Woensdag 19/01/2022

'Ik zal mijn naasten nog lang tot last zijn'

In de reeks 'Oude schrijvers gaan niet dood' laat Margot Vanderstraeten de vaders en moeders van de Nederlandstalige literatuur uitgebreid aan het woord over de kern van hun bestaan, vroeger en nu. Nadat ze eerder op bezoek was geweest bij Jos Vandeloo, Ward Ruyslinck, Paul de Wispelaere, Hella Haasse, Ivo Michiels en Hugo Raes ging ze Harry Mulisch opzoeken.

W.F. Hermans stierf in 1995. Vorig jaar overleed Gerard Reve. Harry Mulisch is de enige van de Nederlandse Grote Drie die nog in leven is. Op 27 juli viert de schrijver zijn tachtigste verjaardag. 'Nou ja, tachtig worden is vreselijk. Maar géén tachtig worden is nog vreselijker.'

Door Margot Vanderstraeten

Harry Mulisch woont, dat geheim is zo publiek dat het gerust nog een keer in de krant mag, aan de Leidsekade in Amsterdam. Niet dat zijn huis zo makkelijk te vinden is. De Leidsekade wordt in de staart geknipt door het gelijknamige plein, en het is in dit wat verloren aanhangsel dat Mulisch woont en werkt. Bovendien bevindt zijn ruime en lichtrijke pand zich achter een deur die zo goedkoop en smakeloos oogt dat je je onmogelijk kunt voorstellen dat het aan deze verweerde plank is dat je moet aanbellen om over de drempel van de meester én verdediger van de goede smaak te geraken.

"Nou kom binnen. En u bent niet de enige die moet zoeken, hoor. Deze straat zorgt altijd voor verwarring. Of ze dit deel van de kade niet beter Harry Mulischstraat zouden noemen, vraagt u? Nou, dat lijkt me een goed idee. Dan is de zaak meteen voor iedereen helder. Dit stukje straat leent zich overigens uitstekend tot deze naamswijziging! Slechts een tiental gezinnen zal van briefpapier en visitekaartje moeten veranderen, en de rest van Amsterdam voelt er niets van. Dat is toch ideaal, nietwaar?"

Typerender kan de inleiding van het interview amper zijn. Mulisch houdt van zichzelf en speelt die eigenliefde graag uit. De ene keer wint de ironie het spel. De andere keer lijkt de ernst de overhand te hebben. Maar zelfs dan schemert er een moeilijk definieerbare vorm van humor door. Ook dát alles is Mulisch ten voeten uit: "Het leven is een paradox, en ik ook."

U zegt dat u het wel prettig zou vinden als een straatnaam naar u wordt vernoemd. Dat betekent, denk ik, dat u vindt dat u als auteur in deze samenleving een rol hebt gespeeld die deze erkenning waard is. Waar plaatst u zichzelf in deze maatschappij? En waar plaatst u de rol van de schrijver, de literatuur?

"Ik kan van mezelf toch niet gaan zeggen dat ik de grootste Nederlandse schrijver ben. U kunt dat zeggen. U móét dat zeggen. (lacht, en ook weer niet) Want natuurlijk heb ik een rol gespeeld, en ik speel die nog steeds. Ik ben een groot schrijver. Ik weet alleen niet of dat nu echt eenzijdig mijn verdienste is. Ik ben nooit schrijver geworden. Ik bleek het op een zeker ogenblik gewoon te zijn. Dat 'zeker ogenblik' staat me nog scherp voor de geest. Ik was achttien, toen ik het licht zag. ('Ik was achttien, toen er gebeld werd.' is de eerste zin van Mulisch autobiografische bundel Voer voor psychologen, 1961, mvds). Ik kwam langs een huis in Haarlem, er klonk pianomuziek uit het raam. Ik keek naar binnen en zag wanden vol boeken. Het vertrek fascineerde me. De aantrekkingskracht van die kamer, van die boeken omgeven door muziek, ze lieten me niet los. Ik kreeg de ingeving over deze ruimte een verhaal te schrijven. Dat was niet vanzelfsprekend. Nooit eerder had ik iets geschreven. Nooit eerder was ik van plan geweest om mijn fantasie op papier te zetten. Maar zo is het dus gekomen.

