Donderdag 29/10/2020

In de schaduw van Johan Cruijff

Raf Willems schrijft enthousiast, met de gedrevenheid van een naar hooliganisme neigende supporter

Een beschouwing door Johan Vandenbroucke

Voetbal International / Raf Willems

Legendarische voetbalhelden

Strengholt, Naarden, 207 p., 545 frank.

Maarten Spanjer

Vissen is ook een sport. Voetbalverhalen

Thomas Rap, Amsterdam, 140 p., 500 frank.

Rick de Leeuw

De laatste held

Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 138 p., 500 frank.

Anderlecht, de rijkste én meest poëtische club van het land, mag dan weer kampioen zijn, de relatie tussen voetbal en literatuur blijft een moeilijke. Voor schrijvers die zich onbesuisd aan voetbalverhalen wagen, klapt de buitenspelval makkelijk open. Nederlanders, gecoacht in het tijdschrift Hard Gras, blijken vaak talentrijker dan Vlamingen, maar zij hadden met Johan Cruijff dan ook de meest lyrische voetballer ter wereld.

Ook voetballiteratuur bestaat in de meest diverse vormen en stijlen. Van de opgesmukte journalistiek, vaak met heroïsche vergelijkingen de sportjournalistiek blijkbaar eigen, tot het nostalgische, soms zelfs wat kleffe jeugdverhaal: bijna was ik profvoetballer geworden. Verder zijn geliefde genres voor het balgevoel in de letteren de column (opvallend vaak van kennelijk linksvoetigen, maar de tweevoetige Jan Mulder blijft de uitblinker), de light verse (er rijmt meer op Cruijff dan druif, zoals dichter Jan Kal ooit Nico Scheepmaker terechtwees), en zelfs het sociaal-maatschappelijk duidende essay (met Eduardo Galeano als befaamde international).

Meestal komt het literaire geschrijf over voetbal van pure liefhebbers. "Net als alle andere Uruguayanen wilde ik voetballer worden", zo begint Galeano een voetbalstuk, waarin hij verder stelt: "En wanneer ik goed voetbal zie, ben ik dankbaar voor het wonder, zonder dat het mij een biet kan schelen welke club of welk land het mij schenkt." Of ze nu Herman de Coninck, Jan Wolkers, Godfried Bomans, Herman Brusselmans of Kees van Kooten heten, schrijvers over voetbal zijn supporters, soms zelfs fanatieke. Nick Hornby, bijvoorbeeld, zette in Voetbalkoorts (Pandora) een monumentje neer voor de fervente voetbalfan.

Het luistert nauw, schrijven over voetbal. Iedere liefhebber is immers een specialist, en voor de schrijver zijn er geen personages die hij naar eigen inzicht kan kneden. Het lukraak noemen van een naam kan een wereld van betekenis oproepen. In de voetbalgeesten is er een onbeschrijfelijk verschil tussen, pakweg, Luc of Marc Millecamps. Voetbalhatende schrijvers maken zich er dan ook beter vanaf met een terloopse sneer, want er is niets potsierlijker dan een oningewijde die het geniale spelletje belachelijk wil maken. Meer dan een eeuw geleden verweet de tachtiger Willem Kloos de sportminnaar Herman Gorter dat hij meer het postuur had "van een flinke voetballer dan van een lever in diepere psychische gewesten"? Meer recent was er de zelfverklaarde sporthater Jeroen Brouwers die Marco van Basten in een verklarend bijzinnetje kwansuis omschreef als "een Nederlandse schaatser". Supporters hebben de neiging het betere voetbal als kunst te beschouwen. Dat is een misvatting natuurlijk, maar wel een verleidelijke. Herman Gorter, in zijn gedicht 'Pan' uit 1921, alsook zijn tijdgenoot Israël Querido legden expliciet de link tussen woordkunst en voetbal. De voetballer, zo schreef Querido, "ook hij danst alexandrijnen". Soortgelijke stellingen werden in de jaren zeventig ook geponeerd door met voetbal koketterende dichters als Cees Buddingh' of Herman de Coninck, die over Johan Cruijff dichtte: "deze beweeglijkheid, deze fysieke bedwongenheid, god, dit is kunst". Zoals Cruijff een verrassend tegenstrever op het verkeerde been kon zetten, wilde De Coninck dat poëzie dat met de lezer deed.

