Dinsdag 27/07/2021

'Ik moet van de mensheid kotsen'

Om de gravers in zijn privéleven te jennen, verzon hij een autobiografische parodie, waarin hij zijn wapenfeiten numeriek in kaart bracht: 'Ik heb 48 personen uit branden gered.' En: 'Ik heb de harem van de grote Turk tot uitputting gebracht'

Brieven van Gustave Flaubert, stijlslaaf en somberman

Elke brief van de Franse schrijver Gustave Flaubert (1821-1880) is bijna een lustprieel vol kwaadsappig klaterende zinnen en vranke meningen. Het nieuwe Privé-Domeindeel Geluk is onmogelijk toont een superieur somberende Flaubert, eindeloos wroetend en zuchtend aan zijn schrijftafel: 'Wat een idioot leven leid ik, en ik wil geen ander!' Door Dirk Leyman

'Zodra je kunstenaar bent, amuseren de heren kruideniers, registeraccountants, tolbeambten, thuiswerkende laarzenmakers en anderen zich met je privé-aangelegenheden! Er zijn mensen om hun te vertellen dat je donker of blond bent, kluchtig of melancholiek, zoveel lentes oud, drankzuchtig of liefhebber van harmoniemuziek. Ik daarentegen denk dat een schrijver alleen zijn werken moet achterlaten. Zijn leven is van weinig belang. Weg met die rommel!", zo schreef Gustave Flaubert in augustus 1859 vol stomende woede aan zijn vriend Ernest Feydeau. Flaubert had een gloeiende hekel aan biografische nieuwsgieren. Volgens hem leidde hun voyeuristische arbeid slechts de aandacht af van zijn romans, waarvoor hij zijn hele ziel gaf en die hij het liefst tot in de perfectie bleef bijvijlen. De Normandische brompot en burgerhater hamerde er voortdurend op dat een auteur in zijn boeken "als een God in de schepping" moest zijn: "overal voelbaar maar nergens zichtbaar". Om de gravers in zijn privéleven te jennen, verzon hij in diezelfde brief dan maar meteen een autobiografische parodie, waarin hij zijn wapenfeiten numeriek in kaart bracht: "Ik heb een keer uit overmoed 15 lendenstukken naar binnen gewerkt en ik kan nog zonder er last van te krijgen 72 decaliter brandewijn drinken." Of: "Ik heb 48 personen uit branden gered." En: "Ik heb de harem van de grote Turk tot uitputting gebracht." Het is de briefschrijver Flaubert ten voeten uit: telkens weer weet hij zijn eigen boosheid een hoogst vermakelijke radslag te geven.

Toen zijn roem na het schandaalsucces van Madame Bovary (1857) en Salammbô (1862) in stijgende lijn ging en hij zelfs de hoogste Franse kringen mocht frequenteren, kon Flaubert de hongerige biografen niet meer afwentelen. Ironisch genoeg bleken na zijn dood in 1880 de duizenden bewaarde brieven gesneden koek voor generaties Flaubertonderzoekers. Vrijwel jaarlijks verschijnt er wel ergens een vers levensverhaal van de kluizenaar van Croisset. In 2006 was dat bijvoorbeeld de uitgebalanceerde, 628 pagina's tellende studie Flaubert, A Life van de Amerikaan Frederick Brown. De nooit verflensende belangstelling is verbazingwekkend, want de schrijver vond dat hij amper iets beleefde: "Mijn bestaan is vlak als mijn werktafel en even roerloos." Maar het molentje in het hoofd van Flaubert stond nooit stil. In de Normandische luwte van zijn schrijfpaviljoen met uitzicht op de Seine werkte hij "als zesendertig miljoen paarden". Flaubert was een schrijfslak en stopte onnoemelijk veel tijd in het op poten zetten van zijn boeken: "Ik ben bij het schrijven als iemand die pianospeelt met loden kogels op zijn knokkels." Tussendoor liet de "peetvader van de realistische roman" stoom af in salvo's brieven. De meest uiteenlopende correspondenten bestookte hij met zijn dagelijkse peripetieën en cassante uitspraken over het leven en de letteren. De uit graniet gehouwen brieven zijn vooral een weergaloze documentatie van zijn schrijfproces. Maar tegelijk bieden ze een ongecensureerde kijk op zijn denkbeelden, die niets van hun tegendraadse scherpzinnigheid hebben verloren. Velen vinden zonder aarzelen dat Flauberts brieven veel beter de tand des tijds hebben doorstaan dan bijvoorbeeld Madame Bovary of De leerschool der liefde (om van Salammbô maar helemaal te zwijgen). De met zijn geloof worstelende André Gide beweerde zelfs dat Flauberts brieven in plaats van de bijbel op zijn nachtkastje lagen. En dat wil wat zeggen.

