Woensdag 18/05/2022

'Ik moet schrijven, of ik ben niet echt'

interview met de britse schrijfster a.s. byatt

Interview door Erwin Mortier

'Onze verbeelding begon met het scheppen van afwezige, imaginaire wezens toen we vaststelden dat de doden, de voorouders, altijd aanwezig bleven', zegt A.S. Byatt over haar jongste roman, De biograaf. Leegte en verbeelding, en voorouders, zijn uitbundig aanwezig in het verhaal, waarin een student de biografie van een biograaf wil schrijven en daar superieur in faalt.

A.S. Byatt

De biograaf

De Bezige Bij, Amsterdam, 326 p., 730 frank.

Het is Phineas Nanson, hoofdpersoon en verteller, nochtans alleen maar om feiten te doen, moe als hij het is om tijdens de colleges literatuurwetenschap steeds weer dezelfde uitgekauwde theorieën te moeten verwerken. Hij wil zich uit dat spinnenweb van verwijzingen, voetnoten en referenties bevrijden, en genieten van dingen: "De rijkdom, de gloedvolle vastigheid van een wereld vol feiten, die als planeten in een lege hemel aangeven: hier is materie en dààr is leegte."

Maar Byatt zou Byatt niet zijn als ze haar held naïefweg in zijn ambitie liet slagen. Phineas vat het plan op een heldere, feitelijke biografie te schrijven van ene Scholes Destry-Scholes, een auteur wiens leven geheel in dienst stond van het schrijven van een biografie van Elmer Bole, een Victoriaanse duizendpoot die in zijn eigen leven, naast een bestaan als onder andere diplomaat, soldaat en schrijver, een adembenemend aantal disciplines beheerste en er bovendien op liefdesvlak een onconventionele levenswandel op na hield, met een echtgenote in Turkije en een andere in Engeland.

Phineas wordt vooral door Destry-Scholes gebiologeerd omdat hij het voor schrijven van zijn biografie noodzakelijk achtte alles waar Bole in geïnteresseerd was nog beter te beheersen. Een behoorlijk megalomane betrachting die ook op Phineas zelf overslaat, al valt dat in eerste instantie behoorlijk tegen. Over Scholes vallen in het begin weinig feiten te verzamelen, de man is ook letterlijk van de aardbodem verdwenen, vermoedelijk verdronken in de Maalstroom, een levensgevaarlijke getijdenkolk voor de kust van Noorwegen. Het zit Phineas niet mee om bronnen voor zijn werkstuk bij elkaar te scharrelen, tot hij in een bibliotheek drie biografische schetsen van de hand van Destry-Scholes terugvindt. De eerste behandelt, zo blijkt snel, Carl Linnaeus, de achttiende eeuwse grondlegger van de taxonomie. In een tweede figureert Francis Galton, de neef van Charles Darwin, vandaag berucht als uitvinder van de term 'eugenetica', maar in zijn tijd vooral geëerd als statisticus. Een derde tekst blijkt te gaan over Hendrik Ibsen, de Noorse theaterauteur die het voor de intensiteit van zijn werk van vitaal belang vond om met zijn rug naar de wereld te leven.

Phineas kan zijn geluk niet op, maar wordt zwaar ontnuchterd wanneer Fulla Biefeld, een Zweedse bijentaxonome, hem erop wijst dat de biografie van Linneaus voor de helft verzonnen is, en ook met de andere teksten schijnt iets soortgelijks aan de hand. Waar was Destry-Scholes mee bezig? Voeg daarbij een koffer die Vera Alphage, radiologe en een verre nicht van Scholes, nog op zolder had staan, boordevol indexkaarten met citaten en foto's, en een collectie gekleurde glazen knikkers, en Byatt heeft alles in handen om haar held, en met hem de lezer, een maalstroom van feiten en fictie in te lokken. Botanica, entomologie, volkenkunde, kleurentheorieën, sjamanisme en Scandinavische legenden worden aaneengeregen tot een tintelend weefsel.

Maar de kern van het boek raakt ook aan het menselijke verlangen om verleden en heden, dood en leven, symbolisch met elkaar te verbinden. Het verhaal is onder andere een verkenning van de wortels van het vertellen, van de drijfveren achter het lezen en schrijven van biografieën.