Sport en poëzie, het was een combinatie die ook voormalig radiojournalist Jan Wauters bijzonder charmeerde. In de Vlaamse sportjournalistiek blijft het moeilijk om zich met de stilistisch vaardige Wauters te meten. Hij combineerde een gedegen kennis, een brede maatschappelijke visie en een behoorlijke psychologische kennis, met een wellustige, bruisende stijl.

Met zijn radiostukken maakte hij school in Vlaanderen en Herman de Coninck nodigde hem in de jaren tachtig uit om columns te schrijven voor het literaire Nieuw Wereldtijdschrift. De stukken - waarvan slechts enkele over voetbal handelden - werden in 1987 gebundeld in De zweetgeur van de sport, nog steeds een pareltje van de Vlaamse sportliteratuur.

Onmiskenbaar een fan van Wauters is de voetbaljournalist Raf Willems. Zoals de mentor probeert ook Willems in zijn portretten sociaal-maatschappelijke kwesties te vermengen. Hij verzamelde in Legendarische voetbalhelden (een uitgave van Voetbal International) biografische verhalen van de volgens hem zestig beste voetballers van de voorbije eeuw. Beknopte levensbeschrijvingen van "markante voetbalpersoonlijkheden", die Raf Willems zelf omschrijft als "gloedvolle, soms tedere beschouwingen, maar scherp en kritisch als het edele spel om de bal wordt misbruikt voor politieke, militaire of commerciële motieven. Of als de iconen van de groene mat zich als ijdeltuiten gedragen." Naar eigen zeggen ging "bijzonder veel onderzoek" aan de portretten vooraf, ook en vooral over de omstandigheden waarin de voetballer is opgegroeid, "geprojecteerd tegen de tijdgeest en de culturele, sociale en politieke achtergrond". De school van Jan Wauters dus.

Op de keuze van Raf Willems is weinig aan te merken. Natuurlijk krijgen de laatste dertig jaar meer aandacht dan de rest van de voorbije eeuw, zoals ook de Belgen objectief eigenlijk te veel aan bod komen. Maar zo willen wij, voetbalfans, het natuurlijk.

Een nogal willekeurige greep uit de indrukwekkende en veelbelovende lijst van namen: Gordon Banks, Franco Baresi, Franz Beckenbauer, Eric Cantona, Mario Kempes, Jairzinho, Ernst Happel, Michael Laudrup, Johan Neeskens, Antonin Panenka, Erik Gerets, Bobby Charlton, Eusebio, Günter Netzer, Michel Platini, Alfredo di Stefano, Zinedine Zidane, en natuurlijk de onvermijdelijke Pelé, Maradonna, Cruijff en Jean-Marie Pfaff. Stuk voor stuk levensverhalen waarover biografieën te schrijven zijn. Uitermate geschikt om er lekker lezende portretten van te maken.

Helaas maakt Raf Willems deze belofte niet helemaal waar. Hij schrijft enthousiast, met de gedrevenheid van een naar hooliganisme neigende supporter. Nogal overspannen van toon, in een snedige stijl, waar hij al eens zichzelf lijkt te dribbelen, struikelend over eigen benen, zonder bal in de omtrek. Vooral de overdrijvingen en gratuite, niets ter zake doende vergelijkingen vallen op, althans na lezing van meerdere stukken achtereen. Vaak had ik graag meer duiding en een objectief levensverhaal gelezen.

De grote woorden worden niet geschuwd, en ook de maatschappelijke impact van het voetbal wordt nergens genuanceerd, integendeel. Al in de eerste tekst over de Uruguayaan José Leandro Andrade: "Het rijk van de eerste donkere voetbalprins (...) was een afspraak met de geschiedenis. De wraak van Tupac Amaro, de laatste Inca-koning, raakte voltooid." Hierbij wordt Galeano aangehaald, die, aldus Willems, "de hunkering van de armen van Montevideo naar het spel om de bal" niet beschrijft maar penseelt, terwijl dezelfde schrijver even verder "de martelaarsmythe van Tupac Amaro" boetseert. Iemand moet Raf Willems ooit hebben wijsgemaakt dat er zo plastisch mogelijk moet worden geschreven, ongeacht inhoud of logica: "De kunstzinnige Uruguayaanse voetbalschool laafde zich aan zoveel poëzie en voegde er een hoofdstuk hemelsblauwe heerschappij aan toe."

