende gaten. Ik zie het schilderij voor me van een Congolese kunstenaar dat in mijn werkkamer in Amsterdam hangt, waarop vrachtwagens en jeeps voortbewegen als op de baren van een woelige zee.

We moeten de smalle weg delen met fietsers, brommers en mamans met naaimachines, zakken rijst en manden met fruit op de rug. In Sange ligt een zwartgeblakerde tankwagen op zijn kant. Danger Petrol staat er achterop, en daaronder Mungu anaweza, God is almachtig. Maar God vermocht niets toen de wagen twee maanden geleden van de weg raakte, kantelde en benzine begon te verliezen, die door het rulle zand het dorp inliep. In een zaaltje vlakbij zaten mensen opeengepakt naar de wereldcup te kijken; anderen snelden toe met alles wat ze maar konden vinden om de benzine op te vangen.

De benzine zocht zijn weg door het zand en moet een vonk zijn tegengekomen van een lucifer, een houtskoolbrander of een brommer misschien, die werd gestart nadat zijn gelukkige bestuurder gratis had getankt. De steekvlam was enorm, vertelt de jongen die naar ons toe komt als we bij de uitgebrande tankwagen staan. Terwijl hij vluchtte, sprong een brandende dorpsgenoot op zijn rug, waardoor zijn eigen kleren ook vlam vatten. Hij laat ons zijn wonden zien. 232 mensen werden levend verbrand; de aarde waarop we staan was bezaaid met verkoolde lijken met gespreide armen en benen, vereeuwigd in hun vergeefse vlucht.

We stoppen bij een wegrestaurantje en veroorzaken meteen een oploopje. Mamans willen ons mandarijntjes en mango’s verkopen, jongetjes leuren met pinda’s in minuscule zakjes, een oude, schriele man met wit haar vraagt om geld. Hij blijft om ons heen draaien, even bedeesd als onverzettelijk, zodat ik hem uiteindelijk iets toestop.

De verdere reis blijft het beeld van die witharige oude man op mijn netvlies staan. Hij zou op deze zondagmiddag in zijn luie stoel moeten zitten, omringd door zijn kleinkinderen, en niet langs die weg van de dood staan, hopend op een aalmoes van een blanke passant.

We rijden de bergen van Ngomo in, waggelend over de onverharde weg. Er is hier nauwelijks verkeer en er wonen zo te zien geen mensen. Terwijl Cléon in slaap valt, hoor ik de uitlaat over de harde keien schuren. De chauffeur stopt bij een rieten afdakje en algauw duiken er uit het niets vijf jongelui op. De een gaat een ijzerdraad halen, de ander hakt de draad in tweeën met een machete. Een meisje pakt dankbaar de plastic fles aan die voorin de auto lag, de chauffeur kruipt onder de auto om de uitlaat vast te maken.

Tweehonderd Congolese franken - minder dan twintig eurocent - vraagt de jongen die de ijzerdraad te voorschijn toverde, maar de chauffeur geeft hem er duizend. De jongen glimlacht en overhandigt hem zijn laatste stuk ijzerdraad. Dan vertrekken we en lost het groepje zich weer op in het niets.

Er is nauwelijks een woord gesproken tijdens deze transactie, maar ik realiseer me dat ik net getuige ben geweest van het mirakel dat Congo draaiende houdt. Zonder deze kleine uitwisselingen van diensten helemaal onderaan de ladder zou dit land er heel wat slechter voorstaan. De extra ijzerdraad zal ons goed van pas komen, want een tijdje later schraapt de uitlaat weer over de scherpe stenen.

Negen uur na ons vertrek naderen we Bukavu. Het heeft geregend, de frisse geur van eucalyptusbomen die ik door de jaren heen met dit deel van Oost-Afrika ben gaan associëren, dringt de auto binnen. Door gele modderstraten glijden we de stad in. Op de markt zitten vrouwen achter lage tafeltjes met flakkerende lichtjes: conservenblikjes met een bodempje olie waarin een lont drijft. Het ruikt er naar benzine van de vrachtwagens en jeeps die dicht op elkaar door de modder schommelen.

