Maandag 05/12/2022

InterviewSaara Vuojärvi

‘Ik zou liever 22 maart zelf herbeleven dan alles daarna’: Saara Vuojärvi overleefde de aanslag in metrostation Maalbeek

Bloemen aan het metrostation van Maalbeek, een dag na de aanslagen. Beeld photo_news
Bloemen aan het metrostation van Maalbeek, een dag na de aanslagen.Beeld photo_news

De Finse Saara Vuojärvi (33) zat bij de aanslagen van 22 maart 2016 op het foute moment in de foute metro in Maalbeek. ‘Ik voel geen haat. Ik hoop nu wel dat het proces, als het eindelijk start, dat rottige gevoel uit mijn systeem helpt te halen.’

Douglas De Coninck

Haar naam staat in de akte van beschuldiging vermeld naast het getal 154 op een totaal van 166. Allemaal mensen die op de ochtend van 22 maart 2016 de bomaanslag in metrostation Maalbeek overleefden en zich burgerlijke partij stelden op het terreurproces dat zonder het bevel tot afbraak van de glazen boxen op 10 oktober had moeten beginnen.

We hebben afgesproken in de Finnish Cafeteria, een pleisterplek voor Finse expats in de Europese wijk in Brussel, met Finse limonade en worstjes in de rekken. Er is ook een sauna – in aanbouw – en een knutselatelier. “Dat heb ik nu wel”, zegt Saara Vuojärvi. “Dat ik vertrouwde milieus opzoek. Plekken waar je je veilig voelt. Vroeger had ik dat helemaal niet.” Ze bestelt een broodje en een Fins kaneelgebakje, en laat beide tijdens het gesprek grotendeels onaangeroerd.

“Ik werkte niet op dinsdagen. Ik had mijn zoontje naar school gebracht en had eerder die ochtend de metro genomen aan Sint-Katelijne, aan de vismarkt waar wij toen woonden. Henry was 3 en zijn school was in Oudergem. We namen elke ochtend de metro naar Herrmann-Debroux. Op de terugweg zat ik op mijn telefoon nieuws te lezen. Iets over de luchthaven. Ik zat erover te chatten met een vriendin in Brussel en vroeg haar of het nu wel zo slim was om de metro te nemen. Ik kon uitstappen en met de tram naar haar gaan. Toen realiseerde ik me dat de huisbaas met een technicus zou langskomen voor een onderhoud van mijn boiler. Ik had ook een raam laten openstaan. Yes, two real major reasons! (lacht) Dus bleef ik zitten.

“Ik was in Herrmann-Debroux in de voorste wagon ingestapt. Als je eruit moet aan Sint-Katelijne ga je altijd vooraan zitten, dan ben je het dichtst bij de uitgang. Het viel me onderweg op dat er in geen enkele van de stations militairen te zien waren, terwijl die in die periode meestal vrij zichtbaar aanwezig waren. Ik dacht nog: vreemd.”

Saara Vuojärvi: ‘Ik weet niet of het zinvol is om dit te zeggen, maar de terroristen deden het best wel goed. Ze bereikten wat ze beoogden: chaos en wantrouwen.’ Beeld Rebecca Fertinel
Saara Vuojärvi: ‘Ik weet niet of het zinvol is om dit te zeggen, maar de terroristen deden het best wel goed. Ze bereikten wat ze beoogden: chaos en wantrouwen.’Beeld Rebecca Fertinel

Heb je de terrorist gezien?

“Misschien. Herinneren doe ik het me niet. Hij stond in de tweede wagon, net achter ons. Hij is opgestapt in station Pétillon, vernam ik later. Hij nam de foute richting, stapte uit in Beaulieu en daar dan weer in in mijn metro. Ik weet wel nog dat ik in elk station naar de mensen op het perron keek, dus ik moet hem ergens onbewust hebben gezien.

