Zaterdag 16/01/2021

‘Ik wil tekenen, ik wil werken, ik wil leven’

Koenraad Tinel blijft op zijn 76ste een verwoed, vitaal kunstenaar, hoewel hij niet van het woord ‘kunstenaar’ houdt. Hij is een man die intens leeft, aards en recht voor de raap, en van het leven en van de Vrouw houdt. Eén brok oerkracht en pezige tederheid. ‘Ik kan wel veel tateren, maar ik kan mezelf niet goed uitleggen. Mijn werk is mijn woord.’ Volgende week openen in Leuven twee tentoonstellingen met tekeningen en sculpturen van Tinel.

door Eric Rinckhout / foto’s Yann Bertrand

Koenraad Tinel woont in Vollezele, vlak bij Ninove, op een ongerept stuk land omsingeld door Belgische lelijkheid. Op de weg ernaartoe woekert de lintbebouwing en liggen huizen en villa’s wanordelijk uitgestrooid. Tot er er plotseling ruimte is: een weg met enkele oude boerderijen slingert door een echt landschap. Wat verderop, in de oksel van het glooiende land, in een van Vlaanderens stiltegebieden, staat een huis met een atelier en een uitgestrekte lap grond. Daar woont, werkt en leeft Koenraad Tinel. Een reusachtige sculptuur van hem wijst de weg.

“Ik ben nu bezig aan een serie over het Pajottenland. Vertellen met tekeningen, dat vind ik plezant.” Hij toont een groot, zwart schrift. “Ik ben volop aan het tekenen en schrijven, mijmeringen over mijn tijd in Gooik. Als ik hier ’s avonds aan het vuur zit, komen al de mensen van toen mij weer voor de geest. Ik heb er dertig jaar gewoond.”

Geheugen is een schoon goed. Nu woont hij al 22 jaar samen met een gezin dat hij vertederend “mijn familie” noemt, in de schaduw van de Congoberg. “Noemde men die zo omdat de bewoners naar de mijnen van de Borinage trokken en dus zwart als negers terugkwamen? Of omdat de streek afgelegen en zogezegd ‘achter’ was? Ik weet het niet.”

Hij neemt me mee naar zijn tekenatelier. Er liggen pennen, penselen en stokjes, waarmee hij schildert. Er staan potten met Chinese inkt, bister en water in verschillende graden van vuiligheid. “Bister”, legt hij uit, “is notenbruin, uit de bolster die om de noot heen zit. Als je noten pelt, zien je handen bruin, bijna zwart. Notenbruin gemengd met Chinese inkt geeft een diepzwarte kleur. Ik speel graag met die rijkdom van tonen. Ik schilder, maar met een beperkt palet: van bruin over gelig naar zwart. Ik leng mijn inkt aan met water, behalve als ik dus heel donker wil gaan. Maar ik ben niet zozeer een schilder, ik kan dat niet goed (lacht). Ik voel me beter als ik teken.”

Flandria Catholica is een reeks van zo’n tweehonderd tekeningen, die volgt op het spraakmakende Scheisseimer. Twee jaar geleden kwam Koenraad Tinel naar buiten met een reeks tekeningen over de collaboratie van zijn vader en broers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij bracht dat verhaal ook op de planken. In januari vertelt hij het nog één keer in Leuven. “Flandria Catholica is weer een stuk van mijn jeugd, het stuk dat in de tijd volgt op Scheisseimer. In Leuven hang ik de tweehonderd tekeningen in rijen van drie boven elkaar. Zo wordt het één werk - ‘kunstwerk’ vind ik een verschrikkelijk woord.”

Als ik hem zeg dat ik Scheisseimer een moedig werk vond, antwoordt hij: “Om het te tekenen had ik niet zoveel moed nodig. Wel om ermee naar buiten te komen. Ik was ook bang om op het podium te gaan staan. Ik had geen schrik om op mijn bakkes te krijgen, maar ik vreesde dat ik emotioneel zou afzien. Mijn twee oudere broers zijn nog in leven. Pas op, ik beticht mijn broers niet, ze zijn als jongens door mijn vader in de collaboratie gedwongen. Mijn vader was bij de Allgemeine SS, zonder dat ik hem ooit een uniform heb zien dragen. Mijn oudste broer was bij de Waffen SS Oostfront, mijn andere broer was bij de Sicherheitspolizei, die de Joden moest aanhouden. Het manneke was 15 jaar... En mijn vader verdroeg dat, dat zal ik nooit begrijpen. Hij zou dat ook met mij gedaan hebben, maar ik was te jong. Ik was zes toen de oorlog uitbrak. Zo ben ik eraan ontsnapt. Ik heb dat allemaal gezien en gevoeld, heftig en intens meegemaakt zonder daar een drama van te maken.”