Geluk is onmogelijk is de vierde Privé-Domeinbuit uit deze epistolaire goudmijn. Na het moeilijk te overtreffen Haat is een deugd en de twee selecties wervelende brieven aan respectievelijk zijn minnares Louise Colet en George Sand, bestrijkt dit alweer ruimhartige deel de periode 1857 tot aan Flauberts plotselinge dood in 1880. Hoewel je natuurlijk vertrouwd (én verknocht) bent geraakt aan die karakteristieke oprispingen van Flaubert, zijn de verrassingen geenszins van de lucht. Niet het minst door de grote variatie van correspondenten, onder wie literaire bonzen als Ivan Toergenjev, Guy de Maupassant, Charles Baudelaire, Emile Zola, Théophile Gautier en de gebroeders Goncourt. Maar ook hardnekkige bewonderaars en intussen lang vergeten scribenten als Ernest Feydeau, mejuffrouw Leroyer de Chantepie en Amélie Bosquet vonden zijn brieven op hun deurmat. Opmerkelijk zijn de zoetgevooisde, vaderlijk brommende brieven aan zijn geliefde nichtje Caroline en de licht flemerige kattebellen aan prinses Mathilde, het nichtje van Napoleon III. Je merkt hoe Flaubert naargelang de correspondent weleens andere stijlregisters durft te betokkelen. Tegen bepaalde dames is hij extra lieflijk en verzint hij steeds een galant afscheidswoord ("Ik kus uw armen tot uw oren"), tegenover Toergenjev is hij in hoge mate bewonderend en in de brieven aan de literaire viswijven en vrienden Goncourt laat hij zich gezapig verleiden tot het tappen van een (al dan niet scabreuze) anekdote ("Gegroet, mijn snoesjes"). Toch hadden "de snoesjes" in hun dagboek een voorbehoud bij hun bolronde kameraad: "Hoewel van nature volmaakt openhartig, is hij nooit helemaal oprecht in wat hij zegt te voelen of te lijden of lief te hebben."

Het lezen van Geluk is onmogelijk (een waarschuwende titel die niet beter gekozen kon zijn) onderga je alsof de schrijver je afwisselend rechtstreeks toespreekt, je dan weer over de bol aait of aan je mouw trekt en wat later simpelweg de mantel uitveegt of op je nummer zet. De door de wol geverfde Flaubertvertaler Edu Borger wijst erop dat de "officiële" literaire loopbaan van Flaubert eigenlijk pas op zijn vijfendertigste begon. Flauberts vroege werk zoals La tentation de Saint-Antoine (1849) bleef binnenskamers (zijn vrienden vonden na een vierdaagse voorlezing dat hij het werk moest verbranden) en maatschappelijk brak hij ook al weinig potten, want zijn rechtenstudie liep faliekant af. Met zijn verteltechnisch revolutionaire Madame Bovary komt Flaubert plots op de literaire voorgrond, ook al komt de geschiedenis van de overspel plegende Emma Bovary hem op een proces wegens smaad en immoraliteit te staan. De vrijspraak veroorzaakt een stormloop op het boek. Toch kon Flaubert het moeilijk velen dat zijn schepping "als een hoer aan haar haren" door de modder werd gesleept: "Hoe sterk is de maatschappelijke hypocrisie!"