"Ik schreef het kortverhaal 'De kamer', over een jongeman die dagelijks voorbij een huis komt met een kamer waarin piano wordt gespeeld. Op een dag vertrekt de man op reis, hij trekt de wereld in, het avontuur tegemoet. Een heel leven blijft hij weg. Pas als hij stokoud is, keert hij terug naar zijn geboortedorp. Daar huurt hij een kamer. Het is kamer van de pianomuziek en de boeken. Het blijkt de kamer waarin hij ongeneeslijk ziek zal worden en zal sterven. Daarin lag dus die onverklaarbare aantrekkingskracht: de kamer trok hem bij leven aan, omdat het de kamer van zijn dood zou worden. Ziet u ook de paradox? Dat het leven, mijn leven als schrijver, in onmiddellijk verband met die sterfkamer staat?

"'De kamer' is in Elseviers Weekblad verschenen. Dat was in 1947. Een goed moment. Ik was in die tijd radeloos, zo vlak na de oorlog. Ik was van school gestuurd; het eindexamen van de middelbare school heb ik niet afgelegd. Er was ook geen geld om verder te studeren, al wou ik graag chemicus worden. In die jaren was er geen geld. Mijn ouders waren gescheiden, ik woonde bij mijn vader. Nu ja, ik woonde met de Poolse huishoudster, die bij ons 'inkwartierde'; mijn vader zat in een interneringskamp in Amsterdam, als straf voor zijn collaboratie. Hij was al te bevriend met de Duitsers en leidde een bank die verplicht ingeleverde joodse bezittingen beheerde. Ik heb hem voor die collaboratie nooit gehaat. Hoe kon ik? Het was dankzij zijn goede relaties met de hoge Duitse kringen dat hij mijn moeder heeft gered. Als paradox kan dat tellen.

"Want u weet het, ik heb het al vaker gezegd. Ik bén de Tweede Wereldoorlog. Zowel de agressor als het slachtoffer zitten in mijn bloed. Ik ben de zoon, het enige kind, van een Oostenrijks-Hongaarse vader en van een Duits-joodse moeder. Mijn moeder is trouwens in Antwerpen geboren, ze woonde met haar familie - een Duitse bankiersfamilie - in de Isabelle Brandtstraat nummer 38. Mijn moeder was achttien toen ze me kreeg. Ik ben het kind van een meisje van achttien. Dat heb ik nu nog. Als ik een jong meisje zie fietsen, denk ik niet 'dat kan mijn dochter zijn', maar wel 'dat kan mijn moeder zijn'. U weet ook dat deze stamboom maakt dat ik in Nederland een allochtoon ben. Geen van mijn ouders had de Nederlandse nationaliteit. Maar ze zijn wel in Nederland komen wonen. Nederlands werd mijn moedertaal, maar mijn ouders spraken in het begin wel Duits met elkaar.

"In elk geval. Vanaf de dag dat mijn kortverhaal in Elseviers Weekblad prijkte, wist ik dat de wereld voor mij zou veranderen. Ik zag mijn naam. Ik zag mijn woorden en zinnen. Ik zag mijn taal. En ik dacht: 'Dit gaan we doen!'"

Uw leven is vanaf die dag veranderd. Maar kunt u zestig jaar later zeggen dat u met uw literatuur de wereld ook heeft veranderd? Dat is de essentie van de eerste vraag. Waar staat de literatuur bijvoorbeeld ten opzichte van de wetenschap? U die als jongen altijd scheikundige, astronoom, fysicus had willen worden. U die graag experimenteerde met buisjes en preparaten. U die van een lab droomde?

"Dat is behoorlijk simpel. Duitsland zou Duitsland niet zijn zonder Beethoven. Engeland zou Engeland niet zijn zonder Shakespeare. Maar Schotland is wel Schotland zonder de bacterioloog Alexander Fleming. Terwijl Fleming met de uitvinding van de penicilline wel miljoenen mensen heeft gered! In Wenen staat een reusachtige pestzuil ter nagedachtenis van het wijken van de pestepidemie. Maar Fleming heeft zo'n monument niet. Mocht er een monument aan hem worden opgedragen, dan moest dat zo groot zijn als de Sint-Pieterskerk in Rome.

