Zaterdag 16/01/2021

In de wind gesproken

Eindelijk is Jenseits von Schuld und Sühne van Jean Améry in het Nederlands vertaald. In dit meesterlijke egodocument over zijn gevangenschap in Breendonk en Auschwitz observeerde de auteur, een naar België gevluchte Oostenrijkse jood, genadeloos het slachtoffer dat hij werd en gebleven is. De vlijmscherpe analyse van deze waarheid slingerde hij de Duitsers 'tactloos en grof' in het gezicht.

Jean Améry

Uit het Duits vertaald door Leonard Nolens, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 175 p.

Jeroen Brouwers

Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 45 p. Beide boeken samen 800 frank.

door Gie van den Berghe

De vertaling van Jenseits von Schuld und Sühne werd door niemand minder dan Leonard Nolens bezorgd. En, alsof het niet op kan, het boek wordt ook nog eens begeleid door het essay dat Jeroen Brouwers eerder over Jean Améry schreef. Toch ben ik niet onverdeeld gelukkig. Er valt nogal wat aan te merken op de uitgave en de vertaling. Brouwers' essay is weliswaar goed geschreven, leerrijk en verhelderend, maar tevens knap onvolledig, met veel onjuistheden over Améry en diens werk. Erger is dat Brouwers de lezer op het verkeerde been zet. Hij belicht Améry te nadrukkelijk vanuit de afloop van diens leven. Brouwers neemt kritiekloos het vernietigend beeld over dat Améry in de jaren zeventig van zichzelf had en projecteert het als een onafwendbaar lot in zijn verleden. Améry's hele leven en oeuvre lijken wel één grote mislukking, een aaneenrijging van gemiste kansen. En dat is een veel te zwartgallig beeld.

Om Améry en zijn meesterwerk Jenseits von Schuld und Sühne te begrijpen moet je ze in hun tijd en context terugplaatsen. Améry kwam in 1912 in Wenen als Hans Maier ter wereld, in een geassimileerd joods gezin. Hij studeerde literatuur en filosofie, werd aangetrokken en beïnvloed door het logisch-positivisme. Vanaf de vroege jaren dertig was hij literair actief onder het pseudoniem Hanns Mayer. Eind 1938, negen maanden nadat de nazi's Oostenrijk hadden aangehecht, vluchtte hij samen met zijn jonge bruid naar Antwerpen. Toen de Duitsers binnenvielen werd hij door de Belgische overheid als 'vijandelijke buitenlander' gearresteerd en gedeporteerd naar kampen in de Franse Pyreneeën. Améry vluchtte uit een rijdende trein, werd gegrepen, maar nam na een paar maanden opnieuw de benen. Hij keerde terug naar België, bij zijn in Brussel ondergedoken vrouw.

Midden 1943 werd hij onder zijn verzetsnaam Roger Lippens gearresteerd wegens het opstellen en verspreiden van anti-nazi-pamfletten. Hij werd als Kommunist in Breendonk opgesloten en gefolterd. Zijn joodse identiteit kon hij maandenlang verborgen houden, maar toen die aan het licht kwam werd hij onmiddellijk naar het verzamelkamp Mechelen abgeschoben. Midden januari 1944 belandde hij in Auschwitz-III, Buna-Monowitz. Na de evacuatie van dat kamp kwam hij nog terecht in Dora-Mittelbau en Bergen-Belsen. Bij zijn terugkeer in België kreeg hij te horen dat zijn vrouw een jaar voordien overleden was. Améry vestigde zich definitief in Brussel en kwam als journalist aan de kost. Filosofisch bekeerde hij zich tot het existentialisme. In 1955 hertrouwde hij en nam het pseudoniem Jean Améry aan.

