Dinsdag 26/10/2021

Impotentie als ideaal

'Gij zijt geen man, gij zijt een vies verkrachter / van 's werelds eeuwge schoonheid...', schreef Willem Kloos in een tegen Huysmans gericht scheldversOok vandaag nog is 'Tegen de keer' een nadrukkelijk onwillig boek dat de geest schramt en vertroebelt, dat slaat maar niet zalft, dat schopt en schokt,

'Tegen de keer' van Joris-Karl Huysmans

Joris-Karl Huysmans (1848-1907) zorgde zijn leven lang voor beroering. Marthe, zijn naar toenmalige normen uiterst obscene debuutroman, verscheen in 1876 illegaal in Brussel. Maar van alle heisa verwekkende geschriften van Huysmans was het ongetwijfeld Tegen de keer dat voor de allergrootste opschudding zorgde.Joris-Karl Huysmans Tegen de keer Vertaald door Jan Siebelink

Athenaeum-Polak & Van Gennep

(vierde druk), 256 p., euro.

Toen begin 1988 in het Nederlandse Schiedam een tentoonstelling over de figuur van Joris-Karl Huysmans op het punt stond haar deuren te openen, ging een en ander op de valreep niet door. Een actiegroep had protest aangetekend tegen het evenement wegens het vermeend racistische karakter van Huysmans' boeken, en het gemeentebestuur van de stad in kwestie besloot dan maar, naar eigen zeggen om 'schadelijke discussies' te vermijden, te zwichten voor de uitgeoefende druk en de hele zaak af te gelasten. Dat in het Nederland van de jaren tachtig, zeg maar het pre-Fortuyn-tijdperk bij uitstek, de dolste spokenjagerij haast een nationaal kenmerk was, daarvan getuigt onder meer ook het feit dat in de loop van dit decennium W.F. Hermans door de stad Amsterdam tot persona non grata gebombardeerd werd. Ook Hermans immers was een malafide racist, dat viel als het ware zwart op wit te bewijzen, zo meenden onze noorderburen in ernst. Maar barstte Hermans bij het vonnis allicht niet in hete tranen uit, Huysmans zal zich van het krakeel destijds nog minder hebben aangetrokken. Niet alleen was hij al meer dan tachtig jaar dood, bovendien had hij zijn leven lang ruimschoots de gelegenheid gehad om aan het fenomeen van de controverse te wennen. Het begon al bij zijn debuut, Marthe, het op naturalistische leest geschoeide relaas over een jonge prostituee en haar onafwendbare ondergang. De korte, naar toenmalige normen uiterst obscene roman met het platvloerse onderwerp verscheen in 1876 illegaal in Brussel. Korte tijd later werd de schrijver door de douane betrapt toen hij een koffer vol exemplaren over de grens wilde smokkelen. In 1880 werd het licht geboden aan Croquis Parisiens, een verzameling essays en artikels waarvan 'Le Gousset' het meest geruchtmakende was. Daarin poogt Huysmans de verscheidene geuren die een vrouwenoksel kan uitwasemen gedetailleerd onder woorden te brengen. Ook als kunstcriticus zorgde hij steevast voor beroering, mede door zijn inconsequentie of althans drastisch veranderende smaak en opinies. Maakte hij in zijn roman En ménage uit 1881 de Venus van Milo zowat met de grond gelijk en noemde hij het Gare du Nord een even grote bezienswaardigheid als het Parthenon, geen tien jaar later zou hij in Certains (in 2001 bij uitgeverij Voetnoot onder de titel Voorkeuren in Nederlandse vertaling verschenen) tegen ieders verwachting in de Eiffeltoren verketteren en zijn collega-kunstenaars oproepen zich af te zetten tegen de moderne tijd en "terug te keren naar het verleden". Zelf schreef hij in die periode een deels in de Middeleeuwen spelende grote roman, Là-bas (vert. Uit de diepte), die gezien het onderwerp - satanisme - opnieuw veel lezers en critici schokte. Een van hen was Willem Kloos, en de volgende regels zijn afkomstig uit een tegen Huysmans gericht scheldvers van diens hand: "Gij zijt geen man, gij zijt een vies verkrachter / van 's werelds eeuwge schoonheid..." Maar van alle heisa verwekkende geschriften van Huysmans was het ongetwijfeld A rebours (vert. Tegen de keer) dat voor de allergrootste opschudding zorgde.