“Alle zitplaatsen in onze wagon waren bezet, er stonden ook enkele tientallen mensen recht. Net toen de metro aanzette in Maalbeek was er die ‘pok!’. Een metaalachtig geluid. De metro stopte en ik besefte dat er een explosie was geweest. Op het andere spoor, aan de overkant, lag er iets te branden. Er ontstond heel veel rook en opeens moest ik denken aan wat er op de luchthaven was gebeurd. Een gedachte kwam op: ‘Dit was het, ik ga sterven.’ Ik ging ervan uit dat er ook in de metro meerdere daders zouden zijn en meerdere bommen. Ik kreeg vrede met de situatie. (veegt een traan weg) Ik besefte dat als een tweede explosie me niet zou doden, de rook dat zou doen. Ik heb astma en was m’n puffer thuis vergeten.

“Ik wilde snel nog een berichtje sturen naar de vader van mijn zoon met de vraag om naar al mijn contacten te sturen dat ik van hen hield. Ik wist dat mijn zoon veilig was, dus op dat moment was ik oké met wat er verder ging gebeuren. Het was het enige wat telde.

“Ik begon even later te bedenken dat ik niet zomaar kon sterven, want dat mijn zoon dan verder zou moeten zonder mommy. Mensen begonnen te zoeken naar een manier om uit het metrostel te raken. Tegenover me zat een man met een laptop. We dachten samen via de stuurcabine over de sporen vooruit weg te lopen in de tunnel, tot aan het volgende station. Ik weet nog dat ik liever had dat hij en niet ik de 112 belde, want met mijn Engels zou het voor de mensen aan de andere kant van de lijn lastig kunnen zijn.

“We gingen na wat we konden doen. Kon je in de tunnel worden overreden door een metro uit de andere richting? Waar zit de elektrische voeding? Het leek een goed plan, tot de twee metrobestuurders achteraan de wagon een raam openden en we merkten dat mensen daarlangs het metrostel verlieten. Sommigen waren meer gehaast dan anderen, ik had de neiging anderen te laten voorgaan. Ik beefde, maar probeerde kalm en gefocust te blijven tot ik buiten was.

“Opeens stond ik op de roltrap, en dat ene beeld herinner ik me nog: de metalen plaat waarmee je de roltrap in beweging zet, die was weggeblazen. Voorts herinner ik me weinig. Het hele deel tussen uit het raam klimmen en op de roltrap staan is duister. De herinnering is weg. Raar, maar het is zo.”

Het heet retrograde amnesie.

“Dat weet ik. Mijn brein beschermt me en heeft de meest traumatische ervaringen gewist. Ik heb me daar lange tijd erg slecht over gevoeld. Halfweg de roltrap moesten we voorbij een vrouw bij wie de hele linkerkant verbrand was. Ze schreeuwde zachtjes en ik ben met de anderen doorgelopen. Ook daarover voelde ik me heel rottig. Nu denk je: wat had ik kunnen doen? Misschien had ik haar nog meer pijn toegebracht door haar aan te raken. Ik wist ook niet zeker hoelang ik zelf nog kon ademen.

“Toen we boven kwamen hoorde ik een man aanwijzingen in het Frans roepen. Ik kon hem eerst niet zo goed verstaan, waardoor de situatie nog onduidelijker voor me werd. Ik kon hem ook niet zien, vanwege de enorme hoeveelheid rook. Achteraf bleek hij een van de twee bestuurders te zijn. Later hebben velen, ook ik, via de MIVB (de Brusselse vervoersmaatschappij, red.) een dankbetuiging gestuurd naar de bestuurders, want zij hebben ontzettend slim en snel op de situatie gereageerd.

“Toen ik in de Wetstraat was liet ik het mezelf toe om mijn emoties de vrije loop te laten. Ik belde die vriendin. Ze begreep maar half wat ik zei want de microfoon van mijn telefoon was beschadigd geraakt. Ik stuurde berichtjes naar Henry’s vader en mijn vriend. Naar m’n vriend stuurde ik: ‘Kun je me naar huis brengen?’ Hij antwoordde: ‘Neem een taxi, ik sta op de luchthaven.’ Mijn vriend was een militair en was opgeroepen om naar daar te gaan. ’s Avonds zag hij een doosje Xanax liggen en vroeg: ‘Waarom neem je dat?’ Ik zei: ‘Euh, mijn metro is ontploft.’ Ik was die namiddag bij de dokter geweest en die had me meteen Xanax voorgeschreven.