Vooral als hij lyrisch wil zijn, dreigt het te ontsporen - bijvoorbeeld door niet in de tekst verklaarde verwijzingen naar de cultuur of de geschiedenis. "Met de virtuoze verbinding van oranje expressie en blauwe ratio pikte Milaan de draad op van de Renaissance." Om te vervolgen over Marco van Basten: "Zijn speelstijl dwaalt door de Europese cultuurgeschiedenis. Marco van Basten is Renaissance." Even verder: "Marco van Basten als Carmina Burana. Latijnse lyriek en magistrale muziek, die de middeleeuwse verknechting ondergroef en onbezonnen de erotiek verheerlijkte." Je zal maar een begenadigd voetballer wezen en aldus beschreven worden. En het houdt niet op: "Van Basten minacht de wereld. Met Also sprach Zarathustra van Friedrich Nietzsche als levensmotief." (Hoezo? Was Van Basten een Nietzsche-kenner, dat blijkt verder helemaal niet uit de tekst.) Willems dribbelt verder, over het afscheid van Van Basten: "Het Laatste Avondmaal van Da Vinci vloeide over in Het Laatste Oordeel van Michelangelo."

Als je er begint op te letten wordt de neiging te vergelijken met cultuuruitingen, vooral popmuziek, zelfs ergerlijk. Bob Dylan of Bruce Springsteen worden er zonder enig verband bijgesleurd, gewoon associatief door de schrijver bijeengeharkt.

Dat er bij Ruud Gullit verwezen wordt naar de reggaemuziek, en bij George Best naar The Beatles is nog te verklaren, al mocht het in het laatste geval ook wat minder volhoudend: "(...) met de creativiteit van Sergeant Peppers Lonely Hearts Club Band van The Beatles begon Best aan zijn Magical Mystery Tour die op Wembley zijn hoogtepunt bereikte. Best en The Beatles, een parallelle parabel in rise and fall. (...) In de stijl van 'Twist and shout' en 'Roll over Beethoven' dribbelde Best (de verdediging) omver."

Door enthousiasme manke zinnen komen wel meer voor. De schrijver lijkt op een immer bewegende spits die de perfecte voorzet toegespeeld krijgt, maar weifelt of hij de bal met een zweefsprong in zal koppen of met een spectaculaire volley op de slof zal nemen. Het resultaat is iedere voetballer bekend: precies door de weifeling wordt er niet gescoord: hilariteit bij het publiek.

Gênant wordt het als zelfs de verwijzingen niet correct zijn. Zo wordt vermeld dat Günther Netzer en zijn hippe vrouw "hun favoriete Rolling Stones-muziek" draaiden: "Zij, The Honky Tonk Woman, hij, The Rambling Gambling Man." (Het laatste lied is niet van The Stones, wellicht wordt 'The Midnight Rambler' bedoeld.)

'Tussen Platini, punk en poëzie' is de niet onaardige titel van het portret van Eric Cantona. Maar ook hier gaat Willems in overdrive, bijvoorbeeld door te verwijzen naar totaal andere popmuziek: "Bij het bekijken van Cantona's leven en werk drijft 'The Lunatic is on the grass' van Pink Floyd uit de jaren zeventig door de geest. Eric Cantona was de geniale gek, die huilde naar de donkere zijde van de maan."

De wel relevante informatie dat Cantona van de poëzie van Rimbaud hield, wordt dan weer als volgt gebruikt: "Zijn favoriete dichtbundel A season in hell werd zelfs meer dan virtuele realiteit toen Eric Cantona, na zijn zoveelste rode kaart, (...) met een karatesprong een fan van Crystal Palaxe aanviel."

De voetballer en de hem omringende wereld. Voor Franz Beckenbauer was dat de "metropool met tragische tegenstellingen tussen kunst en kitsch", München. In één opsomming worden Hitler, Wagner, Goethe, Heine, en Thomas Mann vernoemd, om uiteindelijk bij de voetballer Beckenbauer uit te komen.

