Woensdag 20/01/2021

Zij waren onschuldig

"Ik zat 31 jaar onschuldig in de gevangenis"

De boerderij in de wijk Heimolen in Sint-Niklaas, waar vader Frans Van Huffel zich verhing. Beeld Stefaan Temmerman

Een toevallige vondst op een rommelmarkt bracht ons op het spoor van Jos Cels (1923-2003), journalist en verbeten strijder tegen gerechtelijke dwalingen. In deel 4: ‘Ik zat 31 jaar onschuldig in de gevangenis.’

Nadat Jos Cels, moegestreden, 16 jaar lang heeft proberen wegkijken van al dat onrecht om hem heen, staat hij er in 1979 opeens terug met zijn magnum opus. Het verhaal van boer Leon Van Huffel, die op advies van zijn advocaten een moord bekende die nooit werd gepleegd.

“Kijk”, zegt Mia, Jos Cels’ weduwe. “Dit zijn Leon en Clara voor. En dit, op de foto onderaan, zijn Leon en Clara na.” Tussen de twee foto’s op de kaft van het boek is de titel eerder een kreet: ‘Ik zat 31 jaar onschuldig in de gevangenis.’

Anders dan nu is er in die jaren weinig glamoureus aan een bestaan als gerechtsverslaggever. Louis De Lentdecker, juridisch chroniqueur bij De Standaard, schrijft in 1985: ‘De juridische verslaggeving had een enorm populair succes, maar haar beoefenaars kregen in de journalistiek zelden de waardering die hen toekomt. Jos Cels behoort tot de kleine groep die, miskenning en onbegrip van alle kanten ten spijt, bleef zoeken naar wat duister en onduidelijk bleef.’

Mia: “Jos heeft zich jarenlang in deze zaak verdiept. Hij heeft gezworen: ‘Ik haal dieje mens eruit.’  Ook deze keer heeft hij woord gehouden.”

Van de boer die sterft

De zaak-Van Huffel speelt zich in maart 1947 af in de wijk Heimolen in Sint-Niklaas. Het verhaal is ontroerend in z’n eenvoud.

Jos Cels schrijft: ‘Het had gesneeuwd en de velden in het Waasland lagen gehuld in een vacht van witte dons. Zoals elke ochtend was Leon met zijn jongere broer reeds om zes uur uit de veren. Zij hadden mekaar eerst met sneeuwballen bekogeld en waren nadien aan hun dagelijks werk begonnen: de stallen uitmesten, vers stro aanhalen en vervolgens de koeien melken.’

Maar het gaat niet goed met vader Frans Van Huffel. Hij sukkelt met zijn gezondheid en dat doet ook Maria, zijn echtgenote. Hij heeft al jaren ruzie met zijn zus, en sinds kort ook met zoon Leon. Die is verliefd geworden op Clara, een boerendochter uit Kallo. Met de steun van haar vader is besloten dat het jonge koppel een eigen boerderij gaat beginnen op de grens van Kallo en Verrebroek. Want daar, heeft Leon gezegd, “is de beste poldergrond van heel België”.

Overtuigd als hij is dat alles en iedereen tegen hem samenspant, kampt Frans Van Huffel al een tijdje met suïcidale gedachten. Hij heeft zelfs al een poging ondernomen. Waarna, zo schrijft Jos Cels
‘de huisdokter hem had opgemonterd en laten verstaan dat mensen gelijk wij zulks niet doen’.

Op dinsdag 10 maart 1947 is het toch zo ver. Leon treft het lichaam van zijn vader aan, bengelend aan een dwarsbalk in de schuur. 56 jaar oud slechts is boer Frans geworden.

Leon fietst naar Sint-Niklaas, verwittigt onderpastoor Paul Pannekoek, zodat die de heilige oliesels kan toedienen. Daarna fietst hij naar de huisdokter, die zelf ziek te bed ligt. Hij moet een andere arts zien te vinden. Als hij terug op de boerderij is, kruist hij de pastoor die net zijn ritueel heeft afgerond.

Jos Cels: ‘De geestelijke had weduwe Van Huffel de sterke raad gegeven de wanhoopsdaad te verzwijgen. Niet alleen om moeder Van Huffel met haar vijf nog huwbare kinderen de schande te besparen, maar ook omwille van de kerkelijke begrafenis. Zelfmoordenaars komen immers niet in de kerk.’

Het overlijdensattest, opgesteld door een arts die boer Frans nooit eerder heeft gezien of onderzocht, vermeldt: "Kanker aan maag en darmen."

Het lichaam wordt later die dag afgelegd door kloosterzusters Imelda en Maria. Zij zijn directe getuigen op de veronderstelde plaats delict. Hun getuigenissen zullen achteraf van kapitaal belang zijn.

