Donderdag 03/12/2020

InterviewMartin Heylen

‘Ik voel me herboren: de beste periode in het leven is die waarin je de angst en het ongemak voorbij bent’

Oostende heeft de mildste avondklok. Aan de kim, daar waar de fantasielozen Engeland en de dromers het einde van de wereld vermoeden, houdt de zon het voor bekeken. Ze laat nog een kindertekening in paars en roze achter en sommeert dan het donker. Martin Heylen (64) mag er elke dag naar kijken. Hij heeft zijn haren achteruit en zijn gedachten op orde gekamd, en hij neuriet een wijsje waar weemoed uit drupt. ‘Een vissersliedje. Het is de blues van Vlaanderen. Eigenlijk is het dat wat ik doe op televisie: de blues van Vlaanderen laten horen.’

In de tweede reeks van Zelfde deur, 20 jaar later op Eén zoekt Martin Heylen de mensen op die hij twee decennia geleden achter de gevels van Vlaamse huizen vond, toen hij voor Man bijt hond lijnen trok door ons halve land, en aanbelde waar hij schoonheid en – Martin leerde zijn volk een bordje bijzetten – de mogelijkheid van een avondmaal vermoedde.

Martin Heylen: “In de derde aflevering zat een vrouw die twintig jaar geleden al op leeftijd was. Nu is ze 99 en speelt ze patience om de dagen door te komen. Daarbij aarzelt ze niet om, wanneer het nodig is, de dingen naar haar hand te zetten. Bijna 100: dan mag je jezelf vrijstellen van verlies. Dan is een beetje valsspelen toegestaan.

“Voor mij gaat Zelfde deur, 20 jaar later nog het meest van al daar over: de manieren die we vinden om met het leven om te gaan. De veerkracht. Onder ogen zien: dit zijn de feiten, zo rolt de dobbelsteen, hier heb ik het mee moeten doen. En vervolgens de schoonheid vinden.

“De beste periodes in een mensenleven zijn toch die waarin je de angst en het ongemak voorbij bent, en je jezelf weer een geluksvogel voelt. Ik heb dit jaar wat lichamelijke ongemakken moeten verbijten: ik ben geopereerd aan mijn schouder en mijn knie, en recent nog aan mijn ogen - het beginstadium van cataract. Dat is achter de rug nu. Ik ben een nieuwe deur door: ik voel me herboren.”

Je bent de maker van Zelfde deur, 20 jaar later. Kun je er ook als kijker van genieten?

“Uiteindelijk wel, al kost het me moeite: mijn nervositeit zit me elke week weer in de weg. Ik vraag me vaak af wat ik nu eigenlijk gemaakt heb, en of het wel een móói programma is. Dan herinner ik me de opwinding van het maakproces, het plezier dat ermee gepaard ging en de ontroering, maar weet ik niet zeker of de kijker dat óók allemaal zal voelen. Mijn moeilijkste moment situeert zich altijd net voor de uitzending. Dan loop ik de vijf of zes verhalen van die aflevering één voor één na in mijn hoofd, en denk ik: wie gaat daarnaar kijken?”

Meer dan een miljoen mensen, Martin. Ook de algehele waardering voor het programma spreekt je twijfel uitbundig tegen.

“Ik weet het. Het is echt geen valse bescheidenheid, hoor, of aanstellerij. Ik twijfel gewoon altijd weer. Dat lijkt me maar gezond, trouwens: zelfgenoegzaamheid is de grootste vijand van een televisiemaker. ‘Gij kent het, gij kunt het, gij doet het goed’: het is nodig om dat af en toe te horen te krijgen, maar je mag het niet zélf gaan denken, want dan word je vadsig.