In zijn beeldhouwatelier wijst hij naar een foto. “Dat was jarenlang mijn pianolerares, Betty Galinsky. Zij was een Jodin die op transport werd gezet en in Auschwitz is omgekomen. Dat ze niet meer kwam en verdwenen was, werd thuis als een fait divers verteld. Onbegrijpelijk. Voor die vrouw en met haar al die anderen wil ik ooit een monument maken.”

Met Scheisseimer heeft Koenraad Tinel een stuk verzwegen geschiedenis in veel Vlaamse families bespreekbaar gemaakt. Maar zijn broers namen het hem eerst niet in dank af. “Mijn ene broer was heel kwaad. Tot zijn zoons kwamen kijken en hem zeiden: ‘Wat onze nonkel zegt, is heel correct.’ Hij is dan bijgedraaid. Hij is nu 84, de andere is 86. Die is zwaar invalide, hij heeft maar één been. Hij was bij de keurtroepen en verdedigde tot het laatst de bunker van Hitler. Daar is hij zo zwaar gewond geraakt. Hij had gelukkig niet de SS-tatoeage met zijn bloedgroep onder zijn oksel, anders zou hij niet meer geleefd hebben, de Russen zouden hem afgemaakt hebben. Hij heeft nooit willen spreken over zijn tijd in Rusland. En nu heeft hij alzheimer, hij weet niets meer, denkt dat ik samen met hem gevochten heb. Maar ik roer niet onnodig in die geschiedenis. Ik doe die mensen ook niet graag onnodig pijn.” En dan verzinkt hij in stilzwijgen.

Grijs België

Ik zeg hem dat hij nooit iemand heeft beschuldigd. “Ik wou niemand beschuldigen. Ik wil in mijn werk niet oordelen en veroordelen. Wel kijken en vertalen. In mijn werk neem ik de wereld op: de dingen die mij treffen. Geen gemakkelijke sensatie. En ik geef die energie in mijn kunst terug. Het leven van de mensen zoals het is. Une tentative de communication: een probeersel om iets mee te delen. Op mijn manier en met mijn verwerking.

“Ik heb de Tweede Wereldoorlog lang verdrukt, ik wou daar niet mee bezig zijn. Ik vertelde er soms over, hier in mijn familiekring. Toevallig, hoor: ik ruik de geur van rottende appels en die doet mij terugdenken aan Duitsland toen ik daar woonde. Daar lagen appels op zolder en ik ging die pikken, want wij hadden honger. Geuren kunnen sterke herinneringen oproepen. Josse De Pauw was de eerste die zei dat ik dat moest uitschrijven. Maar ik kan niet schrijven, ik kan alleen tekenen. Uiteindelijk ben ik beginnen tekenen en vertellen en zelf op het podium gaan staan.”

Bij Koenraad Tinel zelf heeft Scheisseimer vooral de goesting om te tekenen losgemaakt. “Ik teken van mijn drie jaar en ik heb ook oerverhalen geïllustreerd. Na Scheisseimer wou ik vooral voortgaan met verhalend tekenen. De moeilijke tijd in Gent, de miserie toen mijn moeder na de oorlog alles moest opstarten. Op twee kamertjes herbeginnen, terwijl de hele familie in de gevangenis zat. De triestige kant van Gent, in Moscou en Ledeberg. Dat ben ik beginnen tekenen. Maar er zit geen chronologie in, zoals in Scheisseimer. Ik gebruik als rode draad een lopend jongetje: dat ben ik, ik kon niet stilzitten. En de sfeer van een tijd zit in de tekeningen: ik ga bij de scouts, ik krijg een fiets van een pater, ik zit op het college bij strenge priesters. Er is de stad die ik zo droevig vind. Ik had verschrikkelijk heimwee naar mijn dorpje in Duitsland, in het Thüringer Wald, de streek van Bach, waar ik negen maanden zeer gelukkig was geweest: ik mocht er bij een boer werken en moest niet naar school. In 1946 keerden we terug naar België. Flandria Catholica gaat over de jaren tussen mijn twaalf en mijn achttien - de adolescentiejaren. Ik was geweldig achter op school, het Sint-Gregoriuscollege. Ik was twee jaar niet naar school geweest en het interesseerde mij ook langs geen kanten. Alle lessen werden er door priesters gegeven, wiskunde, geschiedenis en aardrijkskunde, en die mensen kenden daar zelf amper iets van.”