Twintig jaar na de publicatie van Tegen de keer schreef Huysmans er een voorwoord bij waarin hij onder meer terugblikt op de verontwaardiging die zijn boek in 1884 geoogst had: "Eerst bestempelde men mij als een impressionistische mensenhater en Des Esseintes (het hoofdpersonage van Tegen de keer, CVe) als maniak en gecompliceerde imbeciel (...). Anderen die ook eens aan kritiek wilden doen, meenden mij te moeten aanraden in een herstellingsoord-gevangenis onder een striemende douche te gaan staan (...)." Een recensent, herinnert Huysmans zich voorts, had verbijsterd uitgeschreeuwd: "Ze mogen me hangen als ik ook maar één woord van deze roman begrijp!" Overtrokken reacties, ja zeker, getuigend van kortzichtigheid en wat je ook maar wilt. Toch zal de hedendaagse lezer, geblaseerd kind van een tijd waarin zowat niemand nog snappen kan hoe pakweg Madame Bovary van Flaubert en andere 'verboden boeken' ooit op de index zijn kunnen belanden, mijns bedunkens niet snel geneigd zijn om de onthutste, door weerzin gedreven kritieken van toen hoofdschuddend af te doen als onbegrijpelijk en absurd. Ook vandaag nog is Tegen de keer een nadrukkelijk onwillig boek dat de geest schramt en vertroebelt, dat slaat maar niet zalft, dat schopt en schokt, en dat je, vooral, met wijdopengesperde ogen uitleest.

Een samenvatting geven van het verhaal is eigenlijk onmogelijk, daar een verhaal ten enenmale ontbreekt. Enfin: hertog Des Esseintes, dertig jaar oud, de wereld moe, de mensen beu, zondert zich af in zijn eenzame woonst, waar hij een voortdurende strijd voert tegen de verveling, wordt van lieverlede zieker en neurotischer en moet ten slotte op doktersvoorschrift weer aan het zo door hem verfoeide 'echte leven' deelnemen, wat er in zijn geval op neerkomt dat hij zeer tegen zijn zin naar Parijs dient terug te keren. Dat de volstrekt intrigeloze roman niettemin tweehonderdvijftig bladzijden telt, is te wijten aan de aanpak van J.-K. Huysmans, die met een onvermoeibaar gevoel voor detail en nuance de wild schuimende stroom van gedachten, meningen, mijmeringen, voorkeuren en hallucinaties beschrijft waar Des Esseintes zich aan pleegt te laven, maar waarin hij naar het einde toe allengs dreigt te verdrinken.

De structuur van het boek is van die aard dat bijna alle zestien hoofdstukken kunnen worden gelezen als op zichzelf staande essays, telkens met als onderwerp een bepaalde passie of interesse waarmee de oververfijnde, op het vileine af kieskeurige estheet Des Esseintes probeert zijn geest in vuur en vlam te brengen en zodoende l'ennui te verdrijven: de Latijnse literatuur, de Franse poëzie, de wereld van de bloemen, van de geuren, van de kleuren, schilderkunst, muziek, alcoholische dranken, de katholieke godsdienst en meer. Zich achtereenvolgens overgevend aan en onderdompelend in de ravissante roes die al die verschillende, vakkundig en streng geregisseerde sensaties hem bieden, voelt de jonge hertog zich op het einde van ieder hoofdstuk evenwel steevast hetzelfde: misselijk, beklemd, ziek, ten dode verveeld en oververzadigd. Als na, zou je kunnen zeggen, een teveel aan door masturbatie opgewekte orgasmes. Die vergelijking is niet willekeurig. Hoe contemplatief aangelegd hij ook zijn mag, de indruk dat de voorts toch apert zinnelijke Des Esseintes alsmaar probeert zichzelf te verliezen in een toestand van algehele, complete bevrediging is immers nooit ver weg. Dat hij daarbij, ten bate van zijn doorgedreven verheerlijking van het artificiële, de 'gewone, natuurlijke' seksualiteit allerradicaalst verwerpt, typeert Des Esseintes weliswaar ten voeten uit maar is verder ook kenmerkend voor het gros der hoofdfiguren in Huysmans' andere boeken.

