Woensdag 12/08/2020

‘Ik weet nog niet of ik terugkom naar Vlaanderen’

Vorig jaar rond deze tijd glorieerde Benny Claessens in Bakchai, Jan Decortes versie van de Bacchanten van Euripides. Voorlopig blijft de blote belichaming van Dionysos, de Griekse god van wijn en vertier, zijn laatste verschijning in een Vlaamse theaterproductie. Na een tussenstop bij Les Ballets C de la B koos Claessens voor het buitenlandse avontuur. In het zog van kersvers intendant Johan Simons trok hij naar de Münchner Kammerspiele. Één sprong vooruit in de carrière, twee sprongen terug in de anonimiteit. In de Duitse zalen komt niemand kijken naar Benny, de broer van Bart in Het geslacht De Pauw. “In Vlaanderen wordt theater nog altijd bekeken als het achterlijke broertje van televisie.”

Na een half jaar München neem je een weekje vakantie in eigen land. Hoe voelt het om even terug te zijn?

Benny Claessens: “Goed, afijn, ik ging veel volk bezoeken en van alles doen, maar ik heb vooral veel bijgeslapen. Nu gaat het wat beter, maar ik was strontziek en oververmoeid toen ik hier aankwam. Ik heb net de première van Winterreise achter de rug, een stuk van Elfriede Jelinek in een regie van Johan Simons. Voor elke voorstelling hing ik een paar uur aan een infuus met antibiotica en vitaminen. Ik kroop iedere avond zo stoned als een aap op scène. Maar voor de rest verloopt alles naar wens, dank je.”

Voor je vertrek in september had je nog nooit met Simons samengewerkt. Waarom vroeg hij jou mee naar München?

“De Münchner Kammerspiele had Johan gevraagd als intendant. In 2009 had hij ter voorbereiding jonge Duitse acteurs gezocht via audities. Hij vond niemand meteen geschikt. In die periode won ik net de Arlecchino (Nederlandse theaterprijs voor indrukwekkendste mannelijke bijrol, SD). Kort daarna heeft hij mij gebeld, op aanraden van mijn goeie vriend en collega Kristof Van Boven. Kristof kent Johan van bij NT Gent en had al toegezegd om mee in het vaste Kammerspiele-ensemble te stappen. Johan vroeg mij op basis van mijn mentaliteit. Hij vond dat wel een spannend idee, denk ik.”

Wat bedoel je met ‘mijn mentaliteit’?

“De laatste jaren heb ik vooral freelance gewerkt, in allerlei losse, atypische projectjes. Johan dacht: ‘Als we Benny nu eens in zo’n gestructureerd toneelleger gooien, dat gaat vast iets boeiends opleveren.’ Ik ben dat niet gewend, maar vond het een spannend vooruitzicht. Ondertussen lijkt onze samenwerking heel vanzelfsprekend, alsof we nooit anders hebben gedaan. Verder werden ook Jeroen Willems, Elsie de Brauw, Chris Nietvelt en Pierre Bokma uitgenodigd als gastacteurs voor enkele voorstellingen.”

Ik hoorde dat jullie allemaal samenwonen onder eenzelfde dak?

“Dat is zo. En al zijn we met meer Vlamingen dan Nederlanders, voor de Duitsers zijn we allemaal Niederländer. Ze noemen onze villa ook het Hollandhaus. We vonden dat samenwonen vooraf een goed idee. Zo kunnen we iets groter wonen. In afzonderlijke appartementjes zou het toch maar een trieste en eenzame bedoening geweest zijn. Emigreren is niet zo vanzelfsprekend, van de ene dag op de andere kom je geen enkel vertrouwd gezicht meer tegen. De eerste maanden had ik best wel heimwee. Dat huis is een rustpunt, een plek om thuis te komen. We maken allemaal hetzelfde mee. Het helpt om ’s avonds gewoon even over de dingen te kunnen praten, in je eigen taal. In de Kammerspiele werkt 320 man, allemaal mensen die mekaar al minstens negen jaar kennen. In zo’n enorme structuur gaan mensen algauw over elkaar praten in plaats van mét elkaar. Wij wilden met ons Hollandhaus een tegengewichtje vormen, om als nieuwkomers een frisse groepsdynamiek in de Kammerspiele in gang te zetten.”

