Dinsdag 19/01/2021

In de keuken van de avant-garde

Het kubisme is een taal. Nobel en welluidend voor wie ervan houdt, een vulgair patois voor lieden die de avant-garde uit het begin van de eeuw nog steeds niet verteerd hebben. In het Museum voor Moderne Kunst van Villeneuve d'Ascq, een blokkendoos tussen het beton van de voorstad en een fris groen parkje, vertellen honderd vijftig schilderijen en beeldhouwwerken het verhaal van een beweging die de kunstgeschiedenis op haar kop heeft gezet.

Eric Min

Wat heeft een artistieke nieuwlichter uit het begin van deze eeuw nodig om een storm te ontketenen? Een glas water, inderdaad: de ingedommelde kunstkritiek die net haar impressionistische voorgerecht heeft verorberd en druk doende is met herkauwen. Vervolgens, een creatieve kok en een boodschappentas vol zorgvuldig uitgekozen ingrediënten die we in de veertien zalen van de tentoonstelling in Villeneuve d'Ascq uit het kubistische kookboek plukten.

In 1907 opent de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler zijn Parijse galerie. Hij schuimt de salons af en stelt contracten op. Als eerste koopt hij doeken van Braque, Derain en Vlaminck. Wanneer de jury van de Salon d'automne een jaar later zes recente werken van Georges Braque de deur wijst, verleent Kahnweiler de schilder artistiek asiel. De gepassioneerde verzamelaar Roger Dutilleul, die samen met zijn neef Jean Masurel de grootse collectie zal opbouwen waaruit later het museum van Villeneuve d'Ascq ontstaat (en dat ook een vierde van de werken voor het huidige retrospectief levert), koopt er Braques ophefmakende schilderijtje Maisons et arbre.

Kahnweiler is de draaischijf van de nieuwe beweging. In zijn galerie ontmoeten de kunstenaars elkaar. Immigranten uit Rusland en Oost-Europa lopen er Braque en Picasso tegen het lijf. Als een sportbestuurder met een goede neus voor talent stelt Kahnweiler zijn ploeg samen. Pablo Picasso en Juan Gris ondertekenen hun eerste contract met de galerie in 1912, een jaar later is Fernand Léger aan de beurt. De galeriehouder laat ook André Derain, voorloper en compagnon de route van de kubisten, niet los. Hij mag houtgravures maken voor L'enchanteur pourrissant van Guillaume Apollinaire, de schrijver die het jonge geweld een warm hart toedraagt. Het zijn ook handelaars als Kahnweiler die verschillende exemplaren van hetzelfde kunstwerk laten maken. In Villeneuve d'Ascq troont een van de zes bronzen absintglazen die in 1914 naar een ontwerp van Picasso werden gerealiseerd: een bittere beker waarop een (echte) lepel met gaatjes en een (vals) suikerklontje rusten - het lijkt wel alsof het ding uit een kubistisch doek stapte en op een sokkel is geklommen.

Kahnweiler is niet de enige ceremoniemeester. Wanneer hij in de oorlog naar Zwitserland vlucht, neemt Léonce Rosenberg zijn plaats in; Laurens, Gris en Léger lopen naar hem over. Rosenbergs galerie L'Effort Moderne is hun nieuwe etalage. Later zal Kahnweiler weer opduiken en zijn spelers terugkopen. Maar het waren niet alleen gewiekste handelaars met moderne gedachten die de kubisten doodknuffelen. Ook de klassieke circuits blijven hun rol spelen. Al in de lente van 1910 en 1911 exposeren kubisten als Archipenko, Léger, Metzinger en de gebroeders Duchamp op de Salon des Indépendants. Een jaar later maakt het zootje ongeregeld de brave Salon d'automne onveilig: ze hebben er een heus kubistisch huis ingericht.

Wat niet getoond wordt, is niet gezien. Geen artistieke stroming wordt groot zonder marketing. En wie kan beter voor een snuifje hype zorgen dan de eeuwig chagrijnige inktkoelie?

