Woensdag 04/08/2021

'Ik rotzooi maar wat aan' *

Kort maar krachtig: als er één kunststroming is die je aldus kunt typeren, dan is het wel Cobra. Deze 'spontane' beweging van 'experimentele' schilders en - in hun zog ook - dichters (de vijftigers) kwam officieel op gang op 8 november 1948 in het Parijse café Notre Dame en hield als zodanig stand tot 6 november 1951, de sluitingsdatum van hun laatste en meteen grootste overzichtstentoonstelling in het Palais des Beaux Arts in Luik. Vijftig jaar na datum vormen twee expo's in Antwerpen en een in Namen de aanleiding voor dit Grote Verhaal.

Antiquariaat Rossaert toont werk van Christian Dotremont, een van de drie theoretici van de Cobra-groep en redacteur en chef van de tijdschriften Cobra en Le petit Cobra. Galerie Ronny Van de Velde toont werk van Pierre Alechinsky (°1927), destijds samensteller van het tiende en laatste nummer van Cobra. Het werk van de Cobra-aanhangers heeft altijd voor zeer gemengde gevoelens gezorgd. Dat was kort na de Tweede Wereldoorlog het geval, en dat is vandaag nog geen haar veranderd. "Is dát nu kunst?", heet het. Gekladder ja. Zelfs het kleinste kind moet in staat zijn zo'n 'Cobraatje' bij elkaar te borstelen, niet soms? Misschien is dat ook wel zo, en het gekke is dat de Cobra-kunstenaars dat wellicht niet eens als een belediging zouden hebben opgevat. Ze wilden namelijk zelf met een herwonnen kinderlijke spontaneïteit te werk gaan.

Historiek van een experiment

Denen, Fransen, Nederlanders, Tsjechen en Belgen kwamen op 5 november 1948 in Parijs bijeen voor de conferentie 'Centre International de Documentation sur l'Art d'Avant-garde', met de bedoeling de situatie van de avant-garde in hun eigen land te bespreken en de mogelijkheden van een internationale samenwerking te onderzoeken. Tijdens de conferentie werd gediscussieerd over beeldende kunst, over theater, literatuur en muziek. De deelnemers hadden ook eigen werk mee. Na de slotzitting werd het in een Parijse galerie tentoongesteld. Alles leek koek en ei, er werd zelfs gewerkt aan een ontwerp voor een gezamenlijke verklaring. Maar Christian Dotremont, die de Belgische avant-gardisten vertegenwoordigde, dacht er anders over, naar eigen zeggen was hij "de discussie op z'n Frans moe". Ook Asger Jorn, die optrad als woordvoerder van de Deense experimentele groep Høst, voelde afkeer tegenover de 'Ecole de Paris' en vooral tegenover hun schilderkunst die pretendeerde te beantwoorden aan de 'goede smaak'. Uit de brief die Dotremont vlak vóór de conferentie aan de Nederlander Constant schreef, blijkt overigens dat Dotremont toen al vastbesloten was een einde te maken aan de samenwerking met de Fransen, en dat hij veeleer de groeiende band tussen Belgen, Denen en Nederlanders wilde verstevigen.

Het naoorlogse Parijs - nochtans een niet onbelangrijke barricade voor mensen met 'manifesten' - zal ook afwezig blijven in de naamgeving: de bijna magische naam Cobra staat voor COpenhagen, BRussel en Amsterdam, de nationale thuishavens. De 'p' paste kennelijk ook niet bij de cobraslang, hun kenteken en naderhand ook het symbool voor het strijdlustige en revolutionaire elan dat de Cobra-beweging in zeer korte tijd zou gaan ontplooien. Cobra was vooral een noordelijke alliantie, 'een groep barbaren' volgens de koele Parijse esthetici, 'een groep Vikingen', 'een groep spontane kinderen'. In se was de Cobra-actie een felle (deels politiek gekleurde) reactie tegen de rationele, kapitalistische visie die kort na de oorlog de hele puinhoop opnieuw wilde structuren, in feite naar 'restauratie' streefde. De Cobra-kunstenaars reageerden fel op het naoorlogse klimaat.

