Zaterdag 14/12/2019

Reportage Syrië

‘Ik wou dat ik de persoon kon vinden die deze stad verwoest heeft. Ik zou hem vermoorden’

In Oost-Aleppo brengen Syriërs groenten en fruit aan de man. De stad moet nog grotendeels heropgebouwd worden.  Beeld NYT MERIDITH KOHUT

Acht dagen lang kregen journalisten van The New York Times een zeldzame inkijk in Syrië. Ze troffen er een puinhoop aan, en verdriet, en gastvrijheid. Wat ontbrak er na acht jaar burgeroorlog? Jonge mannen en een middenklasse.

Terwijl we ons een weg baanden tussen de ruïnes van Douma, een voorstad van Damascus, viel het ons langzamerhand op dat er iets ontbrak. We zagen vrouwen die voedsel droegen, oude mannen die passeerden op scooters en magere kinderen die met flessen water zeulden. Maar we zagen zeer weinig jonge mannen.

Die waren omgekomen in de oorlog, zaten opgesloten in een cel, of bevonden zich ver buiten Syrië. Nu moesten overlevers zoals Um Khalil, een grootmoeder van 59 jaar met een rond gezicht, hun afwezigheid compenseren.

Drie van haar zoons waren vermoord. Een andere was gefolterd in een gevangenis van de rebellen, en een vijfde was verdwenen in een detentiecentrum van de overheid. Haar schoondochters moesten gaan werken, terwijl zij instond voor de opvoeding van vijf kleinkinderen. Zonder hulp van haar echtgenoot, want die was omgekomen bij een luchtaanval.

“Soms vraag ik me af: hoe kon dit gebeuren?”, zei Um Khalil in de flat van een verre kennis, waar haar familie – of wat ervan overbleef – zich ophield. “Mijn zoons hadden werk. Alles was normaal, en plotseling waren ze weg. Ik had een man. Ook hem raakte ik kwijt. Ik heb hier geen antwoorden op. Moge God vergeven wie hierachter zat.”

Toen riep ze uit: “Vergeven, niet vergeven, wat voor verschil maakt het? Ik wou dat ik de persoon kon vinden die deze stad verwoest heeft. Ik zou hem vermoorden.”

Na acht jaar burgeroorlog controleert de Syrische regering het grootste deel van het land, en een overwinning van president Bashar al-Assad wordt nu niet meer in twijfel getrokken. Wij, drie journalisten van The New York Times, waren in Syrië om te zien hoe zijn overwinning eruitzag.

Shoppingmall van 310 miljoen dollar

Tijdens ons bezoek aan vijf steden en dorpen in handen van de regering, in juni, zagen we verwoesting en gastvrijheid, rouwende mensen en mensen die probeerden de dag door te komen. Het lijden was niet eerlijk verdeeld: we vonden het vooral bij de armen en in gebieden die eerder gecontroleerd waren door rebellen. Ook de heropbouw was niet gelijkmatig verdeeld.

In Damascus, de hoofdstad, zagen we een shoppingmall van 310 miljoen dollar, gebouwd tijdens de oorlog, niet ver van een berg vanwaar regeringstroepen ooit nog rebellengebied beschoten. In de shoppingmall weerklonken nu de stappen van hakjes aan de voeten van lustige shoppers.

Maar in het naburige Douma, dat tijdens het grootste deel van de oorlog in handen was van rebellen, was stromend water meer een droom dan realiteit. In Latakia, een bolwerk van de regering aan de Middellandse Zee, weenden moeders bij foto’s van hun dode zoons. Meer dan twee jaar nadat Assad de noordelijke stad Aleppo heroverde, begon de bedrijvigheid opnieuw in de fabrieken en oude bazaars, of soeks, maar elektriciteit kwam zeer traag op gang.

Niet alleen de infrastructuur moet worden heropgebouwd. In het Syrië dat we zagen ontbrak een middenklasse, doordat de leden ervan gevlucht of van de economische ladder gedonderd waren. De Verenigde Naties schatten dat acht op de tien mensen hier nu in armoede leven, met een dagloon van minder dan 3,10 dollar per persoon.