Klinkt als een wij-zijgevoel. Vlot de inburgering een beetje?

“O, maar dat verloopt uiterst gemütlich. Wij zijn allang geaccepteerd. Johan en Kristof zijn fervente hobbykoks, wij geven regelmatig etentjes bij ons thuis. Het kan er soms behoorlijk hysterisch aan toe gaan tussen die Duitsers. Dikwijls staan wij mekaar wat verweesd aan te staren in de keuken, waarop Johan dan opmerkt: ‘Nou denk jij exact hetzelfde als ik.’ Maar even vaak gaan we met veel overgave mee op in de Duitse drukdoenerij. We zijn trouwens ook naar de Oktoberfesten gegangen gewesen. Johan had daar een tafel gekregen, wij dachten: ‘Eén beleefd pintje en dan snel weg.’ Uiteindelijk stonden we daar ook collectief op de tafel te dansen, luidkeels ‘I love rock and roll’ meebrullend met een covergroepje.”

Vorig jaar vertelde je aan wie het horen wilde: ‘Ik wil gaan spelen op een plek waar ik geen geschiedenis heb.’ Begin je in Duitsland weer helemaal onderaan op de ladder?

“Jonge acteurs spelen daar kleine kutrollen en verdienen 600 euro per maand. Binnen het Duitse theatersysteem is dat voor mijn leeftijdscategorie niet meer dan normaal. Maar voor alle duidelijkheid: ik ben niet naar het buitenland getrokken om in een vreemde taal een brief te kunnen opdragen in één of andere Shakespeare. Het kan best zijn dat mensen moeite hebben met de positie die ik opeis, maar ik ben van bij het begin heel eerlijk geweest over wat ik wil.”

Je speelde onder andere met Turista van Luk Perceval al eerder voor een Duits publiek. Voor collega’s en toeschouwers was je geen volslagen onbekende.

“Een paar dramaturgen kennen mij uit Turista, maar eigenlijk begin je opnieuw van nul. Het valt me wel op dat veel journalisten mij al kenden omdat ze mij recent in Venizke van Lies Pauwels (Campo, SD) gezien hebben, of in Primero van Les Ballets C de la B. De kranten maken daar graag sterren van theateracteurs, dat kennen wij hier in België niet. In november, na de première van XY Beat, stond er een groot artikel over mij in de Süddeutsche Zeitung.”

Je bent een ster?

“In Duitsland ben je al gauw een ster. Ik vond dat maf, ze schrijven daar uitgebreide portretten vol superlatieven. Hier kom je pas in de krant als je iets op tv gedaan hebt, of als je al echt heel oud, zelfs half versleten bent. Bij onze première van Ruf der Wildnis had een of andere cultuurzender een reportage gemaakt. Achteraf hebben ze datzelfde materiaal nog eens verknipt en al mijn losse scènes gemonteerd tussen stukjes interview. Getiteld: Gesellschaft: das ist Benny Claessens. Heel bizar. Zij geloven echt in die cultus van theaterhelden. Ze hebben dat blijkbaar nodig.”

En jou stoort het niet meteen. Word je op straat herkend?

“Ja, dat gebeurt steeds vaker. München telt anderhalf miljoen inwoners. Wij hebben drie zalen waar in totaal 1.100 man in kan, en wij zitten zowat elke avond afgeladen vol. Bovendien blijven de meeste voorstellingen een jaar of twee op het vaste repertoire staan. Als je daar een paar maanden hebt gespeeld, hebben erg veel mensen je gezien.”

Hoe verklaar je dat succes van toneel?

