Donderdag 01/12/2022

'Ik zie niets anders dan la Flandre profonde rondom mij'

In haar nieuwe roman Olympia viert Geertrui Daem (°1952) de teugels. Met veel gevoel voor het groteske borstelt ze de op- en neergang van een oer-Vlaams ondernemersgeslacht. Naijver en hoogmoed drijven de worstenfabriek van de rivaliserende broers Van Dale naar de afgrond; incest, ongeluk en zelfmoord stellen de bloedbanden nog meer op de proef. In dit kluwen van kleurrijke, robuuste personages fungeert de beeldschone Olympia als outsider. Een gesprek met de Gentse schrijfster over haar zwak voor la Flandre profonde, haar kinderlijk schrijfplezier én het voortdurende gevecht voor 'haar taal': 'Ik wil het tragische en het komische in één geut vatten.' Door DIRK LEYMAN

Geertrui Daem

Olympia

Van Halewyck/Wereldbibliotheek, Leuven/Amsterdam,

335 p., 19,50 euro.

Wie in Gent vanuit de viriele, eeuwig rusteloze Dendermondsesteenweg de Nijverheidsstraat indraait, heeft de sensatie om opnieuw adem te krijgen. Deze ietwat 'vergeten straat' nabij de Dampoort is begiftigd met een tegendraadse schoonheid. Fraaie gevelpuien en piekfijn gerestaureerde huizen wisselen af met benepen arbeiderswoningen in licht verval, jonge bewoners met creatieve beroepen wonen er schouder aan schouder met kromgetrokken besjes, bij wie de rauwe Gentse r nog in de keel bestorven ligt. De hardnekkige kasseien maken het plaatje compleet. Waar anders dan in deze biotoop kon Geertrui Daem, de seismografe van de volkse tongval, haar stek vinden? Sinds jaar en dag heeft de schrijfster zich aan de zoom van het oude Gent genesteld. "Ik ben hier perfect op mijn plaats", zegt ze, wanneer we in haar leefkeuken zitten, die net als de andere kamers van haar huis vol is gestouwd met smaakvolle parafernalia en objecten van eigen maaksel. "Dit is wat men vroeger een bediendenwoning noemde. De werknemers woonden hier onder de schouw van hun fabriek en in een paar tellen waren ze thuis." Intussen is de fabriek weg en wordt het zwaar vervuilde terrein achter haar huis bouwrijp gemaakt voor een park, maar de sfeer van Gent als fabrieksstad proef je hier nog op de tong. Af en toe doorkruist het gedender van een optrekkende trein ons gesprek. "Eigenlijk ben ik hier terug in mijn jeugd geslingerd", zegt Daem, met een gelooide stem die in staat is de fraaiste intonaties te leggen. "Net als in mijn geboortestad Denderleeuw, woon ik vlak achter de spoorweg. Ik besefte het pas ten volle toen ik hier al een paar jaar woonde. Ik wou zo graag weg uit Denderleeuw, maar kijk, zie mij hier nu zitten tussen het volk van de Dampuurte."

Als je Geertrui Daem in twee woorden moet typeren, dan wel dat ze een onbedwingbaar multitalent is. Haar huis lijkt overigens wel een miniatuurmuseum van al haar artistieke escapades, als schrijfster, actrice en beeldhouwster. Sinds één jaar is ze dan ook nog hartstochtelijk aan het schilderen geslagen. In elke verloren hoek staan er doeken opgetast en ze vormen een koddige, coloristische kakofonie van uit het leven gegrepen taferelen, vol indringende Vlaamse koppen. Het zijn echte, visuele voetnoten bij haar boeken.

