Woensdag 23/10/2019

'Ik wil trouw

Jan Temmerman interviewt Oscarkandidaat

Daniel Day-Lewis

blijven aan mezelf'

Acteur Daniel Day-Lewis draait niet zoveel films. Nauwelijks acht sinds hij een Oscar kreeg voor zijn vertolking in My Left Foot uit 1989. Nadien volgden er nog Oscarnominaties voor het IRA-drama In the Name of the Father en voor Gangs of New York. Deze week kreeg hij een Bafta, zeg maar de Britse Oscar. En volgende week weten we of de nominatie voor zijn magistrale, ronduit angstaanjagende vertolking van olietycoon Daniel Plainview in There Will Be Blood hem een tweede Oscar oplevert. Dat zou best weleens kunnen, én mogen.

Door Jan Temmerman

In There Will Be Blood van de Amerikaanse scenarist-regisseur Paul Thomas Anderson, die eerder naam maakte met films als Boogie Nights, Magnolia en Punch-Drunk Love, speelt Daniel Day-Lewis op verbluffende wijze de rol van Daniel Plainview, een geobsedeerde en onverbiddelijke petroleumpionier van rond de vorige eeuwwisseling. Voor zijn scenario liet Anderson zich inspireren door de beroemde en controversiële roman Oil! uit 1927 van de politiek en sociaal sterk geëngageerde schrijver Upton Sinclair. There Will Be Blood mag dan wel als de titel van een banale horrorfilm klinken, het resultaat is wel degelijk een even epische als persoonlijke film over olie en hebzucht, maar ook over brute macht, religie en familiebanden.

De film schetst het begin van de oliebusiness. Wij naderen op dit moment stilaan het einde van dat tijdperk. Was dat een van de redenen om dit verhaal net nu te vertellen?

Daniel Day-Lewis: "Neen, in ieder geval niet voor mij. Ik kan natuurlijk niet voor Paul spreken - alhoewel, hij is hier niet, dus ik kan het evengoed toch doen -, maar ik denk dat hij hetzelfde zou zeggen. Je begint niet aan zo'n film met de bedoeling een parabel of een cautionary tale te vertellen. En zeker niet om te doceren of een boodschap mee te geven. Als je dat doet, zit je al op het verkeerde spoor nog voor je goed en wel uit de startblokken schiet. Neen, je begint aan zo'n film vanuit de vaak onverklaarbare behoefte om een heel persoonlijk verhaal te vertellen. Dit gezegd zijnde, zijn we ook niet dom. Paul weet wat er aan de hand is en ik weet dat ook. We zijn ons dus wel bewust van de echo die een dergelijk verhaal kan teweegbrengen, maar dat is niet de reden waarom we hieraan begonnen zijn."

Maar het is wel degelijk een verhaal over hebzucht, niet?

"Ik voel altijd een zekere weerstand om complexe zaken te condenseren tot een woord of een begrip dat uiteindelijk toch tekortschiet om de zaken op de juiste manier te beschrijven. Daarom antwoord ik liever niet op dit soort vragen. (lacht)"

Toen bekend raakte dat u een oliepionier zou spelen, grapte een Britse krant dat u als voorbereiding wellicht een boortoren zou bouwen in uw achtertuin.

"Ja, toen ik dat las, dacht ik: 'Hé, wat een fantastisch idee! Dat zou ik misschien wel moeten uitproberen!' Maar dat heb ik dus niet gedaan. En neen, ik ben ook niet in een of ander olieveld gaan werken. Weet je, er is al zoveel onzin verteld en geschreven over mijn werkmethodes en ik heb al zo vaak geprobeerd dat recht te zetten, dat ik soms weinig zin heb om er nog veel over te praten. Het is geen kwestie van eigendunk en ik voel evenmin de behoefte om mysterieus te doen over mijn werk als acteur - ook al blijft het voor mij een mysterie, dat ik overigens nodig heb en waarvoor ik mij dan ook niet schaam - maar als ik erover spreek, lijkt het mij vooral slappe koffie. Dus vermijd ik het zoveel mogelijk om daarover te praten. Kinderen zijn wat dat betreft het perfecte tegengif voor dat soort obsessies inzake acteren. Zij doen het zelf de hele dag. Het ene moment spelen ze cowboy en indiaantje, om dan wat later te doen alsof ze Robin Hood zijn. Je kunt ze gewoon niet bijhouden. Ze hebben zelfs niet eens veel voorbereiding nodig. Het grootste verschil is dat ik daarvoor betaald word (lacht).

