Donderdag 25/02/2021

'In de VS moet ik mijn grappen altijd uitleggen'

Een orthodoxe Jood die een zwarte vrouw tongzoent of Bill Clinton die voor hij gefusilleerd wordt zijn laatste wens in vervulling ziet gaan: een flinke pijpbeurt. De New Yorkse Jood Art Spiegelman is een van Amerika's meest controversiële illustrators. Zopas verscheen het boek Kus uit New York, waarin zijn (afgekeurde) covers en schetsen voor The New Yorker gebundeld staan. Gesprek met een professionele onruststoker. Door Geert De Weyer

'Een erg ongemakkelijk, hoewel vaak vruchtbaar laboratoriumexperiment dat uit de hand liep. Een poging om mijn eigen radioactieve moleculen te enten op het eerbiedwaardige DNA van het tijdschrift." Voor kleurrijke uitspraken zit Art Spiegelman (°1948) nooit verlegen. Zijn positie, zo zegt Paul Auster in het voorwoord in Kus uit New York, is die van de kunstenaar als sociale horzel en criticus. "Van een op hol geslagen land", voegt Spiegelman eraan toe, doelend op de extreem religieuzen en neoconservatieven die er de plak zwaaien.

Art Spiegelman staat bekend als een provocateur, maar evenzeer durft hij zijn eigen pijnlijke levenservaringen en -vragen aan het papier toe te vertrouwen, zoals de zelfmoord van zijn moeder of de haat-liefdeverhouding met zijn vader, een Holocaustoverlevende die hij omschreef als "een vrekkige, oude Jood, op de koop toe een racist".

De gesprekken die Spiegelman gedurende de laatste levensjaren van zijn vader had, leidden tot het beklijvende Maus, een bekroond tweeluik over de concentratiekamptrauma's van zijn vader, waarin Spiegelman meteen ook de bitse relatie met zijn verwekker aankaartte (en zelfs de zelfmoord van zijn moeder opnam). Het boek, dat Joden als muizen, Duitsers als katten en Polen als varkens voorstelde, leidde in 1992 tot een speciale Pulitzer Prize en internationale erkenning.

Spiegelman hield zich nadien nog bitter weinig met strips bezig, maar verleende sinds 1992 wel zijn medewerking aan het gerenommeerde tijdschrift The New Yorker. Onder het bewind van twee hoofdredacteurs tekende hij zo'n zeventig bijdragen voor het blad, waaronder tientallen illustraties voor de binnen- en buitenlandredacties, enkele korte strips (onder meer over de - dixit Spiegelman - nepverkiezingen van 2000, een aanval op Bush of over neonazi's in Rostock), en een veertigtal covers. Vooral die laatste, die willens nillens het uithangbord van menig tijdschrift zijn, leverden een ware storm van protest op bij lezers, adverteerders, redacteurs én hoofdredacteurs.

"Tot de komst van Spiegelman", zo schrijft een strijdbare Auster, "was The New Yorker beroemd om de nietszeggendheid van zijn omslagillustraties. Verwaand en ingetogen, vertrouwend op de loyaliteit van zijn grote aanhang verscheen in de kiosk het ene nummer na het andere dat getooid was met bezadigde herfsttaferelen, besneeuwde winterlandschappen, voorstedelijke gazons en ontvolkte stadsstraten; beelden die zo afgezaagd en zoutloos waren dat de oogleden van de kijker vanzelf omlaag zakten."

Op 15 februari 1993 zou aan dat alles een einde komen. Maanden eerder was Spiegelman door de toenmalige hoofdredactrice Tina Brown gevraagd covers te ontwerpen, terwijl zijn echtgenote Françoise Mouly als artdirector van het magazine werd aangetrokken. Brown wilde af van het saaie coverbeleid en was, in een poging de stagnerende verkoopcijfers terug te dringen, vastbesloten de filosofie en redactionele inhoud van het blad te etaleren via de covers.

Haar nieuwe, meer controversiële aanpak was bekend bij haar redacteurs en adverteerders, maar uit angst voor muiterij hield ze Spiegelmans eerste bijdrage, waarop een chassidische jood een zwarte vrouw kust, in een la, ver uit het zicht van iedereen. De vernieuwing moest immers traag gebeuren, redeneerde ze behoedzaam. Eerst moest de vormgeving veranderen, later introduceerde ze tot ergernis van nostalgische lezers kleurenfoto's, maakten ook beroemdheden, politici en economen in de kolommen hun opwachting en werd er een inhoudstabel opgenomen. Die vernieuwing resulteerde in stevige kritiek, maar dat bleek niets in vergelijking met de storm van protest die ontstond nadat Brown de bewuste valentijnscover van Spiegelman dan toch publiceerde en het commentatoren en publicisten over de hele natie hun pen in uiterst giftige inkt deed drenken.