Als schrijfster was Geertrui Daem een late roeping. Ze debuteerde op haar veertigste met Boniface (1992), een verhalenbundel over puberale meisjes die aan de wurggreep van een benauwend dorpsmilieu proberen te ontkomen. Vaker dan haar zelf lief was, werd Daem door dweepzieke critici meteen gebombardeerd tot de zoveelste nieuwe Louis Paul Boon. ("Ik heb de indruk dat ik tegenwoordig mijn Boon-kruis heb afgestaan aan Dimitri Verhulst", zegt ze met een schaterlach). Daem, die geen greintje kapsones koestert, liet zich niet op stang jagen en bleef haar eigen koers varen. Gestaag laboreerde ze aan verhalenbundels (Een vader voor Elizabeth) en romans zoals Koud en Het verdeelde huis, waarin ze het pittoreske en het folkloristische oversteeg en zich geregeld in de schemerzone tussen de kindertijd en de volwassenheid begaf. Haar handelsmerk werden vertellingen vol herkenbaar mededogen, met een portie snikken en grimlachjes. Tegelijk bleef ze trouw aan haar roots en gaf ze de volkse component in haar taalgebruik vrij spel. Maar ondanks nominaties voor AKO- en Librisprijzen, keerde de wind in de kritiek. Frank Hellemans sprak in Knack van "een naturalistische safari" en bordkartonnen personages. Arjan Peters schreef in de Volkskrant: "Het gevaar dat Daem besluipt is dat van het rotsvaste huwelijk tussen ironie en idioom." Daem, koeltjes: "Ik heb me daar nooit veel van aangetrokken. Het is pas vernietigend als de kritiek je begint te verzwijgen."

Haar nieuwe, volumineuze roman Olympia, intussen al haar dertiende boek, zal geheid opnieuw de voor- en tegenstanders van haar eigengereide woordenschat verdelen. In Olympia weifelt Daem tussen de finesses van de streektaal en een opgepoetst Nederlands. Het is gedurfd en onmodieus van Daem om uit te pakken met een ouderwetse familiesaga, in het teken van de boulogneworst en "geschreven in een roes van acht maanden". Groots opgezette familietaferelen tussen de jaren 1954 en 1958 en maar liefst 22 personages krijgen we voor de kiezen. Daem boetseert beklijvende portretten, het een al wat gedetailleerder dan het andere. Olympia, rijk aan verwikkelingen en voor- en tegenspoed, graaft diep in de Vlaamse mythes. Daem speelt gretig met typetjes en doorklieft weleens de grens van het groteske, maar weet vooral in het tweede deel de lezer op sleeptouw te nemen. Dan reduceert ze de omhooggevallen middenstandsfamilie Van Dale en hun maniertjes tot hun ware proporties, zeker als de mokerslagen van het lot zich koud laten voelen.

U hebt het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt door een volledig familiegeslacht in één boek te willen proppen. Wat was er eerst? De personages of het plan om iets met een salamifabriek te doen?

"Geloof het of niet, maar het boek is in één vonk ontstaan. Toen ik in een kraakpand in mijn eigenste straat een krantenartikel uit de Vooruit aantrof, wist ik dat ik prijs had. 'Een namiddag in een vleeswarenfabriek' was de titel van het knipsel en het was een gedetailleerd, sappig verslag uit 1955 over het bezoek van een journalist aan een Oost-Vlaamse salamifabriek. Op slag had ik mijn decor in mijn hoofd, zeker omdat er ook foto's bijstonden. Je zag de mollige bedrijfsleiders Maurice en Michel in hun morsige kielen tussen hun worsten staan en er waren onscherpe foto's van de droogtorens en van de grote hompen vlees die aan haken hingen. Ik zag het piekfijn voor me: hiermee zou ik het boek openen en de lezer meteen in de sfeer van de bloedworst onderdompelen.

"Ik wilde ditmaal een groot fresco schetsen. Voordien had ik uitsluitend met twee protagonisten gewerkt, nu zou ik me eens goed laten gaan. Die broers Maurice en Michel werden bij mij Robert en Roland. Voor de dramatiek moesten ze uiteraard rivaliseren en zouden ze elk een particuliere visie op het bedrijf hebben. Rondom hen kon ik een familieweb uittekenen. In een mum van tijd had ik mijn personages op papier. Het gaf me bovendien een immens schrijfplezier om in elk van hen een stukje van mezelf te stoppen. Op dat moment had ik ook de titel in mijn hoofd: Bloende (dialect voor salami, nvdr). Niet Olympia, maar Bloende, want in Bloende zat alles wat ik met het boek wou zeggen: de bloedband, maar ook 'bloeden' en 'bloeien'. Dat is niet doorgegaan. Geen van mijn beide uitgevers zag die titel om verkooptechnische redenen zitten. "Bloende, wat wil dat zeggen? Geen mens zal dat begrijpen", zeiden ze. Ik vond dat de perfecte titel, maar ik heb hem niet verkocht gekregen, zo simpel is het."