"Er wordt veel te veel gefocust op allerlei praktische details van mijn voorbereiding (zie kader). Ja, ik heb een aantal vaardigheden geleerd, zoals zelf een kano bouwen, maar ik ben van jongs af aan nogal handig geweest. Ik ben altijd behoorlijk goed geweest om dingen te maken met mijn handen. Nog niet zolang geleden dacht mijn jongste zoon dat ik een soort bouwvakker was, maar nu heeft hij de waarheid ontdekt dat ik eigenlijk een acteur ben. (lacht) Voor mij is dat soort praktische voorbereiding weliswaar een vitaal onderdeel van het hele werk, maar dat heeft vooral te maken met mijn fascinatie voor en mijn nieuwsgierigheid naar het personage dat ik zal vertolken. Het is ook zo dat dergelijke fysische, tastbare aspecten vaak ook de sleutel zijn voor dingen die wat dieper gaan. En dieper betekent vaak ook donkerder. Maar het belangrijkste werk gebeurt toch altijd in de verbeelding. Als het ergens kan gebeuren, dan moet het daar gebeuren. En natuurlijk werkt de verbeelding altijd nauw samen met het onbewuste. In de mate van het mogelijke laat ik daarom het werk zijn eigen gang gaan. Als het werk van een acteur verloopt zoals het zou moeten, dan kan men het niet helemaal onder controle houden. Een schalkse regisseur als Paul is bovendien uitermate geschikt om op die grens van de chaos te laveren. Dat is de vruchtbaarste grond om in te werken. Maar toch moet een deel van het verstand, van de rede aanwezig blijven om te vermijden dat het allemaal een te grote chaos wordt, want in dat geval ben je niet meer in staat om het verhaal te vertellen."

U draait opvallend weinig films. Als u dan toch beslist om een filmrol te aanvaarden, gebeurt dat dan op basis van het scenario of eerder van de regisseur?

"In eerste instantie op basis van het scenario. Maar in het geval van Paul was ik vertrouwd met zijn films. Ik bekijk trouwens veel films als ik zelf niet aan het werk ben. Ik wil op de hoogte blijven van wat er allemaal gebeurt. En ik ga sowieso heel graag naar de bioscoop. Ik heb veel bewondering voor het werk van Paul, vooral voor zijn vorige film Punch-Drunk Love. Dus het idee alleen al om met hem samen te werken, was iets wat mij intrigeerde. Maar had het scenario me niet aangesproken en had ik me niet aangetrokken gevoeld tot de wereld die hij gecreëerd had, dan had ik Paul zeker gezegd, al was het maar uit respect voor hem, dat hij maar beter iemand anders kon zoeken, omdat ik hem toch niet zou kunnen helpen."

Maar zijn scenario beviel u wel degelijk.

"Ja, in dit geval voelde ik mij als het ware betoverd, zowel door Paul als door zijn scenario. Het begint altijd met een soort gevoel van onvermijdelijkheid, ook al gaat dat gepaard met een ander gevoel, met name dat ik mezelf wel weer in nesten zal werken. (lacht) Ik besef natuurlijk wel dat ik mezelf iets wijs maak, want geen enkele film is onvermijdelijk, maar toch. Herinner je je het beeld van de drie heuvels aan het begin van de film en dan die hoge noot van Jonny Greenwood (de filmcomponist, JT), die almaar hoger en intenser wordt? Wel, dat is echt de beschrijving van hoe ik mij voel als ik besloten heb om opnieuw aan het werk te gaan. Een soort versnelling van het bloed, tot het punt dat je uit elkaar dreigt te spatten als je niet in beweging komt."

Wat gebeurt er als het allemaal achter de rug is?

"Posttraumatische stress. Jarenlange therapie. (lacht) Neen, je gaat gewoon naar huis. Weet je, het is net het tegengestelde van wat de meeste mensen zich vaak voorstellen. Ook al exploreert men misschien gebieden van de menselijke ervaring die behoorlijk verwarrend en schokkend kunnen zijn, toch blijft acteren altijd iets heerlijks. Het is geen masochistische onderneming waarmee we bezig zijn, maar iets vreugdevols. We maken gewoon onze eigen speeltuin. We proberen een wereld te verzinnen en die vervolgens tot leven te brengen. In mijn geval probeer ik vat te krijgen op die wereld door de ogen van een andere man, met andere ervaringen, een ander metabolisme, een andere manier van denken, voelen en handelen. Hoe bizar dat acteerwerk ook is - want het blijft een vreemde manier om je dagen te slijten -, toch is het bevreemdendste aspect dat iemand, in casu de regisseur, op een bepaald moment zegt: 'That's it! We zijn klaar.' Op dat moment voel ik vooral een soort weigering om alles zomaar achter te laten. Ik vind het jammer dat ik weg moet uit de speeltuin, die zo'n vruchtbare en versterkende plek is geweest."