Zelfde deur, 20 jaar later steunt vooral op inlevingsvermogen, geloof ik, op een klein beetje psychologie. Dan wordt mijn leeftijd – de 60 voorbij – een troefkaart. Want op zich kan zo’n programma ook perfect gemaakt worden door een jonge soldaat als Danira Boukhriss Terkessidis: ze heeft er de onbevangenheid voor, de juiste nieuwsgierigheid. Het verschil zit 'm in de voorsprong die ik heb, in de 34 jaar méér waarin ik mensen ontmoet en dingen beleefd heb. Toen ik in Dadizele met twee bejaarde broers sprak, en één zich liet ontvallen dat het toch niet makkelijk was geweest, homo zijn in zo’n klein dorp, vóélde ik die pijn meteen. Omdat ik vertrouwd ben met de ruwheid van zo’n compacte gemeenschap. Ik werd meteen teruggeflitst naar mijn eigen jeugd, naar een feesttent in Oosteeklo waar Will Ferdy kwam optreden. Aan de toog riep iemand: ‘Will, gij zijt nen homo!’ Ik zal nooit vergeten hoe kwetsbaar Will Ferdy toen plots uit zijn ogen keek, hoe het vijftien seconden duurde voor hij weer kon zingen. In nauwelijks een minuut leerde ik iets over wreedheid, over wolven en schapen, en toen ik een halve eeuw later bij die twee broers voor de deur stond, sprong dát me voor de geest. En kon ik praten met die man die nooit de kans heeft gekregen om zijn geaardheid gewoon als een fait divers te beschouwen, als één van de honderden details uit een mensenleven.”

De gewone Vlaming, om die sneue term maar eens te gebruiken, wordt door televisiemakers vaak ironisch benaderd, of als een curieuze diersoort gepresenteerd. Jij komt niet uit een toren geklommen.

“Omdat ik dat Vlaanderen kén: ik ben erin opgegroeid. Mijn moeder had een café en boven alles gold daar één principe: ‘Iedereen is welkom. Want genen ene mens is beter dan nen andere.’ Waarna ze er nog iets, euh, behoorlijk plastisch aan toevoegde over de kleur van wat we aan de toiletpot toevertrouwen, en hoe die bij iedereen dezelfde is als je pakweg spinazie hebt gegeten. (lacht)

“Ik was gelukkig in Oosteeklo. Meer dan in een stad beheersen mensen in zo'n dorp de kunst van het samenleven. Wie anders is, wordt misschien niet ten volle omarmd – kijk naar de homo over wie ik het net had – maar wordt ook niet bestreden of genegeerd. Want een kleine groep kan maar een groep blijven als iedereen getolereerd wordt. Terwijl je in een stad het jezelf kunt veroorloven om je alleen maar te omringen met gelijkgestemden. Zo’n stad is een vel noppenfolie, en als je dat wilt, kun je in één enkel bubbeltje blijven leven, zonder je om al die andere bubbeltjes rond je te bekommeren.

“Uit Zelfde deur, 20 jaar later blijkt opnieuw wat ik me al eerder heb bedacht: dat je in een stad makkelijker op avontuurlijke, theatrale figuren botst, op mensen met een vrijheidsdrang die in een kleinere, minder anonieme gemeenschap allicht niet zouden aarden. In de dorpen trof ik vooral de gewone, lieve, zachte mensen. De mensen bij wie je graag thuis bent.”

Toch ben je tien jaar geleden naar Oostende verhuisd.

“Als je ouder wordt, worden de winters op het platteland almaar langer en donkerder. De weemoed... De weemoed begon me wat zwaar te wegen. (peinzend) Het is een sentiment dat aan kracht wint zodra je de vijftig voorbij bent. Toen ik twintig jaar geleden voor Man bijt hond van deur tot deur ging, was het er nog niet. Maar nu ben ik heel gevoelig voor melancholie.”

Sterkt de zee de weemoed niet net aan?

“Ik haal er verluchting uit. De dag voor ik vijftig werd, hebben mijn vrouw en ik hier een appartement gekocht – toen nog als buitenverblijfje. Ik voelde meteen hoe ik daar rustig van werd. Twintig jaar lang was ik ongedurig aan het rondhollen geweest: ik schoot alle kanten uit en voelde een grote bewijsdrang. Die eeuwige rusteloosheid had me ernstige maagklachten bezorgd. Maar in Oostende viel dat allemaal weg. Ik begon te ademen. Ik ben geen mens voor het bos. Ik moet ruimte hebben, weidsheid. Een open landschap. Le plat pays is het mijne.”

Er valt me plots een komisch beeld te binnen: jij die, als nieuwbakken inwoner van de stad, overal in Oostende gaat aanbellen om je voor te stellen.