En ook nu de ontheemden stilaan terugkeren naar huis, worden jonge mannen nog altijd gedwongen om dienst te nemen in het leger, terwijl dissidenten of mensen die banden met hen hebben, verdwijnen in duistere gevangenissen. Er zijn nog mensen die het land ontvluchten, zij het veel minder dan tijdens het hoogtepunt van de oorlog.

Zonder buitenlandse hulpfondsen voor heropbouw deden de Syriërs die we ontmoetten wat ze konden om de kogelgaten in hun muren te dichten, hun kinderen te voeden en wat geld te verdienen. En nu zoveel jonge mensen weg zijn, ligt die taak bij de ouderen, de kinderen en, vooral, de vrouwen – ook vrouwen van conservatieve families, die nu voor het eerst werken.

“Ik dacht nooit dat ik zou werken, maar het is beter dan te moeten bedelen om geld”, zegt Um Akil, een veertigjarige vrouw in Oost-Aleppo. Haar echtgenoot zat in detentie bij de overheid – onterecht, zegt zij – maar zij slaagde erin te overleven. Ze wilde dat haar dochters zouden werken na hun schoolcarrière, “opdat ze niet zouden moeten meemaken wat ik meemaak”.

Overal waar we kwamen, zagen we wie hier de baas was. “Assad Forever”, stond in grote letters op een banier met zijn beeltenis, een van de vele die we tegenkwamen op de Syrische wegen.

Zijn gezicht sierde vlaggen aan de invalswegen naar heroverde steden. Hij keek ons aan vanop aanstekers, verkocht aan souvenirstandjes in Damascus. Zijn gezicht en die van zijn bondgenoten: Russisch president Vladimir Poetin en Hezbollah-leider Hassan Nasrallah. Aan een legercheckpoint waar we passeerden, zagen we maar liefst dertien Assads, turend in verschillende richtingen, zoals een batterij veiligheidscamera’s.

En zijn handlangers waren voortdurend aanwezig op onze reis.

De Syrische regering heeft vele van onze New York Times-collega’s en andere mediakanalen de toegang geweigerd omdat ze vindt dat we te kritisch berichten. Wij drieën – ikzelf, correspondent in Beiroet; een Libanese collega; en een Amerikaanse fotografe, Meridith Kohut – hadden bijna een half jaar nodig om toestemming te krijgen.

Maar een visum betekende niet dat we vrijuit mochten reizen. Bijna overal waar we kwamen, werden we vergezeld door mensen van de regering, verschillende soldaten en gewapende agenten in burger van de machtige geheime dienst. Af en toe stelden ze zich voor als ‘journalisten’, terwijl ze naast ons stonden bij vrijwel elk gesprek met Syrische burgers. Voor ons was het moeilijk om met Syriërs te praten, maar voor de Syriërs was het gewoonweg angstaanjagend.

In het beste geval kregen we een eng, loyalistisch beeld van Syrië: niemand met wie we spraken gaf de regering-Assad de schuld voor de Syrische catastrofe. De economische implosie was altijd te wijten aan Amerikaanse sancties, en niet aan de oorlog, of aan corruptie.

Ali Hamoud Tohme en zijn vrouw Um Fares keerden in mei terug naar hun appartement in Douma. Toen ze thuiskwamen, waren ze twintig familieleden kwijt. Beeld NYT MERIDITH KOHUT

Onze ‘gidsen’ wilden ons graag tonen dat het leven zijn gewone gangetje hernam. Dat ging nog wel in Damascus, waar weinig fysieke schade te zien was. Maar toen we twee minuten in de auto zaten onderweg naar Douma, zagen we de dynamische stad abrupt veranderen in een grijze puinhoop. Zo ver het oog reikte, zagen we de assen van de oorlog: flatgebouwen die leken op open parkeergarages, deuropeningen die grauw stof ophoestten, minaretten die schots en scheef oprezen uit het puin, zoals half gesmolten kaarsen in een verjaardagstaart.