Als het voetballers zijn uit culturen waarmee Willems minder voeling heeft, wordt het echt te bar. Het portret van Oleg Blochin, die omstreeks de jaren tachtig op zijn hoogtepunt was, begint met het nazi-bombardement uit 1941 op de stad Kiev. In de stijl van Raf Willems: "Tweehonderdduizend mensen stierven en het stadion sidderde tot puin."

Bij Eusebio, in zijn gloriejaren 1965-1966 de draaischijf van Benfica en Portugal, verwijst hij naar Mandela en de bevrijding van koloniaal Afrika. De voetballer bracht volgens Willems "de bevrijding van Afrika heel even dichterbij". Dat is onzin: de bloedigste onafhankelijkheidsoorlogen waren dan al achter de rug, alleen precies voor de Portugese kolonies zou het nog jaren duren, er was een Anjerrevolutie van Portugese militairen voor nodig.

En zo gaat het maar door. Bij Michael Laudrup ('Bellettrie met de bal') refereert hij aan de schrijfster Karen Blixen. Bij Maradonna natuurlijk aan 'Don't cry for me Argentina'. En tussendoor het vergeefse streven naar een mooischrijverij. Na een Braziliaanse nederlaag in 1950: "Nationale rouw. Tussen regenwoud en Rio ontstond een verlangen naar ontroostbaarheid." Terwijl een verlangen naar ontroostbaarheid (ook bij Patricia de Martelaere) iets anders betekent dan gewoon ontroostbaar, bijvoorbeeld wegens een nederlaag.

De befaamde stift-strafschop van Antonin Panenka tegen West-Duitsland beschrijft hij als een antwoord op het neerslaan van de Praagse lente. En als het over Nwankwo Kanu gaat, haalt hij er al zijn cultuurkennis over Nigeria bij: Fela Kuti natuurlijk, maar ook de schrijvers Achebe en Wole Soyinka en de opgehangen Ken Saro Wiwa.

Wat de Belgische voetballers betreft, beperkt Willems zich gelukkig tot de verwijzing naar Pallieter in het portret van Ceulemans, en bij Gerets naar een hitje van Raymond van het Groenewoud ("Gerets' geestesgenoot"?), "gezongen met Springsteeniaanse passie".

Johan Cruijff wordt vergeleken met Herman Gorter, "de Hollandse grootmeester der Verzen", overigens zonder te verwijzen naar de sportpassie van Gorter. Een citaat: "Net als Gorter streefde Cruijff een serenade aan de schoonheid na. Ze zochten onophoudelijk en compromisloos naar puriteinse zuiverheid, oorspronkelijke klanken, fijne schakeringen en intense gemoedsbewegingen. (...) Cruijff en Gorter, dichters én denkers, geïnspireerd door de ultieme utopie, dromend van de dag, die opengaat als een gouden roos."

Johan Cruijff inspireerde en fascineerde opvallend veel dichters, schrijvers en journalisten tot lyrische ontboezemingen. Het meest geciteerde boek is daarbij Nico Scheepmakers meesterwerk Cruijff Hendrik, Johannes, fenomeen (Nijgh & Van Ditmar, oorspronkelijk uit 1972, herwerkte druk in 1997, die volgende maand als Singel Pocket verschijnt).

Godfried Bomans schreef in 1971, enkele dagen voor zijn dood: "Johan Cruijff doet in zoverre aan een engel denken dat ook een engel niet aan de zwaartekracht onderhevig is. (...) Ik heb hem vaak zien spelen en mij dan telkens verwonderd dat hij na afloop gewoon met de anderen mee het veld afliep en niet opsteeg en over de tribunes heen naar de einder verdween."

Wat Cruijff voor de Nederlandse voetbalfan betekende, blijkt ook weer uit twee recente voetbalboeken: Vissen is ook een sport van Maarten Spanjer en, nog extremer, uit De laatste held van Rick de Leeuw.

Voetbalverhalen is de ondertitel van Maarten Spanjers verhalenbundel. Vooral lichtvoetige herinneringen van een mediafiguur aan een voetballeven dat vooral rond het wonderlijke Ajax draaide. Een oom was een fanatieke Ajax-supporter. Jaren na hun gezamenlijke stadionbezoekjes besluit Spanjer de oude oom te trakteren op de afscheidswedstrijd van Cruijff: "Zoals elke voetballiefhebber koesterde oom Wim een grote bewondering voor het fenomeen. Nog één keer de wervelende acties van de wondervoetballer uit de Meer in levende lijve aanschouwen zou voor hem een hoogtepunt in zijn leven betekenen, wist ik."