(grinnikt) Zo is het eigenlijk ook gelopen, maar natuurlijk niet létterlijk. Ik had me voorgenomen om niemand uit de weg te gaan. Om Oostende helemaal te leren kennen: alle bubbeltjes op het vel noppenfolie. Dat was niet zo eenvoudig, want het is geen stad waar je makkelijk vrienden maakt als je er zelf geen voorgeschiedenis hebt. Maar gaandeweg lukte het. Eerst viel ik op de rockers. Ik raakte bevriend met mannen als Peter Hintjens, de broer van Arno, en met Serge Feys, de muzikant en producer. Het voetbal kwam erbij: de tribunes van KV Oostende zijn een universum op zich. En daarna de vissers in Het Mosselhuis, het café waar je de lekkerste tong met frietjes krijgt. Ik ben ook gek op vissersliedjes. Het is de blues van Vlaanderen. (denkt na) Eigenlijk is het dat wat ik doe op televisie: de blues van Vlaanderen laten horen. Gewone mensen die het leven op een gewone manier uitleggen.”

Maar een mens ontdoet zich nooit helemaal van de grond waar hij is opgegroeid. Zo voelt het voor mij toch. Weggaan heeft betekend: voortaan op twee plaatsen wonen.

(knikt geestdriftig) Ja, dat is het. Helemaal. Ik word een beetje verscheurd. De vrijheid van Oostende is mijn elixir. Maar mijn afkomst, mijn jeugd blijft aan me trekken: Oosteeklo is nooit weg.”

Beeld Thomas Sweertvaegher

WEG MET JE FAMILIE

Mensen maken zich weleens vrolijk over je verbaasde, soms wat klunzige motoriek.

“Vooral ten tijde van God en klein Pierke, waarin ik publieke figuren van dichtbij volgde, was dat zo. Ik kreeg toen soms te horen dat ik me dommer voordeed dan ik ben. Maar ik was écht overrompeld toen ik met wijlen kardinaal Danneels door de cenakels van het Vaticaan liep, en van Herman Van Rompuy de besloten kamertjes van de Europese machtsorganen mocht zien. Tegelijk zijn er ook wel momenten geweest waarop ik voor het scherm zat en mezelf zag reageren op manieren waarop ik in het dagelijkse leven nooit zou reageren. Een camera pikt altijd een stukje naturel van je.”

Je lijkt me ook niet de meest lichamelijke man.

“Toch wel: ik ben het gewórden. Maar inderdaad: ik ben contactloos opgegroeid. In mijn dorp begroetten mensen elkaar met een kordate klank: ‘Euj.’ Daarbij staken ze dan een arm op – meer lichamelijkheid bestond niet. Pas toen ik een jaar of dertig was, kwam er een jonge slager in het dorp wonen – Luk, nog altijd mijn boezemvriend – die mensen een hand gaf. Een hand! De eerste keer zinderde er iets van weerzin door al mijn poriën. Later ben ik veel gaan reizen, en toen ik in de zuidelijke landen kwam, zag ik hoe de mensen elkaar daar omhelsden en kusten, ook de mannen onderling. En ondertussen leerde ik door mijn werk voor de televisie muzikanten en acteurs kennen: mensen die je, al dan niet na een fles wijn, weleens vol op de mond zoenen. Ik heb lang gedacht dat ik vooral een toeschouwer was bij die grote lichamelijkheid. Maar toen brak het coronavirus uit en besefte ik hoezeer ik mijn fysieke reserves ergens achtergelaten heb, hoe erg ik alles mis dat die anderhalve meter afstand ons ontneemt. (bevlogen) De onbeschaamd mannelijke handdruk van een Oostendse visser, en al je kootjes horen kraken! De vluchtige kus wanneer je afscheid neemt van een vrouw, dat korte contact met de huid, het parfum dat je nog even vergezelt! Alles verkilt nu. Er wordt voorzichtigheid geïnstalleerd, achterdocht, de gedachte dat je de ander beter uit de weg gaat. En die maatregelen zijn de logica zelve, natuurlijk: je krijgt zo’n virus niet weg zonder jezelf pijn te doen. Maar ik geloof dat we er nog lang de sporen van zullen meedragen.”

Een ander gevolg van de coronacrisis: argeloos globetrotten is er niet meer bij.

“Dertig jaar geleden was mijn grote advies aan iedereen: ‘Ga weg! Ga weg van je familie, je milieu, je dorp. Vertrek op reis en verbreed je horizon.’ Maar wat is er sindsdien gebeurd? We zijn inderdaad op reis gegaan. We zijn zo massáál op reis gegaan dat er geen enkele bestemming meer te vinden is waar je alleen bent. De mooiste steden van de wereld kraken en zuchten onder het massatoerisme. We hebben al dat reizen niet gebruikt om uit onze milieutjes te breken, maar om ze te verstevigen.

