Zondag 08/12/2019

'Ik neem een papier en een potlood en ik amuseer me'

'Ik ben eigenlijk asociaal, maar als ik zeg: nu ga ik doen alsof ik sociaal ben, dan kan ik dat''Ik heb veel medelijden met mensen die geboren worden in een nest waar ze alles krijgen, met als summum een kroonprins als Filip. Dat noem ik pas geboren worden in een kansarm milieu'

Betty Mellaerts praat met ZakFoto's Filip Claus

Maandag krijgt cartoonist Zak - sinds jaar en dag huistekenaar van De Morgen - de Arkprijs voor het Vrije Woord uitgereikt. De vele bekroningen overkomen hem een beetje. Hij tekent met zoveel plezier dat het hem nauwelijks werken lijkt en erover praten vindt hij al helemaal niet zijn sterkste kant. 'Als je ja zegt, moet je er zin in hebben', antwoordt hij op mijn vraag, terwijl ik mijn ogen nog uitkijk op de mooie, grote Afrikaanse voorwerpen in zijn open, lichte huis. Dat ik niet wist dat hij iets met Afrika had, zeg ik. Het is een toeval, de maskers en sculpturen behoren toe aan zijn vriendin.

'Ik ben wel eens in Afrika geweest, in Rwanda en Burundi, voor ze daar met hakmessen begonnen te kappen. Het is me er wel bevallen. Ik heb er gezien dat de zwarten nog trager waren dan ik, dat vond ik leuk. "Je kunt niet traag zijn en met anderen samenwerken, dus wou ik mijn eigen baasje zijn. Ik heb nooit vast op een krant of weekblad gewerkt, zodat ik mijn eigen tempo kon creëren. In mijn hoofd ben ik wel vlug en ik kan snel tekenen. Maar ik moet lachen met mensen die crossen, voor je door lopen, altijd op weg naar ergens, ik zou niet weten waar naartoe. Ik ben ook op weg naar ergens maar ik heb geen behoefte om daar zo vlug mogelijk te zijn. Als ik naar mijn atelier stap, kan dat een kwartier of drie uur duren. Dat hangt af van het weer, van de krant die ik ga lezen bij een koffie. Eigenlijk ben ik dan al aan het werk. Ik teken niet echt op café, maar noteer een ideetje, en ik lees heel veel. Kranten, tijdschriften. Binnenlandse, maar ook Nederlandse of Franse. Geen Engelse, ik ben zuiders georiënteerd. Mijn grootmoeder was overigens Franse, ze werd in Calais geboren. Ergens rond de Eerste Wereldoorlog heeft ze mijn grootvader ontmoet, een Vlaamse soldaat, en toen mijn moeder een jaar of twee was, zijn ze naar Gent gekomen. Ze leerde Gents maar ze behield haar Franse zinsconstructie, dat was heel gek, alleen wij begrepen haar.

"Als ik over de grens met Frankrijk kom, voel ik me al thuis. Je stopt om ergens iets te eten en om het even wat je vraagt, het is er lekker, wijntje erbij. Wat ik hier ook doe: ik eet nooit zonder een glas wijn. Dat moet er staan, voor het zicht, het hoort erbij. Het is een glas, ik zeg niet hoe vaak ik het bijvul! In Frankrijk zetten ze gewoon de fles op tafel zonder de onzin van het proeven. Daar hou ik van. Het is ook een prachtig land om te fietsen, ik ga er vaak naartoe. En de mensen zijn er trager, zoals in alle zuiderse landen. Ik ben op de verkeerde plaats geboren.

"Ik heb me nooit echt tegen mijn traagheid verzet, maar toen ik nog niet van mijn tekeningen leefde, moest ik wel. Het is een kwestie van een knop om te draaien. Dat kan ik goed, knopjes omdraaien. Ik ben eigenlijk asociaal, maar als ik zeg: nu ga ik doen alsof ik sociaal ben, dan kan ik dat. Dat mag niet te lang duren, maar je moet ook aan de mensen denken met wie je leeft. Je kunt niet altijd zeggen: ik ben zo en de rest kan de pot op. Niet in je kleine omgeving, wel in de grote.

