Vrijdag 10/07/2020

InterviewHuurlingen in Congo

‘Ik wil geen racist zijn, maar ik ben het wel. De apartheid van Belgisch-Congo zit nog diep in mij’

Roger Bracco.Beeld Saskia Vanderstichele

Op 30 juni 1960 werd Congo onafhankelijk van België. Maar daarmee hield het geweld niet op: vanuit het buitenland werden honderden huurlingen ingevlogen om de resterende economische belangen te verdedigen. De huurlingen, even bandeloos als onverschrokken, trokken een spoor van bloed door het regenwoud.

In zijn Brusselse appartement, gedomineerd door een bibliotheek met boeken over geopolitiek, ontvangt Roger Bracco (85) ons hartelijk. Bracco is best bereid over zijn bestaan als huurling te vertellen, maar eerst wil hij met een klein geschiedkundig hoorcollege toch enige duiding geven. Huurlingen hebben altijd bestaan, zegt hij: “Na de Franse Revolutie namen heel wat kooplieden hen in dienst zodat zij zich verder in handel en nijverheid konden bekwamen. Zelfs de paus beschikt met zijn Zwitserse garde over goedgetrainde huurlingen. Huurlingen dienen het kapitaal. Het is dus niet abnormaal dat ze in het tumult van 1960 in Congo opdoken.”

De onafhankelijkheid van Congo leidde tot muiterij. Over het hele land braken onlusten uit. Politicus Moïse Tshombe maakte van de verwarring gebruik om de onafhankelijkheid van de provincie Katanga uit te roepen. Een drama voor de nieuwe Congolese staat: Katanga, waar de bodem vol edelmetaal zit, was het fundament onder de jonge natie – 60 procent van de begrotingsmiddelen kwam er vandaan. Tshombe genoot de steun van de Belgische haute finance, die niet van plan was die schatkamer van kobalt, koper, uranium, goud en diamant zomaar af te staan. Met het geld van de Belgen werden huurlingen, zoals luitenant-vliegenier Roger Bracco, overgevlogen. 

Bracco: “Tshombe, een joviale en charmante man, had zijn kans geroken. Lang voor de onafhankelijkheid van Congo streefde zijn politieke partij Conakat al naar de afscheiding van Katanga. Hij genoot de steun van het Belgische mijnbedrijf Union Minière (het huidige Umicore, red.), dat in Congo alomtegenwoordig was, en had een rist Belgische raadgevers rond zich. 

“De Belgische overheid heeft in Congo dubbel spel gespeeld: aan de ene kant installeerde ze in Leopoldstad (Kinshasa, red.) het nieuwe centrale gezag met president Kasavubu en premier Lumumba, aan de andere kant organiseerde ons land vanuit Elisabethstad (Lubumbashi, red.) de afscheiding van Katanga. 

“Nu, officieel mocht België geen militairen naar Katanga sturen. België had Congo net onafhankelijk verklaard. Daarom rekruteerde men vrijwilligers in het grootste geheim: Belgen, Fransen en anderen – veel Korea-veteranen. Huurlingen, dus.”

Wie heeft u gerekruteerd?

Bracco: “De ambassade. (herpakt zich) Ik bedoel: het bureau van Conakat in Brussel. Daar kreeg je een voucher voor een vlucht naar Katanga, waar een contract voor je klaarlag. Een mooi contract: bij de Belgische luchtmacht verdiende ik 12.000 Belgische frank (zo'n 300 euro, red.) per maand, ginds ongeveer het dubbele.”

Was u gedetacheerd door het Belgische leger? 

Bracco: “Het was een bijzonder statuut: de Katangese overheid betaalde me, maar ik maakte nog altijd deel uit van het Belgische leger – al was ik niet door het leger gestuurd. De Katangese overheid, dat was Union Minière. En Union Minière, dat was België. Kortom: België betaalde me via via. (lacht)

Waarom ging u naar Katanga? 

Bracco: “Ik had mijn jeugd in Belgisch-Congo doorgebracht. Mijn vader had gewerkt in Bukavu, voor het mijnbedrijf van de Grote Meren. Ik wilde niet dat mijn land de dieperik inging. Het idee leefde dat we van Katanga een multiraciale samenleving zouden maken. In tegenstelling tot wat in de kolonie gebruikelijk was, zouden blank en zwart samen opgroeien.”