In 1964 besloot Améry de stilte te doorbreken. Die beslissing hing samen met het grote Auschwitz-proces dat eind december 1963 in Frankfurt was begonnen. Amper twee weken later nam Améry contact op met een Duitse radiozender. Of ze geïnteresseerd waren in overdenkingen bij fundamentele existentiële problemen in Auschwitz? Vanaf het begin dus wou Améry zijn ervaring als slachtoffer niet alleen voor zichzelf uitklaren, maar ook aan de daders uiteenzetten. Op 19 oktober 1964 sprak hij de Duitsers, zijn publiek, voor het eerst toe. In het daaropvolgende jaar zou Améry nog vier essays schrijven en voorlezen om 'de Duitsers' aan het verstand te brengen wat ze hadden aangericht. Stap voor stap zet hij uiteen wat het betekent slachtoffer te zijn.

Om Jenseits von Schuld und Sühne goed te kunnen beoordelen moet deze context beklemtoond worden. Terwijl de media bol stonden van het Auschwitz-proces, dat tot 20 augustus 1965 duurde, sprak Améry de Duitsers toe! Het gaat niet om gerechtigheid, voegde Améry hen toe, schuld en boete halen niets uit, boetedoening is irrelevant. Het is een foute Vergangenheitsbewältigung. Het verleden kan maar worden verwerkt als zij, de daders, de gevolgen van hun misdaden inzien, het slachtofferschap doorgronden en de volle verantwoordelijkheid op zich nemen, onder meer door zichzelf blijvend ter discussie te stellen.

Améry doet er in zijn lezingen alles aan om de Duitsers tot inzicht en inkeer te brengen. Nooit voordien werd het slachtofferschap zo systematisch, diepgaand en helder ontleed. Hij maakt zichzelf tot studieobject, observeert genadeloos het slachtoffer dat hij werd en gebleven is. De vlijmscherpe analyse van deze waarheid slingert hij de Duitsers "tactloos en grof" in het gezicht.

In 1966 werden de vijf essays tot een boek gebundeld. Doordat de volgorde van hun totstandkoming werd gerespecteerd, kunnen we de fasen van Améry's denkproces volgen. Aanvankelijk tilde hij het zwaarst aan zijn ontwaarding als intellectueel. In Auschwitz was gebleken dat rede, filosofie en cultuur de jonge filosoof van geen nut waren. Toen de geest er alleen voor stond, moest hij onverbiddelijk wijken voor de verpletterende werkelijkheid. Het slachtofferschap zit dieper. Het gaat om de ontwaarding als mens. Dat gebeurde toen hij, weerloos en straffeloos, geslagen en gefolterd werd, zonder nog op hulp van buitenaf te mogen rekenen. Met de eerste slag werd het vertrouwen in de wereld, de samenleving, onherstelbaar beschadigd.

De ontmenselijking begon nóg eerder. Met de verdrijving uit vaderland en moedertaal, de onteigening van cultuur en verleden. De vijand, de tegenmens, eigende zich alles toe. Met de heimat ging elk gevoel van veiligheid en zekerheid teloor. Je zou van minder wrokkig worden. Die wrok zet Améry haarfijn uiteen aan de Duitsers. Ressentiment heeft volgens hem een morele functie, het nagelt de misdadiger vast aan zijn misdaad, die daardoor ook voor hem een morele realiteit wordt. De wrok in het ene kamp houdt het wantrouwen in het andere kamp in stand.

In zijn laatste essay dringt Améry tot de essentie door. De waardigheid waarvan hij werd beroofd, is het door de samenleving verleende recht op leven. De nazi's hebben hem tot jood gemaakt, een Untermensch. Daar viel weinig tegen in te brengen, de hele beschaafde wereld was het kennelijk met ze eens. Zijn menselijke waardigheid kon hij maar terugwinnen door de joodse identiteit op zich te nemen en positief in te vullen. Maar omdat hij niet joods opgevoed werd, geen joodse traditie bezit, alleen maar 'Duitse' herinneringen, het verkeerde verleden, zal hem dat nooit volledig lukken.