"Ik herinner me een tijd, je zult het je niet kunnen voorstellen, dat ik om vier uur 's nachts opstond. Ik woonde in Dworp met een vriendin die in een computerbedrijf werkte en om vijf uur moest beginnen. Ik was toen pas begonnen met te leven, wat zeg ik, te overleven van mijn tekeningen, werkte nog het laatste halfjaar in de toeristische sector en ik had echt geen geld. We hadden uiteraard maar één auto, en Dworp was niet te bereiken met het openbaar vervoer, dus ik stond samen met haar op, ging mee naar haar werk en zat daar te tekenen op een of ander bureau van een baas dat ze dan kwamen schoonmaken. Om negen uur ging ik naar mijn werk. Ik kon het me toen niet permitteren om traag te zijn. Je moet er snel bij zijn, iets in je hebben, om te verwezenlijken dat traagheid leefbaar wordt. Ik denk dat ontzettend veel mensen dezelfde trage natuur hebben als ik, maar op een bepaald moment zeggen: ik pas me aan.

"Op mijn dertigste ben ik fulltime met tekenen begonnen, ik kon niet anders. Ik had jobs gedaan als boekhouder, geprobeerd om me aan te passen, maar op één plaats vroegen ze mij om de facturen van de concurrentie te gaan maken, dan waren die sneller failliet!

"Behalve een neef heeft niemand in onze familie ooit getekend, de academie behoorde niet tot de wereld van mijn ouders. Tot voor een paar jaar nog vroeg mijn vader of ik nu eigenlijk al werk had. Nu vind ik het prachtig dat het niet mocht, dat ik geen kansen kreeg, dat ik thuis nooit een boek heb gezien, dat ik na mijn handelshumaniora moest gaan werken omdat studeren voor andere mensen was. Ik ben er, dankzij die tegenkanting. Dat is het leven, gewoon. Ik heb veel medelijden met mensen die geboren worden in een nest waar ze alles krijgen, met als summum een kroonprins als Filip. Dat noem ik pas geboren worden in een kansarm milieu. Het moet verschrikkelijk zijn. Waar haal je dan je zelfrespect vandaan? Alles wat je hebt, heb je gekregen. Je kunt je niet eens afvragen wat je wilt bereiken. Of neem nu sportmensen die kampioen willen worden. Als ze dertig zijn, zijn ze het. En daarna? Ik ben blij dat ik een vak heb dat ik tot mijn dood kan uitoefenen, want ik ga nooit met pensioen. Misschien werk ik wat minder, om de twee dagen nog een tekening, dat zou al half zoveel zijn. Mijn ouders leven nog, maar ze zijn op. Dat is vreselijk. Niet meer kunnen denken en reageren op dingen, doen wat je leuk vindt, dan ben ik liever dood. Het leven is sowieso zinloos, daar ben ik optimistisch in. Het is erg als je denkt dat je hier bent om iets te verwezenlijken, dat moet vreselijk op je drukken. De zin is wat je zelf met je leven doet.

"Naar iets streven heb ik nooit gekend, behalve naar waar ik zin in had. In het begin was het vervelend, ik werkte toen nog om geld te verdienen. De helft van de wereld bestaat uit dat soort mensen en die hoeveelheid onderschat ik nog. Ik moet zo lachen met de opdeling in kapitalisten en arbeiders. De wereld zit niet zo zwart-wit in elkaar, dat probeer ik in mijn tekeningen ook over te brengen. Ik heb nooit meer over geld horen praten dan in het arbeidersmilieu van mijn ouders. Dát zijn kapitalisten, omdat ze acht uur per dag iets doen, enkel en alleen voor het geld. Terwijl mensen met geld vaak op een dag gezegd hebben: ik doe iets wat ik graag doe. En dat brengt met zich dat je er ook nog geld mee verdient."

"Wat had je vader dan kunnen doen", vraag ik, "om uit zijn systeem te geraken?" Hij kijkt wat verbaasd.

"Hem had ik niet voor ogen als ik dit zeg, maar het gekke is dat ik het niet weet. Mijn vader was blijkbaar niet onverstandig: hij was altijd de eerste van de klas, heb ik later gehoord. Maar door de oorlog en een gezin met drie kinderen is hij in zijn arbeid getuimeld en is er nooit meer uitgeraakt. Maar op zich heeft hij ook zijn wereldje gecreëerd.