"Volgens Freud begon religie met voorouderverering," zegt Byatt. "En ik heb dat steevast als een belangrijke waarheid ervaren. Ik geloof ook dat we in onze huidige, niet-religieuze wereld de neiging vertonen om van alle individuen of groepen iconen of heiligen te maken. Je ziet dat in zijn absurdste vormen in de shows van Opray Winfrey of in de fascinatie voor prinses Diana, haar sprookje, haar verschijning, haar tragiek. Bijna iedereen kan nu een representatief iemand worden, hoe kortstondig ook, en dus een object van verering. Maar het gaat volgens mij nog verder dan dat. Onze zoektocht in de wetenschappen, naar de dinosauriërs of naar de oorsprong van het universum, wordt gestuurd door dezelfde impuls die ook leidde tot de scheppingsmythen van vroeger. Phineas zelf is daar niet vrij van. Zijn verbeelding zit hem in de weg. Hij wil niet alleen het leven van Destry-Scholes reconstrueren, hij wil hem ook leren kennen. Scholes is voor hem een imaginaire vriend zoals Jezus die is voor vele anderen."

Mede door die vermenging van mythen met wetenschappelijke feiten en tal van speculaties zindert De biograaf van resonantie. Namen vibreren met mogelijke betekenissen. Ideeën, feiten en theorieën wervelen door de ruimte van het verhaal als stuifmeel in de voorjaarslucht. Levens uit het verleden bestuiven er levens in het heden. Phineas' eigen leven spiegelt zich onbedoeld meer en meer aan dat van Scholes en via Scholes aan het leven van Bole. Daarmee lijkt De biograaf sterk op Obsessie, de roman waarmee Byatt een vijftal jaar geleden internationale erkenning oogstte. Ook daarin gaan twee literatuurwetenschappers op zoek naar bewijzen voor een clandestiene liefdesverhouding tussen twee Victoriaanse dichters en raken ze in de loop van hun speurtocht verstrikt in allerlei nevenintriges, en in elkaar.

Toch zijn er ook verschillen. Obsessie is een warm verhaal. De lezer krijgt na zijn worsteling door dagboekfragmenten, brieven en hoogdravende Victoriaanse verzen het genoegen van een goede afloop en een verrassende ontknoping. De biograaf loopt uit op een ontnuchtering, waar een gelouterd soort troost in doorschemert. Hoe meer feiten zich aandienen, hoe minder Phineas greep krijgt op zijn door de golven verzwolgen onderwerp. Uiteindelijk zijn het de twee vrouwen, de aardse Fulla en de etherische, bijna doorschijnende Vera, die hem elk op hun manier als mens vervullen. Phineas weigert tussen hen te kiezen en eindigt zijn verhaal, want hij is ondertussen wel verslaafd geraakt aan schrijven, met een al bij al realistische hulde aan de werkelijkheid: "Zolang we haar niet verwoesten en onherroepelijk afbreken, zal de innig geliefde wereld altijd onze beschrijvingen tarten, of ons begrip of onze verbeeldingskracht te boven gaan. Het is alles wat we hebben."

Het is een eerbetoon dat ook Byatt zelf na aan het hart ligt. "Ik ben opgegroeid in een omgeving waarin bijna iedereen meende dat de literatuur de hoogste menselijke roeping was," zegt ze. "De roman als de verhevenste vorm van menselijke expressie die we tot nu toe bereikten, als ik even losjes D.H Lawrence mag citeren, daar heb ik me nooit goed bij gevoeld. De meeste schrijvers die me weten te boeien - George Eliot, Thomas Mann, maar ook Proust en Coleridge - waren met zoveel meer begaan dan alleen maar menselijke relaties of het schrijven zelf. Phineas' wantrouwen tegenover de literatuur verschilt daarin van de mijne. Hij heeft vooral een afkeer van de bekrompenheid en doelloosheid van de heersende academische mode, die ik overigens wel deel. Maar ik heb altijd geweten dat ik wilde schrijven, en dat ik dat alleen kon doen als ik het allemaal niet ging overwaarderen. En als ik er zoveel mogelijk van mijn interesses bij betrok. Ik lees de laatste jaren bijna uitsluitend wetenschappelijke boeken, zowel oude als nieuwe."

Het levert Byatt in Engeland niet zelden de betiteling 'bookish' op. Ze zou een schrijfster zijn die voornamelijk haar boekenwijsheid wil etaleren. Byatt heeft het allang opgegeven er zich druk om te maken. "Ik veronderstel dat ze niet zonder stereotypen kunnen," zucht ze, "terwijl ik gewoon hulde breng aan andere, minstens even waardevolle menselijke activiteiten, zoals de wetenschappen, die op hun eigen manier overtuigende verhalen vertellen over onszelf en de wereld in het algemeen. We kunnen, in de literatuur en elders, best wat van de ambitie van de Victorianen gebruiken, niet het minst het feit dat ze zelden wakker lagen van intellectuele demarcatielijnen. Goed, een hedendaagse Elmer Bole zal het nu veel moeilijker hebben dan honderd jaar geleden, toen je nog veel kon ontdekken zonder met elektronenmicroscopen in de weer te hoeven zijn. Maar ik vind het bijvoorbeeld erg hoopvol dat er vandaag zoveel goede populariserende boeken over wetenschappen verschijnen. Dat maakt het mogelijk voor schrijvers, maar ook voor anderen, bankiers, matrozen, dokters, wie weet zelfs politici, om de gedachten te begrijpen van onderzoekers en uitvinders."