Waarom zoekt u dan niet vaker zo'n speeltuin op? Waarom hebt u tussen The Boxer uit 1997 en nu in slechts drie andere films gespeeld?

"Omdat ik trouw wil blijven aan mezelf. Ik heb een bepaald ritme. Andere mensen hebben een ander ritme. Het mijne is inderdaad nogal traag. Ik ben mij daar al lang van bewust, maar ik kan nu eenmaal niet dansen op het ritme van iemand anders. Ik hou van het werk dat ik doe. Dus als ik wegblijf van dat werk, is dat niet met een negatieve bedoeling, maar eerder met de positieve intentie om andere dingen te doen in mijn leven. Op hun beurt helpen die dingen mij om terug te keren naar mijn acteerwerk en dat te doen op de manier waarop het moet. Voor mij is er geen breuk. Het is gewoon mijn leven. Maar dat wordt altijd weer uitgelegd alsof ik een bipolair bestaan leid. Enerzijds de kluizenaar, anderzijds de publieke figuur. Dus spreekt men telkens weer over een zogenaamde comeback. Maar ik doe de dingen zoals ik altijd gedaan heb. Ik kan niet anders, want mocht ik dat niet doen, zou ook het plezier verdwijnen. Het is precies omdat ik zoveel van mijn werk houd, dat ik het op deze manier wil blijven doen, om die liefde en dat plezier te bewaren. En natuurlijk ben je uitgeput als het werk erop zit, maar dat is iedereen die aan de film heeft meegewerkt. Niet alleen de acteurs."

Wat was de voornaamste uitdaging bij de vertolking van Daniel Plainview?

"Ik heb het gevoel dat het steeds om dezelfde uitdaging gaat, met name zo goed mogelijk een verhaal vertellen. Van zodra ik mij door de orbit van een andere wereld aangetrokken voel, probeer ik wat afstand te nemen en mij af te vragen hoe ik dat verhaal kan helpen vertellen, maar doorgaans ben ik dan al te ver weg, al te veel opgeslorpt. Het is moeilijk uit te leggen, want ik heb niet de gewoonte om mijn werk uitgebreid te ontleden of te versnipperen in mijn hoofd. Het is eerder zo dat ik resoluut weiger om de persoonlijke redenen te onderzoeken waarom ik deze of gene film wil doen, want dat lijkt me geen deel uit te maken van mijn job. Tenzij misschien een beetje achteraf, bij dit soort gelegenheden wanneer ik daartoe uitgenodigd word. Maar meestal probeer ik dat toch te vermijden. Ik werd onlangs geïnterviewd door Hanif (Kureishi, de Britse schrijver-scenarist met wie Day-Lewis goed bevriend is sinds hij in 1985 een hoofdrol speelde in 'My Beautiful Laundrette', JT) en die wees mij op een soort verband tussen de vaderfiguren van Daniel Plainview en Jack Slavin, uit mijn vorige film, The Ballad of Jack and Rose (geregisseerd door zijn echtgenote Rebecca Miller, JT). Wel, dat was mij nog niet eens opgevallen."

De vader-zoonverhouding is erg belangrijk in There Will Be Blood. U bent zelf vader van drie zonen en de relatie met uw eigen vader moet nogal complex geweest zijn.