En dus werd de titel Olympia. Nochtans is zij maar een nevenfiguur?

"Olympia is de outsider, het buitenbeentje. De dochter van Robert is een heel ongrijpbaar meisje van 12 jaar. Ze is lichtjes autistisch, we zouden het nu een kind met een Aspergersyndroom noemen. Iedereen is voortdurend bezorgd over haar, zij is het personage aan wie iedereen refereert en aan wie het verhaal is opgehangen. Ze geeft een andere kijk op de meeste situaties en houdt eigenlijk afstand van alles wat er in de fabriek gebeurt. Zij is mijn meest menselijke personage. En uiteraard heb ik haar als contrapunt willen invoegen: zij beschermt de paarden, wil later paarden redden, terwijl haar familie leeft van het doden van paarden. Ze is ook psychisch zwaar gekwetst, omdat ze geen ethisch bewustzijn heeft. Wanneer haar bronstige neef Achilles, die verliefd op haar is, zich in een dronken bui aan haar vergrijpt, denkt ze dat het zo hoort."

Het boek speelt zich af in het midden van de jaren vijftig en culmineert in een familiebezoek aan de Expo 58. Uiteindelijk is de bloei van het bedrijf van korte duur?

"Oorspronkelijk wou ik het geslacht Van Dale laten evolueren tot vandaag. Ik zou het allemaal nog grootser en weidser aanpakken. Al schrijvende vond ik het uiteindelijk zo prettig om weer een sfeer en beeld van de jaren vijftig op te roepen, dat ik daarin ben blijven hangen. Toen kwam ook het idee om ze op het hoogtepunt van hun groei, met de Expo 58 ten onder te laten gaan."

U hebt zichtbaar veel research gedaan: niet alleen naar de vleesverwerkende industrie, maar ook naar Expo 58.

"Voor de eerste keer heb ik me grondig gedocumenteerd voor een boek. Ik ben gaan praten met de nabestaanden van de fabriek. Ik heb gesprekken gevoerd met beenhouwers en met paardenslachters. Ik ben in archieven over de Expo 58 gedoken. Het is speciaal hoe iedereen daar herinneringen aan heeft, hoe dat een soort droom van zelfoverschatting is geworden én een ijkpunt in de jaren vijftig. Ook dat wou ik erin stoppen: de broers gaan ook ten onder aan een zeker provincialisme, aan een misplaatste trots, aan een gebrekkig realiteitsbesef. Ze denken dat ze moderniseren, maar in feite houden ze zichzelf voor het lapje. En laten ze zich verblinden door de beloften van hun schoonzoon Edmond en zijn talent voor public relations. Hij versiert zelfs een plek voor het bedrijf op den Expo. Maar als puntje bij paaltje komt, blijkt het niet meer dan een soort 'reptielenaquarium' (lacht)."

U neemt de tijd om de personages te situeren, waardoor het boek wat traag op gang komt. Het tweede deel staat in het teken van de dramatiek: het ongeluk van Rolands zoon Achilles, die voorbestemd was om in het bedrijf te werken, en de zelfmoord van Liliane, een andere dochter van Robert.

"Het ongeluk van de ambitieuze playboy Achilles en de zelfmoord van de teruggetrokken Liliane breken de gezinnen, ook omdat de verhoudingen in de fabriek daardoor drastisch wijzigen. Zo is Roland lange tijd ontroostbaar en vlucht hij in de armen van zijn maîtresse Betty, met wie hij uiteindelijk een 'vervang'-zoon voor Achilles zal krijgen. Bovendien komen de vrouwen door deze gebeurtenissen meer op de voorgrond: zij nemen het zakelijke heft meer en meer in handen. Trouwens, ik kreeg vroeger vaak het verwijt dat de mannen in mijn boeken ofwel decor ofwel smeerlappen ofwel ongevaarlijke sullen bleken. Benieuwd wat ze nu zullen zeggen."

