Zaterdag 20/07/2019

Wilde dieren

In de bergen van Noordoost-China is de Siberische tijger weer koning

In 1998 waren er nog maar een vijftal Siberische tijgers in heel China, “nu vinden we het normaal als onze infrarood­camera’s er een spotten”, zeggen natuurbeschermers. Beeld RV

Bijna was hij uitgestorven, maar met de oprichting  van een nationaal park in Noordoost-China rukt de Siberische tijger weer op. China-correspondent Leen Vervaeke ging mee sporen zoeken, en sprak met boeren en houthakkers die de confrontatie met de tijgers dreigen te verliezen. “Ik ben niet bang, ik ga nog steeds naar buiten.”

Toen Kong Xianling afgelopen lente na een lange dag in haar schuur bleef slapen, een gammele stee te midden van de velden, omringd door wouden en berg­gebied, werd ze in het holst van de nacht wakker van hevig gebrul. Ze hoor­de haar drie waakhonden vechten, maar durfde haar schuur niet buiten te komen. Toen ze bij het eerste licht voorzichtig een kijkje ging ne­men, zag ze voor haar deur de poot­afdrukken van een tijger. Van haar drie honden waren er maar twee meer over.

“Sindsdien zien we wel vaker tijger­sporen”, zegt Kong, een gedrongen boerin met een vrolijk gezicht. Ook deze week logeert ze weer in de schuur, zoals altijd in het zaai- en oogst­seizoen. Met alleen een hobbelig aarde­weggetje om hier te komen, is het dan wel zo handig om dicht bij de velden te blijven. “Ik ben niet bang, ik ga nog steeds naar buiten. Alleen heb ik nu een voorraad vuurwerk in de schuur, om af te schieten als de tijgers weer komen. En de honden, die houden we nu ’s nachts binnen.”

Kong woont in Nuanquanhe, een onooglijk dorpje te midden van het Laoyeling­gebergte, in het uiterste noord­oosten van China, vlak bij de Rus­sische grens. Het is onherbergzaam gebied, met steile rots­partijen, wilde rivieren en ondoordringbare bossen, en hier en daar een eenzaam dorpje, ooit opgericht als houthakkers­post. De inwoners leven er dicht bij de natuur: ’s zomers plukken ze wilde planten en bessen, ’s winters – bij 30 graden onder nul – jagen en stropen ze. Zelfs de vrouwen, zo zeggen ze zelf, weten er hoe ze een hert moeten vangen.

Maar sinds vorig jaar ligt Nuanquanhe ook te midden van een nationaal park, bedoeld voor de bescherming van Siberische tijgers. In januari 2017 werd hier een gebied van 14.700 vierkante kilometer, zowat de helft van de oppervlakte van België, officieel bestempeld tot ‘Siberische Tijger en Lui­paard Nationaal Park’. In het hele domein zijn houthakken, stropen en jagen verboden, moet landbouw geleidelijk verdwijnen en moet de na­tuur in ere worden hersteld. Een ultieme reddings­poging voor de met uitsterven bedreigde grote kat.

Bemoedigend

De eerste resultaten – na jaren van voorbereidend werk – zijn bemoedigend. Waren er volgens onderzoekers in 1998 nog maar vier tot zes Siberische tijgers in heel China, in 2017 werden er 27 gespot. In de vallei van Nuanquanhe zwerven er minstens vier rond, waarvan zeker één wijfje. “Een paar jaar geleden waren we heel opgewonden als we met onze infra­rood­camera’s een tijger konden vastleggen”, zegt Liu Yuhai, directeur van de lokale hout­hakkers­post, die tot natuur­beschermings­basis is omgevormd. “Nu is het heel normaal geworden, we zijn eraan gewend.”

Helemaal onomstreden is het nationaal park niet, want meer tijgers betekent ook meer confrontaties met mensen. Na de hond van Kong Xianling werden afgelopen zomer drie schapen gekeeld, en veel dorpelingen durven niet langer de bergen in om hout te sprokkelen of bessen te plukken. Nu al staat vast dat veel inwoners van het nationaal park op termijn zullen moeten verhuizen. Dat wordt nog een flinke uitdaging: in het hele gebied wonen zo’n 75.000 mensen.

