Maandag 03/08/2020

'In de Katangese bodem zitten fortuinen en toch blijft Congo een straatarm land'

Wie een antwoord wil op de vraag waarom Congo nog steeds een van de armste landen ter wereld is, moet met Elisabeth Caesens praten. Voor het Amerikaanse Carter Center doet ze in Katanga onderzoek naar de investeringen van internationale mijnbouwbedrijven. 'Je zou in Katanga evenveel onderzoekers moeten inzetten als blauwhelmen in het oosten van het land. Pas als we Katanga beschouwen als een fiscaal rampgebied, zullen we Congo uit de armoede kunnen trekken.'

Hoe Elisabeth Caesens gepassioneerd raakte door Congo? Haast onbewust. "Opmerkelijk is dat: in België wordt iemand die zich interesseert voor mensenrechten en ontwikkelingslanden al snel richting Congo gedreven. De kiemen voor mijn Afrika-interesse liggen nochtans in Zuid-Afrika, waar ik een uitwisselingsprogramma volgde. Dat was de eerste vonk. Maar terug in België werd ik willens nillens naar Congo gezogen. Op de universiteit moest ik een seminariethema kiezen uit een beperkte lijst en Congo was de enige Afrikaanse keuze. Het was de eerste maal dat ik me echt in de regio verdiepte. Mijn interesse was gewekt.

"Ook bij mijn eerste carrièrestappen dook Congo regelmatig op. Ik deed een stage in New York bij de permanente VN-vertegenwoordiging van België en het viel me op dat ons buitenlandbeleid nog steeds veel belang hecht aan de ex-kolonie. Later deed ik een stage bij ngo Advocaten Zonder Grenzen en weer was daar Centraal-Afrika: het Interna-tionaal Strafhof, het proces tegen de vermeende oorlogsmisdadiger Thomas Lubanga, enzovoort. Het is een gek fenomeen: in België stoot je steeds weer op Congo.

Hoe ben je dan uiteindelijk in Katanga terechtgekomen?

"Via de Columbia University in New York. Nadat ik in Leuven onderzoek had gedaan naar de relatie tussen business en mensenrechten - een thema dat hard speelt in Oost-Congo en de koperprovincie Katanga - wou ik heel graag naar Columbia. Ik volgde een cursus bij een professor die gespecialiseerd is in het doen en laten van grote bedrijven in Congo. Om het gedrag van ondernemers in Katanga te begrijpen moest ik eerst hun taal begrijpen. Ik stortte me op het fiscaal en vennootschapsrecht. Het is een materie die door veel mensenrechtenactivisten als saai wordt ervaren, maar eigenlijk is dat jammer. Want daar draait het in de ondernemingswereld natuurlijk wel om.

"Tijdens die Columbiastudies kon ik voor het eerst naar Kinshasa reizen. Eindelijk: ik was al drie jaar bezig met Congo, maar was er nog nooit geweest. In principe zou ik er maar een week blijven, maar ik heb er alles aan gedaan om mijn verblijf te verlengen. Ik versierde een stage bij de VN en kon meewerken aan het jaarrapport over de mensenrechtensituatie in het land. Terug op Columbia schreef ik in samenwerking met het Jimmy Carter Center een onderzoeksproject uit over mijncontracten in Katanga. Ik kon voor lange tijd naar Congo vertrekken! Ondertussen woon ik anderhalf jaar in Lubumbashi."

...en doe je onderzoek naar de contracten tussen het Congolese regime en grote multinationals die vaak miljoenen dollars waard zijn.

"Het is inderdaad een behoorlijk fascinerend thema, ook al blijft het grotendeels in de schaduw van de media. Over het conflict in Oost-Congo, coltan en bloeddiamanten wordt wel veel bericht. Maar het oorlogsgebied beslaat slechts een fractie van het land en de rest van de bevolking lijdt evenzeer onder het schrijnende tekort aan gezondheidszorg, onderwijs, degelijke infrastructuur. Of de wederopbouw van Congo zal slagen, hangt niet enkel af van het conflict in Oost-Congo, maar ook van de manier waarop ondernemers en politici met de inkomsten van de mijnindustrie zullen omgaan. Als een deel van het geld geïnvesteerd wordt in de staat, maakt Congo een kans. Als de winsten volledig naar buitenlandse bankrekeningen wegvloeien, blijft het land arm. De reden waarom dit onderwerp onder de radar van de meeste journalisten blijft, heeft onder andere te maken met de complexiteit ervan. Maar ook onderzoekers zijn minder geneigd om die media-aandacht op te zoeken, omdat het over enorme bedragen gaat en omdat dit onderwerp bijzonder gevoelig ligt bij de Congolese machthebbers."

Over wat voor bedragen hebben we het hier?