“Over het muurtje kijken blijft een stokpaardje van me. Toen ik mijn journalistieke loopbaan begon en Antwerpen ontdekte, wees iemand me de weg naar een journalistencafé. Ik vond dat fantastisch: een plaats waar vakbroeders samen de avond de nacht lieten worden. Maar na verloop van tijd begon ik te denken: wat als je daar élke avond zit, en dat je blik op de wereld bepaalt? Dan moet je beginnen te schrijven over de opkomst van het Vlaams Blok terwijl je nog nooit een stoeptegel van de Seefhoek onder je zolen gevoeld hebt. Nu nog altijd zijn veel journalisten verbaasd dat rechtse partijen scoren, en dat een arthousefilm geen miljoenenpubliek haalt en F.C. De Kampioenen wel. Het is te gezellig in ons cafeetje. Dat geldt voor haast iedereen, trouwens: we gebruiken onze WhatsApp-groepen, ons Instagram-profiel en ons Netflix-abonnement om bubbels van zelfbevestiging te vormen.”

OH LA LA LA

‘Alle ellende in de wereld komt voort uit het feit dat mensen hun huis verlaten’, zei mijn kroegmaatje Blaise Pascal eens – toegegeven, hij had een neut op. Je geeft dus niet het goede voorbeeld, Martin.

“Het zal wel, maar kun je die wijsheid niet net zo goed omkeren? Ook alle schoonheid komt toch voort uit het feit dat mensen zich niet in zichzelf keren? De vriendschap, de liefde, het ouderschap: je moet ervoor je huis uit. En haast altijd gaat angst de schoonheid voor. Ik was doodsbang voor mijn eerste kus. Voor mijn eerste liefde. Voor mijn huwelijk. Voor het ouderschap. Voor het podium dat de televisie me gaf. Voor een nieuw programma, elke keer weer. Maar ik durfde, en telkens wanneer er iets lukte, leverde me dat een verhevigd bewustzijn op. Iedereen moet het voor zichzelf uitmaken, maar ik geloof niet in lethargie. In je afzonderen en wachten op het geluk. Je moet wat rondscharrelen in je leven. Bewegen, tot je iets vindt.”

Wat heb jij gevonden?

“Mag ik nog eens terug naar mijn jeugd? Ik herinner mij twee broers uit Oosteeklo die indertijd diep in de tachtig waren. ‘Leef met mate’ was hun devies. Ontrolde er zich bij ons in het café een geweldig wilde avond, dan kon je er zeker van zijn dat zij al naar huis waren. Ze zongen niet mee, ze dansten niet mee, ze dronken niet mee. Ik vind dat een verdedigbare levenswijze – ze zijn er heel oud mee geworden, en ik zei het al: ik oordeel liever niet. Maar zelf heb ik altijd heel erg verlangd naar intense ervaringen. Als jonge kerel was ik ervan overtuigd dat ik vroeg zou sterven. Na mijn veertigste zou ik doodgaan, dat stond vast. En dat vond ik toen prima, eigenlijk. Honderd jaar worden door heel matig, voorzichtig en geremd te leven: het leek me niets. De gedachte dat je in vijf minuten meer kunt beleven dan in een voldragen mensenleven van tachtig jaar fascineert me nu nog altijd. En het maakt me blij dat ik al veel intense ervaringen heb gehad.”

Voor losbandigheid lijk je me nochtans weinig talent te hebben?

“Jawel! Laat ik het zo zeggen: het talent is er, de volharding iets minder. (lacht) Mijn vrouw en ik hebben al vaak tegen elkaar gezegd dat we, als we hier tien jaar eerder aangespoeld waren, ons allicht wél stevig in het uitgaansleven hadden gegooid. Dan waren we nu misschien zo’n verlopen koppel geweest dat van aperitiefuur naar aperitiefuur zwalpt. (lacht)

