Zaterdag 08/05/2021

InterviewChristophe Haddad

‘Ik stond helemaal alleen op mijn eigen verjaardagsfeestje. Dat zijn natuurlijk littekens’

Christophe Haddad. Beeld Carmen De Vos
Christophe Haddad.Beeld Carmen De Vos

In Thuis heeft Bob, het personage van Christophe Haddad (42), dezer dagen ongewenst bezoek: een agressieve lymfeklierkanker huurt zijn lichaam. De acteur zelf, zo blijkt wanneer Haddad ons toespreekt, bruist van vitaliteit, zelfvertrouwen en bekeringsdrift.

Het is een stevige verhaallijn, de kanker van Bob. Ben je zelf in je omgeving al met de ziekte geconfronteerd?

“Een paar jaar geleden is mijn grootvader gestorven aan kanker. In de laatste jaren van zijn leven heb ik hem begeleid. Ik was jong, ik had energie, ik zat in de fleur van mijn leven, en dus zei ik tegen mijn familie dat ik die rol wel op mij zou nemen. Het was een intense tijd, want mijn grootvader was een heel vitale man. Zijn lichaam werd geteisterd door verschillende kankers, maar hij wilde léven. Hij bokste een indrukwekkende kamp.”

Het stoort me een beetje dat we altijd ‘vechten’ tegen kanker. Dat klinkt alsof je het zélf in de hand hebt, en bij een slechte afloop dus ‘een nederlaag’ lijdt.

“Dat ben ik met je eens. Maar ik geloof wel in… In een zekere vitaliteit. Wie het mentaal opgeeft, verliest in no time zijn lichaam. Zo is het tenminste in mijn ervaring vaak geweest.

“Sinds de dood van mijn grootvader ben ik er nog meer van overtuigd dat je je lichaam in bruikleen hebt, en er maar beter goed voor kunt zorgen. Je hebt het nodig om te worden wie je wil zijn. Dat geldt voor iedereen, en zeker voor acteurs. Ik werk nu zelf met een personal trainer – omdat ik met het oog op mijn rol nog wat kilo’s wil afvallen, maar vooral omdat het me zo goed doet dat iemand me af en toe over mijn grenzen duwt.”

Jouw personage in Thuis houdt van overzicht en controle, en van rationeel redeneren van a naar b. Ook wanneer hij een kankerdiagnose krijgt: door zich er minutieus over te informeren, probeert hij grip te krijgen op de ziekte.

“Klopt, hij doet alles vanuit het hoofd. Dat maakt Bob voor mij tot een heel boeiende figuur om te spelen, want op dat vlak ben ik het precieze tegendeel van hem. Ik doe alles radicaal vanuit het hart, en voeg er daarna pas een snuifje ratio aan toe. Ik sta zelf nog vaak te kijken naar die doorgedreven hang naar controle van Bob, naar zijn neuroses.”

Thuis speelt zich af in een wereld zonder corona. Doe toch eens even de denkoefening: hoe zou Bob op de crisis reageren?

“Hij zou zich obsessief informeren, de regels nauwgezet volgen, en niet nalaten om anderen vermanend toe te spreken: ‘Sorry, maar wat je daar doet, strookt niet met de maatregelen.’

“Veel mensen hebben het moeilijk om zich te conformeren aan een situatie waar ze geen vat op hebben, aan iets dat groter is dan henzelf. Maar ik heb geen moeite met overgave. Al vrij snel hebben mijn vrouw en ik aanvaard dat dat virus niet iets is waar je met een vingerknip wat aan kunt veranderen. En daardoor werden we vrijer.”

Vrijer?

“Absoluut. Als vrijheid alleen maar kan bestaan door uit te gaan, te drinken en de hele tijd je vrienden te zien, dan is dat een heel beperkte invulling van het begrip. De echte vrijheid zit ’m toch in wat je denkt en voelt, en in wat je daarmee doet? In getuigenissen van mensen die in een oorlogssituatie opgesloten werden in verschrikkelijke omstandigheden, komt vaak hetzelfde terug: ‘Ze hebben mijn lichaam gekraakt, maar niet mijn geest.’ Dat is toepasbaar op de huidige crisis: we worden afgesloten van een aantal dingen, maar aan onze innerlijke vrijheid kan niemand.”