Of hij de repressie toen gevoeld heeft? “Eén keer werd een hakenkruis op mijn boekentas getekend, dat wel. Maar in maart ’46 was alles al veel rustiger geworden. Ik zat bovendien in een milieu van flaminganten en katholieken, ik was tamelijk beschermd. Vader zat in de gevangenis, maar kwam na zes maanden vrij. Hij had zich goed verdedigd: hij was immers een held van de Eerste Wereldoorlog, met veel decoraties van zijn gevechten aan de IJzer. Mijn broers zaten veel langer vast.

“Voor mij was het een droevige tijd. België was grijs en er was de domper van het katholicisme. Ik heb in de tekeningen van Flandria Catholica maar één keer echt kleur gebruikt: rood, bij een gekruisigde Christus. De godsdienst werd ons nogal ingepeperd. Dat katholicisme was een dwang. Het gewicht van alle zonden woog op mij. Ik ben blij dat ik nu vrij kan denken en spreken.”

Koenraad Tinel verduidelijkt dat hij een tijdsgeest wil oproepen. “Ik wil eerlijk zijn: hoe kwam dat op mij over? Ik wil niet op de kap van de kerk zitten. Ik heb die tekeningen trouwens gemaakt vóór het hele gedoe rond Vangheluwe begon. Dat moeten de mensen weten: ik heb die heisa niet aangegrepen om mijn eigen verhaal te vertellen, zo zit ik niet in elkaar. Trouwens, zoveel eer wil ik die geestelijken niet gunnen. Je les ignore...”

Toch zitten er verwijzingen naar pedofilie in Flandria Catholica. “Ik ben als kind één keer benaderd geweest. Door een leek. Die wou met mij ook zoiets doen. Gelukkig heeft hij niet aangedrongen, ik ben nogal vechtlustig. Mijn broer werd wel lastiggevallen door een broeder op school. En wat was de reactie van mijn vader? Hij veranderde mijn broer van school. Er werd voorts niet over gesproken. Godverdorie, dat zou bij mij niet gepakt hebben!”

Het doet deugd om dat soort verhalen te kunnen vertellen, zegt Tinel. “Die geschiedenis zit in mij, zoals bij Scheisseimer. Eerst ben ik bang en dan ben ik content. Of ik achteraf opgelucht ben? Ja, dat is bij mij altijd het geval. Mijn werk is geen therapie, maar toch werkt het zo. Ik voel de nood om dingen mee te delen.”

Blote meisjes

In de oude kelders van het huis in Vollezele staan en hangen oerbeelden van vrouwen. Gips, brons, ijzer. Soms hier en daar omzwachteld. Het zijn de geliefkoosde materialen van de kunstenaar. Een ode aan de barende vrouw: ze hangt, je ziet haar ruggengraat en ribbenkas en tussen haar benen stulpt iets uit - een kopje? Wat verder ligt een enorme, bijna amorfe oervenus. “Met een pruim van goud”, zegt Koenraad Tinel met glinsterende ogen. “Iemand heeft mij eens een klein vies vuil ventje genoemd.” Waarna zijn schaterlach volgt. “Ja, ik heb ook een vogelend koppel gemaakt. Het is niet altijd verheven wat ik doe. Maar de man-vrouwrelatie blijft mij boeien. Vooral de vrouw dan. Wat een krachtig, boeiend wezen is de vrouw toch! Hoewel de vrouw mij ook erg heeft doen afzien.” Waarna weer een lach volgt.

In Leuven toont hij ook Dévoilée - Prima Mater, een reeks tekeningen en sculpturen van oervrouwen. “De vrouw is een sterk wezen. De geboorte van een kind, dat is een van de meest emotionele dingen die ik heb meegemaakt. Het wonder van de moeder, de kracht van de vrouw, dat speelt enorm bij mij. Die oerkracht, daar heb ik zeer veel respect voor. Gelukkig dat er vrouwen zijn. (stilte) Anders zouden wij er niet zijn.

“Een moeder gaat ook helemaal anders om met haar kinderen. Ze is begrijpender, ze waakt. Een vader is nog altijd een krijger. Ja, de archetypes, ik ben een ouderwetse kloot op dat gebied. Ik hou wel van een zekere traditie, ook in de kunst.

“In Flandria Catholica laat ik ook zien dat ik van meisjes droom. Ik tekende toen voor mijzelf blote meisjes. Maar dat mocht uiteraard niet. Tegelijk droomde ik ervan missionaris te worden. De donderpreken maakten een geweldige indruk op mij en ik wou dan ook hutten gaan bouwen voor de negers. Ik heb een pioniersziel. Ik wou zelfs nog meer afzien en naar de eskimo’s trekken om die te gaan bekeren.