"Hij was conciërge in een nonnenklooster. De nonnen wisselden, geregeld werd iemand anders moeder-overste, maar mijn vader was er altijd. De baas eigenlijk, want een nieuwe moeder kwam aan hem vragen hoe alles in zijn werk ging. Hij hield het klooster draaiende, de verwarming en het licht mochten niet uitvallen, hij werkte wat in de tuin met de tuinman, liep in overall rond, was ook tamelijk traag. Volgens mij wisten de nonnen op sommige dagen niet waar hij uithing. Op een bepaald moment kreeg hij een bieper, waardoor hij altijd bereikbaar was voor moeder-overste. Voor hem was dat fantastisch, want daardoor kon hij thuis op de televisie naar de Ronde van Frankrijk kijken, en de cafés waar hij naartoe ging, vielen ook allemaal binnen de straal van zijn biepertje. Hij zou niet alleen voor geld acht uur aan de band hebben kunnen staan. Ik zie nu in de reflectie op mijn jeugd dat er eigenlijk niet zoveel verschil is tussen ons.

"Toch heb ik me er nooit echt thuis gevoeld. Ik wou altijd iets anders doen dan wat mijn ouders deden. Dat mocht dan niet, wat vanuit hun standpunt zeer goed te begrijpen was. Ze kenden niemand in hun omgeving die naar de tekenschool ging. Dat is wel wat vervelend geweest, maar ik heb er nu geen spijt van. Wie weet was ik anders een van de miskende kunstenaars geweest zoals er zovelen rondlopen en die hele nachten aan de toog lullen dat de wereld hen niet begrijpt. Ik sta toch met mijn twee voeten op de grond, denk ik, hoop ik.

"Als jongen tekende ik alles. Het was de tijd van de eerste televisies. Plots zag je beelden in huis die zich daar helemaal niet afspeelden. In Gent bleven 's avonds trosjes mensen voor de etalages met televisiebeelden staan. Ik stond daar ook bij, uren naar films te kijken. Het is zo vreemd, we leven in een wereld van kleur maar we zijn van een generatie die veel heeft leren ontdekken in zwart-wit. De eerste keer dat ik in Parijs kwam, stond ik verbaasd over de kleuren. Parijs was voor mij de oude film La traversée de Paris, met Jean Gabain en Bourvil. Als die op televisie komt, kijk ik nog, met veel nostalgie.

"Wat ik op de televisie gezien had, tekende ik na. Andere kinderen speelden na een oorlogsfilm met soldaatjes, ik tekende ze zelf. Of de motorcross. Daar ging ik met mijn vader mee naartoe. Het waren geen robotten op motoren zoals nu, maar echte mensen met helmen, in een overall, door modder bespat, en er hing die aparte geur van verbrande olie. Thuisgekomen tekende ik hen, misschien wel om het beeld en de geur vast te houden. Tekenen was een vlucht, ergens anders zijn. Eigenlijk loop ik nog altijd als een jongen rond en teken wat ik zie: zonder mijn mening te willen uitdragen, creatief bezig zijn met de actualiteit.

"Ik heb nooit leren tekenen, ik kon dat. En door het veel te doen verfijn je je techniek. Ik heb ooit eens een jaar avondschool gevolgd, ik werkte toen overdag in de boekhouding, heel traag cijfertjes optellen met de hand. Ik had me ingeschreven voor modeltekenen, en terwijl de andere studenten het vrije uur dat we hadden vol stonden te kletsen, ging ik aan een andere leraar vragen of ik mee mocht doen met zijn klas. Zo erg was het met mij. Ik zat de hele dag te verlangen naar de avond. Ik wou mensen tekenen, zoeken waarom ze zich zo druk maken, zich gedragen alsof ze nooit zullen sterven.

"Ik heb wel veel gehad aan de tekeningen van Marc Sleen. Wij lazen Het Volk, we waren katholieke arbeiders, en Sleen maakte stripjes over de Ronde van Frankrijk. Ik luisterde naar de rit op de radio, tekende mijn eigen strip met zijn figuurtjes in mijn verhaal en 's anderendaags keek ik in de krant hoe hij het gedaan had. Hij was altijd beter.