“Ik ben ongeveer veertig minuten in de Wetstraat gebleven, tot een agente me gebood weg te gaan. Ze dacht dat ik een ramptoerist was en reageerde zo gestresseerd en agressief dat een vlakbij staande soldaat haar vroeg om me met rust te laten. Die soldaat bleef daarentegen wel kalm en beheerst. Dat heb ik hierdoor wel geleerd: niet elke Belgische politieagent is even goed getraind en geschikt voor de job.

Na de aanslagen stroomden mensen samen aan de Brusselse Beurs om de gruwel te verwerken. Beeld NYT
Na de aanslagen stroomden mensen samen aan de Brusselse Beurs om de gruwel te verwerken.Beeld NYT

“Een Britse man die Mark heette vergezelde me tot aan Schuman. Mark en ik praatten over de gekste dingen, zoals de naam die hij zijn zoon zou geven als hij er ooit één zou hebben: Henry. Hij bood me geld aan voor een taxi. Ik weigerde, ik had zoiets van: ‘Dat is jouw geld.’ Wist ik veel dat de taxi’s die dag gratis reden. Ik ben dan beginnen stappen, richting Flagey, maar ik vond de weg niet meer. Ik kwam voorbij een kantoorgebouw en vroeg of ik daar even kon gaan zitten. Een bewakingsagent gaf me een flesje water en hielp me het zwart van m’n handen te wassen. Ik vroeg een vrouw de weg naar Flagey en die zei: ‘Besef jij wel dat er iets heel ergs is gebeurd in de metro?’

“Ik ben daarna naar m’n vriendin gegaan. Zij verplichtte me om een broodje te eten en een bad te nemen. Toen ik het water liet weglopen, was het pikzwart. Ik heb daar mijn vader gebeld. Hij heeft contact opgenomen met de Finse ambassade en zei me dat ik naar een dokter moest gaan.”

Die gedachte kwam niet vanzelf in je op?

“Ik neem aan dat dat het schuldgevoel is van wie het heeft overleefd. In wezen ben je ongedeerd, behalve in je hoofd – ook al besef je dat pas later. De weken daarna waren voor mij geblurd. Het was allemaal niet zo helder in mijn hoofd en ik wilde het liefst niet alleen zijn. Ik mailde Ethias, de verzekeringsmaatschappij van de MIVB. Ik wilde weten of ik recht had op psychische hulp. Zij verwezen me naar de verzekeraar van mijn werkgever. Ik was die ochtend niet op weg naar mijn werk, ik had Henry naar school gebracht, dus dat spoor liep dood. Dan maar Partenamut, mijn eigen mutualiteit. Ik kreeg een nummer en stootte op een keuzemenu: druk hier, druk daar. Ik raakte helemaal nergens.

“Ik bracht die dagen grotendeels jankend door. Ik probeerde ING, mijn bank en verzekeraar. Bij ING was iedereen erg behulpzaam. Ik kreeg een limiet van 500 euro. Dankzij mijn advocaat trokken ze dat later, gewoon als gebaar, op tot 9.000 euro, wat ik echt heel erg apprecieerde. Na acht maanden wilde Ethias dan toch tussenkomen voor mijn therapie. De eerste betaling kwam er pas in februari 2017.”

Neem je de metro nog?

“Ik kon op een gegeven moment niet anders. Henry moest naar school en ik naar mijn werk. De eerste maanden nam ik alleen bussen, waardoor ik alleen al voor school elke dag drie uur onderweg was in plaats van tweemaal veertig minuten, en voor mijn werk nog eens twee uur. Ook op de bus deed elke rugzak of vergeten handtas me panikeren. Ik wilde altijd uitstappen en moest mezelf verplichten om dat niet te doen. Later zijn we naar Oudergem verhuisd, dus hoefde ik de metro niet meer te nemen.