Hoe overleef je in deze hel? Door je zorgen te maken om kleine dingen. In Sange ben ik een schroefje van mijn leesbril kwijtgeraakt; ik betrap mezelf erop dat ik mijn hersens pijnig over waar zo’n schroefje te vinden.

Cléon woont met zijn familie in Goma, maar is regelmatig in Bukavu en heeft er een appartement. Vroeger werkte hij als agronoom voor de Duitse kinineproducent Pharmakina, enkele jaren geleden is hij voor zichzelf begonnen. Hij startte in Goma een bank voor microkrediet die intussen filialen heeft in het hele land, en ontwikkelde tal van lucratieve nevenactiviteiten. Nu eens reist hij naar Dubai om tweedehandsauto’s te kopen voor vermogende klanten, dan weer legt hij cash geld neer voor de villa van een Aziatische zakenman die zich hier niet langer veilig voelt. In Bukavu verhuurt hij drie appartementen aan Pakistaanse VN’ers; een van zijn villa’s in Goma wordt bewoond door een Chinese zakenman. We kennen elkaar sinds 1997. Dankzij Cléon was ik er getuige van hoe mensen in Oost-Congo dwars door de oorlog heen blijven werken, reizen en geld verdienen.

Cléons jongere broer zit met een groep vrienden tv te kijken. Het beeld is slecht, maar dat lijkt niemand te deren. President Kabila is op rondreis door het land om de vorderingen van de Cinq Chantiers - infrastructuur, werkgelegenheid, huisvesting, water en elektriciteit, gezondheid en onderwijs - te bekijken: een brug in Kikwit, het begin van de weg van Kinshasa naar Lubumbashi. Hij beweegt zich ondanks zijn sportieve kleren ietwat stijfjes door de menigte, alsof het niet zijn eigen idee was deze excursie te maken. Volgend jaar worden er verkiezingen gehouden; zijn campagne is zo te zien al begonnen.

“Cinq chantiers, pff…” zegt een vriend van Cléon die met ons mee is gereisd. “Cinq chansons zijn het waarmee politici ons een rad voor de ogen willen draaien.” De vorige gouverneur van Zuid-Kivu liet één kilometer straat opnieuw asfalteren en voorzag die van voetpaden en verlichting. Kilomètre témoin noemde hij het, omdat de rest ook zo moet worden. Maar het is vooralsnog bij die ene kilometer gebleven.

Cléon is boos op zijn broer en diens vrienden. Ze zitten de hele dag voor de tv en hebben er niet eens aan gedacht het bankstel dat hij onlangs heeft gekocht, binnen te halen; nu is het doornat van de regen. Hij geeft hen er flink van langs. “Ze hangen aan me”, klaagt hij als hij me naar Hotel Résidence rijdt, “ze ontplooien absoluut geen initiatief; alsof het voldoende is mijn broer te zijn, en de vrienden van mijn broer.”

Hotel Résidence is het oudste hotel van de stad. “Er is daar zelfs een lift!”, zegt Cléon. Maar die doet het niet. In de receptie hangen ingelijste posters van de luchtvaartmaatschappij Air Zaïre, die in 1995 failliet ging. Mijn kamer is schaars verlicht, in het badkamerraam zit een groot gat, muggen zeilen door de lucht. Ik denk aan Ryszard Kapuciski, die in Imperium beschrijft hoe hij in de Russische mijnstad Vorkoeta een dikke laag ijs van zijn geopende hotelraam moet weghakken met een bijl. Dan valt dit nog mee.

Zodra Cléon weg is, haal ik de fles Amarula uit mijn koffer. Ik was van plan die aan hem te geven, maar ik ben zo ontdaan door mijn hernieuwde kennismaking met Congo dat ik de dop openschroef en mezelf een flink glas inschenk.