U hebt het uit idealisme gedaan? 

Bracco: “Idealisme? Dat woord gebruik ik met het grootste voorbehoud. Het idee van een eengemaakt Katanga heeft, dat zal u niet verbazen, niet lang standgehouden.”

Wat deden jullie precies? 

Bracco: “Wij ondersteunden de opmars van onze kolonnes vanuit de lucht. We moesten het noorden herwinnen, dat in handen van het opstandelingenleger Balubakat was gevallen. In het zuiden sloegen we aanvallen af van de troepen van Lumumba, die Katanga wilden heroveren. De blanke bevolking van Katanga sympathiseerde met ons, al noemde ze ons les affreux – de verschrikkelijken.”

Mevrouw Bracco: “Enkele weldenkende dames hebben ooit huurlingen zien terugkeren na het volbrengen van hun missie, lelijk toegetakeld en behoorlijk ongewassen. Zij hebben die naam bedacht.”

Bracco: “De Balubakat waren het moeilijkst onder controle te krijgen. In de brousse legden ze de ene hinderlaag na de andere. Die gasten waren nergens bang van. Ze smoorden wiet en waren zo stoned als een garnaal. Je kon als een gek op hen schieten, maar ze bleven marcheren.”

Mevrouw Bracco: “Hun tovenaar had gezegd dat de kogels hen niet zouden raken.”

Bracco: “Plus, de Lumumbisten stuurden de Balubakat vliegtuigen vol wapens en munitie, terwijl wij het moesten zien te redden met wat we hadden. Omdat Katanga door geen enkel ander land officieel werd erkend, konden we in het buitenland geen wapens of munitie kopen. We hadden de reserve van de Force Publique (het voormalige leger van Belgisch-Congo, red.), die aanzienlijk was. En de Union Minière maakte bommen voor ons. Maar het was dikwijls een kwestie van bricoleren. 

“In onze Dove-toestellen, kleine passagiersvliegtuigen, hadden we de deur weggehaald. We hadden een machinegeweer op de bodem vastgelijmd en er een schutter achter geplaatst. Wanneer we de vijand in het vizier kregen, zwenkte de piloot en moest de schutter vanuit een moeilijke positie raak zien te treffen, zonder bedwelmd te raken door de kruitdampen die in zijn gezicht sloegen. Faut le faire. (lacht)

“We ontwierpen ook onze eigen napalm. Als we boven onze bestemming vlogen, haalden we de veiligheidspin uit een granaat, duwden ze in een passend bierglas en staken alles in een toek: een ijzeren bidon met 200 liter kerosine. Die gooiden we naar beneden, en dan brak de hel los: als ze de grond raakte, brak het glas, ontplofte de granaat en zette de kerosine alles in lichterlaaie. Meestal hadden we er ook een dertigtal jampotten bij gepropt, die als splinterbommen uit elkaar spatten.

“Met onze verbeelding hebben we ook de troepen van de Verenigde Naties (VN) op afstand gehouden, tot die doorhadden dat we geen luchtmacht hadden die naam waardig. In de tweede helft van 1962 kwamen de VN aanzetten met Sabres en Canberras, gevechtsvliegtuigen waartegen wij niet opgewassen waren. Toen was het snel voorbij.”

COLD CASE 

Wie stond aan het hoofd van de Katangese luchtmacht? 

Bracco: “Een Belg, kolonel Volon. Maar de commandant, die het in werkelijkheid voor het zeggen had, is u misschien niet onbekend: Jan Van Risseghem. Hij wordt sinds de documentaire Cold Case Hammarskjöld genoemd als de man die in september 1961 VN-secretaris-generaal Dag Hammarskjöld uit de lucht zou hebben geschoten. Maar eerlijk gezegd geloof ik daar niets van.

“Van Risseghem was een speciale kerel. Als je niet wist dat hij een Belg was, zou je zeggen: een Engelse gentleman. Very British. Hij was al ter plaatse toen ik daar aankwam. Hoe hij daar is aanbeland, weet niemand. In elk geval, hij was géén militair. Hij was wel ontzettend bekwaam: tijdens de Tweede Wereldoorlog had hij nog voor de Royal Air Force gevlogen. Ik sluit niet uit dat hij voor een inlichtingendienst werkte.”