Art Spiegelman: "Goed, ik teken goddeloze beelden, maar dit was zo overdreven. Sommige redactieleden zagen in dat beeld een verwijzing naar de chassidische joden die onder Williamsburg Bridge prostituees opzochten. Onzin. Anderen vonden een verwijzing naar de twee jaar oude New Yorkse rellen tussen zwarten en Joden er te vingerdik op liggen. Later schreef men ook vaak dat een chassidische jood enkel vrouwen binnen zijn eigen geloofsgemeenschap en zijn familie mag kussen. Tja, dit was mijn valentijnskaart voor New York. Je zou denken dat eenmaal per jaar, op die bewuste datum, de slogan All you need is love toch in een ruimere context gezien kan worden. Dat de ogen wijder open mogen staan voor het moderne leven. Dat die geloofsbeperking onnodig is.

"My God, natuurlijk provoceerde ik wat, maar mensen denken per definitie in beelden: één beeld vat een gevoel, zelfs een dubbelzinnig gevoel, treffender samen dan een hele tekst, waar je je kunt indekken met woorden en het ergste venijn wat kunt camoufleren. Vandaar ook dat een cover of illustratie zo snel controverse uitlokt. Maar dat hoort zo. Ik ga ervan uit dat een cover niet alleen mooi moet zijn, maar ook onbehaaglijk moet stemmen. Ik heb het gevoel dat men vroeger de knipoog in zo'n werk sneller opmerkte, terwijl men nu fervent op zoek gaat naar de mogelijke controverse.

"Weet je, een van de grootste verschillen tussen de VS en Europa is wellicht de graad van ironie. Dat is een belangrijk cultureel verschil, dat grote gevolgen heeft voor de houding en daardoor de uitstraling van een land. Hier bij ons, in Amerika, zijn ze meer rechtdoorzee. Als ik hier een grapje maak, moet ik voortdurend zeggen dat ik effectief een grapje maak."

In Kus uit New York laat Spiegelman optekenen dat hij het er niet mee eens is dat zijn cartoons als politiek worden beschouwd. Hij geeft toe dat je niet naast de politieke ondertoon kunt kijken, maar ziet zijn werken liever als "tijdgeestbarometers, waarin ik symbolen combineerde om te ontdekken wat ik eigenlijk dacht".

Hij leerde echter snel dat de Amerikanen er niet van houden om eeuwenoude symbolen of religies op de korrel te nemen. Op 17 april 1995 verscheen een cover die mogelijk nog meer stof deed opwaaien dan de valentijnsomslag en die door Spiegelman zelf wordt omschreven als "de voor mij vreselijkste coverellende wegens totaal onvoorbereid op wat komen zou".

Toen Spiegelman van Brown de opdracht kreeg een paasnummer te maken ("net als Kerstmis voor mij een bron van ongenoegen door de verstrengeling van religieus en seculier"), ontdekte hij dat 15 april in de VS de uiterste datum is voor het betalen van inkomstenbelasting. Kort nadien stootte de auteur op een artikel op de voorpagina van The New York Times over de theologie van de belastingverlaging. Een vreemd debat, vond Spiegelman, die vanaf dan gekruisigde paashazen op zijn belastingformulier begon te schetsen. Hij ging een stapje verder, schilderde een gekruisigde paashaas in maatpak en das op het roze formulier en bood het aan aan Françoise Mouly. Zowel zij als Tina Brown waren gewonnen voor het idee, maar toen het bewuste nummer verscheen, schreeuwde religieus Amerika moord en brand.

William Donahoe, leider van the Christian Anti-Defamation League, de liga tegen het belasteren van het christendom, organiseerde een brievencampage en protestmars tegen The New Yorker wegens "belediging van het katholiek volksdeel", waardoor de media in heel de VS erop sprongen. Tina Brown liet Spiegelman, toen net bezig aan een Europese promotournee, terugvliegen met de Concorde ("geld speelde geen rol", aldus Spiegelman) om een en ander te weerleggen. Spiegelman vertelde aan ieder die het horen wilde dat hij 1. als volwassene niet in de paashaas geloofde, 2. als burger niet geloofde dat er te veel belasting werd betaald en 3. als cartoontekenaar hoopte dat zulke beelden de kracht hebben mensen tot nadenken te stemmen.