"Maar het echte godsbewijs wordt geleverd door de tranen die bij uitvoeringen van Bach in de concertzaal vloeien. Kunst is individueler en creatiever dan wetenschap. Als Watson en Crick de dubbele helixstructuur van het DNA niet hadden uitgevonden, had iemand anders dat gedaan. Maar alleen Leonardo Da Vinci kon de Mona Lisa schilderen.

"Ik hou van wetenschap. Ik lees wetenschappelijke werken. Wetenschap en techniek boeien me mateloos; daarin verschil ik van veel, van de meeste, schrijvers. Die gruwelen van wiskundige materie. Ik niet. Ik heb de waarheid, de feitelijke waarheid, nodig om waarachtig te kunnen zijn. Om die feitelijke wereld te kennen, ga ik naar buiten, maar moet ik me opsluiten. Ik lees uitsluitend non-fictie. Filosofische werken, wetenschappelijke uitgaven, essays... Non-fictie moet feitelijk waar zijn. Literatuur, kunst in het algemeen, moet waarachtig zijn. Dat is iets totaal verschillend.

"Neem De ontdekking van de hemel; daarin verschijnen meerdere engelen. Engelen bestaan niet. Dat is voor vele mensen onuitstaanbaar. Ze vallen over het feit dat 'wat er in het boek staat, niet waar is' en vinden dat ze hun tijd verknoeien om met zich met onwaarheden bezig te houden. Dat zijn mensen die van literatuur niets begrijpen. Literatuur lees je om jezelf te leren kennen. Niet om de wereld te leren kennen. Literatuur schrijf je ook om jezelf te leren kennen."

Is Nederland Nederland zonder Mulisch?

"Hmmm. Mijn antwoord luidt: dat zou dan betekenen dat Nederland Nederland niet was voor ik geboren werd. Ja, u hebt gelijk dat dit natuurlijk ook geldt voor Beethoven, Shakespeare en Cervantes. Ik weet dat het een wat flauw antwoord is, maar ik wil me daarmee toch van je vraag afmaken."

Kunt u zeggen dat u zichzelf, na een schrijverscarrière van zestig jaar, goed kent?

"Een mens is geen raderwerk zoals een horloge. Het is niet zo dat we in deeltjes opgesplitst zijn die elk hun functie vervullen. Zo werkt het niet. Natuurlijk heb ik mezelf beter leren kennen. Maar als u me nu naar concrete voorbeelden vraagt, kan ik die niet geven. Men zegt dat ouder worden wijzer maakt. Ik weet dat niet. Het is aan anderen om te zeggen of ik een wijs man ben of niet. Ik vind het vooral belangrijk om jong te blijven. Ik zal niet ontkennen dat ik lichamelijk niet meer dezelfde ben als zestig jaar geleden, maar ik blijf nog wel de man met de absolute leeftijd van zeventien.

"U denkt dat dit onmogelijk is? U zegt dat een mens elke dag een vleugje onbevangenheid verliest? Dat er elke dag niet alleen bij- maar ook afgeleerd wordt? Niet waar. Ik kan al die non-fictieboeken lezen, precies omdat ik vermoedelijk de geest en de naïeve nieuwsgierigheid van een zeventienjarige heb. Mocht ik die geest niet hebben, dan zou ik die lectuur aan me laten voorbijgaan. Ik ken mensen, ook auteurs, met de absolute leeftijd van een 70-jarige. Maar wie anders dan iemand met de absolute leeftijd van 17 jaar zou, op zijn 65ste, in staat zijn om een boek te schrijven waarin het hele heelal verborgen zit. (De ontdekking van de hemel, mvds) Onbevangenheid is een kunst. Ik wilde een boek zoals de spreekwoordelijke dauwdruppel waarin de hele wereld weerspiegeld wordt. Alles moest erin. En alles zit er ook in.

"Ik kies dat boek ook niet. Het boek kiest mij. Een boek schrijft zichzelf, moet zichzelf schrijven. Het leidt een leven onder je hand. Ik weet nooit op voorhand hoe een boek zal worden. Ik heb een schets, dat zeker. Maar telkens gaat het verhaal met mij en die schets aan de haal. Het is een vergissing te denken dat een schrijver een monoloog voert. Hij is in dialoog. Niet met de lezer. Maar met het boek. Als ik schrijf, word ik gedreven door mijn nieuwsgierigheid: ik wil weten wat voor een boek ik aan het schrijven ben. Ik wil dus ook weten wie ik ben. En elk boek stuit ik op verrassingen. Op momenten waarop ik denk: 'Wat komt er nu weer uit. Dat dit in me zat, daar had ik niet het flauwste besef van!' Heel prettig is dat.