De CIA? 

Bracco: “Dat denk ik niet (Bracco heeft zelf voor de CIA gewerkt, red.).”

De Belgische staatsveiligheid? 

Bracco: “Misschien.”

Sprak hij over Belgische politieke connecties? 

Bracco: “(hoofdschuddend) Van Risseghem voerde het bevel, maar hij was erg op zichzelf: hij ging niet naar restaurants of nachtclubs, hij had geen vrouw, geen vriendenkring. We zagen hem uitsluitend op de luchthaven: een fijne man met een vlotte babbel, maar het ging uitsluitend over het werk. Un personage très étonnant, een opmerkelijk figuur.”

Waarom is Van Risseghem niet de moordenaar van Hammarskjöld? 

Bracco: “De bemanning van de DC-6 van Hammarskjöld was doodmoe: ze hadden te lang gevlogen. Ik vermoed dat ze zich van kaart hebben vergist. Ze zouden landen op de luchthaven van Ndola, in Noord-Rhodesië, maar vermoedelijk hebben ze naar de kaart van Ndolo, in Leopoldstad, gekeken. Eén letter verschil is hen fataal geworden. Ndola ligt op 4.000 voet hoogte, Ndolo op 900. 

“Een aanslag was contraproductief. Hammarskjöld was op weg naar Tshombe, dat was het equivalent van een erkenning door een vreemd staatshoofd. Perfect voor Tshombe. Nee, die complottheorie is te gek om los te lopen.”

Met hoeveel huurlingen waren jullie? 

Bracco: “Nooit meer dan 350.”

Hoogopgeleide mensen, zoals u? 

Bracco: “Dat was de bedoeling, maar dat was helaas niet het geval. De Belgische rekruteerders kregen betaald per vrijwilliger die ze aanleverden. U begrijpt: de kwaliteit van de vrijwilligers was niet hun grootste bekommernis. Mannen meldden zich om de meest uiteenlopende redenen: ze waren door hun vrouw verlaten, ze hadden geen geld, ze hadden niets omhanden. Er waren ook twee uitgetreden priesters bij. Met één heb ik lang gepraat. Voor de onafhankelijkheid was hij missionaris geweest, maar wat hij met de troepen van Lumumba had meegemaakt, had hem doen twijfelen: ‘Een God die zulke daden toelaat kan ik niet meer geloven.’ Er waren twee jongens bij die deel hadden uitgemaakt van het Waals Legioen van nazicollaborateur Léon Degrelle. En je had drie uitstekende dokters, die waren geschorst door de Orde van Geneesheren omdat ze een abortus hadden uitgevoerd. Dat was toen nog een misdrijf.”

Mevrouw Bracco: “Aan één van hen hebben we veel te danken. Een Pool?”

Bracco: “Een Pool of een Tsjech.”

Mevrouw Bracco: “Op een dag was mijn man uit het vliegtuig moeten springen en met zijn parachute in een boom terechtgekomen. Op zo’n anderhalve meter van de grond, dácht hij – in werkelijkheid was het 25 meter. Toen hij de touwtjes van zijn parachute doorsneed, stortte hij naar beneden. Hij was bewusteloos, maar hij had niets gebroken. Vijf dagen heeft hij in de brousse rondgezworven. Iedereen gaf hem op, maar ik bleef in zijn terugkeer geloven. Ik had hem nodig: ik was zwanger. Door mij te verplichten tijdens die verschrikkelijke periode in bed te blijven liggen, heeft de dokter een miskraam voorkomen. Roger is weer opgedaagd. En ik ben bevallen van onze eerste zoon.”

Bracco: “Als u me nog een keer wil interviewen, spreekt u maar gewoon met haar af.”

U was er de hele tijd bij in Congo, mevrouw Bracco? 