Maar Spiegelman genoot wellicht van die controverse. Op tv reageerde hij op het verwijt dat hij katholieken zou hebben beledigd met de woorden "mea culpa", terwijl hij zijn armen spreidde alsof hij aan het kruis hing. De pr-verantwoordelijke van The New Yorker deelde hem nadien mee dat ze hem nooit meer op het scherm zou brengen.

Spiegelman: "Françoise en ik waren niet de enigen die gechoqueerd waren door de reacties op die paashaascover. Ook Tina Brown, die Britse is, had nooit durven te vermoeden dat het zo uit de hand zou lopen. De conclusie is wellicht dat het moeilijk is te zien waar hier de culturele verschillen liggen. Goed, ik woon al jaren in de VS, maar in feite woon ik erbuiten. New York City is een halte verder dan de VS. Het leven en de mentaliteit zijn er volledig anders. Wellicht dachten we te Europees en hadden we de heftigheid van de Amerikaanse christenen onderschat. (grijnzend) Hmm, of misschien ook niet..."

Veel indruk maakte het in elk geval niet op Spiegelman, want hij bleef tegen de tere schenen van de Amerikanen schoppen. Dat had een hoop covers tot gevolg, als 'De wapens van september' (1993), waarop hij tientallen kinderen uit een schoolbus laat stappen terwijl ze behalve hun brooddoos een uzi of tommygun meezeulen. Mishandelde vrede (1996) laat een op stervende witte duif zien, gedrenkt in een stervormige bloedplas. De cover verscheen (met veel retouches en minder bloed dan de oorspronkelijke versie) in de periode dat Clinton vredesonderhandelingen aanging met Yasser Arafat en Benjamin Netanyahu.

Maar Spiegelmans filosofie resulteerde in nog meer afgekeurde covers, zoals 'De evolutie van Kerstmis' (1999) waarop twee, tussen een os en ezel zittende neanderthalers geboorte geven aan een kind. Of 'Clintons laatste verzoek' (1998), waarop Bill Clinton voor hij gefusilleerd wordt zijn laatste wens in vervulling ziet gaan en gepijpt wordt. Of 'Rassenkaart' (1995), waarop de vrijspraak van O.J. Simpson centraal staat. Spiegelman tekende een schoppenkaart waarop aan de ene kant een flik van LAPD met witte kap wordt afgebeeld, terwijl aan de andere kant een serieuze Simpson met bloedvlekken op zijn das zo onschuldig mogelijk kijkt. Onderaan de affiche staat de handleiding: 'Race card beats gender card when player holds gold card.' "Te racistisch", oordeelde Brown en de cover werd geweigerd.

Een jaar later tekende Spiegelman een bouwvakster die haar baby de borst geeft. Verrassend genoeg stootte hij op een njet van Brown. Hij bleef de onschuldig ogende omslag echter indienen, tot Brown zwichtte en hem op een speciaal vrouwennummer liet verschijnen. "Hoewel veel pro-borstvoedingsgroeperingen die cover later lieten herdrukken was het mijn meest teleurstellende omslag ooit", klinkt het nu. "Ik had koorts op het moment van de deadline en het werd nooit meer zo krachtig als in mijn eerste schets. (cynisch) Ik had graag een doktersbriefje afgedrukt zien staan bij die omslag, maar helaas..."

Een kus op de wang of een knuffel als het slecht ging, maar ook ongegeneerd harde mails en brieven en telefonische verwijten. De relatie Brown-Spiegelman was op zijn zachts gezegd bewogen, maar soms, heel soms, lijkt het alsof Spiegelman het in zijn boek voor haar opneemt. "Goed, Tina Brown heeft het enkele keren voor me opgenomen en slaagde erin mijn gedrag te tolereren, maar dat wil niet zeggen dat we vriendschappelijk met elkaar omgingen. We hadden een veeleer, mja, stormachtige relatie. Ik was voor haar ook meer dan een van de drie artiesten die voor The New Yorker tekenden. Voor haar was ik een symbool, eentje dat vernieuwing moest inluiden. Maar bij elke vernieuwing moest ik het ontgelden. Dat werd onleefbaar."

Dat de regering-Bush Spiegelman een doorn in het oog is, mag niet verwonderen. Sterker: Spiegelmans haat tegenover zijn beleidsmakers was zo groot dat toen Browns opvolger David Remnick in zijn blad een column schreef waarin hij zich voor de oorlog uitsprak de coverartiest meteen opstapte. "Weet je, ik haatte Ronald Reagan als president. Ik heb me al die tijd afgevraagd hoe het mogelijk was dat iemand als hij verkozen kon worden. Later zagen we hoe hij zijn land leidde. Ik had nooit durven te denken dat er in mijn leven een nog slechtere president zou opstaan. Tadááá: verrassing! Maar nog erger was misschien wel de manier waarop de mainstreammedia doodleuk meegingen in het dominante discours van de overheid."