De toorn tegen kunstmatig burgermansfatsoen is dan ook een constante in de steeds misantropischer wordende brieven. Flaubert is er als de kippen bij om de stompzinnigheden van de massa te kapittelen, zeker ook wanneer er oorlogsgedruis in de lucht hangt, zoals de ingrijpende Frans-Pruisische oorlog in 1870: "We zullen wanneer de oorlog voorbij is, in een situatie terechtkomen die afschuwelijk is voor mensen met smaak." Flaubert, die drie fasen in de menselijke geschiedenis onderscheidde ("Heidendom, christendom en ploertendom") schuwde de overdrijving niet: "We trappelen op de verrotte plank van een enorme latrine. Wat mij persoonlijk betreft, ik moet van de mensheid kotsen, en je zou je moeten verhangen, als er niet hier en daar nobele geesten waren die de atmosfeer desinfecteren." Wat rest er dan nog als vluchtheuvel? "De enige manier om het bestaan te verdragen is je door de literatuur te laten bedwelmen als door een eeuwige orgie." Om er genadeloos aan toe te voegen: "Mijn leven is steeds minder vrolijk. Het is zelfs godsgruwelijk triest." Tot aan zijn dood laboreert Flaubert tergend traag aan vier boeken: het in Noord-Afrika spelende Salammbô, het weinig succesvolle De leerschool der liefde, de Drie verhalen en zijn "encyclopedie van de menselijke domheid" Bouvard en Pécuchet, die op één hoofdstuk na onafgewerkt blijft. Flauberts documentatiezucht was dan ook ziekelijk. Voortdurend valt hij zijn correspondenten lastig met vragen over bijvoorbeeld duels, spoorlijnen of "zwendelarijen op kunstgebied", kwestie van zijn roman zo precies mogelijk te onderbouwen. Zo zadelt hij Maupassant op met de taak om het gepaste decor voor Bouvard en Pécuchet op te sporen: "Ik heb een steile kust nodig, die mijn twee kereltjes angst aanjaagt. Ik heb loodrechte kalkrotsen nodig zoals in Fécamp en Etrétat... jij moet die contreien op je duimpje kennen?" En zelfs vermaak en vertier stonden bij Flaubert in het teken van de pen. Een oersaai Parijs' bal was als sociale observatie van onschatbare waarde: "Ik ben van leem wanneer het om het ontvangen van indrukken gaat en van brons om ze te bewaren. Bij mij wordt niets uitgewist, alles stapelt zich op."

Gaandeweg wordt Flauberts persoonlijke en financiële situatie steeds benarder. Ook fysiek takelt hij zienderogen af, waar hij op briljante wijze over sakkert. Maar het meest verdriet het de overgevoelige Flaubert ("ik ben van nature iemand met open zenuwen") dat zijn vrienden en correspondenten (Louis Bouilhet, Sainte-Beuve, Gautier, Sand) er een voor een het bijltje bij neerleggen: "Van het kleine clubje blijven er steeds minder over, de weinige schipbreukelingen van het vlot van de Méduse gaan hun ondergang tegemoet." Wanneer in 1872 ook zijn geliefde moeder sterft "is het alsof er een stuk van mijn ingewand is uitgerukt". Meer dan ooit vlucht hij in het werk. "Ik zie eruit als een combinatie van een oude tweederangsacteur en een oude slager", mompelt de zich in dit ondermaanse stilaan misplaatst voelende schrijver. Geen wonder dat hij een van zijn laatste brieven (aan zijn nicht Caroline) ondertekent als "je PREHISTORISCHE mens". Flauberts biograaf Henri Troyat legt de vinger op de wonde: "Wanneer hij zichzelf onder de loep neemt, moet hij vaststellen dat hij een vreemd dier is geworden, vol tegenstrijdigheden. Zijn walging voor de burgers is des te heftiger daar hij zich tot in zijn botten burger voelt met zijn voorliefde voor orde, gerieflijkheid en hiërarchie. (...) Revolutionair in de kunst, conservatief in het gewone bestaan." Nét die tweespalt maakt zijn brieven tot tijdloze papieren zweepslagen. En chronische mopperkont Flaubert levert het mooiste bewijs dat literatuur een verhevigde vorm van leven kan zijn.

De zaak-Bovary

Begin december verscheen er ook een bibliofiel getint Flaubertdocument. Onder impuls van juriste Annick Spegelaere werd het integrale proces rond Madame Bovary door Bart Vonck in het Nederlands vertaald én in een luxe boekvorm gegoten. De zaak-Bovary. Het openbaar ministerie tegen de heer Gustave Flaubert bevat het spraakmakende requisitoir, pleidooi en vonnis uit 1857 rond Madame Bovary. Deze bibliofiele uitgave is verluchtigd met rozig speelse tekeningen van Klaartje Schrijvers en zit gevat in een spierwitte fluwelige hoes, in een vormgeving van Griet van Haute. Een inleiding of een nawoord had deze lovenswaardige editie volledig tot haar recht laten komen. Het boek kost 85 euro en kan via www.mithril.eu (klikken op uitgaven) besteld worden of telefonisch op het nummer 03/281.76.18.

Gustave Flaubert

Geluk is onmogelijk.

Een keuze uit zijn brieven, samenstelling & annotatie Edu Borger

De Arbeiderspers, Privé-Domein, 347 p., 25 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234