"Twee weken geleden is er een verhaal aan het licht gekomen over het Congolese staatsbedrijf Gécamines, dat zijn aandelen in twee mijnbouwbedrijven had verkocht aan een zakenman met een dubieuze reputatie. Aanvankelijk was niemand op de hoogte van die deal. Tot het nieuwsagentschap Bloomberg berichtte dat die aandelen een geschatte waarde van minstens 800 miljoen dollar hebben. Dat is gigantisch. Zeker als je weet dat het totale overheidsbudget zeven miljard dollar bedraagt. We hebben het hier met andere woorden over een deal die overeenkomt met 10 procent van de totale begroting. Het probleem is dat deze verkoop in het geheim plaatsvond. Niemand weet precies waar dat geld naartoe is. Verdwenen al die miljoenen bij privépersonen of wordt het geld geïnvesteerd in scholen en gezondheidscentra? Niemand weet het. Maar het gebrek aan transparantie voedt natuurlijk wel bepaalde vermoedens. En dit is geen geïsoleerd geval."

Gedragen alle ondernemingen zich als schurken of zie je een verbetering?

"Wereldwijd is zich een trend aan het doorzetten waarbij bedrijven zich engageren om op een correcte manier belastingen te betalen. De belangrijkste sociale verplichting van een onderneming aan een land is zijn fiscale verplichting, luidt het nieuwe uitgangspunt. Het is dan aan de overheid om het belastinggeld efficiënt in openbare nutsvoorzieningen te investeren. Ondernemers die in ontwikkelingslanden hun belastingen netjes betalen, kunnen niet meer verplicht worden om overal scholen en gezondheidscentra te bouwen. Sommige bedrijven gaan mee in deze evolutie, andere nog niet."

Hoe ver staat die evolutie in Katanga?

"Nog niet heel ver, vrees ik. Het probleem is dat bedrijven die zich op dit vlak willen engageren, daarvoor niet echt beloond worden. Zo is er het Canadese bedrijf First Quantum Minerals, dat heel expliciet de neoliberale kaart speelde: wij doen aan mijnbouw in Congo om winst te maken en beschouwen onze belastingverplichting als onze voornaamste bijdrage tot de ontwikkeling van het land. Ze waren het eerste bedrijf dat een winstbelasting van meer dan 50 miljoen dollar neertelde in 2009, terwijl andere bedrijven jaar na jaar officieel verlies boeken. Ondanks die aanpak besloot de Congolese staat om de mijnconcessies van First Quantum te blokkeren en door te verkopen aan een onbekend bedrijf, gevestigd in een fiscaal paradijs. Het vernietigen van het contract had zware gevolgen voor de Congolese schatkist: niet alleen verloor de staat meer dan 50 miljoen dollar aan inkomsten, het land werd ook opgezadeld met een reeks arbitrageprocessen en een mogelijke nieuwe schuld. Geen wonder dat deze zaak voor internationale verontwaardiging zorgde. Onder andere de Wereldbank reageerde zeer hevig."

Heeft die internationale verontwaardiging iets opgeleverd?

"Toch wel. Onder zware druk van de Wereldbank aanvaardde de Congolese regering een hele reeks maatregelen inzake goed bestuur. Zo moeten contracten tussen overheid en privé-investeerders voortaan transparant afgesloten worden, moet de staat zijn inkomsten publiek maken en moet er een kaart komen waarop te zien is welke bedrijven de mijnen in handen hebben. Dat is een stap in de goede richting. Onlangs maakte de staat alle oliecontracten openbaar en dat is toch wel spectaculair. Ook de belastinginkomsten lijken in een stijgende lijn te zitten.

"Natuurlijk zijn er nog veel duistere kanten. De geheime deal van 800 miljoen dollar waarover ik het daarnet had, toont aan dat er nog een lange weg af te leggen is. De maatregelen inzake goed bestuur bestaan, nu komt het erop aan dat onderzoekers, journalisten, correcte ondernemers en beleidsmensen ze effectief afdwingen. Als dat lukt, kunnen we spreken van een cruciale doorbraak. Maar zelfs dan zal het erg moeilijk blijven om te beoordelen welke ondernemers correct zijn en welke niet. Door de techniciteit van de materie is het niet eenvoudig om te achterhalen of een ondernemer zijn cijfers al dan niet manipuleert, zeker als die zich fiscaal schuilhoudt in allerlei belastingparadijzen. In die zin verbaas ik mij erover dat in Congo al meer dan honderd jaar ongeveer dezelfde trucs worden toegepast. Als ik het boek van de Amerikaanse auteur Adam Hochschild over Leopold II lees, denk ik: 'Ongelofelijk: anno 2011 leggen bedrijven nog steeds dezelfde inventiviteit aan de dag om hun winst te maximaliseren en de staat te benadelen: geheime overeenkomsten, bedrijven die voortdurend van naam veranderen, ondernemers die zich achter allerlei tussenbedrijven verstoppen'."