“Halfweg mijn reis naar Siberië (voor ‘Terug naar Siberië’, vijftien jaar geleden, red.) kreeg ik in een hotel om vijf uur ’s nachts een benauwende aanval van pijn en paniek. Ik wist zeker: ik ga dood. Ernstige hartritmestoornissen waren het. Dat is later nog enkele keren gebeurd, en intussen weet ik wat de mogelijke triggers zijn. Alcohol is er een, cafeïne ook, stress, oververmoeidheid. Samen is dat een cocktail die potentieel dodelijk is, maar het voordeel is dat ik weet hoe ik het kan voorkomen: door medicatie, en vooral door enigszins gezond te leven. Dat doe ik dus. En nog los daarvan zit intensiteit voor mij niet per se in de grote uitspattingen. Een shot heroïne zal behoorlijk intens zijn, ja, maar mijn nieuwsgierigheid ernaar wordt meteen platgedrukt door de gedachte aan wat ertegenover staat. Ik zoek naar intensiteit, ja, maar ik houd tegelijk ook voor ogen wat het mogelijk stuk zou maken.”

Goed, maar wat is intensiteit dan wél voor jou?

“Dan denk ik aan iets strafs dat je helemaal zelf verwezenlijkt. Mathieu van der Poel die in zijn eentje de koplopers terughaalt, vorig jaar in de Amstel Gold Race, en vervolgens iedereen glorieus uit het wiel rijdt. Niet door berekend te volgen, niet door het bord van iemand anders leeg te eten, niet door vals te spelen. Neen, door zélf groots te zijn. De euforie die door dat jonge lijf spoelde! Het moet vergelijkbaar zijn met het gevoel dat je overmant als je de vrouw van je leven hebt kunnen veroveren. (glimlacht) En daar heb ik toevallig wél ervaring mee.

“Ik heb in mijn leven al genoeg meegemaakt dat voor de wereld misschien onbenullig was, maar voor mij groots en diep en waardevol. Toch blijf ik heel gevoelig voor de onhaalbare jongensdromen. Wanneer KV Oostende scoort, spuit ‘Oh La La La’ van T.C. Matic door de boxen van het stadion, en altijd weer voel ik dan de sensatie van toen ik het nummer voor het eerst op de radio hoorde. Iets maken dat veertig jaar later nog steeds diezelfde opwinding veroorzaakt, dat doorleeft, blijft bestaan... Dat is een verlangen dat diep in me zit. Maar met televisie lukt dat niet. Ik werk twee jaar aan een programma waarin ik verhaaltjes vertel van zes of zeven minuten. Zo’n programma wordt vervolgens de wereld ingestuurd, en drie kwartier later is het weg. Wat heb ik nu gemaakt, vraag ik me dan af. Waartoe dient het?

“Diep in mij blijft toch het verlangen wonen om John Lennon te zijn en ‘Imagine’ te schrijven.”

Jouw ‘Imagine’, kunnen dat je twee dochters niet zijn? Zit grootsheid niet eerder in de dagelijkse heldhaftigheid in je eigen, kleine leven?

“Je hebt gelijk. Natúúrlijk heb je gelijk. Mijn vrouw is verpleegkundige. Als ik haar dagelijkse zorgzaamheid als minder betekenisvol zou beschouwen dan die ene flits van John Lennon, zou al mijn televisiewerk gebaseerd zijn op een leugen. Want dat is wat ik programma na programma probeer te zeggen: ook in een zogenaamd klein leven kun je een Lennon, een Shakespeare of een Maradona zijn.

“Als ik het allemaal overschouw, ben ik absoluut niet ontevreden of ongelukkig. Maar ik blijf een jongen: ik zit gewoon graag te dagdromen over het doelpunt dat ik nooit zal maken, en de song die ik nooit zal schrijven.”

GRAFSTEM

Heb je het goed gedaan als vader?

“Mijn dochters zeggen van wel. En daar neem ik genoegen mee. De rest van mijn geluk haal ik uit de gesprekken die ik met hen voer. (trots) Ik kan almaar beter over alles praten met mijn kinderen. Enfin, kinderen: het zijn volwassen vrouwen, beiden heel bedreven in het leven. Het voelt vreemd om vast te stellen dat mijn zorg niet meer nodig is. Dat de vaderlijke raad die ik geef belangrijker voor mij is dan voor hen. Zo gaat het: ze zijn het nest uit, ze hebben hun eigen wereld geboetseerd, en ik ben al blij als ik daarin af en toe een edelfigurant mag zijn. (denkt lang na) Mijn vrouw en ik hebben een innige band met Famke en Marieken. En zoals elke vader zal ik mijn kinderen wel met iets opgezadeld hebben – in een rugzak stop je nuttige dingen, maar ook ballast. Maar waar ik wel zeker van ben, en wat me heel blij maakt: ik heb ze de nestwarmte kunnen geven die ik zelf nooit gehad heb.”