Bukavu slaapt nog als ik wakker word. Vanuit mijn hotelkamer zie ik de zon opkomen boven de heuvels. Beneden me ligt het Kivumeer te schitteren in het prille licht. Een kwartier later dan afgesproken komt Cléon me oppikken. We racen naar de haven waar de Marinette Express op ons ligt te wachten.

We zijn rijkelijk laat, maar Cléon maakt op zijn dooie gemak praatjes terwijl onze namen geregistreerd worden, onze koffers gewogen. We hebben overgewicht en moeten vijfendertig dollar bijbetalen, maar Cléon zegt tegen mij: “Geef maar twintig, dat is genoeg”. Indien we vroeger waren gekomen, had hij helemaal niets betaald, want hij is een goede klant.

Als we over het Kivumeer varen, duikt in de mistige verte de vulkaan Nyiragongo op. In Goma regent het. Sinds Hutu-vluchtelingen na de genocide in Rwanda in 1994 massaal de grens overstaken, is Goma bestormd door ngo’s. Toen de stad in 2002 bedolven werd onder de lava, stroomden nog meer fondsen binnen. Vanwege de massale verkrachtingen in Oost-Congo is een nieuwe lading organisaties gearriveerd.

De teksten op de jeeps die door de zwarte modder ploegen, laten niets aan de verbeelding over: Aide psychosociale et de santé mentale, Fonds pour la consolidation de la paix, Save the Children, Handicap International. Ik ben blij dat ik hier met Cléon ben, in een auto zonder opschriften.

Er zijn veel huizen bijgebouwd sinds mijn laatste bezoek, drie jaar geleden: villa’s, kantoorgebouwen, hotels. Maar de wegen verkeren in een lamentabele staat - alsof de Congolese overheid het lot van Goma definitief uit handen heeft gegeven. In een hoek van het vroegere Mobutu-domein, waar de gouverneur tegenwoordig zetelt, staat een stel splinternieuwe rode tractoren en vrachtwagens in het gras. Konden ze daar geen bestemming voor vinden? Na een tijdje gaan mensen ze kannibaliseren tot alleen het geraamte overblijft.

‘Jezus est le seul refuge’, ‘Full Gospel’, ‘Incroyable Jeremy’, ‘Storm of God boutique’ - aan de hartenkreten op de winkelgevels is te zien dat de inwoners van Goma allang niet meer in aardse oplossingen van hun problemen geloven.

Op de parkeerplaats van Cléons villa aan het Kivumeer staat de zilverkleurige Hummer waarover zijn vrienden me al berichtten. Hij kocht hem voor een rijke klant die aan de bedelstaf geraakte, reed er zelf een tijdje mee rond, maar had zoveel bekijks dat hij hem liever thuislaat.

Het is klaarlichte dag, maar in de salon zit zoon Yannick met zijn vrienden tv te kijken. Yannick was drie jaar toen ik hem leerde kennen, inmiddels is hij vijftien. Over enkele dagen vertrekt hij met zijn zus naar Oeganda, waar hun oudere broer al op internaat zit. Oost-Afrika verengelst - de officiële taal in Rwanda is onlangs veranderd van Frans in Engels.

Aan tafel met Cléon, Hortense en de kinderen, nemen we het laatste nieuws door. Zakenvrouw Emerita was afgelopen week met haar kleinkinderen op weg naar huis en stopte bij een standje in het centrum van Goma om koekjes te kopen. Terwijl ze wachtte op wisselgeld, zette een man een pistool tegen haar hoofd. Haar kleinkinderen zagen haar neervallen; de moordenaar wandelde naar een klaarstaande auto alsof er niets gebeurd was.

Veel inwoners van Goma steken ’s avonds de Rwandese grens over naar Gisenyi, waar ze veiliger denken te zijn, maar twee maanden geleden drongen mannen daar de woning binnen van Denis, de kabinetschef van de vroegere gouverneur van Noord-Kivu. Zijn familieleden vonden zijn onthoofde lichaam terug in een poel van bloed.