Van heus racisme is bij mijn weten, een enkele uitval tegen de Zuid-Fransen in A veau-l'eau (vert. Op drift) buiten beschouwing gelaten, nauwelijks sprake in het oeuvre van J.-K. Huysmans. Wel staat vast dat hij trots was op zijn noordelijke afkomst: zijn vader was geboren in Breda. Zijn hele leven zou de schrijver een afkeer hebben van een vlakke, blauwe, zeg maar zuiderse hemel; hij prefereerde een met wolken bezaaid, grijs, noem het Vlaams of Hollands firmament. Ter onderstreping van zijn roots veranderde hij zijn doopnaam Georges-Marie-Charles in Joris-Karl - ter onderstreping, zou je kunnen stellen, van het feit dat hij zoon van zijn vader was. Want met zijn moeder was zijn relatie niet goed. Geen jaar na de dood van haar echtgenoot hertrouwt zij met ene Jules Og, wat in de ogen van de piepjonge Huysmans - hij is dan amper negen - gelijkstaat aan verraad jegens zijn vader. Algauw zal hij zich bovendien emotioneel verwaarloosd voelen doordat alle aandacht in het nieuwe gezin naar zijn twee halfzussen uitgaat. Als hij uiteindelijk naar een pensionaat verbannen wordt, is de zaak wat hem betreft uitgemaakt: zijn moeder is een monster, en als dusdanig zal hij haar ook afschilderen in zijn vroege roman Les soeurs Vatard. Op vierentwintigjarige leeftijd leert hij de, na zijn moeder, tweede belangrijkste vrouw in zijn leven kennen, Anna Meunier, met wie hij tot haar dood, twaalf jaar voor de zijne, een verhouding zal hebben zonder ooit met haar samen te wonen. Dat hun relatie Huysmans er niet van weerhield regelmatig bordelen te bezoeken is kenschetsend genoeg. Later zal Anna opgenomen worden in een instelling voor geesteszieken, waar ze uiteindelijk sterft.

Ligt dat alles aan de basis van Huysmans' - zacht gezegd - vrouwonvriendelijkheid? In elk geval was zijn misogynie fanatiek en aanzag hij het liefdesspel niet bepaald als een onuitputtelijke bron van genot. Sterker nog, de roep van het vlees klinkt voor de protagonisten in zijn romans als een ijselijk, storend gekrijs waarvoor zij zich bij voorkeur doof zouden willen houden. Seks is de oorzaak van heel wat ellende, het huwelijk is ronduit een hel, impotentie het ideaal. "Jacques voelde de zwakke geslachtsdrift, die af en toe weer in hem opleefde, totaal verdwijnen. Hij neigde zelfs tot een immense afkeer voor dit bespottelijke geschok", zo staat te lezen in En rade (vert. Verlaten). "Nu was het gedaan met de liefde", luidt het in Op drift, "de lusten waren bedwongen, op het gehijg en de koorts was onthouding gevolgd, een diep sereen gevoel; maar wat een ellendige leegte had zich door zijn leven heen gevreten sinds het ogenblik dat de zinnelijkheid geen rol meer speelde." Edoch: "In elk geval", weet de vrijgezel Folantin zich tien pagina's later getroost, "had hij het allerergste en pijnlijkste vermeden: het huwelijk." Op het einde van de novelle wordt Folantin verleid door een hoertje. Na de bedscène is het woord waarmee de volgende alinea aanvat 'Walgend'. Eenzelfde postcoïtale mismoedigheid vinden we meermaals terug in Uit de diepte : "Oh ja, zijn desillusie was compleet. Nu zijn begeerte gestild was, was zijn voorafgaand gebrek aan enthousiasme gerechtvaardigd." In dat boek wordt tevens overvloedig gewezen op de voordelen van bordeelbezoek, als het kwaad dan toch noodzakelijk blijkt en 'la fièvre juponnière' (uit En ménage) al te hoog oploopt, bijvoorbeeld in deze voor Huysmans zo typische, stilistisch superieure zinsnede: "Hij, die sinds jaren had afgezien van alle erotische verhoudingen, die zich ermee tevredenstelde de kudde van zijn zondige begeerten, eenmaal uit hun veestal losgebroken, naar het abbatoir te brengen om daar door de slagersvrouwen van de liefde zonder omhaal te worden afgemaakt (...)."