Misschien is Louis Vauxcelles wel beroemder geworden dan artiesten als Laurens, Metzinger of Gaudier-Breszka, van wie het werk in Villeneuve d'Ascq uitgebreid te bewonderen is. Vauxcelles was een kunstcriticus die onder meer in het tijdschrift Gil Blas zijn gal spuwde. In Kahnweilers rovershol had hij de schilderijtjes van Braque gezien, en hij liet al zijn duivels los: "(Monsieur Braque) construit des bonshommes métalliques et déformés qui sont d'une simplification terrible. Il méprise la forme, réduit tout, sites et figures et maisons à des schémas géométriques, à des cubes." Het hoge woord is gevallen. De kunstenaar is een 'kubist' die al wat hij ziet demonteert en in meetkundige vormen vat. Naar aloude gewoonte heeft de avant-garde vervolgens het scheldwoord als geuzennaam opgespeld. De polemiek kan losbarsten, en vaak zijn het de schilders zelf die de wapens opnemen. Al in 1910 begroet Jean Metzinger in het tijdschrift Pan de "bevrijding" die Braque en Picasso op gang brachten; later zal hij samen met Albert Gleizes het eerste dikke boek over het nieuwe -isme schrijven. Hun collega André Lhote laat zich evenmin onbetuigd en vergast de lezers van de Nouvelle Revue Française twintig jaar lang op polemische stukken. Van deze drie theoretici krijgen we op Les années cubistes beeldend werk te zien. Er zijn potloodstudies van Metzinger en olieverfschilderijen van de beide anderen, met de alledaagse onderwerpen (een wielrenner, een breiende vrouw, een rugbywedstrijd) die zo kenmerkend zijn voor het kubisme.

Maar de heraut van de beweging heet Apollinaire, dichter en dagbladverschijnsel. Hij is een van de eersten die Braques werk opmerken en levert meteen de catalogustekst voor de tentoonstelling die Vauxcelles de gordijnen injaagt. Apollinaire is overal tegelijk. Hij leidt het tijdschrift Les Soirées de Paris, schrijft en geeft lezingen. Samen met de dichter André Salmon biedt hij weerwerk aan de conservatieve critici. Vauxcelles kan het schelden niet laten: als vanouds trekt hij van leer tegen de "vedetten" van de hedendaagse kunst en de onbegrijpelijke "bizarreries cubiques" van de heer Bracke (sic). Nog in 1912, wanneer het kubisme zijn hoogdagen beleeft, twijfelt hij eraan of deze "vluchtige opstoot van picturale meetkunde" enige internationale weerklank zal vinden.

Een collega sabelt Nus dans la forêt van Léger neer en sneert dat de schilder een 'tubist' is die geen blokjes maar buizen borstelt. Léger, die gefascineerd werd door machines en robotten, heeft een leven lang de zilvergrijze mannetjes met armen en benen als kachelpijpen gemaakt voor wie ook in Villeneuve d'Ascq een ruime plaats werd ingeruimd. Hij evolueerde van een kubisme volgens het boekje naar doeken vol cilinders en zuivere kleuren die een ondraaglijk vrolijk loflied voor de moderne tijd zingen (Le Pont du remorqueur, 1920).

Ze spatten van de muur in de zaal waar ook vijf grote schilderijen van Robert en Sonia Delaunay werden opgehangen, als een vroege smaakmaker voor het retrospectief dat het Parijse Centre Pompidou voor de zomer aankondigt. La Ville de Paris, het doek dat de kubistische zaal op de Salon des Indépendants van 1912 domineerde, of de legendarische Eiffeltorens zijn hier niet te zien; de tentoonstelling moet het trouwens zonder echt beroemde werken stellen. Toch komen ook de Delaunays wel uit de verf. Les Tours de Laon is nog een klassiek kubistisch landschap in blauwachtig licht, maar dan slaat de abstractie toe. Het forse doek Le Bal Bullier (1913) van Sonia Delaunay, vier bij een meter en geschilderd op matrasdek, laat de dansende figuren oplossen in stralende kleurvlakken. Een tel later zijn de mensen verdwenen. Schilderijen als Prismes électriques of La Prose du Transsibérien et de la petite Jehanne de France zijn uit louter kleur en licht opgebouwd. Apollinaire was letterlijk in de wolken; hij bedacht de term 'orfisch kubisme' en noemde het werk van de Delaunays "een dwarrelende, kringelende vorm van futurisme". Fout, antwoordde Robert: het zijn gewoon contrasterende kleuren in een vlak.