Is dat niet wat onwaarschijnlijk, al die ellende in zo'n korte tijd?

"Er gebeuren inderdaad veel tragische dingen, maar ik heb dat zo proberen aan te pakken dat het geen tragische, zwaarmoedige toestand wordt. Ik vermeng graag het groteske met het tragische of zo je wilt, het komieke met het dramatische. Dat zie je trouwens ook voortdurend in de dagelijkse realiteit. Het is een manier om om te gaan met onze onmacht tegenover dood, ziekte en tegenslag. Ik moet daarbij altijd denken aan een aangrijpend tafereel dat ik ooit ergens aan een frituur meemaakte. Een volksvrouw stond daar te vertellen hoe haar vader in haar armen gestorven was, heel aangrijpend, heel roerend allemaal, terwijl iedereen gewoon mee kon luisteren. Maar met een andere, harde stem bestelde ze ondertussen doodleuk een pakje friet met stoverijsaus. Het was alsof ze zichzelf ontdubbelde. Kijk, dat beeld maakt duidelijk wat ik wil schrijven: je kunt ongelooflijk in de put zitten, maar je moet toch verder, je moet toch aan je zelfbehoud denken. En dat tafereel was tragisch maar ook zeer lachwekkend. Daar gaat het mij om."

Uiteindelijk is Olympia weer een uitermate 'Vlaams' boek geworden: dat vlees als metafoor voor noeste wilskracht, die soms karikaturale koppen, de krachtige uitdrukkingen die u de personages in de mond legt, de knellende familiebanden...

"Salami was voor mij een soort pars pro toto voor het leven. Alles komt erin samen. Ik wist al vooraf dat het een door en door Vlaams boek zou zijn. Een ander wil ik ook niet schrijven, omdat ik gewoon mijzelf wil blijven en mijn thema's niet wil verraden. Bij elk boek moet ik daar bij mijn uitgevers voor vechten. Opvallend is dat ik nu een even grote strijd heb moeten voeren voor mijn taal dan ten tijde van mijn debuut. En dat vind ik wel grof. Ik begrijp dat niet goed. De mensen die een boek van Geertrui Daem kopen weten toch stilaan wat ze kunnen verwachten?"

Uw werk en taalgebruik hebben op zijn zachtst gezegd steeds zeer wisselende reacties opgeroepen. Voelt u zich soms niet in het hoekje van de Vlaamse folklore geduwd? Vanwaar die blijvende fascinatie voor la Flandre profonde?

"Het is alleszins merkwaardig dat mijn boeken in de Vlaamse kritiek vaak als 'gemakkelijk realisme' of als 'plezant Vlaams' worden afgedaan. (windt zich lichtjes op) Ik vind dat zo'n dooddoener, la Flandre profonde. In wezen zie ik niets anders dan la Flandre profonde rondom mij. Zowel in de stad als op het platteland is Vlaanderen niet zoveel veranderd als iedereen ons wil doen geloven. Bovendien gaat het mij veel meer om de binnenkant van de mensen, om de gedachten en de gevoelswereld van mijn personages. De mensen die ik beschrijf in 1958 hebben krek dezelfde inborst als wie nu rondom mij in de stad woont. De omgeving verandert misschien wel, maar de mentaliteit niet. Daar ben ik rotsvast van overtuigd."

Aan de flapteksten van uw boeken te lezen, vergaat het u eigenlijk beter in Nederland?

"Ook dat is dubbel. Het is niet toevallig dat ik in Nederland sterker wordt geapprecieerd dan in Vlaanderen, ik krijg zelfs een ruime beurs van het Nederlandse Fonds voor de Letteren. Toch zijn de Nederlandse redacteuren vaak zeer streng voor mijn Vlaams en willen ze er altijd maar aan zitten peuteren, tot er een verbasterd, onnatuurlijk Vlaams ontstaat. Ik vraag mij af hoe dat soms bij andere Vlaamse auteurs zit, mogen zij zich meer permitteren? Ik troost me ermee dat Louis Paul Boon en Leo Pleysier destijds ook op de vingers zijn getikt voor hun taal. En zou iemand als Dimitri Verhulst met zijn eigengereid Vlaams daar ook zo veel last van hebben? In dat opzicht heb ik veel aan mijn collega Erik Vlaminck. Wij zijn elkaars eerste lezer en behoeden elkaar weleens voor te plat Vlaams (lacht)."