"Schrijven is plezierig. En wat nog plezieriger is, is dat ik, die mijn hele leven alleen maar gedaan heb wat ik graag doe en deed, er nog voor gelauwerd word ook. (haalt plechtig een luxueuze donkerblauwe fotomap met zwart-witte foto's op A4 formaat uit zijn bureau) U komt uit Vlaanderen. Kijk. Hier zijn de foto's van de overhandiging van de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse letteren (1995). Hier heb je koning Albert in het paleis. En hier koningin Paola. En dit is Dehaene, die was toen premier geloof ik. En hier, vooraan, zit Wim Kok. Ik heb Wim Kok nog aan koning Albert voorgesteld; Albert vroeg me dat, hij was nog niet eerder aan onze eerste minister voorgesteld. Merkwaardig.

"Maar ook dat zijn prettige kanten van mijn schrijverschap. Die sociale hoogtepunten. Tramconducteurs die hun hele leven elke dag op een vast uur opstaan en elke dag trouw hun dagtaak vervullen, valt die eer niet te beurt. Terwijl zij de meest wilskrachtige mensen ter wereld zijn. Als kind wilden we allemaal tramconducteur worden; maar zij hebben het ook echt gedaan."

Alleen Da Vinci kon la Gioconda schilderen, hij wordt ook met deze Mona Lisa vereenzelvigd. Voor de buitenwereld bent u onlosmakelijk verbonden met onder andere Het stenen bruidsbed, De aanslag en De ontdekking van de hemel. Maar in welk van al uw boeken gaat het diepste van uzelf schuil?

"Dat is een immorele vraag. U vraagt niets anders dan dat ik zou zeggen van welke van mijn kinderen ik het meeste hou. Ik weet dat misschien zelf wel, maar ik kan dat nooit hardop zeggen. Daarmee zou ik de andere kinderen onrecht aandoen. Ze een trauma bezorgen. Maar goed. Ik ga mee met uw gedachte. Stel dat ik door een zeer onredelijke God gedagvaard word, en dat die God me voor het volgende dilemma stelt. Keuze 1: al je boeken, en dan ook werkelijk elk exemplaar in eender welke taal, worden vernietigd, behalve De ontdekking van de hemel. Of keuze 2: we gaan De ontdekking van de hemel vernietigen, en al de rest laten we bestaan.

"Dan zou ik die God heel diep haten, en toch voor het eerste kiezen. Al de rest weg, opdat De ontdekking van de hemel kan blijven voortbestaan. Omdat alle bouwstenen die in mijn andere werken aanwezig zijn, erin zitten. Filosofie, theologie, natuurkunde, linguïstiek, architectuur, kosmologie, politiek, de geschiedenis van de mensheid, schepping, wetenschap... In dat boek heb ik een systeem gevonden, een intellectueel systeem, om de wereld in zijn geheel te vatten. Ik heb trouwens altijd geweten dat ik dit boek zou schrijven. Ik wist alleen niet wanneer het boek, de verwezenlijking van een jongensachtige droom, zich aan mij zou uiten. Nogmaals, je hebt het niet voor het kiezen. En nogmaals: ik hou van al mijn boeken, ben er trots op, en heb van geen enkel spijt.

"Ja. Tijd heb ik verloren aan boeken die nooit af geraakten. 'De ontdekking van Moskou' is daar een voorbeeld van. Ik heb er vijf à zes jaar aan gewerkt, maar het wilde maar niet lukken. Toch is ook dat tijdverlies relatief, want uit dat onaffe manuscript heb ik stukken gedistilleerd voor andere romans, en zelfs met de titel ben ik, zij het in licht gewijzigde vorm, gaan lopen. Sterker nog: uit een te lange passage van 'De ontdekking van Moskou' is de plot van wat later De aanslag zou worden, ontstaan. Ik had voor 'De ontdekking van Moskou' een wees als personage nodig. Ik wilde die wees in een context plaatsen en haalde de oorlog erbij, en represailles van de Duitsers. Maar toen ik de man eindelijk voldoende had omkaderd, was ik al aan zoveel bladzijden en zat dit zijdelingse verhaal het eigenlijke verhaal in de weg. Er zat niet anders op dan die bladzijden uit het manuscript te snijden. Dat heb ik gedaan. Met de gedachte 'ik maak hier later een novelle van'. Die is dus tot De aanslag uitgegroeid."