"De verhouding met mijn vader was veel minder complex dan bepaalde verhalen of geruchten laten geloven. Hij was gewoon een man die ik nooit echt goed heb leren kennen. Zo complex was dat dus niet. Naderhand ben ik wel beginnen na te denken over hoe die relatie met mijn vader had kunnen zijn en dat is het moment waarop de zaken iets complexer worden. Wat mijn eigen ervaringen als vader betreft, mag ik hopen dat die op geen enkele manier een inspiratie zijn geweest voor de verhouding tussen David Plainview en zijn zoon. (lacht) Integendeel, het werkte zelfs een beetje contraproductief, want ik voelde zo'n sterke behoefte om Dillon Frasier, de jonge acteur die in de film mijn zoon HW speelt, te beschermen dat hij mij bijna van zich afsloeg alsof ik een vervelende mug was. (lacht) Hij was amper tien jaar en al een echte cowboy. Hij had al verschillende rodeo's gewonnen, maar had nog nooit in een film gespeeld. Ik was bezorgd en voelde echt de behoefte om hem uit te leggen dat we binnenkort bepaalde scènes zouden draaien waarin ik hem heel hard zou aanpakken, hem zou uitschelden en zo. Hij keek mij toen aan alsof ik gek geworden was, met zo'n blik van 'What the fuck are you telling me that for?'. Ik zei nog dat hij moest weten dat ik hem graag zag, maar hij antwoordde gewoon: 'Natuurlijk weet ik dat. En laat mij nu maar gerust.' Hij heeft mij genezen van mijn instinct tot overbescherming. (lacht)"

Wat dacht u toen u voor het eerst het scenario van Paul Thomas Anderson las en de dialogen maar wegbleven?

"Dat was verrukkelijk. Ik heb sowieso een paradoxale verhouding met taal, gelet op het milieu waar ik vandaan kom en waarin taal zo'n belangrijke rol speelde. Toen ik het scenario las, bleef ik de pagina's maar omslaan. Ik vroeg mij af wanneer er eindelijk iets gezegd zou worden, maar het was wel prachtig. Al die details die beschreven stonden. Het had bijna iets brutaals, iets betoverends ook. Maar ik vond het verrukkelijk, vooral omdat het zo juist leek, zo echt. Het leven van die man kon op zo'n manier geopenbaard worden dat de kijker alles te weten kon komen wat hij over die man in die bepaalde situatie moest weten, zonder dat er ook maar één woord moest worden gezegd. Ik vond dat zeer opmerkelijk, heel gewaagd ook. Eigenlijk was dat eerste gedeelte nog langer in het scenario en we hebben het ook zo gedraaid, maar uiteindelijk hebben we het wat moeten inkorten."

U hebt ook het boek Oil! van Upton Sinclair gelezen.

"Ja, de eerste 150 bladzijden introduceren de lezer heel gedetailleerd in de wereld van de olievelden in die tijd. Het boek is daarnaast ook een soort onderzoek naar het conflict tussen arbeiders en directie, wat buiten het bestek van deze film valt, maar toch ook fascinerende lectuur was. Upton Sinclair is zijn leven lang een militante socialist gebleven. Het is eigenlijk vreemd dat hij in de VS heeft kunnen overleven. Maar voor mij bevatte het boek geen sleutels tot het personage van Daniel Plainview en dat vond ik zelf ook beter. Het was vooral nuttig als introductie over het leven en het werk in die eerste olievelden. Het is verbazingwekkend als men nu naar oude foto's van het Los Angeles uit die periode kijkt. Het leek wel een woud van boortorens met hier en daar wat kleine huisjes. Als men naar buiten stapte, kwam men terecht in een soort moeras van ruwe olie die zomaar over straat liep. Het is eigenlijk op die smeerboel - en de weelde die daarvan het gevolg was - dat het latere Los Angeles gebouwd werd. Edward L. Doheny (de Amerikaanse oliemagnaat die als een van de inspiratiebronnen van Sinclair fungeerde, JT) was een van die bouwers. De bekende Doheny Drive in Beverly Hills is naar hem genoemd. De eindscènes van de film hebben we in zijn huis, Doheny Mansion, gedraaid. Het deed mij denken aan zo'n piramide die een farao als monument voor zichzelf liet bouwen. Ik heb dus ook wel wat gelezen over Doheny, maar mijn personage is zeker niet naar hem gemodelleerd."

Had u misschien andere voorbeelden naar wie u de monsterachtige trekjes van David Plainview kon modelleren?

"Neen, neen. Ik weet niet wat dat over mezelf zegt (lacht), maar ik had blijkbaar geen model nodig."

De gewelddadige dingen die uw personage doet, stralen zo'n beklemmende intensiteit uit dat ik tijdens de film zat te denken dat u waarschijnlijk in staat zou zijn om die dingen ook echt te doen.

"Jij denkt waarschijnlijk dat je niet in staat bent om iemand te vermoorden. Maar heb je nog nooit aan een situatie gedacht waarin zelfs jij zoiets zou kunnen doen?"

Puur theoretisch misschien.