Het puin was ongedifferentieerd: de oorlogsvliegtuigen en artillerie hadden vrijwel alle menselijke sporen verwoest. Het leek makkelijk om te vergeten dat dit niet altijd een rotzooi was geweest, dat hier ooit huizen stonden.

Kamperen tussen de bergen puin

In Douma liep de centrale soek traag maar gestaag vol met klanten op zoek naar fruit en goedkope huisraad. Maar meer dan een jaar nadat de regering de rebellen uitrookte met een bezetting die mensen dwong om gras te eten, bleef de stad grotendeels onbewoonbaar. De plekken waar mensen toch een poging deden om te kamperen tussen de bergen puin, kon je herkennen aan de vuile dekzeilen die weggeschoten muren moesten vervangen.

In één huizenblok zagen we geblakerde kandelaars doorheen enorme gaten in de muren – een stille getuigenis van de gebroken middenklasse van Douma. Een kind dat buiten speelde, leidde ons naar boven, naar zijn grootouders, Ali Hamoud Tohme en zijn vrouw Um Fares. (In de Arabische traditie krijgen vrouwen de benaming ‘Um’ of ‘moeder van’ hun oudste zoon, terwijl mannen ‘Abu’ heten, of ‘vader van’. De meeste mensen waren op hun hoede en gaven ons niet hun volledige namen.)

De grootouders waren in mei teruggekeerd naar hun appartement, dat was leeggeroofd en in brand gestoken. Het enige meubel dat ze hadden kunnen redden was een rood-blauw tapijt. Um Fares had het meegenomen naar hun schuilkelder aan de andere kant van de stad, in de vroege dagen van de oorlog. In de zeven jaar die ze ondergronds doorbrachten – soms dagenlang zonder voedsel of water – had ze geweigerd het uit te rollen, in afwachting van de dag waarop ze huiswaarts zouden kunnen gaan.

Toen ze eindelijk thuiskwamen, waren ze twintig familieleden kwijt. Samen met haar echtgenoot voedde ze elf wezen op in een grotendeels verlaten gebouw. Over de paar vrienden en buren die overbleven zegt ze: “We mijden elkaar, want we hebben allen dezelfde droevige verhalen.”

Haar kleinzoon Khaled (9) droogde zijn natte ogen en begroef zijn gezicht in een kussen. Hij weende niet om zijn dode vader, zei Um Fares. Khaled werkte bij een hoefsmid en verdiende dagelijks juist genoeg geld om een broodje te kunnen betalen. De gensters en chemicaliën irriteerden zijn ogen. Hij kon geen medicijnen betalen, maar als hij zijn job opgaf, zou de hongerdood wachten.

In de havenstad Latakia staan de afbeeldingen van jonge mannen die hun leven hebben gegeven voor Assad – ‘de martelaren’. Beeld NYT MERIDITH KOHUT

Tohme stond op en kwam terug met een kleine glazen plateau met dadel- en notenkoekjes. De Syriërs die we ontmoetten, hadden altijd iets in petto, hoe klein ook. In de woonkamer van de Tohmes durfden we niet te weigeren, want dat zou ondankbaar zijn. Kohut, onze fotografe, vertelde me later dat ze hem had zien zoeken tussen bezittingen in een kast, om uiteindelijk iets te vinden op de bodem: de zoetigheden, zorgvuldig opgeborgen in een doosje.

We namen afscheid in de verwoeste straat. Tohme keek rond naar wat ooit zijn thuis was, en het op een of andere manier nog altijd was. “Dit is het beste deel van Douma”, zei hij.

Onze regeringsescorte vermeerderde in aantal toen we naar het kustgebied van Latakia reden. De regio wordt vooral bewoond door alawieten, dezelfde groep moslims als Assad, een voorheen marginale religieuze minderheid die het leger en de veiligheidsdiensten bevolkt. Dit was het bolwerk van de president.

