Zondag 04/12/2022

InterviewLust & liefde

‘Ik zei beslist dat we zijn geschenk niet nodig hadden. Daar heb ik nog steeds spijt van’: het liefdesverhaal van Joseph en Marja

null Beeld Sasa Ostoja
Beeld Sasa Ostoja

Corine Koole sprak met twee mensen die een zomer smoorverliefd op elkaar waren. Hoe ging het verder? En hoe kijken ze daar nu op terug? Deze week: Joseph (77) en Marja (76) over hun zomer in 1963.

Corine Koole

JOSEPH

“Antwerpen, 1963. Op een dag verscheen ze in de eetzaal van het pension waar ik woonde met volwassen mannen en studenten van verschillende nationaliteiten. Ik was Grieks, zij een Nederlandse blonde engel, op bezoek bij haar strenge vader. Ze zou een paar weken blijven om zich voor te bereiden op haar eindexamen, ik herinner me haar binnenkomst nog goed. Iedereen keek op, maar niemand durfde haar aan te spreken, haar vader schermde haar af. Daar hoefde hij overigens niet veel voor te doen, zijn imposante aanwezigheid naast haar was al genoeg. Over onze borden loerden wij naar haar, maar zij keek alleen naar mij. Onze ogen kleefden aan elkaar, ik verdronk in de hare en verloor op slag de wens om te leren zwemmen. Vier tafels met studenten, haar vader de geslaagde zakenman, en zij. Soms sloegen zij en ik onze blik even neer, om elkaar daarna meteen weer aan te kijken, woordeloos.

“De volgende ochtend verscheen ze opnieuw in de eetzaal en ’s avonds voor het diner weer, en telkens herhaalde zich datzelfde ritueel. We keken elkaar aan, probeerden elkaar met onze ogen een bekentenis te ontlokken. Zo ging het weken achtereen, zonder elkaar ook maar één keer aan te spreken. Net zo lang tot ze weer naar Nederland vertrok. Ik was te verlegen om behoorlijk afscheid van haar te nemen. Het gekke was: ik was pas achttien, maar toen al op zoek naar de grote liefde, en vanaf het eerste moment dat ik haar zag, wist ik dat zij het was.

“Bijna alle weekenden toen ze bij haar vader verbleef, sleet ik in de dancing nabij het pension, in de ijdele en naïeve hoop dat ze zomaar ineens binnen zou komen wandelen. Precies als die eerste dag in de eetzaal, beeldschoon en nu wel benaderbaar. Natuurlijk wist ik dat haar vader haar nooit zou laten gaan. Maar zelfs toen ze terugging naar haar moeder, kon ik maar met moeite de hoop opgeven haar terug te zien. Een maand later werd haar vader ziek. Daarvoor ben ik hem nog steeds dankbaar. Want op een dag was ze er plots weer, om voor hem te zorgen. Weer zat ze vlakbij in die eetzaal en weer keken we elkaar aan en zwegen we. Later vertelde ze dat ze met haar oor tegen de deur van haar kamer stond als ik op de gang aan het bellen was met mijn familie; ze hield van mijn stem. Ook al had die zich nog nooit tot haar gericht.

“Waarschijnlijk hadden we nooit iets tegen elkaar gezegd als mijn kleine achtjarige zusje niet was komen logeren. Zij had me snel door en drong erop aan dat ik Marja Spaanse les zou geven. Dat zou haar goed van pas komen als ze die zomer naar Californië zou gaan en zo belandden we met zijn tweeën op mijn kamer. Haar vader zag het met lede ogen aan en testte na iedere les haar vorderingen. En toen ze na les drie nog steeds niet verder was dan ‘Alberto va a París’, groeide zijn argwaan. Wij tweeën praatten intussen honderduit over onze beider gecompliceerde familiesituatie en ik had moeite te ademen, zo dichtbij was ze ineens. We hadden een vergelijkbare gevoeligheidsgraad.

“Van onze eerste zoen op het Centraal Station in Antwerpen herinner ik me naast de grote tederheid vooral de vergezichten die deze kus bood op alle zoenen die nog zouden volgen. Ik ben blij dat ze altijd begrip heeft gehad voor mijn Griekse jaloerse natuur. Ik had haar het liefst in een doosje willen doen. Toen het vriendje met wie ze het voor mij had uitgemaakt naar Antwerpen kwam om afscheid te nemen, stond ik erop haar te vergezellen en toen hij haar een cadeautje gaf, zei ik beslist dat we zijn geschenk niet nodig hadden. Daar heb ik nog steeds spijt van, stomme macho Griek. Maar ik was jong en onzeker en wist nog niet hoe Hollandse jongeren dachten.

“Met haar vader pakte ik het beter aan. In een brief liet ik hem weten dat ik nooit tussen hem en zijn dochter in zou staan en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken over mijn intenties, al was dat laatste natuurlijk een leugen: ik had haar het liefst met huid en haar willen verslinden op een manier waar vaders liever niets van weten. Sinds die eerste zoen zijn we een koppel. Haar plannen om na haar examen naar de VS te gaan, heeft ze laten varen en ik heb mijn schrijverschap eraan gegeven en ben vertaler geworden om er zeker van te zijn dat ik een gezin kon onderhouden. Onze liefde is na bijna 60 jaar onverminderd groot. Ook al manifesteert die zich wat rustiger en heeft de grote passie het gezicht van tederheid gekregen. Laatst vroeg onze vijfjarige kleindochter: wie van jullie gaat het eerste dood? We keken elkaar aan en glimlachten en hebben geprobeerd een voor haar zo aanvaardbaar mogelijk antwoord te formuleren. Maar ik weet, Marja verdwijnt pas als ik er zelf niet meer ben om de herinnering levendig te houden.”