De Améry van midden jaren zestig is een wrokkig man, maar hij is ook begeesterd, hoopvol en idealistisch. Hij verheft de wrok tot een morele categorie, een instrument om tegenmensen tot medemensen te maken. Améry getuigt omdat uit de gruwel verkeerde lessen worden getrokken, in de hoop daar iets aan te veranderen. Al twijfelt hij voortdurend of hij daarin zal slagen, hij zet door en besluit met de hoop dat mensen medemensen voor elkaar willen zijn. Die hoop was drie jaar later nog intact. In een essay uit 1969 stelt hij dat "het hakenkruis waarop men de joden genageld heeft, niet alleen het beeld van de joodse godsmoordenaars van de scène heeft verdrongen, maar algemeen en wereldwijd tot symbool is geworden van het menselijk en geschiedkundig ondraaglijke". En dat danken we aan de slachtoffers. "Misschien," vervolgt Améry, "is te midden van de onmenselijkheid de geschiedenis van een menselijker mensheid begonnen."

Begin jaren zeventig kwam daar verandering in, Améry raakte almaar meer ontmoedigd. Daar zijn verschillende oorzaken voor aan te wijzen. In de eerste plaats de mislukking van zijn utopisch project, "wat in 1964 misschien op het punt stond te helen, breekt nu weer als een zweer open". Wat hem vooral stak, was het heropflakkerend antisemitisme en de toenemende kritiek op Israël, het joodse thuisland dat Améry na aan het hart lag. Améry's hele late oeuvre werd door zwartgalligheid aangestoken. Het eerbetoon dat hem in de jaren zeventig in Duitsland en Oostenrijk te beurt viel, haalde niets meer uit. In 1978 sloeg hij de hand aan zichzelf. Zijn laatste tekst draagt de veelzeggende titel In den Wind gesprochen.

In het woord vooraf bij de heruitgave van Jenseits von Schuld und Sühne uit 1977 stelt Améry bitter vast dat zijn stoutmoedige onderneming mislukt is, de Duitsers zijn geen haar verbeterd. Sedertdien wordt zijn egodocument door deze pessimistische conclusie ingeleid. Dat het vaak verkeerd gelezen wordt, heeft Améry dus voor een stuk aan zichzelf te wijten.

Bij Brouwers ligt de klemtoon op de wrokkige en 'mislukte' Améry. Brouwers erkent zijn eruditie, schrijft vanuit bewondering, maar besteedt niet de minste aandacht aan die andere Améry, de fel bewogen, overgevoelige en strijdbare humanist, de minzame estheet.

Améry vertalen is allesbehalve een sinecure. Nolens heeft goed werk geleverd, er staan knappe staaltjes van vertaalkunst in. Het boek is ook leesbaarder geworden, al is het daardoor ook een beetje afgevlakt. Hier en daar werd slordig en fout vertaald. Door bijvoorbeeld drüben als 'daarboven' te vertalen in plaats van door 'ginds' komt Birkenau (Auschwitz-II) hoger te liggen dan Buna-Monowitz (Au-III), terwijl de hele Auschwitz-regio een troosteloze vlakte is. De voor de kampwereld zo kenmerkende begrippen 'Bettenbau', 'Mutzen ab!' en 'Wer weitergeht, wird erschossen', werden nodeloos in het Nederlands omgezet. Schoonheidsfoutjes, maar er staan ook serieuze blunders in.

Nolens laat Améry zowaar over zichzelf zeggen dat "hij filosofisch gezien geen hoogvlieger" was. In werkelijkheid schrijft Améry dat wie gemarteld is mag speculeren over het wezen van de foltering; en die beschouwingen hoeven niet noodzakelijk een hoge vlucht te nemen om toch op enige geldigheid aanspraak te mogen maken. Werd Nolens hier misschien misleid door Brouwers' ietwat laatdunkende opmerking dat de naam Améry in geen enkel filosofielexicon terug te vinden is? Brouwers voegt daar nog aan toe dat de zozeer door Améry bewonderde Sartre "misschien nooit zelfs maar van hem gehoord heeft". Toch wel, Sartre en Améry hebben elkaar ontmoet en enkele brieven uitgewisseld. Overigens keerde Améry zich later van Sartre af.