Ik zou het anders niet erg vinden om mijn innerlijke vrijheid te vieren terwijl ik ondertussen ook nog eens mijn petekindje kan omhelzen, of een kleine versnapering tot me mag nemen op een caféterras.

“O, maar ik beweer zeker niet dat het mákkelijk is. Natuurlijk niet! Maar vanaf het begin heb ik ervoor gekozen om te focussen op wat wel nog kan. En dus ben ik meer gaan denken, schrijven, tekenen, schilderen, mediteren en sporten. Zo leef ik: ik wil elke dag groeien, mezelf naar iets hogers duwen. Ik leef oprecht mee met mensen die het niet gewoon zijn om zichzelf te duwen, maar het loont echt de moeite om niet te proberen om gewoon een pingpongballetje te zijn dat stuitert op het ritme van de wind.”

Nog even terug naar je personage: zijn er ook raakvlakken?

“De discipline van Bob. En het belang van een deadline om je leven te structureren. Ik wil niet ’s ochtends opstaan en zomaar wat doen. Neen, ik wil een concreet doel. Iets dat me op het einde van de dag rijker heeft gemaakt. Of het nu gaat over acteren, tekenen, schilderen of werken aan mijn lichaam: ik wil niet voortdurend terugblikken met de gedachte dat ik drie jaar geleden een vaag plan had, maar dat ik het laten sluimeren heb. ‘Discipline and consistency’: zo staat het hier thuis in mooie letters op een pancarte in de gang.”

MISTER POPULAR

In de lagere school werd je gepest.

“Er gaapte een gigantische kloof tussen mijn leven thuis en mijn leven op school. Thuis werd ik met open armen ontvangen, mocht ik zijn wie ik wilde zijn, en was er alleen maar begrip en interesse. Op school was ik een dromer, iemand die niet geïnteresseerd was in de sociale dynamiek van kliekjes en populaire vogels, en iemand die moeite had met autoriteit. Mijn klasgenoten keerden zich tegen me, sloten me uit en pestten me.

“Ik herinner me een verjaardagsfeestje – mijn eigen verjaardagsfeestje, nota bene – waarop ik helemaal alleen stond. Daar had de pester van de klas voor gezorgd. In de eerste jaren van de lagere school kwam ik elke dag huilend thuis. Dat zijn littekens, natuurlijk.”

Hoe reageerde je op die pesterijen?

“Je kunt kwaad worden, vechten en iedereen op zijn smoel slaan. En soms was wat fysiek verweer gewoon noodzakelijk – meer dan één keer heb ik klasgenoten van me af moeten duwen. Maar ik vond het boeiender om het op een andere manier te proberen. Ik vroeg me af: hoe kan ik me aanpassen en toch trouw blijven aan mezelf?”

Zijn die twee te verenigen? Wie ooit het slachtoffer van pesten was, wordt vaak een kameleon: iemand die zich consequent naar de verwachtingen van anderen schikt.

“In het middelbaar zag ik wél hoe de dingen in elkaar zaten, en op welke knopjes je moet drukken om door anderen aanvaard te worden. In één klap werd ik mister popular, en had ik vriendinnetjes. Maar ik waakte er wel over dat ik mezelf niet verloor.”

null Beeld Carmen De Vos
Beeld Carmen De Vos

Hoe gingen je ouders om met de pesterijen?

“Het deed hen óók veel pijn, hè: het is verschrikkelijk om de kwetsbaarheid van je kind zo uitgebuit te zien. Maar ze reageerden op een heel goeie manier, vind ik. Het slechtste dat je dan kan doen, is je kind zijn leven uit handen nemen en het zelf oplossen. Dat deden mijn ouders dus niet: ze leerden me om zelf uitwegen te vinden. En vooral: ze lieten mij zijn wie ik wilde zijn.

“Ik kreeg nooit de boodschap dat ik iemand anders moest worden. Ik deed bijvoorbeeld aan volksdansen, en nóóit hebben mijn ouders me gezegd: ‘Misschien moet je dat beter niet doen, want je zult ermee uitgelachen worden.’ Temidden van de ellende was er altijd de warmte en de liefde van het nest.”

Heb je je pesters later nog ontmoet?