“Als het niet anders kan neem ik de metro wel. Ik laat het vooraf altijd wel iemand weten, en ik heb een schuilplaats. In station De Brouckère is er zo’n hokje voor pasfoto’s. Daar ga ik bij een paniekaanval schuilen achter het gordijntje. Even huilen, proberen tot rust te komen en de gedachte aan doodgaan uit je hoofd verjagen. Ik ben nogal koppig in mijn voornemen om met mijn leven door te gaan, ook al is dat soms moeilijk.”

Heb je ooit overwogen om naar Finland terug te keren?

“Tuurlijk. Ik woon in Brussel sinds 2008 en in het begin was het de bedoeling om ooit terug te keren, maar het is er nooit van gekomen. Ik wilde vooral niet dat de daders deze beslissing in mijn plaats zouden nemen en daarom zette ik door.

“Sanne, mijn advocate (Sanne De Clerck, red.), zei me dat ik voor het dossier een verklaring moest afleggen bij de politie. In het wijkkantoor stuurden ze me weg. Ze noteerden mijn naam en telefoonnummer en zeiden dat ik zou worden gecontacteerd door een andere dienst. Ik ging daarnaartoe, moest alles nog een keer uitleggen. Ook zij weigerden mijn verklaring op te nemen en gaven me het nummer van alweer een andere dienst. Bij de federale politie voelde ik me behandeld als een verdachte. ‘Waarom val je ons lastig? Wat is jouw bedoeling?’ Dat soort vragen. Dan zat ik daar weer te janken.

“Uiteindelijk ben ik op een vrouwelijke agente gestoten die me wel tot rust kon brengen. Ze belde me twee dagen na ons eerste gesprek. Mijn verklaring was vergeleken met de camerabeelden en ik bleek erg exact te zijn geweest in mijn relaas. De rechercheurs wilden me ontmoeten bij mij thuis, maar dat kon ik niet. Mijn appartement was al wekenlang een puinhoop en ik had niet de energie om het presentabel te maken. Maar eindelijk, na drie politiediensten en elf agenten gepasseerd te hebben, had ik mijn politieverklaring.

“Twee maanden na 22 maart stelde een psychiater de diagnose van posttraumatische stress. Ik kreeg dertig sessies EMDR-therapie (Eye Movement Desensitization and Reprocessing, red.) voorgeschreven, maar daarvoor moet je kunnen focussen, wat ik niet meer kon. Ik kon ook niet terug naar die ochtend, dat lukte gewoon niet. Ik ben zes keer geweest, maar intussen was ik een alleenstaande moeder en was mijn geld op. Ik viel in een depressie, begon zelfdestructieve neigingen te ontwikkelen. Ik kon de mentale problemen niet meer aan. Alles liever dan dat.

“Pas in november kreeg ik ook van Ethias te horen dat ik dan toch zou worden vergoed. Het had de zaken voor mij vergemakkelijkt als dat eerder was gebeurd. Als ik op die periode terugblik, denk ik: ik zou heel graag 22 maart herbeleven, in elk geval veel liever dan alles wat in de zeseneenhalf jaren daarna volgde.”

Zonder zichtbare blijvende verwondingen moest je constant het bewijs leveren dat je op die metro zat?

“Ja, dat was het. Naar díé dokter, en naar díé dokter, op verzoek van je werkgever, voor een zoveelste diagnose. Dezelfde vragen, altijd weer: ‘Wat scheelt er dan met je?’ (zucht) Waarom moest ik dit de hele tijd proberen te verklaren? Was ik wel voldoende slachtoffer? Daar kwam het de hele tijd op neer. Het was niet alleen moeten bewijzen, er kwam die eerste maanden ook geen enkele vorm van hulp.”

‘Was ik wel voldoende slachtoffer? Ik moest het niet alleen voortdurend bewijzen, er kwam die eerste maanden ook geen enkele vorm van hulp.’ Beeld Rebecca Fertinel
‘Was ik wel voldoende slachtoffer? Ik moest het niet alleen voortdurend bewijzen, er kwam die eerste maanden ook geen enkele vorm van hulp.’Beeld Rebecca Fertinel

Hoe gaat het nu met je?