Afrekeningen, banditisme? De daders worden zelden of nooit gepakt, net zomin als de militairen en milities die zich massaal vergrijpen aan vrouwen en kinderen.

Laatst hoorde Cléon van veiligheidsagenten die een huis in de buurt bewaken, dat er mannen in de omgeving van zijn huis lagen te posten. Ze dachten wellicht dat hij het geld van de microkredietbank ’s avonds mee naar huis nam. Sindsdien heeft hij twee politiemensen ingehuurd.

Welcome to Goma! De kinderen scheppen nog eens op terwijl Cléon en Hortense speculeren over de mogelijke daders van de recente moorden. Zakenvrouw Emerita was een Tutsi - is ze neergeschoten omdat ze een sympathisante was van Laurent Nkunda, de rebellenleider die vorig jaar door de Rwandezen werd opgepakt en huisarrest heeft in Kigali? En werd kabinetschef Denis, ook een Tutsi, onthoofd omdat hij na het verdwijnen van Nkunda contact had met generaal Kayumba, de dissidente ex-stafchef van het Rwandese leger, die naar Zuid-Afrika vluchtte en daar onlangs zelf beschoten werd?

Een uur na mijn aankomst al vult de lucht zich met geruchten en gissingen als met een giftig gas. Het duizelt me - toen ik hier de vorige keer was, liep Nkunda nog vrij rond. Nadat hij van het strijdtoneel was verdwenen, zijn de achterblijvers nieuwe allianties aangegaan. Het Rwandese regime zou bevreesd zijn voor de zoveelste rebellie in le ventre mou van Congo, zoals het zwakke oosten genoemd wordt. “Volgens de mensen in Goma beginnen de Tutsi elkaar nu onderling uit de moorden”, zegt Cléon.

De radioverslaggever leest het voor alsof het om een weerbericht gaat: de lichamen van drie motorrijders die sinds een maand vermist werden, zijn door herders in verregaande staat van ontbinding teruggevonden in een weiland, onthoofd, hun ledematen en ingewanden samen met de hoofden in plastic zakken gepropt. Ik luister ernaar terwijl ik me klaarmaak om op bezoek te gaan bij Brigitte Ngezayo, wier zwager Albert twee jaar geleden werd neergeschoten.

Brigitte en haar man Victor vluchtten na de moord op Albert de Rwandese grens over, maar sinds een aantal maanden beginnen ze voorzichtig terug te komen. Laverend over scherpe lavabrokken loop ik naar Hotel Karibu, honderd meter verderop. Een paadje naar beneden, daar ligt de ronde annex van het hotel, waar de Ngezayo’s wonen. Ik kwam er altijd graag - een rustpunt in deze harde stad. Brigitte is een sterke vrouw, het onversaagde type dat je in deze contreien aantreft. Ik leerde haar kennen in 2003, nadat de elektriciteit in Goma weer eens was uitgevallen en ik in het donker tegen de punt van een salontafel in Cléons huis stootte. Brigitte behandelde mijn been met modderkompressen.

De bediende leidt mij achterom, waar Brigitte aan tafel zit te schrijven. Als ze opkijkt, zie ik in één oogopslag dat de dood van haar zwager haar een knauw heeft gegeven: haar huid is grijs, haar ogen staan dof. Terwijl ik haar omhels, valt mijn oog op een foto van Victor en Albert in betere tijden: aantrekkelijke jongens met zelfverzekerde koppen, grote hoeden op het hoofd - cowboys.

De Ngezayo’s behoren tot de elite van Oost-Congo, geboren uit een Tutsi-moeder en een Belgische vader van Russische afkomst. Behalve de erfenis van hun ouders verwierven ze in de Mobutu-tijd koffie- en theeplantages, hotels en restaurants. Veel van hun eigendommen worden sinds het vertrek van Mobutu door hun omgeving betwist. Net voor Albert vermoord werd, had hij een proces gewonnen over een stuk grond waarop een zakenman in Goma een hotel had gebouwd. Is dat de reden waarom hij werd neergeschoten?