Wie niet weet hoe die wedstrijd verliep, is geen échte voetbalkenner. Spanjer: "Met 8-0 werd Ajax die avond opgerold en bij elk doelpunt kromp oom Wim verder in elkaar. 'Arme Jopie, arme Jopie', bleef hij maar herhalen, 'wat hebben ze dat jochie een onrecht aangedaan'."

Verder beschrijft Spanjer herkenbare herinneringen: het uitproberen van de "beroemde schaar", de dribbelbeweging van Piet Keizer. En natuurlijk ook de volgende anekdote: "Een maand later vonden de halve finales van het jaarlijkse schoolvoetbaltoernooi plaats. Wij kwamen uit tegen de Bernardus-ULO en speelden gelijk. Strafschoppen moesten de beslissing brengen. De stand was 4-3 toen ik mij als laatste achter de bal opstelde. Als ik miste, lagen we eruit. Nooit in de ogen van een keeper kijken, flitste het door mij heen."

Spanjer droomde er op elfjarige leeftijd van de opvolger van Johan Cruijff te zijn. Dat doet ook Richard Koning, het hoofdpersonage in De laatste held, de eerste roman van Rick de Leeuw, zanger en tekstschrijver van Tröckener Kecks.

Richard is een door voetbal bezeten jongen: "Ik wilde natuurlijk het liefste bij Ajax voetballen." Ook zijn omgeving beschouwt hem als de nieuwe Johan Cruijff. Op kostschool droomt hij van later, als er, zoals over Cruijff, een film over zijn leven als topvoetballer wordt gemaakt: "Als wereldberoemde spits van Ajax en het Nederlands elftal keer ik terug naar de plekken in mijn jeugd." Hij dagdroomt dat Cruijff hem komt opzoeken op school, en dat hij hem bijstaat tijdens de moeilijke momenten.

De Leeuw schreef een gevoelig, nogal braaf initiatieverhaal. Met nostalgische jongensherinneringen - "Het ruikt naar pasgemaaid gras, de geur van voetbal" - en ook hier weer de klassiekers: "Zo was mijn schaar, zoals Piet Keizer die zo mooi kon doen, nog altijd niet perfect. Ik moest daar meer op oefenen dan ik al deed."

De obsessie voor het vanzelfsprekende Ajax wordt mooi getypeerd als iemand opmerkt: "of denk je dat het iemand nog interesseert dat Johan Cruijff scoorde tegen Panathinaikos?" Zijn reactie: "Cruijff scoorde niet tegen Panathinaikos", reageer ik als door een wesp gestoken. "Van Dijk en Haan scoorden in die wedstrijd. Cruijff scoorde tweemaal tegen Inter in de finale. Dat was een jaar later."

Naarmate de tienerjaren vorderen laten zelfs zijn beste voetbalmakkers hem in de steek. De popgroep Supertramp blijkt plotseling interessanter dan Ajax. Richard begrijpt het niet, tot hij de muziek van The Jam ontdekt: "Voetbal met gitaren, Ajax met een drumstel, het bestaat!"

Afscheid van de jongensdroom ooit prof te worden, het is een vertrouwd item in de voetbalverhalen, zoals ook blijkt uit de zesentwintig nummers van Hard Gras, het Nederlandse voetbaltijdschrift voor lezers. In Het beste uit Hard Gras selecteerden de hoofdredacteuren Henk Spaan en Matthijs van Nieuwkerk de opmerkelijkste stukken. Een van de ontroerendste verhalen vond ik 'Het team der wezen' van Herman Brusselmans, dat niet alleen over zijn voetbalcarrière bij Vigor Hamme ging, maar ook over zijn ouders. Dat zijn moeder niet veel van voetbal kende, maar wel wist te onthouden dat haar zoon, zoals eerder haar man, een typische linksbuiten was, en dat ze, zoals blijkt uit een ander verhaal, de internationaal befaamde linksbuitens op bevel van zoonlief kon opnoemen, dat kan me hogelijk ontroeren. Voetbalnostalgie is een verraderlijk gevoel.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234