“Ik heb leren leven met de paniekaanvallen, met de angst. Dat is nu eenmaal mijn leven in Brussel. Ik kijk steeds minder over m’n schouder. Slapen lukt de laatste tijd wel niet meer zo goed, nu het proces er zit aan te komen.”

Wat verwacht je ervan?

“Ik hoop dat het dat rottige gevoel uit mijn systeem helpt te halen. Ik wil er elke voormiddag naartoe. Ik ga daar gewoon zitten, niet goed wetende wat ik kan verwachten. Vraag me niet of ik specifieke vragen heb voor de verdachten, want die heb ik niet. Ik hoop alleen dat mijn werkgever me ontslaat. (lacht) Dat is de enige oplossing die ik momenteel zie.”

Je wilt ontslagen worden?

“De Belgische regering heeft geen enkele regeling uitgewerkt voor slachtoffers die het proces willen bijwonen. Stoelen zat, blijkbaar, in die rechtszaal, maar welke werkgever aanvaardt dat je als werknemer negen maanden lang afwezig bent vanwege een proces? Ik kan hun standpunt best wel begrijpen en ik kan proberen wat vakantie op te nemen, maar geen negen maanden. Dus ja, hopelijk ontslaan ze me en kan ik zoveel als mogelijk van het proces bijwonen. Mijn therapeut en ik hopen dat het iets teweegbrengt, al zie ik zelf nog niet zo goed wat dat zou kunnen zijn.”

In de rechtszaal kom je op enkele meters te zitten van Osama Krayem, de Zweed die zich ook hoorde op te blazen in je metro, maar ­ervoor koos om dat niet te doen.

“Ik voel me totaal emotieloos tegenover hen. Toen ik in de zomer van 2016 even thuis was, in Finland, zei een familielid dat ze hen allemaal haatte. Ik wist niet hoe te reageren, want ik heb dat gevoel helemaal niet. Sure, ik denk te begrijpen waarvoor zij voor meenden te moeten strijden, ook al ben ik het er helemaal niet mee eens. Ik weet ook niet of het zinvol is om dit te zeggen, maar ze deden het best wel goed. Ze bereikten wat ze beoogden: chaos en wantrouwen. Ze slaagden erin om mij de Belgische politie te doen wantrouwen en een hekel te krijgen aan heel veel zaken hier. Maar er zijn ook nog altijd te veel dingen hier in Brussel waar ik erg veel van hou.

“Wat Osama Krayem betreft: toen, zoveel jaar geleden, heb ik wel even gedacht: o, dank je om de inhoud van je rugzak in een wc weg te spoelen… Dat is wel een beetje een gekke gedachte natuurlijk.”

Jullie kunnen straks in de rechtszaal vlot met elkaar communiceren.

“Nee, ik ga geen vragen stellen. Ik ga daar zitten en luisteren. En hopen dat het iets met me doet. Weet je, ik realiseer me heel goed dat de aanslag geen persoonlijke aanval op mij was. Ik was er helaas toevallig. De manier waarop ik door de politie werd behandeld, was echter heel persoonlijk. Die constante afwijzing en gebrek aan steun. Partenamut heeft me in de steek gelaten, mijn werkgever heeft me shit aangedaan… Ook het noodfonds van de regering deed ons eerst door allerlei hoepels springen voor ze ermee instemden te helpen.

“Ik raak daar niet overheen: hoe anders had het kunnen lopen als er na de aanslag op een menselijkere manier was gehandeld? Volgens wat ik hoor is dit is het verhaal van zoveel slachtoffers van die vreselijke dag. En ik betwijfel sterk of er sindsdien iets is veranderd. Dus ja, de terroristen krijgen terecht de schuld voor 22 maart, en misschien denk ik te rationeel, maar er is voor mij een verschil tussen iets dat jou toevallig treft en iets dat op je wordt gericht.

“Ik zit me nu wel af te vragen wiens idee het was, die glazen boxen op het proces. Het was – laat ik het zo stellen – niet iets wat ik verwacht had te zien. Het was prettig te merken dat de Belgische overheid de slachtoffers een veilig gevoel wilde geven. Wat ik nu vooral hoop is dat het vanaf hier een beetje mag beginnen lopen zoals het was gepland.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234