De mappen met de verschillende proceszaken die Victor en Brigitte sinds jaren voeren, liggen in keurige stapeltjes op tafel. “Kabila is in de stad”, zegt Brigitte hoopvol, “ik heb hem een sms gestuurd en ik kreeg meteen antwoord. Hij kan hier zó binnenwandelen.”

We lunchen in de tuin aan het Kivumeer. Vogels kwetteren, het water klotst tegen de stenen wal. Victor is in Kinshasa; hij voert nu niet alleen meer processen over zijn eigendommen, maar probeert ook gerechtigheid te krijgen voor zijn vermoorde broer.

Veertig mensen hebben zich illegaal gevestigd op het terrein van Hotel Karibu. Laatst eiste iemand een plantage van de Ngezayo’s op; bleek hij een brief bij zich te hebben van de viceminister van Financiën. “Een bende bandieten is in dit land na de vredesakkoorden van 2003 aan de macht gekomen”, zegt Brigitte, die zelf een Griekse vader had, ‘iedereen heeft nu zijn mannetje daarboven in Kinshasa. Ze zeggen dat wij geen autochtonen zijn omdat onze vaders blank waren, dat we geen recht hebben op het land omdat we het niet gekocht hebben van de lokale mwami (chef), maar van blanken die de Kivu verlaten hebben.”

Afrika verandert, denk ik. De massa eist haar rechten op. Waarom zoveel eigendommen hebben in een land waar de mensen zo arm zijn? “Wij hebben gewerkt”, protesteert Brigitte, “er was hier vroeger niets. Wij hebben het land ontwikkeld.”

“Word je het vechten op den duur niet moe?”, vraag ik, “is het dat allemaal waard?”

Ze lacht matjes. “Dat zeggen de kinderen van Albert ook, dat ze de eigendommen van hun vader met alle liefde hadden opgegeven als ze hem hadden kunnen behouden.”

Kabila komt niet. Als ik tegen de avond wegga, staat Brigitte erop dat een bewaker met een zaklamp me vergezelt. Zelf komt ze na zes uur niet meer buiten. “Het is vlakbij”, zeg ik, maar ze dringt aan: “Vergeet niet dat je in de verkrachtingshoofdstad van de wereld bent.”

Ontbijt met Hortense en de kinderen: straks vertrekt Hortense met de twee oudste naar Oeganda. Viviane, de vrouw van onze vriend René, is op bezoek uit Kinshasa en vertelt over de boulevard van de Dertigste Juni die door de Chinezen werd opgeknapt en onlangs werd ingewijd. Mensen togen naar het verlichte stationsplein en lieten zich fotograferen bij de klaterende fontein. “We hoeven niet meer naar Europa”, zeiden ze, “Europa is naar Kinshasa gekomen.” Een week later deed de fontein het niet meer.

Ik heb geen zin om de stad in te gaan en breng een groot deel van de dag door onder een payotte aan het zwembad van Hotel Karibu.

Op het Kivumeer dobberen vissersprauwen in formaties van drie. Wat is het hier vredig en mooi. Ik bel vrienden in Kinshasa, krijg bezoek en voel me een beetje als heeroom van Congo die in de jaren zestig tijdens zijn verlof in België audiëntie hield.

“Waarom ben je teruggekomen?, vraagt Jonas, met wie ik in 2004 heel wat avonturen beleefde. “Ik had je gezegd dat je weg moest blijven. De situatie verkankert alleen maar. Wij hebben hier een heleboel gewapende bendes, maar de grootste gewapende bende is het Congolese leger.”

“Ik ben niet teruggekomen”, zeg ik, “beschouw dit maar als een familiebezoek.”

Hij is pessimistisch over de mogelijke bijdrage van de Chinezen aan de ontwikkeling van Congo. “Dit is een land van vechtende honden, één hond meer of minder kan het verschil niet maken. Het probleem is het vechten.”