De titel is ongelukkig vertaald. Schuld en boete voorbij: een achteloze lezer kan dat interpreteren als 'achter ons gelaten', 'gedaan', 'afgehandeld'. Lijnrecht het tegendeel van wat Améry bedoelde. Voorbij schuld en boete ware iets beter geweest. Maar Jenseits moet hier in zijn letterlijke, ruimtelijke betekenis begrepen worden: 'aan gene zijde', 'aan de andere kant'. 'Aan de overzijde van' of 'aan de andere kant van schuld en boete' - toegegeven, niet meteen een mooie titel, maar wel een correcte. In zijn eerste woord vooraf legt Améry tussen de regels door zijn titel uit. In zijn onderzoek naar de betekenis van het slachtofferschap, schrijft hij, is natuurlijk vaak sprake van schuld en boete, maar de bevindingen van zijn werk staan jenseits der Frage von Schuld und Sühne. Beschreven wordt hoe het met een overweldigde is gesteld, das ist alles. Nolens vertaalt jenseits hier door 'boven' en laat het krachtige 'meer niet' aan het slot van de passage weg. Ook elders in het boek wordt terloops duidelijk dat Améry wel degelijk 'de andere kant' bedoelde; 'het andere kamp', dat van de slachtoffers. Niet bezig zijn met schuld en boete, met daders, maar met slachtoffers, das ist alles.

Dat men geen moeite heeft gedaan om de vele verwijzingen naar literatuur, filosofie en het concentrationaire universum te verduidelijken, noch om de foutjes die Améry daarbij heeft gemaakt recht te zetten, is betreurenswaardig. Slechts enkele keren werd de tekst ter verduidelijking lichtjes gewijzigd of werd een summiere noot toegevoegd.

Als Améry het in de context van onderlinge hulp over Krapotkin heeft, zou in een noot verduidelijkt mogen worden dat hij de anarchist Peter Kropotkin bedoelt. Daar mocht zelfs aan toegevoegd worden dat Améry refereert aan diens Mutual Aid uit 1902.

Dat de filosoof Améry het overbekende egodocument van David Rousset, L'univers concentrationnaire, toeschrijft aan David Rousseau (Jean-Jacques!) had een interessante noot kunnen opleveren. De antipathie van Améry voor Victor Gollancz en Martin Buber, die "van vergevingsgezindheid en verzoeningspathos trillende joden", kan maar goed begrepen worden als je weet dat deze vooraanstaande joden, respectievelijk uitgever en filosoof, zich in 1961 fel gekant hebben tegen de terechtstelling van Adolf Eichmann.

Ook de door Améry fout gespelde namen van SS'ers hadden verbeterd en verduidelijkt mogen worden. Wie weet wat bedoeld wordt met 'Bogner-schommel'? Améry bedoelt Friedrich Wilhelm Boger, de SS'er die in Auschwitz een gruwelijk, naar hem genoemd foltertuig bedacht dat velen het leven heeft gekost. Deze Boger was de hoofdbeschuldigde op het Auschwitz-proces in Frankfurt. Is het ook niet interessant dat Améry, anders dan hij beweert, nooit in Buchenwald heeft gezeten? Waarschijnlijk zei hij dat omdat Buchenwald toen een van de bekendste kampen was, bekender dan Auschwitz.

Dat Améry in geen enkel naslagwerk over filosofie staat, is een lacune. Niemand voor of na hem heeft zo helder en schrijnend de filosofie van het slachtofferschap uitgediept, dit onherstelbare gevolg van door medemensen begane misdaden. En dat deed hij zo diepgaand en duidelijk, dat alle slachtoffers en al wie zich met hen identificeert, waar en wanneer dan ook, ook nu nog, er baat bij kunnen hebben.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234