U debuteerde in 1952 met Archibald Strohalm. Vanaf dan is uw werk in stijgende lijn gegaan, met, heel beknopt, hoogtepunten als Het stenen bruidsbed, De aanslag, en op uw 65ste uw meesterwerk, De ontdekking van de hemel.

"Het is het ergste wat een schrijver kan overkomen: met je beste boek debuteren. Alles wat volgt, maakt deel uit van de afgang. Reve is De avonden, altijd maar weer De avonden. Vreselijk. Tegenwoordig is er trouwens nog een ander tragisch lot van de schrijver. Als een boek verfilmd wordt of de filmrechten verkocht zijn, wordt er altijd victorie gekraaid. Ik vind dat een bedenkelijke evolutie. De aanslag en De ontdekking van de hemel zijn succesvol verfilmd. De aanslag won zelfs de Oscar de beste Buitenlandse film. Dat is leuk en aardig. Maar iemand die in literatuur geïnteresseerd is, heeft die film niet nodig. Wie het boek niet gelezen heeft en naar de film kijkt, kan daarna het boek niet meer volwaardig lezen omdat de filmbeelden zijn verbeelding aan banden leggen. Het omgekeerde geldt ook: lees je het boek, en ga je daarna naar de film, dan wordt er ook een en ander stuk gemaakt.

"Het allerergste lot heb ik dan nog niet vermeld: dat is als men door de film het boek vergeet. Neem A Clockwork Orange. Iedereen zegt dat het een film van Stanley Kubrick is. Maar wie weet nog dat het een boek van Anthony Burgess is? De mensen kennen het boek niet meer.

"Ik vind de filmwereld trouwens een ondoorzichtig wereldje hoor, op financieel vlak gedragen filmmensen zich zoals handelaars in tweedehandse auto's. Je weet nooit wat er echt gebeurt, en hoe het er nu precies aan toe gaat. Dat doet me trouwens denken aan Hugo (Claus). Toen hij nog met Sylvia Kristel was, en toen Kristel de titelrol in Emmanuelle speelde, werd ze voor de keuze geplaatst. Ofwel instemmen met een eenmalig aantrekkelijk bedrag, ofwel opteren voor een vast percentage van alle films die ze zou verkopen. Hugo zei haar toen: 'Je moet nemen wat je krijgt, want die film wordt toch niets.' Als ze voor het percentage gekozen had, zou ze vandaag nog steeds een hoop geld vangen."

U bént, naar uw woorden, de Tweede Wereldoorlog. U bent ook leeftijdsgenoot van Günter Grass die, in tegenstelling tot u, al wel de Nobelprijs voor de literatuur heeft gewonnen. Grass is een vriend van u. Wat vindt u van zijn bekentenissen in De rokken van de ui?

"Ik kan niet zeggen dat ik schrok van zijn bekentenis dat hij als tiener lid van de SS is geweest, maar ik keek er wel van op. De rokken van de ui, waarin hij het over zijn geflirt met de nazi's heeft, heb ik niet gelezen. Zal ik ook niet lezen. Ik zal het er met hem zelfs niet over hebben. Zijn beweegreden om er uiteindelijk mee voor de dag te komen, fascineert me wel. Maar anderzijds kan ik er niet van wakker liggen. Ach, ik begrijp niet dat hij, die zo'n hoge moraal aanslaat, deze misstappen in zijn jeugd zolang heeft verzwegen. Hij had er gewoon meteen een boek van moeten schrijven. Kijk, (staat op) hier heb ik een foto van Günter en mij. Vindt u niet dat, zoals hij daarop staat, het erop lijkt dat hij mij met hand en tand uitlegt waarom hij gedaan heeft wat hij heeft gedaan?