Het zal wel, maar ook het bronzen paard van Raymond Duchamp-Villon uit 1914 dat in dezelfde zaal heeft postgevat, briest en beukt als de machines van de Italiaanse futuristen. De oude Matisse zag het gipsen model in het atelier van de beeldhouwer en vergeleek het met een projectiel. Alles aan het beeld is beweging, wegtikkende tijd, moderniteit.

Het kubisme kwam niet uit de lucht vallen. Twee zalen in Villeneuve d'Ascq geven aan waar de wortels van de beweging woekerden. Het eerste voorwerp op de tentoonstelling is geen schilderij maar een Afrikaans masker dat ooit aan Derain heeft toebehoord. Het hangt hier tussen de houtsneden van de kunstenaar die Dutilleul in 1908 bij Kahnweiler kocht. Twee jaar eerder had een Gauguin-retrospectief het artistieke Parijs op zijn kop gezet. Een etnografisch museum opende zijn deuren. De avant-garde liep storm voor primitieve kunst: de art nègre was de mode van het moment. Naast het masker: twee studies voor Picasso's Les demoiselles d'Avignon, het doek dat door Kahnweiler als eerste steen van het kubisme de legende werd ingestuurd. De galeriehouder zag het werk voor het eerst in het atelier in 1907. Hij was niet de enige. Al wie een naam had in het wereldje kwam naar de meisjes kijken, maar het grote publiek zou het schilderij slechts in 1916 te zien krijgen.

Het is Picasso's spitsbroeder Georges Braque die als spilfiguur van Les années cubistes wordt opgevoerd, en dat is goed nieuws voor de man die veel te lang in de schaduw van de flamboyante Spanjool heeft gestaan. De jongeman was gefascineerd door de landschappen die Cézanne in L'Estaque had geschilderd, trok naar het zuiden en nam de draad op waar zijn voorganger hem had losgelaten. Braque herleidde de huisjes en de bomen, het oker en het groen tot hun essentiële geometrische vormen, naar het recept van de meester uit Aix die verkondigde dat je de wereld analytisch te lijf moest gaan, "traiter la nature par le cylindre, la sphère et le cône, le tout mis en perspective" - cilinder, bol en kegel moeten volstaan om de werkelijkheid te vatten. De Parijse Cézanne-tentoonstellingen in 1907 geven de laatste aanzet, en Braque schildert de landschappen die Vauxcelles' toorn doen ontbranden. Ze krijgen ook hier een ereplaats, in het voorportaal van de grote zaal met iconen van het kubisme. De Sacré-Coeur van Montmartre bijvoorbeeld, stukgeschoten in bruin en grijs. Fabrieken in L'Estaque, net niet abstract. Le Bock, een stilleven met bierglas. Violen en gitaren - we herkennen notenbalken, snaren, lippen. Krantenknipsels en behangselpapier duiken op, tussen geschilderd hout en stukjes van brieven. Wég is het edele, trage perspectief uit de Renaissance, wég is de diepte. De man met de gitaar is een olieverfschilderij op doek en toch wandelen we om de gitarist heen, zien we voor- en zijkant tegelijk. De tijd wordt in de lijst binnengesleept - gesloopt, opgeblazen. Het zal nooit meer rustig zijn.

Welke werken werden door Braque gesigneerd? Hoe herkennen we de hand van Picasso? Het heeft geen belang. De mannen werkten nauw samen: de harde kern van het kubisme lijkt wel een stel bergbeklimmers, vastgeklonken aan hetzelfde touw. In september 1912 vindt Braque de papiers collés uit, collages van voorwerpen, papiertjes en stukken karton, al dan niet aangevuld met een tekening. Enkele dagen later duikt Picasso weer op in Parijs; hij zal de meesterlijke zet van zijn vriend maar al te graag overnemen: "J'emploie tes derniers procédés paperistiques et poussiéreux." De assemblages hebben geleefd, ze zijn mooi oud geworden: het papier is vergeeld, het wit van de achtergrond verschoten. De schrijver Jean Paulhan noemde de werkjes "des machines à voir". Dat had hij goed gezien. Braques Violon et pipe ou Le quotidien (1913) vertelt meer over een tijdperk dan honderd boeken.