“Ze hebben dat daar ooit anders bedacht. In Vlaanderen komen veel mensen kijken omdat die ene geestige acteur uit In de gloria of De parelvissers meespeelt. In Duitsland heeft theater niets met tv te maken, het heeft er altijd een politieke functie gehad. De schouwburg is altijd gebruikt als intellectueel forum: toneel met een opvoedkundige functie.”

Perceval was bij zijn overstap vaak verwonderd over de professionaliteit van de Duitse acteurs. Merk jij grote verschillen in werkwijze?

“In de beginweken had ik wat moeite met sommige methodieken. Alvis Hermanis bijvoorbeeld, de regisseur van Ruf der Wildnis, verlangde bijzonder vreemde dingen van zijn acteurs. Maar hij is dan weer een Let: ter inleving moesten we met de hele ploeg een week in een blokhut in Letland doorbrengen. Hij zei: ‘You need to know what your character eats in the morning.’ Dan zeg ik: ‘Sorry, maar met dat slag nonsens gaan we niet beginnen.’ Gaandeweg leerden we elkaar beter kennen en liet hij mij alle vrijheid. Uiteindelijk speel ik iemand die in de voorstelling herhaaldelijk zegt: ‘Mijn personage heet Anja Hermans en ik ben er nog niet helemaal uit hoe ik het speel.’ Haha, zo lossen we dat op. Het is een hele schone, wonderlijke voorstelling geworden, en volgend jaar doen we opnieuw iets samen.”

Benny Claessens heeft graag lijntjes: om er zoveel mogelijk buiten te kunnen kleuren.

“Je moet er echt geen grote inspanningen doen om buiten het legersysteem te vallen.”

Je spreekt hier consequent over een toneelleger? Is het echt zo clichématig gedisciplineerd?

“In vergelijking met wat we bij ons gewend zijn wel, ja. Dat begint al op school, als je ziet hoe acteurs daar opgeleid worden... Op een auditie zag ik vers afgestudeerde acteurs fragmenten van Maria Stuart(een toneelstuk van Friedrich Schiller, SD) brengen. Achteraf denk je dan: ‘Aha, moet je dat stuk zó spelen?’ Je ziet helemaal niet wat die jonge mensen daar zelf bij voelen of denken. Allemaal heel verdienstelijk hoor, maar zonder persoonlijke kleur. Er is ook een sterke hiërarchie tussen de jongere en oudere acteurs. Ik zal na een slechte repetitiedag nooit naar een gereputeerde diva stappen met de vraag: ‘Hildegard, hoe doe jij dat toch, die emotie zo levensecht brengen?’ Dat soort gesprekken heb ik daar al letterlijk bijgewoond.”

Van het nederige opkijken naar de groten heb jij nooit veel last gehad...

“Ik bewonder goeie acteurs, maar ze intimideren mij niet. Ik hoor jonge collega’s in interviews stommiteiten zeggen als: ‘Ik vind het niet erg om kleine rollen te krijgen. Tussen al die kanonnen vergeet ik uit bewondering soms gewoon mijn rol te spelen.’ Komaan zeg, dat is dom, je bent daar om je vak te doen, niet om te staan zwijmelen en kwijlen. Die kanonnen zijn stuk voor stuk sterke acteurs, maar wat ze ook doen, ze zullen al serieus uit hun kast mogen komen voor ze mij bang maken. De kranten hebben dat soort hiërarchische opdelingen graag, maar Johan probeert die systemen nu geleidelijk aan weg te werken.”

Een samenwerking met Elfriede Jelinek, een Nobelprijswinnares, doet jou toch ook even blozen en stamelen?

“Van Jelineks boeken ben ik al lang fan. De eerste ontmoeting met haar was echt een surreële gebeurtenis. Als zij mij na een doorloop komt zeggen dat ik het fantastisch deed, dan kan ik huilen als een pubermeisje. Ook de samenwerking met schrijver-regisseur René Pollesch maakte grote indruk. Aanvankelijk was mijn respect zelfs té groot, ik durfde amper mijn mond open te doen. Na drie repetitiedagen heb ik echt moeten besluiten: zo kan ik niet werken. Van de weeromstuit ben ik mij heel erg beginnen moeien met van alles.”