“Ja. En aanvankelijk voelde dat natuurlijk als een kleine triomf: ik doe het goed, het gaat me voor de wind, ik heb een bloeiende carrière. Maar eigenlijk voel ik nu vooral medeleven. Ik zie nu waarom ze het deden. Als kinderen niet gelukkig zijn thuis, proberen ze op een andere plek grip te krijgen op hun leven. Op school, dus: mijn pesters projecteerden hun onbehagen op mij. Ik werd gepest omdat ik in wezen diep gelukkig was, door jongens die diep ongelukkig waren.”

Niemand zou het je kwalijk nemen als je ze toch stiekem een hardnekkige lintworm zou toewensen.

“Toen, op het moment zelf, zal ik weleens iets wraakzuchtig gedacht hebben. Maar daar ben ik helemaal van bevrijd. Ik ben van nature nogal vergevingsgezind, denk ik. Als je me niet diep kwetst – en zolang je van mijn familie blijft, gebeurt dat niet snel – ben ik heel rekkelijk en empathisch. Bovendien is woede altijd het probleem van diegene die boos is. Ben ik boos, dan zit ík met dat gevoel – niet diegene op wie mijn kwaadheid zich richt. Ik ben dus niets met boosheid.

“Door die nare ervaringen in mijn kindertijd herken ik ook heel makkelijk volwassen pestgedrag. Want het stopt niet. Nu nog kom ik voortdurend mensen tegen die niet willen aanvaarden dat ik gewoon mezelf ben en me niet aanpas aan de verwachtingen die anderen op me projecteren. Roddel en jaloezie zijn de volwassen gedaantes van pesten. De basis is dezelfde: een ander zijn geluk niet gunnen.”

Maar wat is dan precies ‘jezelf zijn’? Het veronderstelt een autonomie waar ik niet per se in geloof.

“Ik wel, heel overtuigd zelfs. Je moet je impulsen niet negeren uit angst om niet aan een standaard te voldoen. Onlangs, in de periode van het strenge winterweer, ben ik voor het eerst op mijn blote voeten in de sneeuw gaan lopen. Dat was iets dat ik altijd al had willen doen, maar je moet het op een bepaald moment gewoon dúrven, en niet bang zijn voor de reacties.

“In België zie ik nog zo vaak mensen die het niet durven, zichzelf zijn. Pas in de kroeg, met genoeg glazen op, durven ze zich uitspreken over wie ze werkelijk zijn. Dat is toch om gek van te worden? Ik weet ook waar het vandaan komt: ouders duwen hun kind richting de veilige middelmaat, uit angst dat het anders niet aanvaard zal worden. Maar de eerste impuls van een kind is om dingen te proberen, zonder angst. En zo vaak staan daarachter een vader en een moeder te roepen dat het kind vooral voorzichtig moet zijn, en dat gewoon al gek genoeg is. Ik begrijp dat niet. Laat de chaos toch toe!”

Op je 18de ging je verpleegkunde studeren. Tenminste, dat was het plan.

“Ik wist eigenlijk helemaal niet wat ik wilde doen. Dat vond ik ook fijn aan de Steinerschool waar ik zat: je werd geen kant uitgeduwd, en je mocht je tijd nemen om uit te zoeken wie je was. Ik deed een sociale stage in een zorgcentrum aan de kust, en die ervaring opende me de ogen: ik wilde voor mensen zorgen. Ik zou verpleegkunde studeren en operatieassistent worden, en ik zag mezelf de wereld rondtrekken met Artsen zonder Grenzen. Maar in de zomer na mijn middelbare school belde mijn beste vriendin me plots: ze had me ingeschreven voor de audities voor een musical van Studio 100. Ik was verbaasd, want ik was wel al jaren bezig met theater en muziek, maar ik had er nooit bij stilgestaan dat ik daar ook mijn werk van kon maken.

“Mijn leven leek ook al in een vaste bedding te liggen: ik had een vriendin, zij had al geregeld waar we zouden gaan wonen, en ik zou dus verpleegkunde gaan studeren. Wel, dat was dus zo’n moment waarop ik bang voor veiligheid kon kiezen, óf mijn hart kon volgen. Ik koos voor het tweede. De zangauditie verliep uitstekend, door de dansauditie wist ik me heen te bluffen, en ik kreeg de rol. Ik maakte de juiste keuze, weet ik nu, maar evident was dat niet. Want uit mijn jeugd had ik dus onthouden dat je ook afgestraft kunt worden voor wie je bent. Dat trouw blijven aan jezelf soms ook betekent dat je de wereld van je vervreemdt.”