’s Avonds is het grote huis van Cléon en Hortense stil en leeg. Cléon is de stad ingegaan; hij heeft een inspectieteam uit Kinshasa op bezoek. Ik ben mijn koffer aan het pakken als het licht uitvalt. Voorzichtig ga ik op zoek naar mijn zaklamp, bang opnieuw tegen een scherpe tafelpunt te stoten, want ondanks de modderbaden van Brigitte doet mijn been na zoveel jaren nog steeds pijn. In de donkere keuken zit huisbediende papa Simon eenzaam op een stoel. Hij spreekt alleen Swahili. “Bougie?” vraag ik. Hij schudt het hoofd. “Akuna bougie”, zegt hij somber. Met mijn zaklamp loop ik heen en weer tussen mijn kamer en de badkamer, op zoek naar mijn spulletjes. Dan schiet het licht weer aan. Spontaan roep ik: “Alleluja!” Uit de keuken klinkt een hartgrondig “Amen!”’

Op de weg van het grensstadje Gisenyi naar Kigali staat een Chinese opzichter met een grote rieten hoed in de zon, omringd door Rwandese wegwerkers met schoppen. Stof vliegt op, grind spat tegen de autoramen. Hoog in de cabines van asfalteermachines en vrachtwagens zie ik nog meer Chinezen. De geur van teer dringt mijn neusgaten binnen.

Rwanda is, sinds ik hier zes jaar geleden voor het laatst was, veranderd in een bouwplaats. Ook de straat van Librairie Ikirezi naar het huis van eigenaar Chiel, waar ik zal logeren, wordt opnieuw geasfalteerd. “Rwanda ontwikkelt zich drie tot vier keer sneller dan wij”, hoorde ik in Burundi. Er zit gas in het Kivumeer - dat deels van Congo is, deels van Rwanda. “Zij exploiteren het, wij niet”, klonk het in Goma.

Tot in China voelde ik de veranderingen. Rwanda is het enige Afrikaanse land dat in de zuidelijke havenstad Shenzhen - de rijkste stad van China - een officieel handelskantoor heeft. Rwandese studenten vertelden me dat president Kagame daar in 2007, aan het einde van een bezoek aan China, een emotionele toespraak hield. Dertig jaar eerder was Shenzhen een vissersdorpje, zei Kagame, nu een moderne stad van veertien miljoen inwoners. Hoe lang was de weg die Afrika nog moest gaan. Als een Afrikaan rijkdom vergaarde, werd hij dik en praatte hij niet langer met zijn ondergeschikten. Hoe eenvoudig was de Chinese elite ondertussen gebleven: ingenieurs en opzichters waren niet te onderscheiden van arbeiders, elke middag zaten ze samen op bouwplaatsen in het hele land te eten.

De afgelopen keren spoelde ik hier telkens aan na een lang verblijf in Oost-Congo, beladen met de Congolese gramschap over de rol die Rwanda in de oorlog daar speelde. Nu voel ik het weldadige effect van het Chinese scherm dat er tussen mij en Rwanda is geschoven. Kagame’s adagium dat het gevecht tegen armoede de voorrang verdient boven het gevecht voor democratie, komt me na China vertrouwd voor.

Maar dit zou Rwanda niet zijn als er niet menig addertje onder het gras school. Het uitgelekte VN-rapport waarin de slachtingen die het Rwandese regeringsleger tussen 1996 en 1998 aanrichtte onder Hutu-vluchtelingen in het Congolese binnenland een genocide worden genoemd, is het gesprek van de dag. Rwanda heeft hevig geprotesteerd en gedreigd zijn vredestroepen terug te trekken uit het Soedanese Darfur. VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon is onverwacht naar Rwanda gevlogen om de gemoederen te sussen. “Een typisch Aziatische reactie”, zegt Manu, een Rwandese vriend, aan de telefoon, “dat zie ik een westerling nog niet zo vlug doen”. Rwanda is moeizaam bezig zich op te richten; Manu is bang dat de klok door dit rapport zal worden teruggezet.