In het bergdorp Beit Yashout hingen de telefoonpalen vol met afbeeldingen van jonge mannen die hun leven hadden gegeven voor Assad – de “martelaren”.

Onder anderen een legergeneraal, een dorpsfunctionaris en twee ambtenaren in veteranenzaken leidden ons van huis naar huis.

Ik vroeg een vader van een dode soldaat, Yassin Hassna, of de opoffering de moeite waard was geweest. “Alles voor Syrië”, zei hij en keek naar de generaal die goedkeurend knikte. “Ik hoop dat we allemaal martelaren voor ons land kunnen worden.”

Een moeder, Zakiya Ahmad Hassan, toonde ons de plastic stoel waarop ze vaak zat naast het stenen graf van haar zoon, koffie te drinken en te zingen. “Het was een eer om hem op te geven”, zei ze. “Hij verdedigde zijn land.”

Veel niet-alawieten gaan ervan uit dat de alawieten rijkelijk beloond zijn voor hun trouw aan het regime. Maar deze families konden maar moeilijk de eindjes aan elkaar knopen. Ze spraken over een tekort aan geld om melk of babyvoeding te kopen, of over de hoge prijzen van aardappelen, olie en suiker. Ook vlees konden ze niet langer betalen.

Hassan ging even met haar hand over de groenten die ze verbouwde vlak bij het graf van haar zoon. “Zelfs als de Amerikanen sancties uitroepen, kunnen we toch komkommers en brood eten!”, zei ze.

De provinciegouverneur, Ibrahim Kohdr al-Salem, wilde maar al te graag benadrukken dat de regering extra fondsen vrijmaakte voor de families van veteranen. Ze zouden in de eerste rij staan voor overheidsbanen, en voor andere kleine voordelen, zoals de kwijtschelding van autotaksen en universiteitsgelden.

“Mijnheer de president maakt er persoonlijk een prioriteit van”, zei Al-Salem. “Elke dag opnieuw volgen hij en de regering de families van de martelaren op.”

Drie cameramannen van de regering filmden ons interview, net zolang tot de gouverneur uitgepraat was.

 Veertiende-eeuwse soek 

Noordwaarts richting Aleppo lagen uitgebrande voertuigen omgekeerd in de berm, en grijs-bruine rook steeg op in de verte, van een van de branden die onlangs duizenden akkers met gewassen hadden verwoest. Niemand leek te weten wie daarvoor verantwoordelijk was, maar wel dat de hongersnoden in Syrië nog erger zouden worden.

Voor de oorlog was Aleppo de grootste rivaal van Damascus, de grootste stad van Syrië en de handelsmotor. Volgens Rana, onze gids, sliepen de mensen er nooit. Vroeger toch niet: de bezetting door de regeringstroepen had de veertiende-eeuwse soek verwoest en, in grote delen van de stad, de lichten uitgedaan.

Tweeënhalf jaar na wat iedereen die we ontmoetten ‘de bevrijding’ van Oost-Aleppo uit de klauwen van de rebellen noemde, kwam de meeste elektriciteit nog steeds van generatoren. Omdat er geen regeringsfondsen waren voor heropbouw, hing de financiering af van hoe diep ieders zakken waren. Sommige mensen konden geen deuren of vensters betalen, en anderen hadden zo weinig elektriciteit dat ze hele dagen buiten zaten tot bedtijd.

Alleen privéhospitalen waren weer op gang getrokken, misschien omdat de regering ziekenhuizen steeds opnieuw had gebombardeerd, en de publieke ziekenhuizen nog steeds in puin lagen.

Maar bij dag gonsde de buurt van de bedrijvigheid van watermeloenverkopers en automobilisten. Een vrouw die we tegenkwamen in een kapsalon, vertelde ons dat het haar eerste professionele kapbeurt was sinds de start van de oorlog. Scholen gingen weer open.

“De veiligheid is terug in Syrië”, lazen we op een billboard.