Van u wordt gezegd dat u een ijdel man bent. Neemt u het me niet kwalijk, maar ijdelheid wordt soms, naarmate men ouder wordt, een vager begrip. U bent tachtig. Ouderdom brengt ziektes met zich mee. En hersenziektes tasten de ijdelheid aan...

"Ach, die ijdelheid; Dat is de pers die me zo noemt. En mensen die de pers naspreken. Ik ben ijdel en arrogant. Wel. Ik ben in al mijn ijdelheid steevast van plan om mijn naasten nog lang tot last te zijn! En als dat met de luier moet, dan moet dat maar. Als baby dacht ik ook niet: 'ik wil geen baby zijn'. Dan zal ik dat als demente bejaarde ook niet denken. Ik heb trouwens de beste herinneringen aan de tijd dat ik als baby verzorgd werd. Ik kan het heus verdragen als ik opnieuw die fase in moet. Ze mogen me gerust een tijd verzorgen! Voor mij hoeft euthanasie bij dementie niet. In geval van pijn spreek ik anders. Als je ontzettende pijn moet lijden, kan de dood een verlossing betekenen.

"Ik leef al tientallen jaren zonder maag. Die is weggehaald. Maagkanker. Mijn darmen lopen dus aan een stuk door. Volgens de medische staf ben ik toen vlak bij de dood geweest. Ik heb dat niet beseft. Ik heb het zelfs niet als een mogelijkheid beschouwd; dat ik die maagkanker niet zou overleven. Natuurlijk zou ik genezen. En natuurlijk ben ik genezen. Nu moet ik oppassen met wat ik eet, en eenmaal om de drie maanden haal ik een spuit die me voor voedselvergiftiging moet behoeden. Nou. Daar kan ik opperbest mee leven, hoor.

"Weet u, in Afrika leven primitieve stammen die tot drie kunnen tellen, en niet verder. Ze tellen: één, twee, drie, en al de rest heet 'veel'. De leden van deze stammen kennen dus hun leeftijd niet. Die is ook onbelangrijk. Op het moment dat de overgrootvader dement wordt, wordt hij bij de kleine kinderen ondergebracht en wordt hij op dezelfde manier als de kinderen verzorgd en behandeld. Afhankelijkheid hoeft niet per definitie als mensonwaardig gezien te worden. Maar als u uit deze woorden meent te mogen afleiden dat ik bang zou zijn voor de dood, en dat ik de dood daarom zo lang mogelijk zou willen uitstellen, is dat onjuist. Dood ben je nooit voor jezelf, alleen voor de nabestaanden; die moeten zonder jou voort.

U zult onder andere ook in zes novelles van zes Nederlandse auteurs voortbestaan. Want naar aanleiding van uw tachtigste verjaardag zullen zes collega-bewonderaars een novelle schrijven die op uw werk geïnspireerd is. Gaat u die ook niet lezen?

"Natuurlijk zal ik deze novelles wel lezen. Het is werk dat aan mij ontsproten is. Zonder mij zouden die novelles niet kunnen bestaan. Ik ben de bron!"

>Op 29 juli, Mulisch' verjaardag, verschijnt bij de Bezige Bij de eerste van de zes novellen geschreven door zes verschillende auteurs die elk op hun wijze hommage brengen aan de jarige meester. Vervolgens verschijnt er elke week een nieuwe novelle. Abdelkader Benali, Doeschka Meijsing, Marcel Möring, Elsbeth Etty, A.F.TH. van der Heijden en Jessica Durlacher inspireerden ze zich hiervoor op het oeuvre van Harry Mulisch. (de Bezige Bij, 15 euro)

>Lachspiegel, Harry Mulisch in karikaturen, is een verzameling van alle spotprenten die de afgelopen zestig jaar van Mulisch verschenen zijn. De redactie hiervan is van Kitty Saal. Ook bekend als zijn huidige vrouw. (De Bezige Bij, 24,90 euro)

> In augustus verschijnt dan ook nog het boek Onsterfelijk leven, interviews met Harry Mulisch van Onno Blom. (De Bezige Bij, 24,90 euro) Het interview dat u zojuist gelezen heeft, staat daar nog niet in.

> De reeks 'Oude schrijvers gaan niet dood' van de jonge schrijfster Margot Vanderstraeten wordt gebundeld en ligt volgend voorjaar in de boekhandel.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234