Ook van binnen uit wordt er aan het regime van president Kagame geknaagd. Vier Tutsi-prominenten, ex-vertrouwelingen van Kagame, hebben een felle aanklacht geschreven tegen zijn schrikbewind. Algauw zit ik weer vol gewetensvragen. “Rwanda is misschien het meest veilige land in de regio”, zei een Rwanda-watcher onlangs, “maar het bevindt zich boven op een vulkaan”.

Librairie Ikirezi is in dit lastige klimaat een taai plantje: sinds ik de boekhandel in 1999 ontdekte, is hij tweemaal verhuisd en flink gegroeid. Mijn boeken liggen er op een tafel, rondom een ingelijst portret van mezelf met een bloemstuk ervoor. “Het lijkt wel of ik dood ben!”, roep ik.

Ik vertrek ’s ochtends in alle vroegte met een busje richting Butare, waar de vader van Assani - het hoofdpersonage van Het uur van de rebellen - wordt herdacht, die verleden week in de hoogvlaktes overleden is. Naast me zit Herman, een familielid, keurig in het pak. Mwaramutse, mwiriwe, murakoze - terwijl we praten, komen de woorden met hun aangeblazen klanken die ik tijdens mijn verblijf in de hoogvlaktes leerde, een voor een weer terug.

Het erf van Mbiyo Mbiyo’s zoon Vicky is volgestroomd met Banyamulenge, zoals de Congolese Tutsi uit de hoogvlaktes van Zuid-Kivu worden genoemd. Ze zitten binnen, maar ook onder de witte tent die voor de gelegenheid in de tuin is opgezet. Oude mannen met vilthoeden, jonge mannen in stijve pakken - ze ontroeren me met hun ietwat archaïsche voorkomen.

Ik heb de Nederlandse en Franse editie van De hoogvlaktes meegebracht, waarin foto’s van Mbiyo Mbiyo staan. De mannen kijken ernaar, lezen met bewegende lippen. Vicky loopt heen en weer tussen de gasten, mager, bezorgd. Een van de foto’s die ik van zijn vader maakte, staat uitvergroot in de woonkamer: Mbiyombiyo Rutarindwa wa Murambya 1920-2010. Scherpe ogen, een sterke neus, geprononceerde lippen - Vicky en Assani hebben verschillende moeders, maar ze lijken allebei op hun vader.

Ik zie bekende gezichten, omhels Emmanuel, de agent van de gezondheidsdienst met wie ik hoog daarboven - te midden van de ernstige Banyamulenge die het grootste deel van hun tijd doorbrengen in de kerk - heel wat aflachte. Vicky vraagt me of ik tijdens de gebedsdienst iets over zijn vader wil zeggen. Als we in optocht naar de methodistische kerk wandelen, komt Emmanuel naast me lopen, pakt mijn hand en fluistert: “Zeg, als je straks in de kerk gaat spreken… je weet toch dat het niet de bedoeling is de waarheid te zeggen, hè?” Ik kijk naar hem; hij lacht. “Een lofrede, dat verwachten ze van je, stel hen dus niet teleur. Alles behalve de waarheid!” Dan is hij weer verdwenen.

Maar liefst dertig kinderen had Mbiyo Mbiyo, van vier verschillende vrouwen. Drieëntwintig zijn er in leven. Het beeld dat zijn vrienden en kinderen van hem schetsten is heel wat waarachtiger dan ik had durven vermoeden. Gaandeweg rijst Mbiyo Mbiyo tussen ons op, een ongewone, slimme man die zelf had vastgesteld dat hij kanker had en ondanks herhaalde verzoeken weigerde de hoogvlaktes te verlaten. Hij wilde tussen de zijnen sterven, niet in een ziekenhuis ver van huis. “Nationalist!”, fluistert een luisteraar achter me.

Ik zit naast Vicky in de zijbeuk. Telkens als iemand opschept over de koeien die Mbiyo Mbiyo hem in zijn goedertierenheid schonk, zoekt Emmanuel vanuit de middenbeuk mijn blik en knikt me veelbetekenend toe. “Moet je al onze geheimen vertellen?”, protesteert een vrouw wier man opbiecht dat Mbiyo Mbiyo hem hielp toen hij problemen had. Als al die verhalen waar zijn, dan hebben Vicky en zijn broers heel wat koeien van de 450 genodigden in de kerk tegoed.