Wat Des Esseintes uit Tegen de keer aangaat: slechts "één passie, de vrouw, had hem nog kunnen weerhouden van de wereldwijde verachting die in hem groeide, maar ook die was opgebrand", zoals de lezer in de 'Inleiding' tot de roman verneemt, en bijgevolg trekt de misantroop, "nagenoeg impotent", zich terug in zijn eigen, slechts door zijn ego bevolkte wereld. Zo groot is zijn afkeer van het andere geslacht - vrouwen worden in navolging van de bejubelde Schopenhauer dikwerf "aangeboren dom" genoemd - dat hij zich bij uitbreiding tegen de natuur in het algemeen keert. De Engelse vertaling van A rebours is Against Nature getiteld, en inderdaad is Des Esseintes' hang naar alles wat kunstmatig is zijn meest uitgesproken eigenschap. "De mythologische identificatie van de vrouw met de natuur is juist", schrijft Camille Paglia in Het seksuele masker. Des Esseintes op zijn beurt beschouwt het kunstmatige als "het kenteken van het menselijk vernuft. De natuur, zo was hij gewoon te zeggen, heeft haar tijd gehad. (...) de tijd is gekomen dat de natuur, waar het maar mogelijk is, door het artificiële vervangen moet worden. En vóór alles zal dan datgene van haar werken moeten worden vervangen, dat beschouwd wordt als de meest exquise van haar scheppingen (...): de vrouw". Overigens, redeneert hij verder, is 'de man' op dat gebied al een heel eind op de goede weg: de twee locomotieven "die op de Noorderspoorlijn rijden" zijn naar zijn mening onnoemelijk eleganter, ja zelfs vrouwelijker dan de fraaiste vrouw van vlees en bloed, zodat men werkelijk kan "zeggen dat de mens net zoveel gepresteerd heeft als de God waarin hij gelooft".

Ook wanneer Des Esseintes zich een reuzenschildpad aanschaft, wil hij op zijn manier de natuur overtreffen en corrigeren. Hij laat het schild van het dier met goud overtrekken en bezet het daarna met edelstenen. Het achtste hoofdstuk van het boek is gewijd aan Des Esseintes' fascinatie voor bloemen. Lange tijd, vernemen wij hier, heeft hij kunstbloemen verzameld, maar thans wenst hij nog een stap verder te gaan: "Na de kunstbloemen die de werkelijke na-apen, wilde hij natuurlijke bloemen die er precies zo uitzagen als onechte." Teneinde zijn plan te realiseren overwint hij zelfs zijn afkeer voor de boze buitenwereld en brengt hij een bezoek aan een aantal broeikassen die zich bij hem in de buurt bevinden. Enkele dagen later, als hij zijn aanwinsten overschouwt, blijkt zijn doel bereikt: "Geen enkele bloem leek echt; het was alsof de mens stof, papier, porselein en metaal aan de natuur had geleend om haar in staat te stellen deze wangedrochten te scheppen. (...) in een paar jaar kan de mens een selectie volvoeren, die de trage natuur pas na eeuwen tot stand kan brengen (...)". En als hij hoe langer hoe meer zijn eetlust verliest en zijn maag- en darmklachten zich opstapelen, zodat er niets anders op zit dan zich te wenden tot peptonklysma's om in leven te blijven, weet hij zich met zijn vreugde haast geen blijf: "Op zo'n manier gevoed worden! (...) wat een beslissende belediging voor de oude Natuur (...)".