Anonieme brief

Op de eerste dag van het nieuwe jaar 1948 landt er een kleine enveloppe in de postbus van de bijzondere opsporingsbrigade (BOB) bij de rijkswacht in Sint-Niklaas. De letters zijn aangebracht met een schrijfmachine, kwestie van geen handschrift te verraden: ‘Ik heb gehoord dat gij zoekt achter inlichtingen over Van Huffel of Van Nuffel, ik weet niet goed hoe zijn naam geschreven wordt, maar zoekt maar voort want ik ben zeker dat hij geen natuurlijke dood gestorven is. Zijn zoon die ergens in de polder woont zal wel weten hoe hij zijn vader afgemaakt heeft. Ik schrijf deze brief en teken hem niet omdat ik in die zaak niet wil tussen komen.’

De plaats delict.Beeld RV

Leon en Carla zijn inmiddels gehuwd, ze werken aan hun droom. Op maandag 5 januari hebben ze in Kallo hun eerste varken geslacht, een kanjer van 160 kilo. Carla heeft tot diep in de avond pensen gedraaid en Leon heeft speciaal voor zijn moeder de beste koteletten en stukken gebraad uit het karkas gehakt. De volgende dag, driekoningenfeest, zitten Leon en Carla bij de familie in Heimolen rond de Leuvense stoof als er op de deur wordt gebonkt.

“Bee-o-bee! Opendoen!”

Leon Van Huffel schrijft Jos Cels later vanuit de gevangenis: ‘In de kazerne toegekomen, moest ik als een misdadiger de veters uit mijn schoenen halen en al mijn zakken ledigen. Daarna werd ik zonder boe of ba in een cel gestopt die vuiler was dan een varkenshok.’

De bekentenis

Tijdens de marathonverhoren staan er bij momenten zes rijkswachters tegelijk in Leon Van Huffels oren te toeteren: “Wij weten dat ge ’t hebt gedaan! Ontkennen heeft geen enkele zin!”

Leon blijft ontkennen, hij blijft erbij dat zijn vader zich heeft verhangen. Op zaterdag, na vier dagen verhoren, gaat de boer door de knieën. Jos Cels citeert het proces-verbaal: ‘Ik verander mijn verklaring en zal de waarheid zeggen.’

Die waarheid komt hierop neer dat Leon en z’n vader die ochtend zouden zijn beginnen vechten en samen al knokkend een ladder hebben beklommen, waar Leon dan op zeker ogenblik kans zag om een strop rond de hals van zijn vader te knopen en de ladder weg te duwen. Zo staat het er, zwart op wit.

Jos Cels schrijft:
‘De geschiedenis van de Belgische rechtspleging heeft ons geleerd dat een verdachte door afmattende ondervragingen en door harde bedreigingen gemakkelijk tot bekentenissen kan gedwongen worden. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat Leon zijn verklaringen verzon naarmate hij ze aflegde.'

Als Leon Van Huffel voor de onderzoeksrechter wordt geleid, komt hij met een nieuwe versie. Nu bekent hij dat hij z’n vader eerst heeft gewurgd en daarna opgehangen. Twee wetsdokters zijn aanwezig tijdens de bekentenis, en zullen er later hun expertiseverslagen woordelijk op afstemmen. Ook al trekt Van Huffel zijn bekentenis twee dagen later alweer in.

Hij maakt de zaken voor zichzelf alleen erger als hij, tot wanhoop gedreven, op 21 maart 1948 probeert zich op te hangen in zijn cel. Het openbaar ministerie ziet er een alle laatste twijfels wegblazende schuldbekentenis in.

Enkele dagen hierna schrijft Leon nog een brief aan de onderzoeksrechter: ‘Ik zweer bij het licht mijner ogen, ik heb mijn vader niet gedood. Ik ben geen vadermoordenaar. Ik ben onschuldig gevangen. Hopende, Mijnheer, dat U aan mijn schrijven gevolg zult geven.’

Het proces

Tijdens het assisenproces in Gent, van 2 tot 3 december 1948, pleit Leon Van Huffel schuldig. Hij doet dat op advies van zijn advocaten, die de kans op een “redelijke straf” hoger achten dan een vrijspraak. Ze weten ook Clara te overtuigen, het is zij die Leon overstag heeft doen gaan, argumenterend dat het werk op de boerderij erg zwaar is voor een vrouw alleen en ze ook geen heel leven kan wachten.

Jos Cels verwerft achteraf inzage in de correspondentie tussen Van Huffel en zijn advocaten in de aanloop naar het proces. Hij schrijft: ‘Leon vindt het erg de schuld op zich te nemen en vraagt zich af of er geen tussenweg kan gevonden worden, namelijk dat hij zijn vader bijvoorbeeld gedurende een gevecht onvrijwillig heeft gedood. In een postscriptum rijst echter een sterke twijfel: ‘Wat gebeurt er als de aangestelde wetsdokters de waarheid vaststellen? ’t Is te zeggen, dat vader zich verhangen heeft?’’

Het magnum opus van Jos Cels, met Leon Van Huffel en zijn vrouw Clara op de cover, voor en na zijn celstraf.Beeld rv

Op het proces probeert Leon Van Huffel het nog met alweer een nieuwe tussenversie, waarop de procureur-generaal Stévigny hem toebijt: “Kijkt naar uw handen! Daaraan kleeft het bloed van uw vader!”