Een groep vrouwen in schitterend witte gewaden treedt aan: de dochters van Mbiyo Mbiyo. Ze halen herinneringen aan hem op, negeren de mannen die hen morrend tot zwijgen proberen te brengen. “Laat ons - wij zijn nog lang niet uitgepraat!”

Tegen de tijd dat ik zelf aan de beurt ben, is de sfeer in de kerk zo ontspannen dat ik uit mijn hart spreek. “De meesten van jullie kennen mij niet”, zeg ik, “en toch voel ik me vandaag als en famille.” Ik ontmoette Mbiyo Mbiyo kort na de dood van mijn moeder; de oude man troostte me en zei dat alleen haar lichaam verdwenen was, niet haar geest. “Net zoals zijn geest vandaag bij ons is.” Ik vertel over Vicky’s bezoek aan mijn ouderlijk huis in Hasselt. De volgende ochtend merkte mijn dementerende vader in een vlaag van helderheid op: “De zwarte die hier gisteren was, dat was ne beschaafde mens.”

’s Avonds breng ik telefonisch verslag uit aan Assani, die morgen een herdenking zal houden in Kinshasa. Hij liet zijn kinderen vandaag mijn boek zien met de foto van Mbiyo Mbiyo. “Dit is nu jullie grootvader”, zei hij. “Maar hoe kan het dat hij dood is”, riepen zij, “terwijl zijn foto in een boek staat?”

“Ik weet niet of er veel Rwandezen naar je lezing zullen komen”, waarschuwde de Nederlandse ambassadeur me. “Rwanda is een beetje een zwartekousenkerk. Mensen gaan naar hun werk of naar de gebedsdienst. Voor de rest zitten ze thuis.”

Ik nodigde al mijn Rwandese en Banyamulenge vrienden uit, waardoor er op de Rwandese avond zelfs meer mensen komen opdagen dan op de Nederlandstalige. Ruim vóór de lezing lopen er al een paar Banyamulenge rond in de boekhandel. Ze hebben me op de radio gehoord en staan vanachter de boekenrekken naar me te gluren. Bergbewoners, denk ik vertederd - zelfs in de stad zijn ze geneigd zich te verstoppen.

Pastoor Jorojoro, bij wie ik in de hoogvlaktes logeerde, is helemaal uit Uvira gekomen om me te ontmoeten. Het uur van de rebellen is een gevleugelde uitdrukking geworden onder zijn confraters, lacht hij. Als het ’s avonds in de stad niet veilig is, zeggen ze: “Tijd om er vandoor te gaan - het uur van de rebellen is aangebroken!”

Na mijn lezing vraagt een man in de zaal wat ik vind van het feit dat Belgen hun onderlinge geschillen op hun kolonies geprojecteerd hebben; daar heb ik me naar zijn mening niet voldoende over uitgesproken. Pfff… daar gaan we weer. Ik citeer V.S. Naipaul, die ooit zei: “Het gaat er niet om wat ze met je gedaan hebben, maar om wat jij doet met wat ze met je gedaan hebben”. In de zaal hoor ik tot mijn lichte verbazing een instemmend geluid opgaan. Aangemoedigd vervolg ik: “Als u de Belgen alleen als schuldigen ziet en uzelf als het eeuwige slachtoffer, dwingt u ons dan niet tot paternalisme? Daar wil ik juist vanaf.”

Ik ken de spreker, ook zijn vader bezocht ik in de hoogvlaktes. Tijdens het signeren komt hij naar me toe. “Sorry Joseph, ik kon niet anders”, verontschuldig ik me. “Maar hij heeft ongelijk!” roepen een paar jongeren die om me heen staan. “Wij hebben er genoeg van slachtoffer te zijn!”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234