"Wel, meer moet dat niet zijn. Maar je zult het nooit weten tot het moment waarop je die lijn overschrijdt. Ik ben ervan overtuigd dat iedereen perfect in staat is om dat te doen. Als ik jou heb laten geloven dat ik tot moord in staat ben, dan heb ik mijn job goed gedaan. Maar het blijft een spel. Ik ben geen gewelddadig iemand, maar net zoals bij iedereen zit er een dosis geweld in mij. Heb je de autobiografie van Luis Buñuel gelezen? Daarin schrijft hij op een bepaald moment: 'Ik zag drie priesters lopen aan de overkant van de straat en gezien die provocatie...' (lacht uitbundig)."

Hier en daar werd gesuggereerd dat de stem van uw personage een beetje als de legendarische regisseur John Huston klinkt.

"Als voorbereiding heb ik naar vrij veel verschillende geluidsopnames geluisterd, waaronder die van John Huston, omdat de kracht en de viriliteit van zijn stem, zijn dictie en zijn toonhoogte, maar ook zijn humor plots, out of nowhere, in mijn hoofd opkwamen. Maar ik heb hem niet als voorbeeld genomen. Ik heb veel historische bandopnamen beluisterd, zoals de Dustbowl Recordings uit Oklahoma en uit de Midwest. Daarop kun je bijvoorbeeld allerlei landbouwers horen die hun grond en al hun geld verloren hadden ten tijde van de Grote Depressie. Interessant en boeiend om naar te luisteren, maar niet in die mate dat ik ze op een of andere manier kon gebruiken. Ik wist eigenlijk niet zo goed waarnaar ik op zoek was. Wat ik veel doe, is tegen mezelf praten. Ik gebruik daarvoor zo'n prehistorisch recordertje met kleine cassettes, dat nu zowat incompatibel moet zijn met alle moderne audiosystemen. Ik praat daarin en probeer zo een klank te vinden die iets te betekenen heeft. Maar uiteindelijk komt het er meestal op neer dat ik in mijn hoofd een stem hoor en dat ik die dan probeer te laten horen. Ik probeer de stem van het personage te horen en daarna te reproduceren, wat eigenlijk nog het moeilijkste is. Maar ik weet niet of wat ik hier allemaal vertel wel steek houdt."

De brand van de boortoren is een van de dramatische hoogtepunten in de film. Hoe ging dat?

"Die sequentie heeft heel vaak op het draaischema gestaan, maar we bleven het altijd maar uitstellen. We vonden telkens wel iets anders dat we beter eerst zouden draaien. We hadden maar één dergelijke boortoren en dat was zo'n beetje het centrum van onze wereld, zoals die door production designer Jack Fisk gebouwd was. We wilden dat centrale element niet zomaar verliezen. We wisten dat we de afwezigheid ervan zouden voelen. Maar het was ook een groot risico om die toren in brand te steken, want als het zou mislukken, dan hadden we geen mogelijkheid om het over te doen. Daar hadden we ook geen tijd voor. We moesten een groot verhaal vertellen en we hadden slechts zestig draaidagen. Dat is op zich niet weinig, maar het is evenmin een lange opnameperiode. Het draaischema was meedogenloos. Er moest elke dag zoveel gedaan worden. Die sequentie hebben we uiteindelijk met verschillende camera's vanuit elke mogelijke hoek opgenomen, maar toch. Als we de brand van die boortoren niet hadden kunnen filmen zoals het moest, dan hadden we zwaar in de problemen gezeten. Gelukkig is alles goed verlopen." n

info There Will Be Blood draait vanaf woensdag 20 februari in de bioscopen.

Als ik jou heb laten geloven dat ik tot moord in staat ben, dan heb ik mijn job goed gedaan

Ik voel altijd een zekere weerstand om complexe zaken te condenseren tot een woord of een begrip

Enigmatisch,

intens,

controversieel,

obsessief

Het zijn telkens weer dezelfde adjectieven die opduiken als men het over Daniel Day-Lewis heeft, de fenomenale Ierse acteur die in 1957 in Londen geboren werd. Wat die omschrijvingen zo opmerkelijk maakt, is dat ze niet alleen gebruikt worden voor de acteur en zijn vertolkingen, maar ook voor de privépersoon en zijn hebbelijkheden. Of toch tenminste voor de perceptie die daarover bestaat.