Leon Van Huffel wordt veroordeeld tot levenslange dwangarbeid.

In het boek citeert Jos Cels ook uit de brieven die Leon en Clara elkaar in de jaren daarna sturen. Waarin Clara aanvankelijk vooral zichzelf vervloekt. Dat ze nooit naar die advocaten had mogen luisteren.

‘Leon, ik ben verleden week bij U thuis naar de jaarmarkt geweest. Maar toch is dat geen jaarmarkt. Er mankeert iemand. Dat zijt gij, Leon.’

‘Ik vraag zo dikwijls aan Onze Lieve Heer om toch een straaltje zon in mijn huis te laten schijnen.’

‘De dag dat gij voorgoed naar huis komt moet weer een eerste huwelijksdag zijn. Dan beginnen wij samen weer een nieuw leven op te bouwen, nog schoner en met nog meer liefde. Dat is mijn grootste verlangen.’

De ontdekking

Mia zegt dat ze geen idee heeft hoe haar man het klaarspeelde: "In elk geval, op een gegeven moment had hij een kopie van dat dossier. De hele strafbundel. Nacht na nacht heeft hij daarin zitten bladeren, aantekeningen makend (lacht). En maar sigaretten roken tussendoor, de ene na de andere."

Jos Cels ontdekt iets. Iets extreem belangrijks.

Over de twee nonnen zegt de akte van beschuldiging te lezen dat zij, hoewel erg vertrouwd met lijkenverzorging, niets hebben opgemerkt dat wees op verhanging. Dat was ook de teneur op het hele proces, waar de twee nonnen om die reden niet eens waren opgeroepen als getuigen, net zo min als zijn broer Willy.

Maar kijk hier, stelt Jos Cels vast: helemaal aan het begin van de procedure zijn zusters Maria en Imelda ondervraagd door de onderzoeksrechter. Hun verklaringen zijn op papier gezet door de griffier.

Zuster Maria: ‘Ik heb rondom de hals onduidelijke inprentingen vastgesteld. Ik heb dan aan weduwe Van Huffel gevraagd of haar man zich verhangen had, waarop de vrouw bevestigend antwoordde. Ik heb haar toen gezegd dat zij ons dit vooraf had kunnen mededelen.’

Zuster Imelda: ‘We hebben een indrukking rondom de nek vastgesteld. Zuster Maria heeft dan aan de weduwe gevraagd of haar man zich opgehangen had.’

Jos Cels is gaan praten met de arts die het overlijdensattest opstelde. Die stelt nu een schriftelijke verklaring op: ‘Mijn indruk was dat wij stonden voor een zelfmoord door verhanging.’

Onteigend

Leon Van Huffel was onschuldig. En zo te zien is hij niet de enige die dat beseft. De gevangenispsychiater in Leuven-Centraal heeft hem al meermaals een vervroegde vrijlating voorgespiegeld in ruil voor een verklaring van "berouw" en "schuldinzicht". Het voorstel is door Leon telkens met woeste gebaren afgewezen. Hij wil al helemaal niet meer vrijkomen.

Dat blijkt ook als Jos Cels eind 1966 met een petitie naar de Senaat trekt en de verkozenen smeekt om naar het op het proces achtergehouden bewijsmateriaal te kijken. Er volgt een brief van Leon Van Huffel zelf, die aan de krant Het Volk schrijft: ‘Ik laat mij niet verhandelen als een stuk vee of een slaaf. Ik weiger om het even welke vrijstelling. Ik heb het recht de straf volledig uit te doen, in mijn geval levenslang. Ik heb have en goed en echtgenote verloren, dus is er maar een levensdoel over voor mij. Eerherstel.’

In zijn chronische staat van razernij heeft Leon ook gebroken met Clara, nadat zij hem heeft geschreven dat de boerderij is overstroomd tijdens een voorjaarsstorm en ze zich echt geen raad meer weet.

Mia: “Op een gegeven moment zijn Leon en Clara toch weer beginnen schrijven. Jos is de zaak aanhangig blijven maken bij allerlei instanties. En kort voor het boek zou verschijnen, is het gebeurd. Leon kwam vrij, zonder dat hij een genadeverzoek of zo heeft moeten ondertekenen. En dus gingen wij op bezoek bij die mensen. Jos wilde hem als eerste het boek overhandigen. Toen zei die man: 'Nu gade gij er nog een beetje geld uit kloppen ook, of wat?' Hij eiste zijn deel van de winst die er helemaal niet was, integendeel. Jos deed dit als hobby."

Leon had snel genoeg andere zorgen. Nog voor hij thuis kon komen, werd de hoeve in Kallo onteigend voor de bouw van de Kallosluis. Leon, moegestreden, overleed in 1983.

In deel 5: de onverkwikkelijke zaak-Pepermans.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234