Maandag 19/04/2021

In de steek gelaten Soedanese vluchtelingen beginnen de hoop op te geven

undefined

'Darfur is een vervloekte plaats'

Vijfenveertigduizend mensen leven in ellende en onder een loden zon in het vluchtelingenkamp van Otash, in de Soedanese Darfur. Maar het schokkendste is dat de internationale gemeenschap geen moer lijkt te geven om de ramp die zich hier voltrekt.

Otash

The Independent

Kim Sengupta

De moorden, verkrachtingen en verminkingen zijn goed gedocumenteerd. De verhalen van families die aan elkaar geklonken worden en in brand gestoken zijn bekend. Maar de inspanningen om de ontheemde burgers te beschermen blijven nattevingerwerk. De statistieken (zie pagina één) laten aan duidelijk niets te wensen over. Des te onthutsender is het dat de internationale hulp aan deze regio maar niet op gang komt. In sommige kampen (Kalma en Mershing) gebeurt iets, maar Otash bijvoorbeeld wordt helemaal over het hoofd gezien.

Een tentendorp kun je dit niet noemen. Er zijn geen tenten, en er is ook geen voedselbedeling, latrines, riolen of medische voorzieningen. De 'schuilplaatsen' reiken anderhalve meter hoog en zijn gemaakt met gekraakte takken en bladeren, verscheurde lompen en karton. De wind blaast er zo door, regen houden ze ook niet tegen.

Eén muur is gemaakt van rood-wit-blauwe plastic. Een gift van het USAid-agentschap, ooit een watercontainer. Maar pas sinds acht dagen is hier water, toen een hulporganisatie een enkele tank installeerde. Tot dan moest iedereen naar een kraantje, bijna een kilometer weg, dwars door moerassen en wadi's. Meer nog dan in andere kampen slaan ziektes hier hun klauwen uit. Medische voorzieningen zijn er niet. Tussen de hutjes worden bladeren van de arudib-boom gedroogd, een landelijk middel tegen malaria. Pillen heeft niemand. De voorbije twee maanden zijn zeventig mensen gestorven, vooral baby's, aan diarree en ondervoeding.

Straks komt het water als het regenseizoen begint. Maar dat brengt geen redding, integendeel. Het kamp wordt dan een modderpoel waarin dierlijke en menselijke uitwerpselen ronddrijven. Cholera, tyfus, malaria en hepatitis zullen het logische gevolg zijn. Je wordt snel gewoon aan de choquerende ellende hier. Maar wat werkelijk onbegrijpelijk is, is dat die ellende ook opduikt in en om Nyali, de hoofdstad van Zuid-Darfur, waar het wemelt van regeringsmensen en internationale hulpverleners. Nyali is een normale stad, met markten en bars.

"Ik ben blind en ik heb honger", fluistert de 70-jarige Hamid Mohammed Baharuddin. Zijn lichaam is mager als een lucifer en moeizaam leunt hij op een stok. "De voorbije dagen heb ik slechts twee hompen brood gekregen. Ik voel me zwak. Rechtop staan valt me zwaar. Ik heb last met mijn geheugen." Zijn 59-jarige vrouw Faria Hamid neemt hem bij de arm en brengt hem weg. Ze verontschuldigt zich dat haar man ons heeft lastiggevallen. "De meeste oude mensen hier hebben kinderen die hen iets te eten vinden, al gaan ze ervoor bedelen. Onze twee zonen zijn vermoord en onze dochter is ver hier vandaan, met haar man. Niemand zorgt voor ons. Wij naderen het einde van ons leven, dus maak ik me vooral zorgen om de kleintjes."

Vijf weken geleden verloor Satima Gadir haar zes jaar oude zoon. Ze spreekt kalm. "We hebben dagenlang gereisd vanuit Yasin om hier te raken. Hij had al koorts. Omdat het water hier zo vuil is, werd hij ziek. We hebben hem naar Nyzali gedragen waar hij wat medicijnen krijgen. Wij aten niet, we gaven alles wat we hadden aan hem. Maar hij heeft het niet overleefd."

In Otash verdwijnt het geluid van huilende kinderen nooit. Amira Suleiman houdt haar tweejarige dochter voor zich uit. Amina is een mooi meisje. Plots houdt ze op met huilen en lacht ze. "Kijk eens hoe mager ze, hoe ziek ze is. Heeft zij ooit wat misdaan? Waarom helpt niemand ons?"

Deze mensen zijn maar een paar van de miljoenen slachtoffers van een smerige campagne van de Janjaweed, een Arabische militie die de voorbije achttien maanden op oorlogspad was tegen de Afrikaanse etnische groepen die volgens het regime de zuidelijke rebellen steunen. Otash krijgt geen hulp van de regering. Niet omdat de bureaucratie Otash vergeten is, wel omdat het kamp niet past in de regeringsstrategie. Khartoem wenst dat Otash afgebroken wordt en dat de vluchtelingen naar huis gaan. Het regime onderstreept, en daar heeft het gelijk in, dat de kampen tijdbommen zijn, waar elk moment epidemieën kunnen uitbreken. Ministers blijven ook beweren dat de etnische zuiveringen die een miljoen mensen op de vlucht joegen onder controle zijn en dat de vluchtelingen beschermd zullen worden.