Mevrouw Bracco: “Op een dag zei hij. ‘Kom maar af: het is rustig hier.’ De afspraak was dat hij me op de luchthaven zou opwachten, maar hij was nergens te bespeuren. Doodsbang was ik: in mijn hele leven had ik nog niet zoveel zwarten gezien. Uiteindelijk is een advocaat me komen halen. Hij bracht me naar huis. Ik zei: ‘Ik hoor kanonnen bulderen.’ – ‘Nee,’ zei hij. ‘Dat is het onweer.’ Ik nam hem mee naar het terras: de kogels floten ons om de oren.”

Bracco: “In 1962 was dat, de spanning met de VN steeg ten top. We leefden met alle huurlingen in een hotel. Op een avond zei de uitbater: ‘Het gerucht gaat dat er een aanval zit aan te komen.’ Ik ben bij een vriend gaan slapen, en effectief: de VN hebben die nacht de aanval ingezet. Ze hebben alle huurlingen op het vliegtuig naar huis gezet. Slechts enkelen zijn door de mazen van het net geglipt. (lacht)

“In Elisabethstad bleven 27 huurlingen over, maar met de hulp van de bevolking, die ons inseinde wanneer de VN patrouilleerde, hebben we hen op de knieën gekregen. Met 27 man! Plus de Katangese gendarmes, die mag ik niet vergeten.”

Was het niet lastig te vechten tegen de VN? 

Bracco: “(verbaasd) Helemaal niet.”

De blauwhelmen van de VN worden doorgaans beschouwd als vredesbrengers. 

Bracco: “In september 1961 hebben zij de vijandelijkheden geopend met Operatie Rum Punch. Ik vraag me nog altijd af waarom een vredeskorps de wapens opneemt. Welke lobby zat daarachter? (zwijgt) Die gasten gingen driest tekeer. Op een keer drongen Zweedse blauwhelmen een gebouw binnen waar Katangese para’s zich hadden verscholen. Ze gooiden hen zonder pardon uit het venster. Twee hoog.”

Mevrouw Bracco: “De Zweden schoten zelfs op vrouwen.”

Bracco: “De Zweden waren doodsbang door de verhalen die ze hadden gehoord: ‘Als ze je gevangennemen, eten ze je levend op.’”

Gebeurde dat soms, dat de inheemse bevolking iemand opat? 

Bracco: “Nee, maar martelen wel. Een Afrikaan martelt met de glimlach. De ander, die de marteling ondergaat, accepteert het in het besef dat hij de beul had kunnen zijn. En dat hij dan net hetzelfde had gedaan. Een Afrikaan is fatalistisch. Ik zeg niet dat het wilden zijn. Het is hun cultuur. Ze zijn zo opgevoed.”

U bent geen racist? 

Bracco: “Toch wel.”

Pardon? 

Bracco: “Mijn verstand wil niet dat ik een racist ben, maar mijn gevoel verhindert het me. Mijn hele jeugd heb ik het onderscheid tussen blank en zwart gemaakt. Zwart, dat waren de boys. De leerlingen op de missieschool die, als ze geluk hadden, leerden lezen en schrijven om klerk of vrachtwagenchauffeur te worden. Niet dokter of ingenieur. De Congolese variant van apartheid zit diep in mij, hoe hard ik me daar ook tegen verzet.”

U hebt van midden 1960 tot begin 1963 in Katanga gevochten. Hoe was het einde van de campagne? 

Bracco: “Het was een bittere pil: één land had ons moeten erkennen. Eén! Dan hadden we wapens kunnen invoeren en hadden we gewonnen. Dat weet ik zeker. 

“Ik herinner me een vergadering met Union Minière toen het duidelijk was dat de Katangese rebellie afgelopen was. Het plan lag op tafel om in Shinkolobwe de kleppen van de dam open te zetten, zodat alle mijnen in Zuid-Katanga blank zouden komen te staan. Union Minière wilde de VN de bodemrijkdom niet cadeau doen. Gelukkig hebben de Congolese ministers dat geweigerd: ze wilden niet meegaan in de strategie van de verschroeide aarde.”

Roger Bracco.Beeld Saskia Vanderstichele

KOFFER GELD 

Heeft al dat doden u veranderd? 

Bracco: “Een bankbediende doden om zijn kluis leeg te roven, dat is iemand vermoorden. Iemand uit de weg ruimen omdat hij een ander idee verdedigt, niet. Dat is: hij of ik. 