Wijlen Herman De Coninck schreef in NRC-Handelsblad ooit dat er in uw verhalen geen kunstigheid zit. 'Daem pretendeert ook niet dat ze artistiek Nederlands schrijft. Ze laat de onhandige handigheid van haar dialect klinken en botsen. Ze moet het van haar rauwheid hebben, en van de rauwheid van haar mensen.'

"Daar kan ik mij nog steeds volmondig in vinden. Ik gebruik doelbewust het onhandige, het knarsende van de Vlaamse taal. Let wel: het harde maar soms ook het zeer genuanceerde. Er zijn in het Vlaams veel meer woorden om dingen te duiden dan in het Algemeen Beschaafd Nederlands. Ik speel graag met die dubbelzinnigheid. Ik ga nooit de spreektaal letterlijk overnemen, het mag niet plat realistisch zijn. Ik wil er als auteur een plastische kracht aan toevoegen. Als ik uitdrukkingen gebruik als 'schandaal maken', 'misterten' of 'gestampte boeren', dan is dat omdat ik dat ineens schoon vind en voel dat het op dat moment bij mijn verhaal hoort."

U hebt uw taal ooit omschreven als het BON, het Bewust Onzuiver Nederlands. Is dat ook geen manier om kritiek op uw taalgebruik te ontlopen?

"Daar lig ik echt niet wakker van. Of moet ik nu een verklarende woordenlijst achteraan in mijn boeken zetten? Dat zou ik toch maar een beetje onnozel vinden. Ik bekijk dat allemaal vanop een afstand. Kijk, toen ik destijds als de vrouwelijke Boon werd opgevoerd, was mijn uitgever Rudy Vanschoonbeek (bij wijlen Dedalus, DL) de eerste om me te waarschuwen: 'Trek je dat niet te veel aan, want elke debutant wordt vergeleken met een illustere voorganger. Pas je tweede boek gaan ze met je eerste vergelijken.' Ik weet nog goed dat mijn tweede boek een toneelstuk was en er dan koppen verschenen: 'Daem ontwijkt handig de kaap van het tweede boek'. Tja. Zoiets lijkt me allemaal eerder een gezelschapsspel onder critici. Weet je wat me meer plezier doet? Reacties van lezers. Zo kreeg ik onlangs een mail van een psychotherapeut die mij bedankte voor mijn verhalen. Hij gebruikte ze bij vrouwelijke klanten en het hielp hen om met hun verleden in het reine te komen. Dat had ik nu zelf nooit in mijn verhalen gezien. Het deed me wel beseffen dat het een van de ambities is die ik bij het schrijven heb: troost bieden en de werkelijkheid een beetje lichter maken."

Het neemt niet weg dat u erg veel plezier put uit het schrijven, zoals u daarnet al suggereerde.

"Zeer zeker. Het schrijfplezier is voor mij fundamenteel. Toch vraag ik me af of ik nog zou schrijven, mocht ik niet meer gepubliceerd worden. Allicht omdat schrijven slechts een van mijn artistieke uitingsvormen is. Schrijven is een manier om wat mij omringt een plaats te geven. Ik maak ook nog beelden, sinds één jaar schilder ik, ik speel theater: ik heb kanalen genoeg. Soms wil ik ook alles tegelijk doen. De buitenwereld vindt dat soms vervelend, omdat ze je niet kunnen vastpinnen. Maar voor mij is het ook essentieel om geen compromissen te sluiten met de buitenwereld. Ik wil alleen doen waar ik zin in heb. Die vrijheid geef ik mijn hele verdere leven niet meer af."

DIRK LEYMAN

'Ik kreeg vroeger vaak het verwijt dat de mannen in mijn boeken ofwel decor ofwel smeerlappen ofwel ongevaarlijke sullen bleken. Benieuwd wat ze nu zullen zeggen'

'Opvallend is dat ik nu een even grote strijd heb moeten voeren voor mijn taal dan ten tijde van mijn debuut. En dat vind ik wel grof'

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234