"We woonden schuin tegenover het Steen van Geraard den Duivel en daar speelde zich een stripverhaal van Marc Sleen af. Terwijl ik zat te lezen, kon ik het ook echt zien. Dat je iets met de werkelijkheid kon doen, mensen die jij verzon in dat kasteel kon laten rondlopen, heeft me gegrepen.

"Het eerste wat ooit op papier is gedrukt, was een kop van Bessie in een kinderkatern van Het Volk. Ik was acht. Mijn eerste cartoon stond ook in die krant. Een naam had ik niet, ik was toen nog niet oud genoeg om mezelf een scheldnaam te geven, er zal wel Jacques onder gestaan hebben. Ik was mijn tekeningen in de bus gaan steken, ze afgeven durfde ik niet. Ik heb altijd gedacht dat alleen een wit blad papier interesse had voor mij. Als ik dat zag, om het even waar, in een schriftje, een papieren tafellaken, een kalender, dan moest ik tekenen. Maar ik wou absoluut publiceren. Een cartoon bestaat als hij ergens in staat. Toen ik in Brussel nog in het toerisme zat - ik organiseerde reizen naar Frankrijk en op dat bureau circuleert zeker nog een lijst met vermisten - ging ik vaak naar W.H. Smith, een Engelse boekhandel waar ik in Punch bladerde, een zeer gerenommeerd satirisch weekblad dat vol zwart-wit cartoons stond. Waarschijnlijk had ik niet het geld om het te kopen. Als ik een woord niet verstond, ging ik in de winkel in het woordenboek kijken en bladerde voort. Het tijdschrift is verdwenen, maar een aantal jaar geleden opnieuw uitgekomen als een kleurenblad. Ik heb toen een aantal van mijn cartoons laten vertalen en er heeft er een viertal in gestaan. Dat vond ik mooi. Er is mij gevraagd om er nog op te sturen, maar dat doe ik dan niet. Mijn tekeningen hebben gestaan in het blad waar ik in bladerde en dat is genoeg."

'Hoe oud moet je worden voor je je eigen mening kunt ventileren? Ik heb godsdienst altijd een beetje idioot gevonden, al zag ik geen andere wereld.

"Rechts van ons was er het klooster, links een straatje met het seminarie, schuin over ons huis het bisdom, wat verder de Sint-Baafskathedraal, maar rechtover ons: de nationale bank van België. Het kapitalistische en katholieke Vlaanderen in een notendop. En wij als arbeiders daartussen! Dat heeft me blijkbaar wel beïnvloed. De vrienden van mijn ouders waren ook katholieke arbeiders, met de socialisten mochten we niet omgaan. Dat had een maatschappelijke oorsprong. De roden waren toch meer het plebs, ander volk. Wij waren zelf zo arm als de straat maar wij hadden toch de status van het katholiek-zijn. Iemand moet de minste zijn. Misschien dachten ze dat de rijkdom van de kerk van hen was, en De Vooruit, daar stonden zelfs geen beelden in!

"Het woord is achteraf in mijn tekeningen gekomen, door veel te lezen en veel in te halen. Het klinkt raar om dat door mij te horen zeggen, maar ik had te veel te vertellen om het alleen in een tekening kwijt te geraken. Iets uitleggen zonder tekst is ontzettend moeilijk. Toch kan ik geen strips bedenken, ik ben meer iemand van één beeld.

"De tekening zit al in mijn hoofd, ik denk in beelden, de tekst komt erbij. Ik denk altijd met een potlood in mijn hand, daarom hoef ik nog niet te tekenen of te schrijven, maar ik moet het wel vasthouden. Ik beleef ook veel plezier aan het tekenen, mensen vergeten wel eens dat het ambachtelijk en leuk werk is. Ik neem een papier en een potlood en ik amuseer me. Als ik niet echt tevreden ben, ga ik eerst iets anders doen: wat lezen, nieuwe ideeën opdoen, waardoor ik soms twee onderwerpen met elkaar kan combineren. Als ik kleine tekeningetjes maak, gaat het om het idee. Dat is de gemakkelijkste weg. Maar voor bladzijde twee van De Morgen wil ik nog een echte tekening maken. Ik denk aan de mensen die geen gevoel voor humor hebben, die moeten ook nog iets hebben om naar te kijken.