Heb je die grote namen nodig om jezelf interessant te kunnen vinden op toneel?

“Nee, maar ze helpen wel om het werk serieus te nemen. Wat ze hier in Brussel ook mogen denken, daar in München zitten we in het échte centrum van Europa. Je ontmoet bijna dagelijks boeiende internationale kunstenaars. Ik moet toegeven dat ik een beetje uitgekeken was op het Vlaamse theaterlandschap: met zijn allen het busje in om voor 70 mensen te staan spelen in Eeklo of weet-ik-veel-waar. Dan speel ik met dezelfde inspanning liever voor veel volk op een groot festival in Tel Aviv of Berlijn. Trouwens, om maar iemand te noemen: ik vind Jan Decorte óók een grote naam. Binnenkort komt hij hier samen met Sigrid (Vinks, SD) een productie maken. In Vlaanderen wordt snel gezeurd: ‘Decorte doet altijd hetzelfde’, maar aan Picasso vraag je middenin zijn blauwe periode toch ook niet om het eens in ’t groen te proberen? Ik ben heel blij dat Jan komt, hij verdient die internationale erkenning.”

Je bent Vlaanderen ontgroeid. Je hebt dit soort boude meningen nooit geschuwd. Verbaast het jou dat je door sommige collega’s arrogant wordt genoemd?

“Tja, toch ben ik dat eigenlijk niet. Ik ga anderen nooit vertellen wat ze moeten doen of laten. Maar ik weet wel heel goed wat ik zelf wil, en nog beter wat ik niet wil. Ik ben bijvoorbeeld niet geschikt om bij Guy Cassiers, vanop een kruisje op de grond, voor een camera te staan acteren. Dat is waardevol en goed, en het is kunst en al wat je wil, maar ik moet zoiets niet doen. Verder heb ik daar ook geen problemen mee. Veel erger vind ik het als hele slechte producties er bij het brede publiek ingaan als zoete koek. Of als Joke Schauvliege zegt: ‘Als ik een standbeeld moet oprichten, dan is het voor de anonieme kunstenaar, die thuis schildert en knutselt.’ Dan denk ik: allemaal heel sympathiek, maar wat moet iemand als Benjamin Verdonck met zo’n uitspraak? Dat eeuwige geleuter over drempelverlaging en toegankelijkheid bestaat niet in Duitsland. Ik heb mij daar ook nooit door aangesproken gevoeld.”

In Vlaanderen werd je al op jonge leeftijd een uitzonderlijk talent genoemd. Internationale erkenning, is dat jouw nieuwe doel?

“Het communiceren van een inhoud, dát is mijn doel, en ik vind ambitie geen vies woord. Trouwens, wat is dat, talent? Ik ken veel mensen die een aardig stukje piano spelen, maar zij die écht goed spelen, gaan er werkelijk aan kapot. Iedereen kan de Mondscheinsonate van Beethoven spelen, maar weinigen kunnen dat stuk vertellen zoals Claire Chevallier. Zij graaft diep, zij gaat waar niemand komt. Misschien is dat soort overgave wel het ware talent, daar wil je jezelf toch aan spiegelen?”

Op je pols staat ‘body’ getatoeëerd, een kopietje van de tatoeage op je rug in Bakchai. Heb je in die fysieke overgave een handelsmerk, een definitieve taal gevonden?