Uit wat voor een gezin kom je?

“Mijn moeder is een kunstenares, een vrijgevochten hippie – maar dan zonder de drugs en de drank. En mijn vader is een warmbloedige, hartelijke man.”

Hij komt uit Libanon. Hoe is hij in België verzeild?

“Hij was opzichter op de olieplatformen in de Noordzee. Hij zorgde voor de bevoorrading van levensmiddelen. Op een avond ging hij uit in Antwerpen, en daar leerde hij mijn moeder kennen. Een prachtig, stormachtig sprookje: vijf maanden later waren ze al getrouwd. En dat zijn ze nog steeds.

“Het is niet makkelijk geweest voor mijn vader. In het midden van de jaren 70 was België nog stugger en geslotener dan nu, en precies daar belandde hij met die extraverte flair van het Midden-Oosten. Maar net daarom klikte het zo goed met mijn moeder: zij had zich al losgemaakt van dat krampachtige België.”

De burgeroorlog in Libanon heeft je vader dus vanop afstand meegemaakt?

“Ja. Die was begonnen kort nadat hij zich hier had gevestigd. Dat was moeilijk, want onze familie woonde in oorlogsgebied, en de gsm en het internet bestonden nog niet. Maar ook daar was mijn vader niet gereserveerd over: er werd aan de keukentafel open over die oorlog gepraat – ook toen er familieleden stierven. Zelf ben ik mijn familie in Libanon al meermaals gaan opzoeken. Ik heb er een heel goeie band mee.”

Je bent ook al jaren ambassadeur van SOS Kinderdorpen, en in die hoedanigheid ben je vorig jaar naar het grensgebied tussen Libanon en Syrië gereisd.

“Temidden van alle ellende zag ik daar ook heel veel complexloos geluk. Dat bevestigde mijn levensfilosofie: dat weerbaarheid tot veel moois leidt, en dat je de menselijke geest niet geknakt krijgt.

“Nadien had ik het nóg moeilijker met het eeuwige gezeur in België. Er is hier vrede, er wordt hier voor ons gezorgd, en we baden in weelde. Kunnen we daar alsjeblieft een beetje dankbaar voor zijn?”

Als Bob in ‘Thuis’. Beeld VRT
Als Bob in ‘Thuis’.Beeld VRT

DONJUAN

Je groeide op met vier zussen.

“Daar heb ik uitgebreid mijn voordeel mee gedaan. Want zo weet ik natuurlijk heel goed hoe vrouwen in elkaar zitten, en dat was handig voor de donjuan die ik als tiener en twintiger was. (lacht)

“Ik heb heel veel respect voor vrouwen – meer dan voor mannen. Ik kijk naar hen op. Alleen al het fysieke wonder van een mens die in je buik groeit: dat is toch van een ongrijpbare schoonheid? Ik was ook altijd verliefd. Een mooie hals volstond om de bliksem te doen inslaan.

“Dankzij mijn moeder en mijn zussen weet ik ook dat ik de vrouwelijke kant in me naar boven mag laten komen: dat het prima is om als man over je gevoelens te praten, om te luisteren naar anderen, om je in te leven. Het was een evidentie dat mannelijk en vrouwelijk door elkaar liepen: met mijn oudste zus bouwde ik boomhutten én speelde ik met barbiepoppen.”

Je was de oudste in het gezin.

“Daardoor wilde ik automatisch zorgen voor mijn zussen. Zodra ze ouder werden en hun eerste vriendjes hadden, gaf dat weleens spanningen. Ik wilde te veel tussenkomen in het leven van mijn zussen. Ik bemiddelde, probeerde om problemen op te lossen, maar ik heb moeten inzien dat ik dat beter kon loslaten. Mijn voornaam is dan wel afgeleid van Christophorus, één van de Heilige Helpers in de katholieke kerk, maar je kunt niemands kruis dragen.”

Je bent bijna twaalf jaar samen met het Nederlandse model Sanne de Regt, en jullie zijn intussen ook getrouwd. Helpt die vrouwelijke omgeving uit je jeugd je in je relatie?

“Natuurlijk, ik zet consequent voort wat ik thuis geleerd heb. Praten, bijvoorbeeld: als je dat doet, ben je de ruzie altijd net voor.

“Ik laat Sanne zijn wie ze wil zijn, en vice versa. Dat klinkt misschien evident, maar ik heb relaties gehad waarin dat helemaal niet zo was. Sanne en ik blijven het uitspreken tegen elkaar: ‘Wij hebben samen een relatie, maar jij bent niet van mij, en ik ben niet van jou.’ Nu, na bijna twaalf jaar, kunnen we al een boek schrijven. Er is zoveel moois gebeurd. Als er vertrouwen is, kun je veel aan. Dat je de perfecte huismoeder moet zijn, de perfecte lover, de perfecte ouder, de perfecte alles? Bullshit. Allemaal onzin. We laten elkaars lelijke kanten bestaan. Dat is de sleutel. En ik zeg niet dat wij het perfecte koppel zijn, maar ik voel het bij anderen toch heel snel aan: zit het goed, of staat de boel op imploderen?”

IN AMERIKA

Je hebt een poosje in Los Angeles gewoond met het oog op een acteercarrière daar. Je bent dus, euh, nogal van het ondernemende type?

“Zo ben ik altijd geweest. Al heel jong vond ik: je moet werken, je best doen, proberen, en jezelf niet tot klein zijn veroordelen. Eigenlijk werk ik al sinds mijn 12de. Het begon met babysitten, en daarna ging ik augurken plukken of prei planten bij de boer. Om vijf uur ’s ochtends stond ik dan op het veld, en ik gaf me helemaal. Voor een bak van een kubieke meter vol met augurken kreeg ik 100 Belgische frank van de boer. Ik herinner me hoe ik op drie uur tijd tien bakken had gevuld, en dus 1.000 Belgische frank had verdiend. Duizend! Met mijn slijkbotten nog aan ging ik het plaatselijke bankkantoor binnen: ‘Kunt u dit alstublieft op mijn rekening plaatsen?’

“Die ondernemingszin heeft me al ver gebracht. Rond mijn 30ste had ik succes in de Nederlandse soap ‘Goede tijden, slechte tijden’, maar toch besloot ik om naar New York te gaan, om er aan het Lee Strasberg Theatre and Film Institute te gaan studeren. Ik wilde nog even die extra bevestiging – dat ik het kon, dat ik de juiste richting had gekozen. En die bevestiging kreeg ik van een geweldige lerares: Lola Cohen, ooit nog een leerlinge geweest van Lee Strasberg, en de coach van Al Pacino en Meryl Streep. We hebben nog steeds contact.

“Zij was het die tegen me zei dat ik in de Verenigde Staten moest komen wonen. ‘Je moet naar hier komen, want hier ga je veel meer werk vinden.’ Ik heb dat toen gedaan: ik ben naar Los Angeles vertrokken. Het duurt sowieso twee jaar voor je überhaupt op audities binnen raakt, was me gezegd. Maar ik had meteen een agent, en binnen de maand was ik al overal audities aan het doen. Bij Disney, bij Fox, bij Universal. Voor een rol in een Amazon-serie raakte ik tot in de finaleronde van de audities. Ik voelde: het moment was daar. Het zou gaan gebeuren. En plots, uit het niets, stierf mijn beste vriend. Dat was zó’n realitycheck. Want ik besefte dat ik moest kiezen. Mijn familie en mijn vrienden zaten aan het andere eind van de wereld, en ik was in Los Angeles aan mijn carrière aan het bouwen. Was ik zo niet iets kwijtgespeeld? Toen besloot ik om terug te keren. Wat echt belangrijk voor je is, daar moet je bij blijven.

“Ik sluit niet uit dat ik ooit terugkeer naar Amerika. Ik heb de skills, ik weet dat het daar zal werken voor mij. Maar ik zal altijd goed overdenken of ik wel kies voor wat echt waardevol is. Je kunt een fantastische carrière hebben en toch helemaal alleen zijn – en dan is het de pijn die overheerst.”

Je wil de teugels van je geluk zelf vasthouden. Stoot die zienswijze niet op z’n limieten op het moment dat je beste vriend plots sterft?

“Natuurlijk val ik even wanneer er zoiets tragisch gebeurt. Dan roep ik: ‘Fuck you!’ En: ‘Waarom?!’ Dan ga ik diep en voel ik pijn, maar heel snel maak ik dan weer de klik. Mensen haten het als ik het zeg, maar: alles heeft een reden. Niets gebeurt zomaar. Je plant zaadjes, en uit die zaadjes groeit je oogst. Als ik iets ernstigs meemaak, weet ik dat ik moet terugvallen op wat mijn bouwstenen zijn: truth, simplicity and love. Eerlijkheid, eenvoud en liefde.

“Eén van mijn zusjes heeft haar zoontje verloren. Op dat verschrikkelijke moment werd duidelijk waarom onze familie al zo lang zo hecht is, waarom we zo open zijn en elkaar vertrouwen. Al die jaren waren een soort van voorbereiding geweest. Iedereen krijgt ooit te maken met verlies, en op dat moment word je getest. Ik kan niet veranderen dat mijn grootvader ziek werd, ik kan niet veranderen dat mijn neefje stierf, ik kan niet veranderen dat mijn beste vriend plots doodging. Maar op zulke momenten ben ik dankbaar dat mijn familie er eentje is die zich verenigt in plaats van uit elkaar te vallen.

“‘Waarom ben jij altijd zo goedgezind?’ Dat krijg ik vaak te horen. ‘Hoe doe je dat, eeuwig lachend door het leven gaan?’ De sleutel ligt bij dankbaarheid. Ik sta ’s ochtends op, en ik prent mezelf in: wat geweldig dat ik weer een dag mag leven. Natuurlijk heb ik mijn problemen, natuurlijk heb ik mijn demonen, maar niemand heeft er wat aan als ik die de boel laat overnemen. Tot wat voor goeds zou chagrijn ooit kunnen leiden? Tot niets, toch?”

Heb je begrip voor mensen die fundamenteel worstelen met het leven?

“Natuurlijk heb ik daar begrip voor. Ik geloof dat je geluk kunt forceren, en dat je dat moet leren. Maar niet iedereen weet hoe dat moet, niet iedereen krijgt dat aangereikt. Daarom zit ik te denken om me nog meer te engageren. Er is al SOS Kinderdorpen, maar misschien kan het ook nuttig zijn om iets te doen waarmee ik de mensen rond me help? Om mijn levenservaring ter beschikking te stellen?

“Er zit heel veel liefde voor mensen in mij. Ik zit nog te broeden op wát het precies moet zijn. Misschien ga ik lezingen geven, of – kijk, dat idee schiet me nu plots te binnen – misschien kan ik in Humo wel een rubriek verzorgen waarin ik met gewone mensen praat? En dat hoeft geen eenrichtingsverkeer te zijn, hè: ik kan vast ook nog iets opsteken van anderen. Want ook ik, Christophe, heb nog veel te leren. Ik heb het gevoel dat ik nog niet op 30 procent van mijn kunnen zit.”

Hoe zie je je toekomst verder nog?

“Als een grote, open vlakte waarin alles mogelijk is. Ik zal altijd bezig blijven, en wat komt, dat komt. Er zijn natuurlijk dingen die ik graag wil, dromen en ambities. Maar ik hoed me voor té veel werk. Ik wil mezelf naar een hoger niveau tillen, en dat lukt niet als ik te veel dingen combineer.

“Er is een periode geweest waarin ik in Goede tijden, slechte tijden zat, in de finale van Dancing with the Stars, en ook nog in een ander programma. Toen hikte ik tegen een burn-out aan. Dat overkomt me geen tweede keer: Sanne heeft me geleerd dat je niet alleen mag geven. Dat je niet alleen mag uitademen, maar ook moet inademen.

“Enfin, ik kijk vol geloof naar mijn toekomst. ‘Kom maar op,’ zeg ik. ‘Kom maar op: ik kan alles, en als ik iets niet kan, dan zal ik het wel leren.’ Dát is leven.”

Thuis, Eén, van maandag tot vrijdag, 20.10 uur.

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234