MARJA

“Het was 18 april 1963. Mijn ouders leefden gescheiden, ik woonde in Amsterdam en mijn moeder had me voor mijn eindexamen naar mijn vader in Antwerpen gestuurd: daar lukte het vast beter om me te concentreren dan tussen mijn broers en zussen. Ik zat op de handelsschool. Mijn vader woonde in een pension met studenten en de eerste avond dat ik aankwam, aten we met zijn allen aan grote tafels. Ik kwam de eetzaal binnen en voelde een vijftiental ogen op me gericht, mijn vader was een imposante man die ze De Hollander noemden. Ik voelde hen denken: De Hollander heeft een maîtresse opgedaan. Ik durfde mijn ogen nauwelijks op te slaan, maar Joseph, die aan een tafel schuin tegenover me zat, staarde me nieuwsgierig aan, de hele maaltijd. Ik herinner me zijn grote ogen, die bijna uit de oogkassen leken te vallen. Hij was mager, het eten was slecht in het pension. Er zat iets verlegens in zijn blik. Thuis in Amsterdam had ik een vriend met wie ik me binnenkort zou verloven en Joseph had ook een meisje. Maar dat weerhield hem er niet van mij aldoor aan te kijken. Dat ging een maand zo door. Iedere maaltijd begon en eindigde met staren, zonder iets te zeggen. Mijn kamer was aan de straatkant van het pension en ’s avonds hoorde ik hem buiten met andere studenten praten. Hij sprak Frans met een prachtige stem. Ik werd verliefd, en het eerste wat ik na thuiskomst deed, was breken met mijn aanstaande verloofde. Het leek me geen goed teken als je zo van slag kan raken van een ander.

“Toen werd mijn vader ziek. Ik bood aan terug te gaan om hem te verzorgen. En daar zat Joseph weer op dezelfde plek aan tafel waar hij altijd zat, het aldoor kijken begon opnieuw. Hij had een klein zusje van acht dat in Antwerpen op een internaat zat maar in de weekenden vaak bij hem logeerde. Met haar sprak ik wel, ik vertelde dat mijn vader een groothandel in sinaasappelen had, en ik die zomer een paar maanden naar Californië zou gaan en om me voor te bereiden Spaans wilde leren. O, dat komt goed uit, zei ze, mijn broer spreekt Spaans. En op een avond na weken zwijgen hield hij mij staande in de gang. Hij had gehoord dat ik Spaanse les wilde, dat wilde hij mij wel geven. ‘Alberto va a París’: verder dan die ene zin zijn we niet gekomen, ook al zat er al snel een stevig ritme in onze Spaanse lessen. Mijn vader vertrouwde het niet. ‘Die Griek is een gevaarlijke man’, zei hij. Na iedere les wilde hij weten wat ik geleerd had, en een keer riep hij boos uit: ‘Maar die zin vertelde je me gisteren ook al. Ga jij maar terug naar Amsterdam.’ Intussen had de vriendin van Joseph me te eten uitgenodigd, ze dacht dat ik me verveelde in mijn eentje bij mijn vader. Samen gingen Joseph en ik naar haar toe, en op de terugweg, in de wachtruimte op het Centraal Station van Antwerpen, pakte hij me vast en zoende me en zei: ‘Ik ga het met haar uitmaken, wij gaan samen verder.’

“Mijn vader schreef hij een brief, maar veel zal die er niet van begrepen hebben, want mijn vader sprak geen Frans. Maar hij waardeerde het gebaar, gaf zijn toestemming en ons leven begon. Het viel me op hoe liefdevol Joseph over zijn familie sprak, hij was een man die even gevoelig was als ik. Ook in mijn latere leven heb ik de sensitiviteit nooit meer bij andere mannen gezien. Hij koos er bewust voor om geen arts te worden, want dan zou hij nooit bij zijn gezin kunnen zijn. Natuurlijk waren er veel culturele verschillen; dat de Grieken ervan uitgaan dat mannen niks te zoeken hebben in de keuken, was er maar een van. Ik was vermoedelijk de eerste vrouw in Den Haag met een afwasmachine: het ging Joseph te ver om zelf een handdoek te pakken, maar begaan als hij was, zag hij ook wel in dat hij mij niet in mijn eentje met het huishouden kon opzadelen. En dan die jaloezie van hem. We hadden dansles. Ik zwierde in zijn armen, tot de dansleraar zei: ‘Changez!’ Het duurde even voor Joseph begreep dat hij me aan de armen van een willekeurige vreemde moest toevertrouwen, maar toen zei hij: ‘Kom we gaan. Nu.’ En ik liep lachend met hem mee.

“We zijn nu 55 jaar getrouwd, ik heb niet één keer gedacht: ik heb er genoeg van. Elk jaar op 9 september, onze trouwdag, gaan we samen eten en dan praten we over hoe het gaat tussen ons, of er iets is wat we missen. Intussen helpt hij ook alweer jaren in de keuken. Wat doe je, riep zijn vader de eerste keer toen hij dat zag. Joseph overlaadt me nog dagelijks met kleine attenties en rozen. En toen ik zeer ernstig ziek was, sliep hij wekenlang naast me. Ik denk echt dat hij me daarmee in leven heeft gehouden.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234