“Ik ben mij steeds meer bewust dat je niet veel meer nodig hebt dan een lijf om te kunnen spelen. Jan Decorte heeft voor mij veel betekend op dat vlak. Het eerste wat hij mij vroeg, nog voor hij Bakchai had geschreven, was: ‘Benny, wilt gij in uw blote spelen? Dan wil ik een tatoeage op uw lijf zetten.’ Bij Jan heb je dan dat vertrouwen. Zijn idee was ook heel mooi: alsof dat lichaam iets is dat je hebt geleend. In Duitsland vinden ze mij, net als de andere Niederländer, sowieso erg lichamelijk in het spel. Ik speelde in de laatste periode voor mijn vertrek steeds vaker mee in dansvoorstellingen, daar heb ik veel uit geleerd. Het fascinerende aan dans is dat het nog een stapje verder gaat: je hebt helemaal geen woorden meer nodig om hetzelfde te vertellen. Technisch ben ik een heel beperkt danser, maar dat maakt het net leuk. Ik doe enkel het hoogst noodzakelijke, daardoor ben ik helder en direct in wat ik communiceer.”

Zien we jou ooit nog terug op de Vlaamse planken?

“Ik ga zeker nog een voorstelling maken met Companie Marius. Maar verder weet ik het nog niet. Nu heb ik net voor één jaar bijgetekend in München, maar ik zie geen reden om na die periode meteen terug naar Vlaanderen te keren. Misschien blijf ik daar wel net zolang als Johan blijft. Zijn geplande termijn loopt pas over vijf jaar af, tegen dan zien we wel weer.”

Wie jou nog wil zien, moet maar naar München afzakken. Kun je al een paar toeristische trekpleisters prijsgeven?

“Oei, dat kan tegenvallen. München is de stad waar het voor Hitler allemaal begon. De Kammerspiele was trouwens het favoriete theater van de Führer, in zijn loge zit vandaag de techniek. De plek van de boekenverbranding ligt om de hoek van het theater, en in het Hofbräuhaus hield hij zijn eerste grote speech. Ik kom onderweg ook elke dag een pijl tegen waarop staat: Dachau 20 km.”

Ik heb in jou nooit een olijke reisleider vermoed, maar...

“Maar wat? Wat wil je dat ik zeg? Freddie Mercury heeft hier ook een jaar gewoond, vind je dat boeiender? De eerste weken choqueerden die echo’s uit het naziverleden mij ook echt. Ik bedoel dat niet cynisch, maar ik zou mensen meenemen naar die plaatsen. In Berlijn staan toch ook nog dagelijks bussen vol toeristen naar Checkpoint Charlie te gapen? Je voelt aan alles dat de geschiedenis hier in lelijke heftigheid is gepasseerd. Als ik iets moois moet noemen, kom dan voor de föhn. München ligt net ten noorden van de Alpen en er ligt hier te veel sneeuw naar mijn goesting. Twee dagen warme wind en alle ellende is weggesmolten. Ik ben fan van de föhn, voila.”

Krijg je veel bezoek?

“Bij mijn vertrek riep iedereen: we komen af, en we gaan elkaar ginder nog vaak zien. Maar in de praktijk valt dat toch tegen, iedereen heeft het druk in zijn eigen leventje. Mijn mama komt binnenkort wel op bezoek, maar ze durft die reis voorlopig niet alleen aan.”

Is eenzaamheid de prijs die jij betaalt voor het succes?

“Ik zit daar tussen fijne mensen, dus ik ben niet eenzaam, maar ik moet wel veel missen. Zoals het dorpsgevoel van een stad als Antwerpen: elkaar toevallig tegen het lijf lopen en tot een kot in de nacht op café hangen. Ik mis dat café niet, wel de vrienden met wie ik dat deed. Hier loopt alles veel meer gepland, en alle contacten hangen vast aan toneel. In het begin vond ik dat knap lastig, ik heb echt de knop moeten omdraaien en zeggen: ik werk hier nu, daarom woon ik hier ook, en dat is allebei oké.”

Verandert de afstand jou als mens?

“Ik hoopte altijd dat een mens milder zou worden met het ouder worden. Maar ik ben bang dat ik alleen maar strenger word.”

Is dat een spijtige evolutie?

“Een beetje wel, omdat het heel vermoeiend is. Maar zo ben ik nu eenmaal.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234