“Daar op die bergtop hebben enkele dorpelingen vorige maand tijger­sporen gezien”, wijst Liang Feng’en, terwijl hij het bospad achter zijn huis opwandelt, de herfst­geel kleurende bergen in. “En daar onder de elektriciteits­mast vlak bij het dorp vinden we er ook regelmatig. Het zijn er nu zo veel dat we ze niet eens meer allemaal registreren. Alleen als ik sporen zie op de vaste doorsnee­lijnen, waarin het gebergte is ingedeeld, stuur ik de gps-coördinaten door.”

De 61-jarige Liang, pezig en kwiek als een berggeit, is een van de tientallen boswachters van Nuan­quanhe. Zo’n vier keer per week patrouilleert hij door de bergen, telkens een tocht van 20 tot 30 kilometer, op zoek naar poot­afdrukken en uitwerpselen, om de tijger­routes in kaart te brengen en tijger-DNA te verzamelen. Onderweg verwijdert hij ook stroppen, al zijn er daar de laatste jaren steeds minder van. En gaat hij langs bij de honderden infra­rood­camera’s, op vaste afstanden vastgemaakt aan bomen, om te zien of die nog tijgers hebben gespot.

Op patrouille draagt Liang een kaki camou­flage­pak, met windsels rond zijn enkels, en in zijn rugzak een staaf nood­vuurwerk en een bus pepper­spray. Normaal valt een tijger geen mensen aan, maar uitzonderlijk kunnen er “probleem­tijgers” opduiken: onervaren of gewond, en niet in staat een normale prooi te vangen. De Siberische tijger is de grootste van alle tijger­soorten: een volwassen mannetje kan tot 300 kilo wegen en tot 3,5 meter lang zijn. Daar valt niet veel tegen te beginnen.

In het ‘Siberische Tijger en Lui­paard Nationaal Park’ spot boswachter Liang een poot­afdruk, allicht van een tijger­wijfje. Beeld RV - Leen Vervaeke

Terwijl Liang het pad volgt, speurt hij de bodem af, en toont hij sporen van everzwijnen, herten en beren: diepe afdrukken van harde hoeven of lange nagels. Sporen van tijgers en luipaarden, met hun zachte voetkussens, zijn minder makkelijk te vinden. Ze zijn vooral zichtbaar als het gesneeuwd of geregend heeft. Pas in een modderplas ziet Liang er één: 10 centimeter breed, mogelijk van een jong tijger­wijfje. Liang maakt een paar foto’s en geeft de gps-coördinaten door.

Verslaving

Al die gegevens worden 1.400 kilometer verderop verzameld, in het Siberische Tijger Observatie- en Onderzoeks­centrum van de Beijing Normal University. Daar wordt bijgehouden hoe de tijger­populatie zich ontwikkelt, en hoe hun bescherming nog beter kan. Bedoeling is om op termijn alle camera­beelden live te volgen, om zo de patrouilles beter aan te sturen. Die kunnen dan meteen ingrijpen als een dier gewond is of als er conflicten zijn met de mens.

Het is een bijzondere opdracht voor Liang, die vroeger houthakker, stroper en jager was. Toen organisaties als World Wildlife Fund en Wildlife Conservation Society een tiental jaar geleden bij hem aanklopten, omdat hij hen als ervaren jager kon helpen om dieren te lokaliseren, leek dat hem vooral grappig. Overdag hielp hij de dieren­beschermers, ’s avonds ging hij stiekem jagen. “Jagen is een verslaving”, zegt hij. “Het gaat niet om het eten, het gaat om de spanning, om het winnen.”

Maar door zijn vele ontmoetingen met dieren­beschermers begon Liang geleidelijk de andere kant van de medaille te zien. “Ik begon in te zien dat als we de natuur niet beschermen, we onszelf en de aarde vernietigen. Ik begon te beseffen dat we als mens in harmonie moeten leven met de natuur, en dat we wilde dieren moeten beschermen. Ik ben volledig gestopt met jagen en stropen. Ik ga zelfs niet meer vissen in de rivier.”