Creatief manifest

Volgens dichter-theoreticus Constant, die samen met Appel en Corneille de Nederlandse Experimentele Groep vertegenwoordigde, was diens toespraak L'avant-garde artistique en Hollande de aanleiding voor de breuk. Die toespraak was eerder al als 'manifest' afgedrukt in Reflex, het lijfblad van de Nederlandse experimentelen. Constant legt daarin de nadruk op het spontane karakter van de creativiteit, en trekt een parallel met andere, totaal ongeremde kunstuitingen, een soort 'oervormen' van kunst: kindertekeningen bijvoorbeeld, en het plastische werk van krankzinnigen. Elke rationele ingreep in de creatieve impuls, het instinctmatige, en de artistieke uitdrukking ervan, wordt dus verworpen. Dat betekent dat aan de act van het scheppen meer belang wordt gehecht dan aan het voltooide kunstwerk zelf. Iedereen die met andere woorden zijn remmingen kan vergeten, zich spontaan kan uiten en het rationeel denken opzij kan zetten, moet volgens de Cobra's in staat zijn een geslaagd kunstwerk te maken.

Constant formuleert het zo: "In dit licht gezien, is de voortbrengingsdaad van veel groter betekenis dan het voortgebrachte (...) Een levende kunst kent geen onderscheid tussen mooi en lelijk, omdat zij geen esthetische normen stelt." En verder: "De scheppende gedachte bestaat niet uit ideeën en niet uit vormen (...) maar is een reactie op een ontmoeting van de menselijke geest met de ruwe materie, die haar de vormen en de ideeën suggereert."

De Cobra's verdedigen een totaal onacademische kunst- en cultuuropvatting. Ze proberen uit te gaan van een soort nulpunt van de beschaving en willen zich bevrijden van alles wat naar het culturele en het artistieke neigt, van datgene wat wij doorgaans als cultureel verworven beschouwen. Vanuit dat ideale vacuüm willen ze iets maken, dat wil zeggen hun gevoelens en ervaringen zo spontaan mogelijk op doek brengen. Constant beschouwt een schilderij bijvoorbeeld niet als een bouwsel van kleuren en lijnen, maar als een dier, een schreeuw (denk aan de Vrijheidsschreeuw van K. Appel, dat teruggrijpt naar de oer-Schreeuw van Edward Munch), een mens en dat alles samen. Bij een Cobra vind je dus geen bewuste constructie van de kunstenaar, wel een directe, spontane expressie via een lijfelijke confrontatie met zijn materie, de verf. Het kan niet de bedoeling zijn om de eigen fantasie in een bepaalde vorm te gieten, dat zou immers de tussenkomst van de ratio veronderstellen, wel om het aanbod vanuit de materie zelf te laten komen. Op die manier worden er vormen gesuggereerd die de kunstenaar kan accepteren of verwerpen.

Deze werkwijze, die onvermijdelijk doet denken aan de action-painting van onder meer Jackson Pollock en Mark Rothko, die rond dezelfde tijd in Amerika voor de nodige ophef zorgen, kunnen we ook in verband brengen met de opvattingen van de Franse filosoof-kunstcriticus Gaston Bachelard. Hij beweert dat de menselijke fantasie voor een groot deel terug te brengen is tot een samenspel van de elementen lucht, water, vuur en aarde. Cobra zal die opvatting specifiëren: door bezig te zijn met tastbare grondstoffen wordt de creativiteit van de kunstenaar in deze of gene richting gestimuleerd.

(*) Bekende uitspraak van Karel Appel (°1921). De Cobra-schilders hadden een bloedhekel aan wetten, normen en voorschriften. Non-conformisme was hun reden van bestaan.

Drie tentoonstellingen richten de schijnwerpers op de revolutionaire kunstenaars van de Cobra-groep

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234