Maar veiligheid bleek niet in zicht voor Um Ahmad (28), die bij zonsondergang op de stoep zat met haar zus, omgeven door verwoeste gebouwen. Hun beider echtgenoten waren vermist, vertelden ze, in afzondering geplaatst toen de regeringstroepen oprukten in Oost-Aleppo in 2015.

Toen onze ‘gidsen’ dat hoorden, sprongen ze op. Rana, die ons nooit zijn achternaam gaf, zei aan Um Ahmad dat de zaak toch ingewikkelder was. Dit hoorde ze niet te vertellen aan journalisten. “Moeten we dan liegen? Dat is wat er gebeurd is”, zei Um Ahmad. Rana troonde haar mee naar de keuken, waar ik hoorde hoe ze hun stemmen verhieven. Toen ze terugkwam, was ze stilletjes.

Toen ik later bij de minister van Informatie mijn beklag deed over de bemoeizucht van onze chaperons, zei hij: “Je moet dat begrijpen. Wij zijn geen Amerikanen. Wij doen het anders. En hier denkt iedereen dat jullie spionnen zijn.”

Toen de tijd kwam om Syrië te verlaten, brachten een militaire escorte ons naar de Libanese grens. We moesten vier keer stoppen op de snelweg omdat hun wagen het begaf; blijkbaar was onderhoud geen deel van het budget. Telkens als ze weer leken te kunnen vertrekken, sprong de kofferbak van hun oude sedan weer open, als in een slapstickfilm.

Het was de eerste keer deze week dat iets niet volgens het script verliep.

Hoe ziet de overwinning eruit? Zeker een half miljoen lijken, meer dan elf miljoen ontheemden. Ruïnes waar steden stonden, geesten waar ooit buren waren. Shoppingmalls voor sommigen, komkommers uit de moestuin voor anderen.

De meeste mensen die we spraken, letten goed op hun woorden. Ze spraken niet over het verleden of de toekomst. Maar om de zoveel tijd was er iets dat ons herinnerde aan een Syrië dat meer was dan zijn oorlog, hoelang die ook al duurt en hoe wreed hij ook is.

Geroosterde kip en lamskebab

Op onze eerste avond in Aleppo zei onze chauffeur, Abu Abdo, dat hij wel een paar restaurantjes kende in de buurt van ons hotel, uit de tijd dat hij toeristen rondleidde in de stad. Het eerste restaurant was verdwenen, het tweede ook. Iets verderop stond een eenzame man in een deuropening naast een opschrift: Resto Abonawas. Abu Abdo klampte hem aan.

“Mijnheer Mahmoud, kent u me nog?”, vroeg hij. “Ik kwam hier vaak vroeger. U had het beste eten!”

De eigenaar, Abdel Ghani Mahmoud, herkende hem eerst niet. Maar dan klaarde zijn gezicht op. “O ja, natuurlijk!”

Het etablissement was leeg, op een kromgebogen kok in een hoek na. Ons tafellaken was vuil, net als de tekeningen van Aleppo op de muren. Er vlogen een paar vliegen door de gelagzaal. Het enige wat geen decennia te oud leek, was een tafel vol verse tomaten, komkommers, radijzen en munt.

Toen Abu Abdo een ijskoud drankje bestelde, legde Mahmoud uit dat de generator kapot was, waardoor ook de koelkast niet werkte. Geen ijs dus. Ik keek naar mijn vertaler: gingen we hier vlees eten?

Eerst kwamen de groenten op tafel, dan hummus en moutabal, een dipsaus van gerookte aubergine. Daarna kwamen plateaus vol geroosterde kip en lamskebab.

Ik begon te eten en vergat meteen dat de koelkast stuk was. Deze gerechten had ik al vaak geproefd, in Libanon en nu in Syrië. Deze hier waren de allerbeste. “Het is net zoals ik het me herinner”, zei Abu Abdo.

Toen we vertrokken was de straat donker en verlaten. Het was nog vroeg, maar de bewoners van Aleppo komen ’s avonds al jaren niet meer buiten.

© The New York Times

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234