Er zijn natuurlijk zaken die hem altijd, als acteur en als privépersoon, zullen blijven achtervolgen. Zoals de fax waarmee hij in 1995 een einde maakte aan zijn relatie met de toen zwangere Isabelle Adjani. Of de manier waarop hij in 1989, na maandenlang in het theater de hoofdrol te hebben gespeeld in Hamlet, tijdens een van de laatste voorstellingen zomaar van het podium stapte en nooit meer terugkeerde. Neurasthenie werd toen als medische diagnose gegeven. Maar het hielp natuurlijk niet dat Daniel Day-Lewis zich later liet ontvallen dat hij weggestapt was omdat hij het gevoel had gekregen dat hij als Hamlet tegen de geest van zijn eigen vader stond te praten. Zijn vader was de Ierse dichter Sir Cecil Day-Lewis, die een tijdlang Poet Laureate van Groot-Brittannië is geweest. Zijn moeder was de actrice Jill Balcon.

"Er bestaan zoveel misverstanden over mij", zucht hij af en toe in interviews. Maar de manier waarop hij zijn privacy afschermt, grenst dan ook soms aan het maniakale. Op een persconferentie naar aanleiding van de film The Crucible, waarvoor de beroemde Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller de scenarioadaptatie van zijn eigen theaterstuk had geschreven, vroeg iemand aan Daniel Day-Lewis wie hij nu eigenlijk het eerst had ontmoet: Arthur Miller of zijn dochter Rebecca. Dat was een eerder doorzichtige poging om bevestigd te krijgen dat Daniel en Rebecca inderdaad een item waren. Maar de acteur weigerde te antwoorden en reageerde bijzonder geïrriteerd: "Nog goed dat je mij die vraag nu op het einde stelt, want anders was ik meteen opgestapt." Enkele dagen later, in december 1996, trouwden Daniel Day-Lewis en Rebecca Miller, uiteraard in het grootste geheim. Ze hebben inmiddels twee zonen.

Dat huwelijk kwam er na (echte of vermeende) liaisons met Julia Roberts, zangeres Sinéad O'Connor, Juliette Binoche, Madonna, Tilda Swinton, Greta Scacchi, Winona Ryder en Isabelle Adjani. Die laatste hield aan de romance in ieder geval haar zoon Gabriel-Kane over. Toch zijn het vooral de al dan niet opgeklopte en uitvergrote verhalen over de intensieve manier waarop Daniel Day-Lewis zijn rollen voorbereidt en er zich nadien in onderdompelt, die zijn obsessieve reputatie blijven voeden.

In My Left Foot speelde hij de rol van de Ierse kunstenaar Christy Brown, de zwaar verlamde man die er toch in slaagde te schrijven en te schilderen met het enige lichaamsdeel dat hij kon bewegen en controleren, met name zijn linkervoet. Tijdens de opnamen van die film wilde Daniel Day-Lewis nauwelijks zijn rolstoel verlaten, ook als er niet gefilmd werd. Zelfs als er gegeten moest worden, gebeurde dat in een rolstoel. En op de set moest men hem in zijn rolstoel over de kabels tillen.

Voor The Last of the Mohicans van regisseur Michael Mann, waarin hij Hawkeye speelde, werd hij een soort avonturier en ging dus maanden in de bossen van North Carolina wonen. Hij leerde er jagen, dieren villen, kano's bouwen, met een tomahawk gooien en met een zwaar, ouderwets vuursteengeweer schieten. Omdat zo'n indiaanse krijger zijn wapen altijd bij zich hield, deed Daniel Day-Lewis dat ook, zelfs bij een kerstdiner.

Voor In the Name of the Father, het verhaal van de Guilford Four en de blunderende Britse justitie, probeerde hij zich in te leven in de gevangenschap van de ten onrechte veroordeelde IRA-verdachte Gerry Conlon door zichzelf te laten opsluiten door brutale 'bewakers', die hem uitscholden en water over hem heen goten telkens wanneer hij in slaap viel. En voor zijn rol van Bill 'The Butcher' Cutting in Gangs of New York van Martin Scorsese ging hij in de leer bij echte slagers. Niet te verwonderen dat een Britse krant naar aanleiding van het nieuws dat Day-Lewis de rol van een olietycoon zou spelen, grapte dat hij bij wijze van voorbereiding wellicht een boortoren zou bouwen in zijn achtertuin in het Ierse Wicklow. Day-Lewis heeft het niet gedaan, maar geeft wel toe dat hij het "een fantastisch idee" vond. (JT)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234