Het kubisme was een verschijnsel dat de grote stad nodig had om open te bloeien. In La Ruche, een gonzende bijenkorf met kunstenaarsateliers in Montparnasse, hokken de beeldhouwers Zadkine, Csaky, Archipenko en Lipchitz samen. Léger trekt bij hen in. Aan het andere eind van de nieuwe metrolijn Nord-Sud die de buurt met Montmartre verbond (en haar naam gaf aan een literair blad), werkten Juan Gris en Picasso in de ateliers van Le Bateau-Lavoir. De wereld is klein. Enkele kraakpanden en een handvol cafés volstaan.

In het atelier van Jacques Villon, de oudste van de broertjes Duchamp, in Puteaux vinden we de mindere goden die later de groep van La Section d'Or zullen vormen en een koeler, wiskundig kubisme belijden. Elke zondag komen ze er samen; 's anderendaags trekken ze naar Gleizes' atelier in Courbevoie. Het zijn deze mannen die het kubistische huis ontwerpen dat een schandaal veroorzaakt op de Salon d'automne van 1912. De zaak wordt zelfs in de Kamer van Volksvertegenwoordigers besproken, en Marcel Duchamp mag zijn Nu descendant un escalier weer inpakken. Het doek schittert een jaar later op de Armory Show van New York en belandt haast vanzelf in de geschiedenisboekjes. Duchamps naakt is natuurlijk niet present op Les années cubistes, en ach - het hoeft niet eens, want de tentoonstelling is vooral documentair interessant. Het ensemble geeft een goed beeld van het 'alledaagse' kubisme tussen 1907 en pakweg 1920. Beelden werden verstandig tussen de schilderijen neergezet, tekeningen en foto's vullen het overzicht aan.

Zie hoe rijk de keuken van de avant-garde wel is, en hoe gevarieerd: ze gebruikt exclusieve ingrediënten en kliekjes, foie gras en paprikachips. Behangselpapier. Blik. Brons. Gips. Golfkarton. Houtskool. IJzerdraad. Kranten. Marmer. Muziekbladen. Olieverf op doek. Sjablonen. Spuug. Touwtjes. Zaagsel. Zand.

De beweging was kort en krachtig. Het feest duurde hooguit vijf of zes jaar, met een after-party die tot de vroege jaren twintig aansleepte. Zou het de oorlog zijn die het groepje uit elkaar heeft gedreven? Luitenant Braque wordt geraakt aan het hoofd; hij zal twee jaar niet schilderen. De Delaunays reizen naar Spanje, Kahnweiler vlucht naar Zwitserland. Soldaat Marcel Duchamp wordt naar huis gestuurd en neemt de wijk naar New York. Zijn broer Raymond trekt als verpleger naar het front, krijgt tyfus en gaat dood. Tijdens zijn verlof heeft hij het ontwerp voor het paard afgewerkt. Joseph Csaky en Henri Gaudier-Brzeska nemen vrijwillig dienst; de laatste sneuvelt in Picardië. Roger de La Fresnaye brengt vier jaar in de loopgraven door, overleeft een aanval met gifgas maar loopt tuberculose op. Léger schetst zijn wapenbroeders aan het front of in het hospitaal en ontdekt hoe schoon een machine wel kan zijn: "het staartstuk van een 75 mm-kanon in de zon, het magische effect van licht op wit metaal..." Ook Apollinaire wordt zwaar gewond. In het uitgestorven Parijs loopt hij Picasso tegen het lijf. De Spanjaard werkt er rustig voort aan het oeuvre dat de alfa en de omega van het moderne werd. Zijn krabbels en de blokkendozen van het kubisme hebben een kloof tussen kunst en burger geslagen. Het kwam nooit meer goed. In Villeneuve d'Ascq kunnen we nalezen hoe de mayonaise ging schiften en de soufflé inzakte. 'Moderne kunst' zou voortaan een scheldwoord zijn, en het lastigste moest nog komen.Eric Min

De tentoonstelling Les années cubistes loopt tot 18 juli in het Musée d'art moderne de Lille Métropole, Allée du Musée 1 te Villeneuve d'Ascq, vlak bij Lille (tel. 0033 3 20 19 68 68). Ze is geopend van 10 tot 18 uur; gesloten op dinsdag en op 1 mei. Toegangsprijs: 43 Franse frank; twee of meer personen betalen elk 24 Franse frank. De catalogus kost 190 Franse frank. De bezoekersgids is tweetalig (Frans/Nederlands) en gratis.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234