Vrijdag 03/04/2020

'Impressionist terwijl ik al MERZ ben'

Stedelijk Museum Amsterdam toont overzicht Kurt Schwitters (1887-1948)

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd dat het Stedelijk Museum in Amsterdam een tentoonstelling wijdt aan Kurt Schwitters (1887-1948). Een kunstenaar die meer dan vijftig jaar geleden overleed, verwacht je niet meteen in een museum voor hedendaagse kunst. Bovendien werd deze Duitse kunstenaar na zijn dood in 1948 ook niet als een wegbereider beschouwd. Daar is de laatste jaren echter verandering in gekomen. Schwitters' erg gevarieerde oeuvre - hij schilderde, maakte collages, assemblages, ruimtelijke installaties en beeld- en klankcombinaties - wordt nu met andere ogen bekeken.

"Er is een eigentijdse reden om Schwitters in dit museum ten toon te stellen," meent Rudi Fuchs. Volgens de directeur van het Stedelijk neemt Schwitters een "voorbeeldige" positie in met betrekking tot de huidige kunst. Het tegelijk bezig zijn met afbraak en opbouw verbindt hem met de kunstenaars van onze generatie, aldus Fuchs. Die deconstructie en constructie had bij Schwitters ook wat te maken met de politieke en economische situatie in de Weimarrepubliek na de Eerste Wereldoorlog. Zelf zei hij ooit: "Alles was toch al kapot en het was nodig om uit de scherven iets nieuws te bouwen." Uit zijn werk, dat de tijd waarin hij leefde weerspiegelde, sprak vertwijfeling, maar evengoed hoop. Het onderscheidde zich van het orthodoxe modernisme van andere avant-gardisten, door het bijna Babelse gebruik van verschillende beeldtalen naast en door elkaar.

Voor het werk van Schwitters, dat zowel abstract als figuratief is, was gewoon geen label te vinden. Vandaar de titel van de publicatie bij de tentoonstelling: Ik is stijl. Dat is tegelijk een verwijzing naar de uitspraak van de Oostenrijkse filosoof Wittgenstein: "De stijl, dat is de mens zelf." Ik is stijl bevat essays maar ook teksten van Schwitters zelf. De kunstenaar schreef niet alleen teksten, hij componeerde ook muziek en hij trad op als performer en agitator.

"Zijn oeuvre was te complex, te ingewikkeld," zegt Fuchs, "vandaar dat men hem wat links liet liggen." Alleen in verband met het dadaïsme achtte men Schwitters een vermelding waard. Zelfs de Parijse retrospectieve tentoonstelling van 1995 wekte nog de indruk "dat deze kunstenaar aan de uitstraling van de moderne kunst niet meer had bijgedragen dan zijn ironisch-geestige variant als dadaïst en constructivist". Dat schrijft Siegfried Gohr in Ik is stijl. Volgens deze Duitser Schwitters-expert, die de expositie voor het Stedelijk samenstelde, valt de complexiteit en uniciteit van diens persoonlijkheid en van diens werk niet te begrijpen als het wordt geïnterpreteerd "als niet meer dan een secundaire weg naast de hoofdstroom van de moderne kunst". Fuchs is het daar volmondig mee eens. Hij ziet in de kunstgeschiedenis een lijn die van Schwitters over Beuys en Baselitz loopt naar vele kunstenaars die thans actief zijn. Fuchs pleit voor de erkenning van de invloedrijke vitaliteit van wat volgens hem een getranformeerd expressionisme is.

Schwitters begon zijn ontwikkeling als kunstenaar kort na de doorbraak van het kubisme. Komende uit de kleine burgerij in een vlek nabij Hannover, kreeg hij in Dresden een gedegen academisme opleiding. Na 1918 liet hij het academisme voor wat het was en begon te experimenteren met de collage, een techniek die Picasso en Braque reeds eerder in hun kubistische werken hadden geïntroduceerd. Maar in tegenstelling tot de vereenvoudiging en de zuivering van het beeld die de abstracten in de daaropvolgende jaren nastreefden, bleef het werk van Schwitters expressionistisch, ruw en versplinterd. Tegenover de helderheid en de sereniteit van de tweedimensionale composities van Mondriaan en co plaatste Schwitters het verbrijzelde, opengebroken oppervlak en het rusteloze beeld. De kunstenaar verdoezelde het handwerk niet, integendeel, hij ging erin op en zocht de zinnelijkheid en de zeggingskracht van de onzuiverheden op.

Schwitters betitelde zijn kunst al snel als MERZ. Deze term sloeg niet alleen op zijn kunst maar ook op zijn levenshouding. MERZ is een woordframent uit een advertentie van een Kommerz- und Privatbank die Schwitters in een collage had gebruikt. Onder deze noemer exploreerde hij zowat alle mogelijkheden op het gebied van collage en assemblage en van deconstructie en constructie.

Schwitters, die een groot deel van zijn leven rusteloos rondzwierf en vanaf 1937 voor het nazisme op de vlucht was, zeulde op zijn vele reizen in de jaren twintig en dertig koffers met gevonden voorwerpen met zich mee: knopen, kurk, reclamedrukwerk, houten paneeltjes, prentbriefkaarten. Hij vulde zijn materiaal geregeld aan met dingen die hij ter plaatse in handen kreeg, zoals tramkaartjes en organische fragmenten die hij opraapte. Op een spontane manier maakte hij combinaties van de meest uiteenlopende dingen en creëerde zo een nieuwe esthetiek die inging tegen de burgerlijke opvattingen over kunst. Gohr is van oordeel dat de werken die tijdens Schwitters' ballingschap in Noorwegen, na 1937, en zijn daaropvolgende vlucht naar Engeland ontstonden dikwijls dynamischer en organischer ogen en een grote expressiviteit bezitten. Dit latere werk is volgens hem al te vaak over het hoofd gezien. Met zijn tentoonstelling wil hij dan ook een nieuw beeld geven van de kunstenaar die volgens Fuchs erkenning verdient als een van de aartsvaders van de naoorlogse Europese kunst.

Het geeft een goed gevoel te weten dat kunstenaars zovele jaren na hun dood kunnen worden herontdekt en bijgezet in de galerij der groten. Even deugd doend is de vastelling dat het dogmatische oordeel over wat goede en slechte kunst is stilaan heeft afgedaan. Het doet er niet meer toe of een kunstwerk abstract of figuratief is, of het met verf op doek is gemaakt of uit objets trouvés bestaat, of het conceptueel is of door handenarbeid in het atelier zijn vorm krijgt. In dat opzicht was Schwitters voor op zijn tijd, hij zag er geen been om naast al zijn experimenten ook schilderijtjes te maken met bijvoorbeeld Noorse winterse landschappen. Hij schilderde die natuurstudies niet alleen om in zijn levensonderhoud te voorzien, ze gaven hem ook inspiratie voor zijn abstracte werk. Over die schijnbare paradox tussen zijn abstracte en naturalistische werk schreef Kurt Schwitters in 1946: "Ik ben nog altijd impressionist, terwijl ik al MERZ ben."

Schwitters, Ik is stijl tot 6 augustus in het Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13 in Amsterdam. Elke dag geopend van 11 tot 17 uur. De catalogus met teksten van Schwitters en essays van onder anderen Rudi Fuchs en Siegfried Gohr kost 59,50 gulden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234