De auteur speelde zijn ontslag hard, met een interview in de Italiaanse krant Corriere della Sera, waarin hij The New Yorker aanviel. Dat was 2002. Hij liet via die weg publiekelijk weten op te stappen bij The New Yorker, omdat hij het fundamenteel oneens was met de gang van zaken. "Op die manier wil ik protesteren tegen het wijdverspreide conformisme van de media in het Bushtijdperk", klonk het. Hij was er verbolgen over dat de pers zo kritiekloos was én dat het Amerika ontbrak aan alternatieve pers, zoals ten tijde van de Vietnamoorlog. "De enige kritisch publicatie in de VS is The Nation, maar dat blad heeft een oplage van slechts 50.000 exemplaren, wat naar Amerikaanse normen niets voorstelt.

"Ik vond het zeer pijnlijk geassocieerd te worden met een tijdschrift dat zulke stellingen inneemt", zegt Spiegelman nu. "Daar wilde ik niets mee te maken hebben. Zowel The New York Times als The New Yorker waren in die tijd helemaal niet progressief of kritisch. Het leek wel propaganda voor de regering-Bush. Ik herinner me wat de Dixie Chicks overkwam. Waar was progressief Amerika toen? Neen, de media lieten het over zich gaan. Het geurtje van de neoconservatieven hing rond elke publicatie."

In de laatste paragraaf in Kus uit New York schoffeert Spiegelman niet eens verrassend David Remnick, de huidige hoofdredacteur van The New Yorker. Hij haalt een gesprek uit 2003 aan waarin hij Remnick (nog maar eens, maar ditmaal voorgoed) vertelt zijn contract niet te zullen verlengen en zich te willen richten op een nieuwe strip, die hij later In de schaduw van geen torens zal noemen. Remnick luistert aandachtig, vraagt zijn rusteloze illustrator op freelancebasis verder te blijven werken en oppert de mogelijkheid die strip in The New Yorker te publiceren. Nog geen dag later toont Spiegelman hem een op zichzelf staande scène uit de toekomstige strip: een parodie op de oude stripklassieker The Katzenjammer Kids, geportretteerd als 'torentweeling'. In de scène zoekt de in de lichterlaaie staande tweeling zijn heil bij Uncle Sam. Uncle Sam begiet ze echter met olie en leest verder in zijn krant, terwijl hij de tweeling laat opbranden. Remnick weigerde de strip, schrijft de dan niet eens verbaasde Spiegelman. De laatste regel van zijn boek laat aan duidelijkheid niets te wensen over: "Ik ben niet van plan hem (Remnick, GDW) ooit nog iets te tonen."

Toch is Spiegelman drie jaar later weer on speaking terms met Remnick. "Ik heb nu een vriendschappelijke band met David", zegt de auteur zelfs. "Nu ik niet langer tot de entourage van The New Yorker behoor, gaat alles er rustiger aan toe. Ik blijf voorstellen doen, maar maak me niet meer druk om hun beleid.

"Ik heb nu niet langer de luxe op die roetsjbaan te zitten. Ik ben ook weer tevreden over de koers van The New Yorker. Toen ze het Abu Ghraibverhaal brachten en zich kritisch toonden tegenover de regering-Bush voelde ik me bijvoorbeeld weer verbonden. Ik denk dat The New Yorker weer op het juiste spoor zit, maar het is een geruststelling dat ik niet langer de kar moet trekken. Ik ben niet meer verantwoordelijk. Soms zie ik dingen en denk ik: 'Dat kan beter', maar ik grijp niet langer onmiddellijk naar de telefoon.

"Kijk, ik ben vaak redacteur geweest en weet hoe het gaat: het is vaak een worstelwedstrijd tussen een redacteur en een medewerker. Al die conflicten, die ego's... Neen, nu buig ik me opnieuw over eigen uitgaven. Heerlijk, want daarbij loopt niemand me in de weg. Ik doe opnieuw mijn eigen ding. Vrijheid!"

Na de vraag wat de (hoofd)redactie van The New Yorker vind van Kus uit New York blijft het een moment stil. "Ze hebben het niet gelezen, denk ik. Het is bij ons in de VS nog niet verschenen. Ze weten dat het boek bestaat, maar ik vermoed dat ze denken: 'Ach, Spiegelman weer', met hun ogen rollen en rustig verder gaan met hun dagelijkse bezigheden. (lacht)"

Kus uit New York van Art Spiegelman is uitgegeven bij Atlas/Oog & Blik

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234