“De ontluikende seksualiteit... Ik masturbeerde, maar daardoor brak mij het angstzweet uit. Zo zie je maar wat de kerk met de mensen deed: men dwong ons tot hypocrisie. Ik was ervan overtuigd dat ik een zonde bedreef. Ik ging biechten en besefte tegelijk dat ik nooit missionaris kón worden. Toen ging ik er nog van uit dat al die priesters verheven en voorbeeldig leefden. Ik was een heel serieuze jongen...

“Nog altijd kijk ik graag naar vrouwen. De vrouw als vrouw trekt mij aan. Ik kijk graag naar de manier waarop ze lopen, hun allure. Wat geestig is aan het oud worden: ik mag en ik kan nu tegen een jong meisje zeggen dat ik haar mooi vind.”

De kracht van een ram

Kracht en energie. Dat straalt Koenraad Tinel uit en dat wil hij ook in zijn kunst tonen. Ook muziek moet krachtig zijn en ontroeren. Ooit was hij een uitstekend pianist, maar zijn handen en vingers zijn hun soepelheid verloren door jarenlang te hameren op de ijzerplaten van zijn sculpturen. “Mijn rechterhand is breder dan mijn linkerhand, zie maar.

“Als ik luister moet ik ook echt kunnen luisteren. Geen achtergrondmuziek. Ik hou verschrikkelijk van Bach. Ik kan niet naar de Mattheüspassie luisteren zonder te beginnen janken. Maar Bach was een ongelooflijk naïeve kloot. De muziek is fantastisch, maar die teksten uit het Evangelie zijn zo gezwollen. Ik hou ook verschrikkelijk van Gregoriaanse gezangen, het toppunt van onthechting. Dat is hemels. Het is nochtans van de kalotten. Hoewel neen: het is door mensen gemaakt. En toch ben ik niet bepaald met spiritualiteit bezig, ik ben zeer met de aarde verbonden.”

Van die aardse oerkracht is de reusachtige sculptuur op het Artoisplein in Leuven een schitterend voorbeeld: de stier die Europa ontvoert. “Europa is de dochter van Telephassa en Agenor, van Azië en Afrika dus. Dat is toch prachtig! Dan wordt ze ontvoerd door Zeus, die de gedaante van een stier heeft aangenomen en haar later verkracht. Ik blijf daarmee bezig. Ik zou er graag een ongelooflijk grote versie van willen maken, zoals het Vrijheidsbeeld in New York. Maar dan mooier (lacht).”

Misschien is het een idee voor Beaufort, de tweejaarlijkse kunstmanifestatie aan de Belgische kust. Zo’n stier vlak bij die andere laaiende oerkracht, de zee. De stier doet meteen denken aan Picasso, nog zo’n ontembare kunstenaar die van krachtige beelden en van krachtige vrouwen hield. “Ik heb een geweldige bewondering voor hem. Men spreekt altijd over de schilder Picasso. Maar hij is voor mij in de eerste plaats een tekenaar en een beeldhouwer. Daarmee treft hij mij het meest. Ze zeggen soms dat ik op Picasso lijk. Pas op, langs moeders kant heb ik Spaans bloed.”

Hoe verklaart hij zelf zijn liefde voor krachtige oerbeelden? “Ik hou vooral van het schone van de kracht. Ik ben een ram, ik ben in maart geboren, het begin van het seizoen, het begin van alles. Ik voel dat in mij, hoewel ik niet in die tekens van de dierenriem geloof. Hugo Claus was ook een ram, en Goya, en Ensor. En Hitler ook (schaterlach).

“Ik kan wel veel tateren en zeveren. Maar ik kan mijzelf niet goed uitleggen. Mijn werk is mijn woord. Ik zeg het met vormen, niet met taal. Ken je die anekdote van die componist - was het Schubert? - aan wie iemand vraagt wat hij eigenlijk wil zeggen met zijn muziek. ‘Luister’, antwoordt hij. Hij zet zich weer aan zijn piano en begint het stuk opnieuw te spelen. Dat was zijn antwoord.”

Als we weer buiten in de vrieskou staan, vraag ik hem nog wat zijn recept is om zo schoon oud te worden. “Ik wil alles graag, ik heb altijd alles graag gewild. Ik wil tekenen, ik wil werken, ik wil leven. Als ik op mijn paard rij, zonder zadel en zonder bit, door de velden hierachter, dan ben ik geen aarde meer. Dan ben ik lucht. Dat is onbeschrijflijk zalig.”

‘Ik hou van het schone van de kracht’

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234