Maar de vluchtelingen die daadwerkelijk terugkeren, vaak op aanraden van door het regime omgekochte dorpshoofden, komen toch weer terug met eenzelfde verhaal. Ze stoten weer op de machetes of kalasjnikovs van de Janjaweed-milities. Het Soedanese leger wordt ervan beschuldigd de Janjaweed te steunen in hun oorlog tegen de Afrikaanse rebellen van het Soedanees Bevrijdingsleger. De 'extra' politie die hen moet beschermen, zo zeggen de vluchtelingen, zijn vaak leden van de Janjaweed in blauwe uniformen. Ze worden geholpen door regeringssoldaten bij nog meer nieuwe aanvallen.

De Soedanese regering blijft bij de stelling dat het nieuwe kampen als Otash niet op zijn grondgebied wil. En behalve het waterproject verbood het internationale hulporganisaties om hier te opereren. Ze blijft volhouden dat dit een illegale nederzetting is, en dat wie hier onderdak heeft gevonden op zijn stappen moet terugkeren. Dat hebben ze niet gedaan en nu het vechten rond Nyali aanhoudt stromen duizenden nieuwe vluchtelingen het kamp in. De Soedanese regering komt inmiddels op haar beslissing terug om de hulpverleners buiten te houden. Maar die hebben nu al hun middelen in andere kampen geconcentreerd en kunnen niet snel inspelen op de noden hier. "Het is een schande dat zoiets gebeurt in de buurt van Nyali. Het is compleet onaanvaardbaar", zegt een hulpverlener. "Maar totnogtoe kunnen we weinig doen. We moeten de verordeningen van de overheid respecteren."

Volgens de vluchtelingen in Otash werden enkel 'hulpverleners' uit Saoedi-Arabië, Jemen en Pakistan toegelaten. Ze boden hen geld als ze naar hun dorp zouden terugkeren. "Ze kwamen een paar keer langs en deelden cash en exemplaren van de koran uit", zegt Abdel Karem Eker uit het zuidelijk Tabaldial. "Na een paar keer vertelden we hen weg te gaan. We vertrouwen hen niet. Ze wisten niets van wat hier gebeurt. We zegden hen dat we wel gek zouden zijn als we terugkeerden. We hebben zoveel geleden door de Janjaweed."

De 30-jarige Aziza Mahmood is een dorpsgenote. Ze draagt de littekens van haar ontmoeting met de militie: een kogel die haar door de voet werd geschoten door een Janjaweed, die daarvoor haar man vermoordde. "Mijn zus had mijn kinderen weggesleept. Maar ik kon niet bewegen. Ik stond te huilen toen hij zich omdraaide en ook op mij schoot. Hij zei niets, schoot alleen maar. Ik hinkte naar huis en ging liggen. Mijn buren dragen het lijk van mijn man weg, en daarna ook mij. Ik heb nu vijf kinderen zonder vader. Ik kan niet werken omdat mijn voet te veel pijn doet. Ik kan zelfs niet langs straat staan bedelen zonder pijn. Ik kan alleen maar hopen dat de hulpverleners medelijden met me hebben."

De mensen hier praten er niet over of familieleden vermoord werden, maar hoeveel het er waren. "Mijn broers Abdul Majid en Daoud Majid, mijn neef Rashid Umar en mijn oom Ahmed Hassan. Mijn vader werd in de maag geschoten, maar hij leeft. Mijn zus Khatun werd meegenomen en we hebben haar niet meer teruggezien. Dat was acht maanden geleden", zegt Idris Majid. Hij is elf. "Ik vind het hier niet fijn. Er is geen school en niets om mee te spelen. Maar vooral: ik heb de hele tijd honger."

Een jonge, lichtjes mankende vrouw is net aangekomen. Ze heeft haar hoofddoek voor haar gezicht getrokken. Een van de oudere vrouwen verleende haar onderdak in een hut aan de rand van het kamp. "Het meisje reisde met familieleden naar Shawa (een dorp nabij Nyali, KiS). Ze werden tegengehouden door gewapende mannen. Dat waren de Janjaweed. Ze hebben haar lange tijd vastgehouden. We weten niet wat gebeurd is. Ze wil het niet zeggen. Misschien doet ze dat later."

Niets wijst erop dat de regering de milities aan het ontwapenen is of vredesgesprekken houdt met de rebellen, ook al werd dat afgesproken met de VN. De voorbije 24 uur reden trucks vol soldaten naar het zuiden. Vijfendertigduizend vluchtelingen zouden dezelfde weg volgen. Toen wij het kamp verlieten zagen we de 70-jarige Hamid Mohammed nogmaals. Hij zat gehurkt in zijn piepkleine hut, zijn vrouw ernaast. Hij hield een ingelijste foto van zijn familie in zijn handen. "Ik kan hen niet zien. Maar ik kan hun gezichten voelen. Ik ben blij dat ze hier niet zijn. Dit is een vervloekte plek."

Je wordt gewoon aan de choquerende ellende hier. Maar onbegrijpelijk is dat die ook opduikt in Nyali, de hoofdstad van Zuid-Darfur, waar het wemelt van regeringsmensen en hulpverleners

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234