De vernietiging van de natuur, die leek zich in deze noord­oostelijke uithoek van China inderdaad in hoog tempo te voltrekken. Eind 19de eeuw was het gebied, verspreid over de provincies Jilin en Heilongjiang, nog een ongerepte wildernis, vol oerbossen en wild. Grote delen waren afgebakend als private jacht­domeinen van de keizers van de Qing-dynastie. Op het einde van hun tijdperk, rond 1900, zouden er volgens historisch onderzoek nog 1.200 tot 2.400 tijgers in Noordoost-China zijn geweest.

Kort daarna legden de Russen en Japanners beslag op Noordoost-China, ook bekend als Mantsjoerije. Ze bouwden er spoorwegen, fabrieken en mijnen, en rooiden naar schatting de helft van alle bossen. In wat nog overbleef, werden vanaf 1949 in de Volks­republiek China tientallen houthakkers­posten opgericht: zelf­voor­zienende dorpen van telkens een honderdtal houthakkers en hun families, en wat landbouwers om hen te voeden. Het bos werd van binnenuit vernietigd.

Voor de Siberische tijgers, en de everzwijnen en herten waarmee ze zich voeden, bleef nauwelijks levens­ruimte over. Daar kwamen nog jagers en stropers bij, die de lichaams­delen van tijgers tegen knalprijzen konden verkopen omwille van hun zogenaamd genees­krachtige werking. Pas in 1993 werd de handel in tijger­botten in China verboden – een verbod dat sinds vorige week op losse schroeven staat – maar toen bleef in het hele land al bijna geen Siberische tijger meer over.

De teloorgang van de tijger, naast de panda een van de meest symbolische dieren van China, was meer dan alleen slecht nieuws voor dierenliefhebbers. Het was een symptoom van een ontwricht eco­systeem. “Waar we bomen hadden gekapt, begon de aarde weg te stromen als het regende”, zegt voormalig houthakker en huidig boswachter Liang Feng’en. “De bodem­erosie en het water­verlies werden steeds ernstiger. De hele vegetatie ondervond er schade van.”

De afgelopen jaren werden al maatregelen genomen, onder de vlag van een reddings­operatie voor de Siberische tijger. Eerst in kleine gebieden, geleidelijk op een steeds grotere oppervlakte, tot vorig jaar het nationaal park werd aangeduid. Het is een enorme opsteker voor de bescherming van het Chinese milieu, maar het is nog afwachten hoe de ambitieuze plannen worden uitgevoerd. Dat wordt nog niet zo makkelijk, want als de tijgers oprukken, zullen er mensen moeten wijken.

Klanten slaan een babbeltje in de kruideniers­zaak van Zhang Chunhua. Ja, ze zijn bang van de tijgers, maar kritiek op de overheid blijft uit, zeker met agent Jia in de buurt. Beeld RV - Leen Vervaeke

In Nuanquanhe beginnen ze dat al aan den lijve te voelen. Sinds het kap­verbod hier werd ingevoerd, is het dorpje leeggelopen. De houthakkers – officieel in dienst van de overheid – konden alleen in Nuanquanhe blijven wonen als ze bereid waren om zich tot boswachter om te scholen. De meesten kozen voor een nieuwe baan in de stad. Van de 400 tot 500 vroegere inwoners zijn er nog zo’n 200 over. In de vier smalle straten die het dorp telt, staan nu veel huizen leeg.

Op termijn zal Nuanquanhe waarschijnlijk helemaal moeten verdwijnen. In Sanchahe, een nabij­gelegen voormalige houthakkers­post, nog wat dieper in de bossen, gaan hardnekkige geruchten dat de inwoners volgend jaar weg moeten. “Daar bestaat inderdaad de intentie om de inwoners te verhuizen, maar we weten nog niet concreet hoe dat zal gebeuren”, zegt Liu Yuhai, directeur in Nuanquanhe. “Dat wordt allemaal op een hoger niveau beslist.”

Volgens verschillende bronnen zou een deel van de 75.000 inwoners van het nationaal park als boswachter of opzichter aan de slag kunnen, en in nederzettingen binnen het park kunnen blijven. De rest zou op termijn het nationaal park moeten verlaten. Daar hangt een stevig prijskaartje aan vast: wie zijn huis moet verlaten, zal een compensatie krijgen. “Het zal niet makkelijk zijn om iedereen te hervestigen”, zegt Liu Yuhai. “Dat zal stap voor stap moeten gebeuren.”