Heeft vader zijn je meer begrip opgeleverd voor je eigen ouders?

“Ja. Ik sta nu tegen het graf van mijn moeder te praten. Dan vertel ik wat er in mijn leven gebeurt, de kleine dingetjes. En ik heb mezelf ook al betrapt op de vraag: ‘Ben je nu niet trots op me?’ Want dat was ze vast, maar dat heeft ze nooit geuit. Een jeugd lang heb ik moeten vechten om gezien te worden. Ik kreeg steeds te horen: jij bent minder. En dus is mijn professionele parcours lang een zoektocht geweest naar hoe mijn ouders en de wereld te verbazen. Dat er niet in me geloofd werd, bracht me de wilskracht bij om dingen te doen waar ik anders niet toe in staat zou zijn geweest.

“Als ik nu naar foto’s van mijn moeder kijk, moet ik glimlachen. Net na haar dood lukte dat niet. Ik was nog te kwaad. Maar nu is er afstand en komen de verhalen weer tot leven. Ik ben bijvoorbeeld te weten gekomen dat mijn moeder twee kinderen verloren heeft. Ik had een broertje en een zusje en die zijn beiden als baby gestorven. De jongen heette Martin. Mijn moeder hield dat verborgen, ze wilde daar niet over praten. Door zo’n verhaal zie ik nu de tragiek in haar leven veel scherper en begin ik te begrijpen waarom ze niet de warme, glanzende moeder was naar wie ik verlangde. Er is nu begrip, en vergevingsgezindheid. Dat is winst, ook al is het treurig dat mijn moeder er eerst voor is moeten sterven.”

Je hebt ook even in onmin geleefd met je broer Ivan.

“Een paar jaar geleden ben ik op hem afgestapt en hebben we alles uitgepraat. We waren te oud geworden om alles maar te laten aanmodderen, vond ik, en dan op de grote spijt te lopen zodra één van ons zou sterven. En we hebben ons verzoend.

“Af en toe moet je over jezelf heen durven te stappen. Je mag niet wrokkig blijven. Begrijp me niet verkeerd: je hoeft je fierheid niet te laten varen. Je moet geen slappeling zijn, geen seut. Maar je moet durven aanvaarden dat twee mensen door omstandigheden, door de grillen van het leven, uit elkaar kunnen groeien. De kern van je persoonlijkheid blijft dezelfde, maar de toevalligheden van het leven veranderen je, of verleiden je om te veranderen. Als dat niet zo is, dan heb je geleefd als een cactus in de woestijn.

“Plus, dat heb ik nu ook geleerd: voor lang niet alles bestaat een uitleg. De ruzie met mijn broer was niet te verklaren. Vanop afstand zag het er vast absurd uit, zeker voor wie ons kent, want er was altijd broederliefde. Maar als je er midden in zit, heb je geen oog voor het grote geheel. Je ziet niet hoe alles staccato gaat, hoe allerlei kleine dingen in elkaar haken en uiteindelijk leiden tot de grote verwijdering van elkaar. En dan is het goed om even boven jezelf uit te stijgen en met lijm aan de slag te gaan.

“Een verzoening stemt een mens rustiger. En die rust heb ik nodig.”

Maar de absolute rust...

“Die is niet voor hier en nu. Die valt alleen in de dood te vinden, denk ik. (peinzend) Ik zat aan het sterfbed van mijn vader. ‘Draag zorg voor je moeder’, zei hij. Terwijl hij nooit de grote organisator was geweest, niet de man van de bevelen. Er volgden nog wat dingen, alsof alles mooi geordend moest zijn voor hij zijn ogen kon sluiten. En toen is hij met een merkwaardige kalmte op zijn gezicht gestorven. ‘Doe nu allemaal verder. Ik ga het mij permitteren om te rusten.’ Hij zei het niet letterlijk zo, maar dat is hoe ik het begreep. En daar ben ik mee bezig: ik doe verder.”

Zelfde deur, 20 jaar later, Eén, vanavond om 20.40 uur

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234