"Als ik tevreden ben, stuur ik de tekening door naar de redactie, anders laat ik ze nog wat liggen. Het kan altijd beter. Ik wil 's anderendaags altijd een betere tekening maken dan de dag voordien. Ik heb ook geleerd dat, als ik mijn idee niet vanzelf op papier krijg, het niet goed is. Alsof de inkt weet: daarvoor kom ik niet uit mijn pen.

"Thuis was een schoolboek al heel wat. Ik heb er ooit één boek gezien van Konsalik over Stalingrad. Mijn vader wou lezen dat er in de oorlog ook echte helden waren geweest, terwijl ik hém juist een oorlogsheld vond. Hij was zeventien in de oorlog en werd opgeroepen. Bij de eerste Duitser die hij zag, heeft hij zijn handen omhooggestoken en hij was na twee dagen krijgsgevangene. Ik vond dat een heldendaad. Als elke soldaat dat nu eens had gedaan - laat de generaals maar vechten -, dan waren al die miljoenen doden niet gevallen.

"Mijn tantes en nonkels en ouders vertelden achteraf prachtige verhalen over de oorlog, de ellendige gebeurtenissen werden vergeten. Dat heb ik ook in mij: waar zit hier de humor?, hoe erg de situatie ook is. In mijn tekeningen noemen mensen dat cru. Misschien heb ik ook geen zin om na te denken over de ellende."

Ik spreek hem tegen. "Je trekt je de ellende net wel aan", zeg ik. "Je maakt een analyse en een synthese van de situatie en je humor maakt de gevoelens nog dieper."

"Dat is zo, het komt door de omdraaiing, maar er zijn mensen die dat niet begrijpen. Als je tekent dat het erg is, ziet niemand het. Voor mij is er zoveel ellende dat je ze alleen met humor kunt begrijpen. Ik maak ook geen grappen. Humor heeft iets ernstigs in zich. De grens is zeer moeilijk te trekken, natuurlijk. Monty Python is zodanig absurd dat het het leven zelf is, dat is humor. Geert Hoste is een grappenmaker, hij gebruikt ellende om er lol mee te maken, daar zit geen fond in. Ik heb daar niets tegen, maar ik hou er niet van. Ik ben helemaal geen grappig mens, ik ben heel ernstig. Ik zit ook nooit te lachen met mijn eigen tekeningen, daarvoor zijn ze niet bedoeld, ik wil alleen maar zeggen: laat ons hier eens anders over nadenken. Mensen hebben ook zo snel een mening. 's Morgens weten ze amper waar Oostenrijk ligt en 's avonds zitten ze op café te vertellen dat er een nieuwe Hitler is opgestaan. Hetzelfde met de oorlog in Bosnië en de slechte Serviërs, maar ook het UCK bestaat voor mij uit soldaten die kwaad aanrichten. De politiek geeft hen een kader waarin ze crimineel kunnen zijn.

"Ik tracht cartoons te maken die tegen dat groepsdenken in gaan. Ik heb iets tegen groepen. Ik ben eens een halve dag in de jeugdbeweging geweest, 's middags was ik terug. Ik kon dat niet. Iemand zei dat we van alles in groep moesten doen, maar ik had zin om iets alleen te doen. Of met de Christelijke Mutualiteiten naar Melchtal, met de kartonnen dozen waar Tom Lanoye over geschreven heeft. In groepen van tien moesten we ervoor zorgen het eerst klaar te zijn, dan kregen we een edelweiss of zoiets. Negen man stond klaar en ik ging zo traag door dat we in onze groep de tien nooit gehaald hebben. Ja, ik had niet veel vrienden in die tijd.

"Het was mijn eerste daad van verzet tegen een groep, denk ik. Zet honderd intelligente mensen samen en het wordt een domme massa. Dus gooi me alstublieft niet in een massagraf als ik dood ben. Ik wil alleen in een potje staan, ergens in een hoekje van het kerkhof."