“Wat weerhoudt je soms om iemand van kant te maken? De angst voor de gendarme. Maar zeg eens eerlijk: hebt u nooit de aandrang gevoeld iemand op te ruimen?”

Meer dan eens zelfs. 

Bracco: “Dat zijn dan nog mensen die u kent. Bij mij ging het om onbekenden, die een geweer hadden.”

Mevrouw Bracco: “Het was ‘hij of ik’, zoals mijn man zegt.”

En de mensen die u per vergissing hebt gedood, de collateral damage? 

Bracco: “(stil) Als een piloot van de Belgische luchtmacht IS bombardeert, vliegt hij zo hoog boven de wolken dat hij met het blote oog zijn doelwit niet meer ziet. Maar hij drukt wel op een knopje met de goedkeuring van de natie. Hij mag doden. Ik deed het zonder enige goedkeuring. Ik was de natie, ik besliste zelf of ik het deed. 

“Ik heb ooit een contract gekregen om in Libië te vechten. Dat heb ik geweigerd: ik had geen enkel respect voor kolonel Kadhafi. (nadrukkelijk) Ik heb nooit gevochten voor een staat die martelde. Nochtans had ik van Kadhafi véél geld kunnen krijgen.”

Was u ideologisch gemotiveerd? 

Bracco: “Nee.”

En u deed het ook niet voor het geld? 

Bracco: “Nee.”

Mevrouw Bracco: “Als we het voor het geld hadden gedaan, moesten we nu geen appartement huren.”

Bracco: “Ik had rijk kunnen zijn. Net voor ik aan mijn voorlaatste vlucht van Katanga naar Angola begon, kwam een wagen van de president op het tarmac voorrijden. Ik kreeg enkele ijzeren koffers in de hand gedrukt die ik zonder nadenken in het ruim zette. Koffers ter waarde van 47 miljoen dollar (zo’n 42 miljoen euro, red.) in deviezen – het laatste geld van de Nationale Bank. Ik heb ze netjes afgegeven aan de man die me in Angola stond op te wachten. Als ik enkele stapeltjes bankbiljetten in mijn zak had gestoken, had niemand wat gemerkt. Ik heb het zelfs niet overwogen.”

Mevrouw Bracco: “De man aan wie je het geld hebt gegeven, daarentegen...”

Bracco: “Die man, een Belgische tandarts uit de entourage van Tshombe, heeft enkele hotels in Griekenland gekocht.”

Niet voor het geld, niet voor een ideaal. Waarom hebt u dan wel gevochten? 

Bracco: “Een huurling verdient zijn positie door wat hij doet, niet op grond van zijn anciënniteit of diploma. Wij gehoorzaamden niemand die niet had laten zien wat hij waard was. In het Belgische leger is dat wel anders.”

Een echte meritocratie? 

Bracco: “Wees voorzichtig met dure woorden. Maar iemand die hier in het dagelijkse leven taxichauffeur, nachtbraker of crimineel was, kon ginds uitgroeien tot iemand die ertoe deed.”

U ook? 

Bracco: (blaast) 

Mevrouw Bracco: “Als piloot bén je iemand.”

Bracco: “Je moet je elke keer opnieuw bewijzen, tot je zo’n indrukwekkende staat van dienst hebt dat niemand nog aan je twijfelt. Maar zelfs dan blijft de competitie met jezelf: ‘Kan ik nog wat verder gaan?’”

Bestond de dood niet in uw universum? 

Bracco: “Moed, wat is dat? Niet aan de dood denken.”

U hebt wel veel dode mensen rondom u gezien.

Bracco: “Hoe meer doden je ziet, hoe minder indruk het maakt. Een massagraf raakt me niet.”

Een slachtpartij raakte u niet? 

Bracco: “Doodsbange mensen die door een machinegeweer worden neergemaaid, heb ik niet gezien. Ik viel geen weerloze burgers aan. Wel een trein die wapens transporteerde of een vrachtwagen met opstandelingen die zelf een slachtpartij hadden aangericht. 

“Ik heb mensen gekend die graag doodden, die er plezier in schepten. Die stapten naar een gevangene, revolver in de hand, om te ervaren wat voor effect het had: iemand neerschieten.”