De verhuizing van de inwoners is een gevoelig onderwerp, te behandelen met de grootste omzichtigheid. Het plan voor het Nationaal Park voor de Siberische Tijger komt immers van het hoogste bestuurs­niveau, en wordt gesteund door president Xi Jinping zelf. De tijger wordt zelfs vermeld in het dertiende vijfjarenplan, de ultieme leidraad van de Chinese overheid. In zo’n situatie kun je in China maar beter geen kritiek uiten, en liefst ook niet te veel vragen stellen.

“Hier wonen alleen maar oude mensen, die hebben niets te vertellen”, zegt agent Jia, de lokale politie­man van Nuanquanhe, als we toch proberen na te gaan wat de dorpelingen van de plannen vinden. We zijn van het stenen kantoor van de houthakkers­post, nu natuur­bescherming, naar het dorp gelopen, vier straten met lage houten huisjes. Maar Jia probeert ons van het idee af te brengen, en staat erop om ons te vergezellen. “Voor jullie veiligheid”, zegt hij. Hij lijkt het nog te menen ook.

Met allerlei uitvluchten proberen we van zijn gezelschap af te komen, om toch enigszins vrij te kunnen werken. Maar iedere keer als we hem weten af te schudden, vindt hij ons wat later weer terug. Of we nu inwoners op een afgelegen champignon­veld spreken of bij de dorps­kruidenier – drie rekken in een met kranten behangen woonkamer – telkens duikt Jia op. Zelfs als we een boswachter in zijn eigen huis interviewen, stommelt hij plots binnen. “O, wat toevallig, zijn jullie hier ook?”

Dierenbeschermer Liang was vroeger een jager-stroper: ‘Ik ga zelfs niet meer vissen in de rivier.’ Beeld RV - Leen Vervaeke

Het is een idioot schouwspel, want zelfs als agent Jia nog nergens te bekennen is, uiten de inwoners geen onvertogen woord. Ze zijn bang van de tijgers, zeggen sommigen, en ze vinden het vervelend dat de vele everzwijnen en herten – uitgezet als tijger­voer – hun akkers vernielen. Maar het komt niet in hen op de overheid te bekritiseren. “Als de everzwijnen onze oogst opeten, dan eten we gewoon wat minder”, zegt Zhang Chunhua, de 64-jarige uitbaatster van het kruideniers­zaakje.

Net als veel oudere dorpelingen trekt Zhang iedere winter naar de stad, voor de centrale verwarming en het comfort, en brengt ze alleen de warmere maanden nog in haar dorpje door. “Maar als ik mag kiezen, wil ik hier liever niet weg”, zegt ze met een verlegen glimlach. “Ik heb hier 37 jaar gewoond, ik voel me emotioneel met het dorp verbonden. We hebben hier goede buren en vrienden. Maar als van bovenhand beslist wordt dat we moeten verhuizen, dan zullen we dat onvoorwaardelijk doen.”

Aarden in de stad

Het lijkt de grond­stroom in Nuanquanhe: berustend in de komst van de tijger, maar tegelijk hopend dat het hun tijd nog duurt. Zelfs Liang Feng’en, de onvermoeibare dierenbeschermer, kan zich niet voorstellen dat hij zou moeten verhuizen. Jaren geleden bracht hij een winter door in de stad, op aandringen van zijn vrouw. Maar hij kon er niet aarden. “In de stad ruikt het overal naar een openbaar badhuis”, zegt hij. “Ik miste de frisse lucht.”

Voor Liang Feng’en is het simpel: de bescherming van de tijger is bedoeld als bescherming van de aarde, en van onszelf als mens. “Als er zo veel tijgers zijn dat het gevaarlijk wordt voor de mensen, dan schieten we ons doel voorbij”, zegt hij. “Maar zelfs als iedereen verhuist, dan nog hebben ze hier boswachters nodig. Als mijn gezondheid het toelaat, wil ik blijven werken en mijn taak verderzetten. Dan kan ik hopelijk in Nuanquanhe blijven tot ik sterf.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden