Woensdag 05/08/2020

InterviewRobert Van de Walle

‘Ik sliep op de grond en waste mij met koud water. Zo leerde ik mijn grenzen verleggen’

Ergens in de Westhoek geniet een monument van zijn welverdiende pensioen. ‘Ik ben een oud-strijder, hè’, grijnst ex-judoka Robert Van de Walle (66), veertig jaar nadat hij in Moskou olympisch goud won en daarmee één van de grootste prestaties uit de Belgische sportgeschiedenis leverde. Nu fietst hij, reist hij met de camper en danst hij de tango – mét knieprothesen.

Robert Van de Walle: “Ik leid een droomleven. Vorig jaar ben ik 65 geworden en ben ik met pensioen gegaan. De zaak draaide nog uitstekend, maar Marleen en ik hebben geen kinderen: als we nog iets wilden doen met ons leven, moest het nu gebeuren. Achteraf beschouwd kan ik alleen maar blij zijn met die beslissing. Het centrum droeg mijn naam: Resourcement Centre Robert Van de Walle. Alles draaide rond mij, en doordat ik ook een aantal mensen tewerkstelde, was er een constante druk. Corona zou die alleen maar vergroot hebben. Mij hoor je dus niet klagen. Ik heb een fantastische vrouw, we hebben geen materiële zorgen en de gezondheid is goed. Wat kun je meer dromen? Ik woon nu twintig jaar in Stuivekenskerke (bij Diksmuide, red.), op een kleine boerderij. Ik heb schapen en kippen, een groentetuin en veel onderhoud. Het cliché klopt: ook als je gepensioneerd bent, heb je tijd tekort.”

Wil het lichaam nog mee? De operaties tijdens je carrière waren nauwelijks te tellen.

“Een stuk of twintig, zeker? Nu, ik heb nergens last van. Vanochtend heb ik anderhalf uur als een gek gefitnest. Ik fiets ook in een groepje wielertoeristen. Alleen als het regent, ga ik niet meer mee: vorig jaar brak ik mijn bekken bij een val en moest ik twee maanden het bed houden. Daar heb ik geen zin meer in. In mijn enkel zit een plaatje sinds ik hem brak tijdens het skiën in Oostenrijk. En ik ben een paar keer van mijn paard gevallen – letterlijk dan. Die paarden hebben we ondertussen weggedaan, maar mijn zwaarste blessures heb ik dus ná mijn carrière opgelopen. Alleen op mijn knieën zat sleet: acht keer ben ik eraan geopereerd. Ondertussen heb ik twee prothesen: fantastisch materiaal! Alleen van stijfheid heb ik soms wat last. Vraag me dus geen grand écart, dat is wat moeilijker geworden. (lacht)

‘Een jaar lang had ik geoefend op één bepaalde techniek om Khubuluri te kloppen. Dat dat op het beslissende moment dan ook zijn vruchten afwierp, gaf mij nog de grootste voldoening.’

Wat voor moois heeft je pensioen je al gebracht?

“We hebben een camper gekocht. Daar reizen we mee door Europa, meestal tochten van drie weken. Dit jaar zouden we naar Sisteron gaan (in Zuid-Frankrijk, red.), maar door corona is het Zuidkote geworden, net over de Franse grens. Ook mijn fietstocht naar Schotland gaat niet door: ik durf het Kanaal niet over. Elk jaar doe ik zo’n grote tocht van ongeveer 1.300 kilometer. Op de toerfiets, met pak en zak, in mijn eentje. Ik ben al naar Boedapest gefietst, naar Saintes-Maries-de-la-Mer, en van Bordeaux naar Genève. Het is een vorm van meditatie voor mij. Buiten mijn kredietkaart en een reservebroek neem ik niets mee. In het begin wel nog een tent, maar nu slaap ik in hotels. Mensen vragen me: ‘Wat doe je dan als je geen bed vindt?’ Wel, dan blijf ik fietsen. Is het zo erg om eens een nacht niet in een bed te slapen?”

Je hebt je ook aan de tango gewaagd, weet ik. Het vraagt behoorlijk wat verbeelding om een judozwaargewicht de tango te zien dansen.

“Daarom spreek ik er ook niet graag over. Tien jaar geleden waren we op de Vismarkt in Brugge. Eén keer per jaar dansen ze daar de tango. Marleen heeft me overgehaald en sindsdien is het iets van ons tweeën geworden. Tijdens onze camperreizen zoeken we steevast een plek waar de tango wordt gedanst. Dan dansen we mee en na drie dagen trekken we verder. Net als het judo is de tango erg technisch. Ik heb er geen talent voor, maar het interessante is dat ik mezelf weer ben tegengekomen. Dan besef je: we zijn maar specialisten in onze specialiteit.”

Vaar je nog?

“Ik had een zeilboot, waar ik ook seminaries op organiseerde, maar ik heb hem weggedaan. Marleen werd zeeziek en zo’n boot vraagt veel onderhoud: de kosten liepen op. Jammer, want ik ben afgestudeerd als yachtman. Ik ben nieuwsgierig en studeer graag – beter dan vroeger op school. (lacht) Zo’n seminarie steek je ook niet zomaar in elkaar: ik heb er veel voor moeten studeren. Nog altijd zit ik met mijn neus in de boeken.”

VOLLE STRANDEN

Het coronavirus heeft ons allemaal op de rem doen staan. Was dat ook niet wat bedrijfsleiders in je herbronningscentrum kwamen zoeken: onthaasting?

“Het komt altijd op hetzelfde neer: hoe graag doe ik iets, en hoe kan ik het zo efficiënt mogelijk samen met anderen doen? Door beter naar elkaar te luisteren, je ego bij je schoenen achter te laten, meer menslievend te zijn, ook te kunnen genieten van een ander zijn geluk. De wereld is een mijnenveld vol spanningen, interne conflicten kosten bedrijven handenvol geld. Bij de oefeningen die we gaven, zagen we vaak dat mensen er direct invlogen. ‘Stop,’ zeiden we, ‘luister eerst naar wat er van je gevraagd is. Denk na!’

“Soms sta ik nog op de mat. Zoals onlangs, toen ik zeven Indiërs op bezoek had. Ze hebben hier drie weken gelogeerd en ik heb ze judoles gegeven. Niet meer zoals vroeger: toen legde ik het accent op trekken en smijten. Tot een filosoof me leerde dat het mooiste geschenk dat je iemand kunt geven, iets is om over na te denken. Sindsdien leer ik mensen niet alleen de technische kant van het judo kennen, maar laat ik ze nadenken over de betekenis van elke greep. Je bereikt niets door iemand te willen veranderen, wel door mensen te inspireren. Wie nadenkt, zet sneller stappen vooruit.”

Efficiëntie heeft een negatieve bijklank gekregen: het impliceert ontslagen en hetzelfde werk dat door minder mensen moet worden gedaan.

“Net wat het níét betekent in de judofilosofie van het wederkerig welzijn. Ken je kaizen? Het is Japans voor efficiënter organiseren. Niet in de zin van betere cijfers nastreven, maar van ervoor zorgen dat mensen zich goed voelen en daardoor beter gaan presteren. In mijn seminaries heb ik altijd gewerkt met mensen die probeerden lichaam en geest in balans te brengen, met als doel samen nog beter te functioneren.”

Hoe heb jij de lockdown beleefd?

“Hij beviel me wel: je kon bij wijze van spreken in je blote kont over straat lopen en niemand had het gezien. (lacht) Nu, ik heb makkelijk praten: ik woon niet in een appartementje van 80 vierkante meter en kan 40 kilometer fietsen langs de IJzer zonder iemand tegen te komen. Ik ben een geluksvogel. Mij zul je dus geen mensen horen veroordelen die het moeilijk hebben.

“Het is goed dat alles eens on hold is gezet. Dit is een ideaal moment voor zelfreflectie: wat doen we goed, wat kunnen we anders doen, en wat gaan we níét meer doen?”

Zijn er lessen te trekken uit deze pandemie?

“Dat we kuddedieren zijn en elkaar nodig hebben. Dat onze gezondheid prioritair is, en niet die Mercedes waar we zo afhankelijk van zijn. Dat de wereld er heel snel helemaal anders kan uitzien. Dat we maar passanten zijn en nederig moeten blijven. Ik ben geen groene jongen, maar misschien moeten we toch wat beter zorg dragen voor onze planeet.

“Als mensen geen houvast meer hebben, vallen ze terug op zichzelf. We zijn gaan fietsen, taarten bakken, gezond koken. Er zal wel iets van blijven hangen, maar in grote lijnen zullen we hervallen in onze oude gewoonten. Niets is moeilijker dan menselijk gedrag te veranderen: op de E40 staan alweer files, de stranden liggen opnieuw vol en in de parken worden feestjes georganiseerd.

“Enkele jaren geleden zat ik met een grote konijnenplaag op de boerderij. Overal groeven ze pijpen, tot zelfs onder het huis. Tot ik er één zag met gezwollen ogen: myxomatose. Drie weken later waren ze dood, allemaal. Sindsdien heb ik hier geen konijn meer gezien. Wat wil dat zeggen? Dat de natuur zichzelf reguleert, en dat het snel kan gaan. (zwijgt) Misschien had Etienne Vermeersch gelijk en zijn we met te veel op onze planeet. Alleen, wie moet er weg?”

Lastige vraag.

“Over vier jaar ben ik 70 en zal ik achteromkijken: heb ik veel liefde gekregen, heb ik genoeg liefde gegéven, en heb ik het verschil kunnen maken? Er is weinig dat ik betreur. Ik krijg weleens voor de voeten geworpen dat ik weinig geld heb verdiend met mijn sport. Dat klopt. Maar ik stond wel altijd fluitend op omdat ik de hele dag mocht doen waarvoor ik had gekozen. Veel mensen durven geen risico te nemen en houden vast aan wat ze hebben. Dat wilde ik niet: het leven is te kort om iets te doen wat je niet graag doet.

“Ik had het mij gemakkelijk kunnen maken door na mijn carrière judocoach te worden. In plaats daarvan ben ik met mijn seminaries begonnen. Mijn levenservaring als olympiër wilde ik vertalen naar de bedrijfswereld. Wat mensen zien – de prestatie en het succes – is maar 1 procent van het geleverde werk. De andere 99 procent is zoveel interessanter, maar speelt zich af achter de schermen. Ook van de bedrijfsleider zien we alleen zijn dikke Mercedes, en niet dat hij elke dag om zes uur opstaat en tot middernacht nakijkt of de rekeningen wel kloppen.”

DE JAPANSE DROOM

Hoe is het voor jou allemaal begonnen?

“Wij woonden in Oostende en in de vroegere Koninklijke Stallingen was er een boksclub. Daar ging ik in het geniep – mijn vader mocht het niet weten – boksles volgen. Lang heeft dat niet geduurd. Toen ik thuiskwam met mijn rode, gezwollen kop, had hij het rap door. Boksen was mijn eerste liefde. Nog altijd kan ik genieten van een oude boksmatch met Cassius Clay of Sugar Ray Robinson.

“Naast het bokshonk was een judozaaltje. In die tijd lagen er nog van die strooien matten. Die geur van dat stro, het weeë zweet ook van de kimono’s, al die speciale woorden: het intrigeerde mij mateloos. Mijn vader was er vlakaf tegen dat ik judo deed: hij had een elektriciteitswinkel waarin hij lusters verkocht en wilde dat ik de zaak zou voortzetten. Mijn moeder heeft het nog voor mij opgenomen: ‘Hij doet het graag, laat hem doen.’ Helaas is ze vroeg gestorven. Borstkanker. We hadden het zien aankomen: ze heeft vier jaar zitten aftakelen terwijl wij – mijn twee zussen en ik – voor haar zorgden. Het is raar om te zeggen, maar ergens voelde haar overlijden als een opluchting.

“Ik was 13 en herinner me de machteloosheid die ik toen voelde. We bleven achter met onze vader, die er nu helemaal alleen voor stond. Een typische West-Vlaamse zelfstandige: iemand die van ’s morgens tot ’s avonds werkte, zeven dagen op zeven. Schouderklopjes heb ik zelden gekregen, nooit was het goed genoeg. De hele tijd hingen er spanningen en conflicten in de lucht. Hij rekende erop dat ik de winkel zou overnemen, terwijl in mijn hoofd alleen plaats was voor judo. Voor hem voelde dat alsof ik hem in de steek liet.

“Toen ik 16 was, had ik er genoeg van en ben ik het thuis afgetrapt. In Wallonië was een judoclub met zes broers die ik kende van bij de nationale trainingen – ik was al Belgisch juniorenkampioen en vicewereldkampioen. Ze vroegen me of ik hun club wilde vervoegen. Ik ben gestopt met school en heb twee jaar in een appartementje in Charleroi gewoond. Ik sprak geen woord Frans.”

Zag je je vader nog?

“Het heeft ruim dertig jaar geduurd voor ik hem weer heb opgezocht. We hebben het bijgelegd en ik heb die laatste jaren van zijn leven nog voor hem gezorgd. Hij heeft me nooit gezegd dat hij trots was op mij, maar anderen hebben mij verteld dat hij vaak op café heeft zitten stoefen over zijn zoon.”

In die periode ben je voor het eerst ook naar Japan getrokken.

“Ik ben in de Waalse hoogovens gaan werken. Vuil werk, maar goedbetaald. Alles samen een maand of acht. Met dat geld wilde ik naar Japan. Van Willem Ruska (Nederlands judoka, red.) had ik het adres van een Japanse meester in Tokio gekregen: Isao Okano, één van ’s werelds beste judoka’s, iemand die drie bewegingen in één seconde deed, zo snel dat je het niet eens zag. Ik schreef een brief en kreeg als antwoord dat ik welkom was. Ik heb een ticket gekocht en ben vertrokken – ik was 17.

“Bij de tussenlanding in Moskou moest ik een nacht op hotel. Ik lag samen met een Indiër op de kamer. Al mijn zuurverdiende geld zat in mijn zakken. Cash. Morgen sta ik op, dacht ik, en is die gast met al mijn poen gaan lopen. Ik heb alle biljetten in mijn onderbroek gepropt en heb de hele nacht geen oog dichtgedaan. (lacht)

“In Tokio moest ik op zoek naar dat judoschooltje. In gedachten had ik een fraai gebouw zoals in de Karate Kid-films in gedachten, maar overal waar ik keek, zag ik wolkenkrabbers. Na lang zoeken vond ik het: een appartement op de twintigste verdieping – Karate Kid was ver weg. (lacht) We sliepen met vijf in een kamertje zo groot als deze tafel. Het stonk er en als de aarde beefde, trilde het hele gebouw. De eerste training begon om vier uur ’s nachts. In de winter, zonder verwarming. Zo trainen ze je spirit: Japanners geloven dat hoe hard je iets wilt even belangrijk is als je techniek.

“Nu, het begon al slecht. Isao Okano maakte zich meteen kwaad: alles wat ik in België had geleerd, was fout! Na een week had ik alle hoeken van de zaal gezien en was ik fysiek gesloopt. Ik heb dan een universiteit gezocht waar een iets gemoedelijkere sfeer heerste.”

Je hebt jezelf niet gespaard. Kunnen wij ons anno 2020 nog genoeg pijn doen om het beste uit onszelf te halen?

“Vroeger fietsten we 30 kilometer naar de fabriek. Dat doen we niet meer, inderdaad. Maar ik zie nog altijd veel harde werkers. Mensen die met de trein naar Brussel sporen en dan ’s avonds nog voor de kinderen moeten zorgen. Of die met zijn tweeën aan het werk moeten om rond te komen.

“Topsport is hard, maar aangenaam hard. Net omdat je er zelf voor kiest. Dat is óók een luxe. Ik had genoeg geld gespaard om naar Japan te reizen, maar niet om ook nog eens in het Hilton te verblijven. Een kamertje met een deur van papier: meer kon ik me niet permitteren. Slapen deed ik op de koude grond, me wassen met koud water. Dat deerde me niet: het heeft me toegelaten om te groeien. Daarom noem ik het niet afzien, maar grenzen verleggen.”

Je hebt er nooit een geheim van gemaakt dat Japan een diepe indruk op je heeft gemaakt.

Sensei – Japans voor ‘meester’ – betekent eigenlijk: degene die de weg vóór jou heeft afgelegd. De Japanse meesters hebben een voorbeeldfunctie die ze met zoveel waardigheid dragen dat ik niet anders kan dan er erg naar opkijken. Altijd stipt op tijd, altijd met hetzelfde humeur, altijd consequent – hálf juist bestaat niet. Attitude, correct zijn naar anderen. Vriendelijk, maar toch afstand houden.

“Nu, ik heb de Japanners ook geháát. Als je elke dag op je kas krijgt, vervolgens op de trein de ene na de andere duw incasseert en er dan nog iemand naast jou komt slurpen terwijl jij rustig zit te eten – nog onafgezien van het feit dat ze vrij racistisch waren – dan kun je ze niet meer zíén. Er zijn zóveel Japanners dat je constant met je medemens geconfronteerd wordt. Daar moet je in proberen te functioneren, maar omdat je al op je tandvlees zit, word je onverdraagzaam. Niet prettig hoor, met je eigen onverdraagzaamheid geconfronteerd worden.

“Nu, toen ik er vorig jaar ben teruggekeerd voor de wereldkampioenschappen, was dat de mooiste tijd van mijn leven. Neem eens de trein van de luchthaven in Zaventem naar Brussel-Zuid en kijk naar buiten: de vuiligheid slaat je in het gezicht. Vergelijk dat met Japan: geen papiertje ligt er op de grond. Alles is er proper, mensen wachten hun beurt af, niemand die in ontbloot bovenlijf over straat loopt.”

Daar staat tegenover dat het conformisme en de sociale controle er groot zijn.

“Zijn wij dan zo vrij? Je hoort mij niet zeggen dat er geen yakuza (Japanse criminele organisatie, red.) en drugs zijn in Japan, maar die keer dat ik mijn judozak aan het loket had laten staan en ik me met de eerstvolgende trein terug spoedde, stond hij er nog. In Brussel-Zuid ben je hem kwijt terwijl je hem nog in je handen hebt! Wij leven met angst. Verkopers van alarminstallaties doen gouden zaken, vrouwen durven de straat niet meer op of worden lastiggevallen op het strand. In Japan niet.”

Je hebt geen hoge pet op van de politiek. Tien jaar geleden was je even topsportadviseur van de Vlaamse regering, maar dat liep faliekant af.

“Ik had een project en had er ook geld voor gevonden. Tot iedereen er zijn zeg over wilde doen en er niets meer van overbleef. De politiek is het slechtste wat me ooit overkomen is. Dit land heeft vijf regeringen om 11 miljoen mensen te managen – meer is het niet – en nog altijd hebben we geen federale regering: vind jij dat niet erg? Of je nu PS’er of N-VA’er bent: we willen toch allemaal hetzelfde? Dat iedereen het goed heeft, zijn boterham verdient en zich veilig voelt. Eenheid door verscheidenheid, daar ben ik voor. Nu komt de partij met de meeste stemmen niet aan bod.”

De N-VA of Vlaams Belang, bedoel je?

“En wat dan nog? Zet er een socialist en een liberaal bij om de extremen af te zwakken en je krijgt de verscheidenheid waarvoor ik pleit. Wat stelt onze democratie anders nog voor?”

‘Van een doodgewone jongen was ik plots een BV met héél veel vrienden. Ik werd uitgenodigd op feestjes en er werd mij van alles beloofd, maar als puntje bij paaltje kwam, leverde het niets op.’

HET MOMENT SUPRÊME

Laten we het grootste succes uit je carrière aansnijden, Robert: je gouden medaille op de Olympische Spelen van 1980 in Moskou. Was dat de ultieme bekroning van alle opofferingen in de Japanse kou?

“Ik had één grote rivaal: Tengiz Khubuluri. Een Rus van wie ik alleen maar had verloren op Europese en wereldkampioenschappen. Een jaar lang had ik geoefend op één bepaalde techniek om hem te kloppen. Dat dat op het beslissende moment dan ook zijn vruchten afwierp, gaf mij nog de grootste voldoening, ondanks de boycot die de Spelen toen trof.”

Precies: vanwege de Sovjet-inval in Afghanistan bleven de Amerikanen en een hoop andere landen weg uit Moskou. Zonder het halve Westen én de Japanners was ook het judo behoorlijk gedevalueerd.

“Wat kon ik daar nu aan doen? Met de Japanners erbij had ik óók gewonnen, hoor. Beter voorbereid dan ik op dat moment was, bestond niet. Uiteindelijk heb ik toch de Franse wereldkampioen én Khubuluri geklopt. Nee, die boycot doet geen afbreuk aan mijn medaille.

“Daarna begon het. Wat doe je als je je droom gerealiseerd hebt en dus geen droom meer hebt? Van een doodgewone jongen uit Oostende was ik plots een BV met héél veel vrienden. Ik werd uitgenodigd op feestjes, er werd mij van alles beloofd. Politici en bedrijfsleiders verdrongen zich naast mij, maar als puntje bij paaltje kwam, leverde het niets op. Toen heb ik voor het eerst beseft: wat er ook gebeurt, je bent altijd verantwoordelijk voor jezelf.

“Ik stopte met judo en liet me overhalen om samen met een vennoot een fitnesszaak te openen in Brussel. Jane Fonda maakte de jaren 80 onveilig met haar aerobic-hype, dus dat leek ons een goed idee. Maar hoe goed de zaak ook draaide: het was mijn ding niet. Ik ben naar het judo teruggekeerd en ben beginnen te trainen voor de Spelen van Los Angeles.”

Die draaiden uit op de grootste ontgoocheling uit je carrière: als Olympisch titelverdediger vloog je er in de eerste ronde al uit.

“Een onterechte beslissing, de beelden laten daarover geen twijfel bestaan. Trouwens, die scheidsrechter is nadien ook geschorst. Maar goed, wat kocht ik ermee? Ik had verloren. Niet door de scheidsrechter, maar door mezelf. Ik heb de fout bij mezelf gezocht én gevonden. Als olympisch kampioen had ik zoveel faalangst dat ik verkrampte en geen risico’s meer nam. En wie geen risico's neemt, wint nooit. Die les heb ik toen geleerd: een atleet is altijd zijn eigen grootste tegenstander. Heel leerrijk.”

Wat denk je dan als weer eens een trainer of sporter de oorzaak voor een nederlaag bij het weer, de staat van het veld of de scheidsrechter legt?

“Ik gruw van uitspraken als ‘het was mijn dag niet’ of ‘hopelijk heb ik goede benen’. ‘Ik héb een goede dag’, ‘ik héb goede benen’: dát wil ik horen! Excuses zijn het, alsof je iets aan het toeval hebt overgelaten. Dat heb ik nóóit gedaan.

“Als we het dan toch over voetbal moeten hebben: dat rangschik ik onder de commerciële sporten. Ik kijk er niet naar. Voor onze topvoetballers in het buitenland heb ik nog bewondering – een stuk of tien. Maar hier in België komt geen enkele speler aan de enkels van een Nafi Thiam. Hoe zij zich afbeult, daar kan een voetballer nog geen 10 procent van opbrengen.”

‘Ik krijg weleens te horen dat ik weinig geld heb verdiend met mijn sport. Dat klopt. Maar ik stond wel altijd fluitend op omdat ik de hele dag mocht doen waarvoor ik had gekozen.’

IPPONS VAN JEAN-MARIE

Toen jij in 1992 afscheid nam, had je, zo las ik ergens, 1 miljoen frank schulden. Hoe ben je die te boven gekomen?

“Door dag en nacht te werken. En door een lening bij de bank aan te gaan, tegen 11 procent nota bene! Iemand vroeg mij toen: ‘Lig jij ’s nachts niet wakker?’ ‘Ik niet,’ antwoordde ik, ‘maar mijn bankier wel.’ (lacht) Als je niets hebt, kun je ook weinig verliezen. Ik heb een huis gekocht in Hastière, er met dat geld een boerderij op gezet en ik ben met die seminaries begonnen. We hadden niet één personeelslid en deden alles zelf: koken, poetsen, álles. Uiteraard maakten we fouten, maar met de jaren kwam de ervaring en beetje bij beetje hebben we alles terugbetaald. Zonder mijn fantastische vrouw was dat waarschijnlijk niet gelukt. Marleen heeft mensen rap door, ik ben nogal naïef soms. (lacht)

En zachtaardig.

“Dat heb ik van mijn moeder: zij was een zachte vrouw. Verkijk je ook niet op het judo: dat mag dan een harde wereld lijken, een woord is er een woord. Dat hoeft niet op papier gezet te worden. In het bedrijfsleven wel, want daar heeft niet iedereen goede bedoelingen. Die goedgelovigheid heeft me weleens parten gespeeld.”

Het judo is een nobele sport. Het blijft me verbazen hoe zowel de zachtaardige reus Robert Van de Walle als de conflictzoeker Jean-Marie Dedecker erin zijn opgegroeid.

“Ik ken Jean-Marie al heel lang. Hoe vaak wij niet tegen de vuilnisbakken hebben gestampt omdat we tegen het systeem waren! Wij waren rebellen en hij is dat gebleven. Ik ben het vaak met hem eens, en ook zijn intenties zijn vaak goed. Maar de manier waarop hij ze uit, is niet de mijne. Nu, ik begrijp wel waarom hij het doet. In de politiek moet je theater spelen of je komt niet op tv, en dan raak je nooit verkozen. Hij is nu burgemeester in Middelkerke en doet dat goed: hij is betrokken en luistert naar de mensen. Maar vaak speelt hij een rol, natuurlijk.”

Je zachtaardigheid deel je met een ander sporticoon: Eddy Merckx. Wie van jullie is de grootste?

“Iedereen in Japan kent Eddy Merckx, niet Robert Van de Walle, hoor. Eddy is een grote meneer in de sport. Hij is altijd een voorbeeld geweest voor jongens die op hun fiets sprongen en zich Eddy Merckx waanden. Die rol heeft hij perfect ingevuld. Niet zoals Novak Djokovic, die in volle coronacrisis gaat tennissen.”

Heb je ergens heimwee naar?

“Naar de tijd toen we jong waren en de wereld rondreisden, op weg naar weer een kampioenschap. Meer dan een T-shirt, een jeans en een kimono zat er niet in onze zak. We voelden ons vrij, zorgen hadden we niet. We trainden hard, maar als we plezier maakten, was het ook hard. Fantastische tijd! (lacht)

Ben je er al achter wat de zin is van het leven?

(glimlacht) Het leven zin geven. In mijn geval heeft het judo dat gedaan – nog altijd, trouwens. Soms heb ik spijt dat ik er niet nog meer van genoten heb. Maar ik heb mijn best gedaan. Mijn gouden medaille dateert ondertussen van veertig jaar geleden. Dan ben je een oud-strijder, hè. Soms vertel ik nog weleens het verhaal dat we op de grond sliepen en daar niet over klaagden. Dan antwoordde er mij eens zo’n jonge judoka: ‘Maar ik heb nu een bed en warm water. Moet ik dan op de grond slapen?’ Atleten willen niet altijd meer zo hard trainen. Ze denken dat ze er op een andere manier ook wel geraken. Ik heb Eddy eens gevraagd hoe hij ermee omgaat. ‘Wel,’ zei hij, ‘ik zeg wat ik te zeggen heb, en als ze niet willen luisteren, is dat hun verantwoordelijkheid.’”

Heb je nog een ultieme droom?

“Meer een angst. Waar ga ik naartoe als deze boerderij te groot geworden zal zijn? Eindig ik dan ook in een serviceflat? Nu, misschien geraak ik zover niet en is het in één-twee-drie afgelopen. Daarom geniet ik van elk moment.”

Kinderen om voor jou te zorgen, zijn er niet.

“We zijn laat getrouwd: ik was 38. We hebben dag en nacht gewerkt en kinderen zijn er niet meer van gekomen. Nu, stel dat ik een zoon had gehad die met mij hetzelfde had gedaan als ik met mijn vader: ook niet leuk, hè. (lacht)

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234