Degouteerden die mensen u? 

Bracco: “Ik moest voor mijn job mensen doden. Ik had daar geen plezier in. Als je dat wel hebt, ben je een psychopaat. Dan ben je ziek.”

U bent wel een huurling gebleven.

Bracco: “Toen ik terugkwam, wilde het Belgische leger me niet meer. ‘Probeer het als magazijnier,’ zeiden ze, ‘of als bibliothecaris.’ Maar dat lukt niet als je moet uitleggen wat je hebt gedaan. Je wordt veroordeeld om wat men veronderstélt dat je hebt gedaan. Niet veel later zat ik op het vliegtuig naar Jemen. En daarna naar Congo, Venezuela, Benin, de Comoren. Op al die plekken zag ik telkens dezelfde vijftien mensen terug.”

Ging u daarmee akkoord, mevrouw? 

Mevrouw Bracco: “Hij heeft mijn toestemming nooit gevraagd.”

Het blijft vreemd: een huurling met een gezinsleven. 

Bracco: “Het is niet met elkaar te verzoenen. Op een bepaald moment heeft mijn vrouw gezegd: ‘Je moet kiezen.’ – ‘Oké,’ zei ik. ‘Ik stop als huurling.’ Maar ik heb het niet gekund. Ik kan het niet anders omschrijven dan egoïsme.”

SCHEDEL ALS ASBAK 

Begin 1963 vertrekt Roger Bracco met de staart tussen de benen uit Congo. Ruim één jaar later, in de zomer van 1964, staat hij er terug. In het immer onrustige Congo hebben de Simba’s, een rebellenleger, het oosten veroverd – met de steun van de grote communistische mogendheden: China en de Sovjet-Unie. Moïse Tshombe, de afgezette president van Katanga die in tussen premier van het land is geworden, roept zijn huurlingen terug. Zij moeten de rebellie in de kiem smoren. Ook in zuidelijk Afrika neemt het ronselen een aanvang. Ivan Smith, een jonge kerel uit Rhodesië (het huidige Zimbabwe), gaat in op een krantenadvertentie voor ‘militair werk’. Het is het begin van zes maanden die de rest van zijn leven zullen bepalen. In het boek dat hij er vijftig jaar later over schrijft, Mad Dog Killers, heeft hij het over de gruwelijke zomer van 1964 die nog altijd opflakkert in zijn ‘slapeloze nachten’. De grondtroepen van het Vijfde Commando, waartoe Smith behoort, dringen de Simba’s, die over te weinig vuurkracht beschikken, terug. Ze liggen ook mee aan de basis van de bevrijding van Stanleystad (Kisangani). Het Vijfde Commando knalt duizenden Simba’s af, maar heeft zelf amper met verliezen af te rekenen. Het gevaarlijkst waren de onderlinge ruzies als de drank in de man was. Citaat van Smith: “In zes maanden tijd stierven meer huurlingen door toedoen van onze eigen mannen dan in het gevecht met Simba-rebellen.” Ivan Smith werd gerekruteerd door de legendarische huurlingenleider ‘Mad Mike’ Hoare, die in opdracht van de CIA werke, dat op zijn beurt Tshombe steunde. “Het sollicitatiegesprek stelde niets voor”, vertelt Smith vanuit Zuid-Afrika. “Ze moesten alleen weten of ik ouder dan 21 was en al militaire training had gehad.” Dat was het geval, waarop hij meteen goed werd bevonden voor de dienst.

Ivan Smith.

Smith: “Ik had geen idee hoe de politieke toestand er in Congo uitzag. Ik wist alleen dat blanken werden vermoord door Simba’s. En dat heel wat Belgische vluchtelingen via Rhodesië aan hun belagers probeerden te ontkomen. 

“Het ging me niet om ideologie. Ik deed het, zoals de meeste huurlingen, voor het geld. 300 dollar (267 euro, red.) per maand, plus 75 dollar (67 euro, red.) per dag bibbergeld: dat was een mooie som. Alleen, we hebben maar een klein deel van dat geld gekregen. Het merendeel bleef aan allerlei vingers kleven.”