We lopen naar zijn atelier in de binnenstad. We nemen de lange, maar mooiste weg. Hij vertelt me over Gent, laat me de resten zien van de Hoet-tentoonstelling Over the Edges: "Jan Hoet is er toch weer in geslaagd om honderden mensen met hun neus in een programmaboekje door de stad te laten dwalen", lacht hij, en toont me wat verder het kleine stukje Parijs aan het water. Zijn atelier ligt recht over Sint-Lucas, waar hij nooit zat: "Als ik het niet meer weet, kijk ik naar de les." Twee kamers, drie bureaus, computers, potloden, een gom die geen sporen laat, dat is zijn atelier, en de keukenkasten zitten vol tekeningen, opgeborgen in mappen. Eén tafeltje met verfpotjes laat hij langzaam onderstoffen. Het schilderen is voorbij.

"Computers zouden de creativiteit afstompen, maar ik stel me daar vragen bij. Ik ben geen vaderfiguur, nooit geweest. Ik heb mijn zoon niet opgevoed, daar had ik geen ambitie voor en dan doe je dat slecht. Ik ging liever met hem biljarten dan hem de les te spellen. Ik ben met hem bevriend en hoop dat ik hem niet belet heb iets te doen. Hij is vierentwintig, werkt in een bank en houdt zich daar met de beurs bezig. Ik heb gemerkt dat hij daar op zijn manier heel creatief is, meer dan de mensen die denken dat je dat alleen kunt zijn op een zolderkamertje.

"Ik heb een computer gekocht waarmee ik tekeningen inkleur. Ik ben niet zo een schilder, zat uren te aquarelleren en in de krant kwam het niet over. Nu duw ik op knopjes, kleur weg, andere erin. Het was heel vreemd en fascinerend. Door de handelsschool kon ik tikken, en alles wat ik met mijn handen doe, gaat goed. Biljarten zelfs. Maar ik kende niets van computers, ik had nog nooit een muis in mijn handen gehad. Mijn vriendin heeft mij alles moeten leren, maar ze werkte met een ander merk computer. Dus heb ik boekjes gekocht en ik heb geoefend, in mijn eentje, zo ben ik dan wel, tot ik het kon. Af en toe belde ik eens naar een collega, naar Quirit, of Hec (Leemans). Met bellen en opstaan heb ik het geleerd."

"Ik moet wel lachen om je cartoons", zeg ik. "Ik hoop dat je dat niet erg vindt. En meestal denk ik: zo had ik het nog niet bekeken."

"Dat is het mooiste compliment dat iemand me kan maken. Ik heb er nog een mooi gehad: op de boekenbeurs was een vrouw op zoek naar een agenda. Ze vindt de Zakagenda en zegt: heb je die niet zonder tekeningen? Dat is toch mooi! Had ze eindelijk het goede formaat gevonden, stonden die tekeningen in de weg.

"Ik wil niet boven de hoofden van de mensen heen praten. Daarom herken je de personages uit mijn tekeningen ook. Ze bestaan. Ik werk voor een krant, daar hou ik toch wel rekening mee. Ik wil dat de lezer de pagina omslaat en denkt: leuk. Meer moet dat eigenlijk niet zijn.

"Cartoons vinden gaat het gemakkelijkst als er iets gebeurt waar iedereen mee bezig is. De krant staat er vol van, ik bekijk het nieuws anders en het tekenen gaat vlot. De varkenspest, daar hoef ik niet nog meer ellende bij te tekenen, maar ik gebruik het wel. Ik kan met gemak de boer tekenen die 's ochtends het overzicht van de pers komt voorlezen aan zijn varkens omdat ze zo in de actualiteit staan. Dat kan iedereen begrijpen. Het moeilijkste is elke dag weer: waar ga ik het over hebben? Zonder voorspelbaar te worden, het moet verrassend blijven, ook voor mezelf. De lezer mag vooraf niet weten tegen of voor wie ik ben. Ik wil graag politiek incorrect zijn, de waarheid heeft nooit één kant.