In Europa heerst de indruk dat vooral Chinezen de Congolese mijnbouwsector hebben overgenomen. Is dat zo?

"Niet echt. China is natuurlijk een belangrijke investeerder, maar niet de grootste; dat is het Amerikaanse Freeport. Eigenlijk zit de hele wereld in Katanga. Je hebt hier Canadese, Australische en Kazachse bedrijven en een van de belangrijkste opkopers van grondstoffen is afkomstig uit Zwitserland. Ze zijn beursgenoteerd in Toronto, Londen en Johannesburg. Daarnaast zitten hier nogal wat Indiërs en Libanezen. De Groupe Forrest is dan weer Belgisch. De globalisering lijkt hier niet meer te stuiten. Dat zie je zelfs aan de horeca. Je hebt hier tegenwoordig alle mogelijke restaurants: Indiase, Chinese, Zuid-Afrikaanse. Dat is alvast een aangenaam neveneffect van de internationalisering (lacht). China krijgt natuurlijk veel media-aandacht door het feit dat het zijn grondstoffen betaalt met infrastructuurwerken. Zeker in de hoofdstad Kinshasa valt de Chinese aanwezigheid op. De belangrijkste wegen zijn daar in enkele maanden opnieuw aangelegd."

In die zin lijkt het Chinese mijncontract nog niet zo slecht. De Chinezen betalen hun grondstoffen met infrastructuurwerken waarvan alle Congolezen kunnen genieten.

"Ja, maar de vraag is of het hier om een evenwichtige overeenkomst gaat. Hoeveel grondstoffen halen de Chinezen uit de bodem en hoeveel infrastructuurwerken krijgen de Congolezen daarvoor in ruil? Het is behoorlijk ingewikkeld om dat te onderzoeken. Ook de Congolezen hebben hierover dubbele gevoelens. Mijn Congolese collega ziet parallellen met het oude Belgische model: 'Gaan we terug naar de tijd waar een buitenlandse mogendheid onze bouwwerken uitvoerde zonder ons te leren hoe we die moeten onderhouden?', vraagt die man zich af. 'Misschien was de deal met de Belgen dan nog beter, want die hebben minder mineralen naar boven gehaald en bouwden in elk klein dorpje een school. En wedden dat die Chinese tegels hier niet meer liggen binnen vijftig jaar?', grapt hij dan."

De mijnsector zorgt er blijkbaar voor dat een aantal inwoners snel rijk aan het worden is. Zie je dat aan het straatbeeld in Lubumbashi?

"In Lubumbashi is duidelijk een gegoede klasse aan het opkomen. Je ziet bijvoorbeeld meer dure auto's rondrijden dan anderhalf jaar geleden. Of ook de gewone bevolking van de economische boom kan genieten, valt nog te bekijken. De huurprijzen stijgen hier bijna even snel als de koperprijzen en dat lijkt mij voor gewone mensen geen goede zaak. De voedselprijzen zijn bovendien vaak te vergelijken met die in Europa. Jonge werkkrachten hebben de akkers verlaten en doen nu vaak aan artisanale mijnbouw, zodat het voedsel, ondanks de zeer vruchtbare bodem, moet worden geïmporteerd. Voor het gros van de bevolking is het dus dagelijks knokken om aan voedsel te raken."

In de artisanale mijnbouw nemen vooral kinderen enorme risico's. Zie je daar een verbetering?

"Eigenlijk niet. Het probleem is dat de artisanale sector heel mobiel is, waardoor je voor die creuseurs heel moeilijk projecten kunt opzetten. De ene dag werken die kinderen op de ene site, de andere dag worden ze door de politie verjaagd en trekken ze naar een andere plaats. Het is ook niet makkelijk om die gravers te helpen. Ik hoorde onlangs een verhaal van een ngo die helmen had uitgedeeld aan de creuseurs. De volgende dag hadden de meesten van hen hun helm al verkocht."

Uit alles blijkt dat ondernemers in Katanga hun leven slechts heel langzaam aan het verbeteren zijn. Hoe lang wil jijzelf nog in Lubumbashi blijven?

"Weet ik nog niet. Ik heb wel het gevoel dat dit een cruciaal probleem is, waarmee ik nog een tijdje bezig wil zijn. Iedereen weet dat er fortuinen in de bodem van Katanga zitten en toch blijft Congo een straatarm land. De bevolking kan niet meegenieten van de rijkdom. Volgens mij hoeft dit geen hopeloos verhaal te worden, op voorwaarde dat er genoeg middelen worden ingezet om het gedrag van mijnbouwbedrijven te onderzoeken en goed bestuur af te dwingen. Je zou in Katanga evenveel onderzoekers en auditeurs moeten inzetten als blauwhelmen in het oosten van het land. Pas als we Katanga beschouwen als een fiscaal rampgebied, zullen we Congo op termijn uit de armoede kunnen trekken."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234