Op uw tiende kon u al een os neerleggen, villen en versnijden. Maakte dat u geschikt voor de job? 

Smith: “Mijn jeugd is niet te vergelijken met die van een verstedelijkte Europeaan van vandaag. Welke jongere kan nog zeggen dat hij op zijn veertiende op olifantenjacht ging, gewapend met geweer en bijl. Dat hij werd aangevallen door een leeuw, een buffel, een nijlpaard? Ik heb gevist in rivieren waar je, als je niet uitkeek, door krokodillen werd opgeslokt. 

“Het was geen grote stap van jager naar soldaat. Een mens is een roofdier. Doden zit in onze genen. Ik ben ervan overtuigd dat het leven in het Westen te makkelijk en te soft is geworden.”

Uw eerste vuurgevecht, op weg naar Lisala, was een slachtpartij. Als u zich achteraf vertwijfeld afvraagt hoeveel Simba’s u hebt gedood, schrijft u: ‘Mijn geweer had teruggevuurd, niet ikzelf.’ Een ontkenning van de feiten? 

Smith: “In een vuurgevecht is je aandacht slechts op één ding gericht: overleven. De rest verdwijnt uit je gedachten. Achteraf besefte ik dat ik, voor het eerst in mijn leven, mensen had gedood. Ik had altijd gedacht dat het me zou treffen, maar tot mijn verbazing deed het me niets.”

Een foto uit de memoires van Ivan Smith.

De Simba’s waren niet uitgerust om de strijd aan te gaan. Moet een oorlog geen eerlijk gevecht zijn? 

Smith: “U maakt een grapje. Hoe oneerlijker het gevecht, hoe beter. Oorlog is geen sport. Onze uitrusting en wapens waren beter, maar zij waren met veel meer: het was honderd tegen één.”

Officieel schoten jullie met het Vijfde Commando het Congolese leger, onder leiding van Joseph-Désiré Mobutu, te hulp. Maar jullie werkten op geen enkel moment samen. Omdat zij Frans spraken en jullie Engels? 

Smith: “Het Congolese leger was ongetraind gespuis. Het was gevaarlijk om dicht in hun buurt te komen, het waren slagers en lafbekken.”

In Lisala, schrijft u, was het optreden van het Congolese leger even desastreus als dat van de Simba’s: er werd dag en nacht gemoord, geplunderd en verkracht. ‘Dat was niet gebeurd als er blanke missionarissen bij betrokken waren geweest.’ Beschermde het Vijfde Commando alleen de blanken? 

Smith: “Jazeker. Wij zouden ons leven niet wagen voor zwarte Congolezen. Dat deden we alleen voor blanken, onze mensen. Laten we wel wezen: het is vandaag niet anders. Niemand zit in over Afrikanen die andere Afrikanen afmaken.”

Ivan Smith aan het stuur van een jeep.

In Stanleystad liep het uit de hand: uw collega’s begonnen, in een roes van alcohol en drugs, schedels als asbakken te verkopen. 

Smith: “Eén gek verkocht die schedels. Maar de meeste soldaten in de stad hadden niets omhanden: alcohol en drugs maakten deel uit van de campagne, niet alleen in Stanleystad.”

U hebt het ook over willekeurige executies van zwarten. Een revolver was het aangewezen wapen. 

Smith: “Executie hoefde niet met een revolver, het kon ook met een geweer.”

In uw boek staan foto’s van executies. 

Smith: “De uitgever wilde die erin, met tegenzin heb ik toegestemd. Het gebeurde soms, doden voor het plezier. Lust to kill. Dat kan nu niet meer ongedaan worden gemaakt.”

Slotcitaat: ‘Mobutu wiste het democratische effect van onze campagne uit doordat hij zichzelf, met zijn brutale leger achter zich, uitriep tot president voor het leven. Tshombe, die democratie nastreefde, werd verbannen en vermoord.’ Waren de huurlingen democraten? 

Smith: “Ik betwijfel of de meeste huurlingen wisten wat het woord ‘democratie’ betekende. Jonge mannen denken niet vooruit. Daarom gebruiken de meeste legers jonge mannen.”

Kinderen van de kolonie, Canvas, dinsdag 30 juni, 21.15 uur

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234