Nee, moeder natuur staat bij deze decadente kluizenaar niet erg hoog aangeschreven, net zomin als de vrouw dus. Maar net zoals Des Esseintes er, helaas voor hem, niet in slaagt de natuur of het natuurlijke geheel uit zijn leven te bannen, zo lukt het hem, "nagenoeg impotent" als hij dan mag wezen, evenmin om zijn driften te beteugelen. "Iedereen weet immers dat onthouding afschuwelijke libertijnse gedachten opwekt", schreef Huysmans in een essay over Félicien Rops, en dat ondervindt Des Esseintes aan den lijve. Zich verlustigend aan de bloemenpracht die hij bijeengegaard heeft, geeft hij zijn gedachten algauw de vrije loop richting de geslachtsziekte syfilis, waarna hij indommelt en door seksueel getinte nachtmerries geteisterd wordt. Zelfs tijdens het lezen van de o zo kuise Dickens wordt hij niettemin belaagd door dezelfde wellustige visioenen die ook het bekijken van de schilderijen van Gustave Moreau bij hem opwekt. Veelbetekenend is in dat verband ook de geurhallucinatie waaraan hij op een bepaald moment ten prooi valt. Hij blijkt niet te kunnen ontsnappen aan de hem insisterend achtervolgende geur van jasmijn, toevallig of niet (niet dus, bedoel ik) een onmogelijk door de mens in een kunstmatig parfum te vatten aroma: "Met uitzondering dan ook van de onnavolgbare jasmijn die niet te imiteren (...) is, zelfs niet bij benadering, kunnen alle bloemen door verbindingen van alcoholaten en essences heel precies weergegeven worden." Zoals koning Midas alles wat hij aanraakte in goud veranderde, zo lijkt bovendien elk voorwerp, hoe onschuldig ook, dat zich in Des Esseintes' buurt bevindt voetstoots geërotiseerd te worden. Over een luxueuze, unieke uitgave van een dichtbundel bijvoorbeeld laat Des Esseintes zich uit in de lyrische, bevlogen taal die doorgaans enkel door dolverliefde tortelduifjes gebruikt wordt.

Uiteindelijk moet hij zich dan ook neerleggen bij de almacht van de onvermijdbare natuur en zal zijn lichaam zijn eisen stellen onder de vorm van een veelvoud van kwalen en allerhande symptomen. De enige remedie tegen die aan neurose ontsproten aandoeningen blijkt "weer onder de mensen komen en echt proberen zich te vermaken als ieder ander", zoals de dokter aanraadt, eraan toevoegend dat het "een zaak van leven en dood" betreft. De wanhopige slotzin van Tegen de keer begint zo: "Heer, heb medelijden met de christen die twijfelt, met de ongelovige die zou willen geloven (...)".

Een kleine tien jaar na de publicatie van zijn boek over Des Esseintes bekeert Huysmans zich tot het katholicisme, dat hij zeer fervent zal aanhangen. In 1900 wordt hij oblaat en betrekt bijgevolg een huis dat deel uitmaakt van een klooster. Van dan af zal het - opnieuw: toevallig of niet - langzaam maar zeker bergaf gaan met zijn gezondheid, en in 1907 overlijdt hij.

Christophe Vekeman

en dat je, vooral, met wijdopengesperde ogen uitleestDe roep van het vlees klinkt voor de protagonisten in Huysmans' romans als een ijselijk, storend gekrijs waarvoor zij zich bij voorkeur doof zouden willen houden. Seks is de oorzaak van heel wat ellende, het huwelijk is ronduit een hel, impotentie het ideaal

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234