"Ik kijk weinig naar televisie, maar als ik een cartoon teken over Kosovo, moet ik weten welk beeld de mensen daarvan hebben. Dat wil ik wel opsteken uit het journaal, maar ik kijk nooit naar ontspanningsprogramma's. Zelfs op De Morgen lopen er mensen rond die mij kwamen vragen: weet jij wie De Mol is? Neen, dus! Ik ben nooit naar de jeugdbeweging geweest, waarom zou ik dan nu naar zoiets zitten kijken, het zijn de scouts. Ik kijk naar documentaires. Ik wil altijd iets leren. Na afloop wil ik meer weten dan voor ik begon te kijken.

"Onbewust zal ik wel mensen observeren. Ik hoor vertellen dat men mij in de stad heeft gezien maar ik heb niemand opgemerkt. Ik loop dikwijls door de straten met mijn hoofd ergens anders. Als ik iets zie gebeuren, fantaseer ik er al wel dingen rond. Iedereen die visueel bezig is, doet dat. Je tekent niet zomaar iets, je moet het eerst gezien hebben. Mijn figuren zijn nonkels en tantes van vroeger, met de bloemetjeskleedjes, de arbeider met zijn zondagse pak dat slecht zit omdat hij het maar één keer aandoet. Ze lopen nog altijd rond, want er is niet zoveel veranderd. Er zijn nog altijd twee grote categorieën: mensen die zich laten leven en mensen die leven.

"Met wat ik zie, kan ik door mijn tekeningen toch iets aanvangen. We worden overspoeld met informatie en ik vraag me soms af of het wel allemaal nodig is. Of je al dan niet beelden ziet van mensen die honger hebben in Ethiopië maakt geen barst uit. Maar de media dringen het op: je zult er de last van dragen. Iedereen leeft zijn eigen banale leventje, je moet toch niet nodeloos verdrietig rondlopen? Zoals de televisie die beslist om na de ramp in Enschede het Songfestival niet uit te zenden. Dat is belachelijk. Iedereen doet wat hij wil. Er zijn mensen gestorven die je van haar noch pluimen kent. Het is al genoeg dat je triest moet zijn om mensen die je kent. Het is natuurlijk erg voor hen, maar of er dan iemand naar het Songfestival kijkt of niet, verandert daar niets aan. We moeten altijd maar meeleven. Er zijn zelfs mensen die verdriet hadden om prinses Diana. Dat is iemand die met een helikopter van een boot is gehaald om in het duurste restaurant van Parijs te gaan eten en later in een auto met een dronken chauffeur tegen een paal knalt. Dat is niet echt mijn wereld. Een kolommetje in de krant was voor mij genoeg geweest in plaats van de 37 kranten - geen pagina's - die men er nu aan besteed heeft. Dan is de cartoon iets meer dan creatief zijn met de werkelijkheid. Dan wil ik mijn kleine zegje doen.

"Neen, ik ben niet dwars. Ik bekijk de wereld op mijn eigen manier. Ik zeg niet zwart om zwart te zeggen terwijl het wit is. Ik zal in het zwart het wit zoeken, dat wel, maar het is een gezonde reactie om niet alles te geloven wat er in de krant staat. Ik zie hoe die gemaakt wordt! Ik lees en kijk naar de televisie met de nodige scepsis. Een krant heeft toch iets van een sekte. Dat is overal hetzelfde: televisie, radio, de literaire wereld, film, het zijn allemaal groepen. En als er iemand van buiten binnen wil dringen sluiten ze de rangen, al haten ze elkaar. Het is menselijk en misschien kun je anders niet functioneren. We zijn allemaal kleine stofjes onder elkaar, maar misschien moet je ooit kunnen zeggen: ik ben het grootste en het beste stofje. En misschien heb ook ik dat gedaan."

'Mijn figuren zijn nonkels en tantes van vroeger, met de bloemetjeskleedjes, de arbeider met zijn zondagse pak dat slecht zit omdat hij het maar één keer aandoet. Ze lopen nog altijd rond, want er is niet zoveel veranderd. Er zijn nog altijd twee grote categorieën: mensen die zich laten leven en mensen die leven''Eigenlijk loop ik nog altijd als een jongen rond en teken ik wat ik zie: zonder mijn mening te willen uitdragen, creatief bezig zijn met de actualiteit"'Ik zit nooit te lachen met mijn eigen tekeningen, daarvoor zijn ze niet bedoeld, ik wil alleen maar zeggen: laat ons hier eens anders over nadenken'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234