In wezen ligt aan de grondslag van Byatts verhalen een pleidooi voor nieuwsgierigheid, en een fel verzet tegen onverschilligheid. Een van de personages in haar korte verhalen verwoordt het haast letterlijk: "Ik heb onverschilligheid geprobeerd, het is een goed station om op andere treinen over te stappen, maar al snel wordt het - cement. Nieuwsgierigheid en onverschilligheid, zou je zeggen, zijn tegengestelden, maar dat zijn ze niet helemaal. Ze zijn beide niet bepaald kieskeurig."

Byatts plezier als schrijfster is wat haar bekommernis uittilt boven het moraliserende gezwaai met het geheven vingertje. Er spreekt uit haar verhalen in de eerste plaats een onverdeeld genot in het vertellen en het verbeelden. Met feiten op zich kun je maar weinig aanvangen. Als we er betekenis aan willen verlenen moeten we ze inpassen in een structuur, een verhaal, en daar zullen we altijd onze verbeelding bij nodig hebben.

"Klopt," beaamt Byatt. "In het boek verlaat Phineas de uitgekauwde literatuurwetenschap om op zoek te gaan naar dingen, maar al snel verwart hij dingen met feiten. Voor mij zijn dat twee verschillende zaken. 'Ding' is zo'n mooi woord. Een ding, een knikker bijvoorbeeld, kun je in handen houden. Een feit is al een interpretatie, een verhaal in het klein. Ik blijf herhalen dat het vertellen van verhalen voor ons even noodzakelijk is als ademhalen en eten. We komen net uit een tijd dat de literatuur, maar ook de geschiedenis, het vertellen van verhalen achter zich wilde laten. Het zou allemaal vulgair en veel te gearrangeerd zijn. Ik kan dat als intellectuele impuls wel begrijpen, maar het leidt tot niets. De nouveau roman is voor mij het einde van een onderzoekslijn, een doodlopende steeg. We dragen nog altijd de gevolgen van die evolutie. Er heerst vandaag aan de universiteit een sterke neiging naar gesloten culturen die bijna iets van een cultus krijgt. Je hebt homostudies, vrouwenstudies, postkoloniale studies... Daarnaast geloof ik dat het verschrikkelijk fout is gelopen tussen de academische wereld en het schrijven en lezen van literatuur. De literatuurwetenschap is een karikatuur geworden. Ze is haar lichtheid kwijt, haar gevoeligheid voor ritmes en betekenissen. Je ziet ook een boel verhalen verschijnen die haast op maat van de academische kritiek gesneden zijn. Erg correcte boeken, helaas niet zelden geschreven door vrouwen, in een stijl die wellicht voor typisch vrouwelijk moet doorgaan. Het probleem met correcte boeken is dat ze het antwoord al kennen voor ze de vragen stellen."

Het verhaal dat Byatt in De biograaf vertelt heeft dan ook iets van een loutering. Phineas' zoektocht naar Scholes Destry-Scholes verpietert gaandeweg en lijkt daarmee voor een deel het traject te weerspiegelen dat onze cultuur de afgelopen paar eeuwen heeft afgelegd. Maar Byatt laat haar held niet gedesillusioneerd terugkeren naar de collegezaal. Hij is van de twee vrouwen gaan houden die hij tijdens zijn avontuur leerde kennen. De passages waarin Byatt de rondborstige Fulla Biefeld Phineas laat bestijgen op de even vrolijke en tegelijk geconcentreerde manier waarop een hommel een bloemkelk bezoekt, behoren tot het beste wat Byatt ooit heeft geschreven.

Phineas zelf is ondertussen aan het schrijven of vertellen geslagen, en meer dan in poëzie of literatuur vindt hij schoonheid terug in de organismen die de aarde bevolken, onder andere bijen en wilde tulpen. Liefde, verbeelding en werkelijkheid en de daad van het verhalen blijken aan het einde van het boek onlosmakelijk verbonden te zijn.

'Dat vat het eigenlijk mooi samen," zegt Byatt. "De beide vrouwen zijn voor Phineas onontbeerlijk om hem met zichzelf en de werkelijkheid te verzoenen. Aardse warmte en Arctische helderheid, het rijk der dingen en het spirituele, mogen van hem naast elkaar bestaan. Ik zag pas toen ik het boek af had dat zowel Fulla als Vera een levenswijze uitdrukt die ik moreel superieur vind vergeleken met de academische wereld en, als ik heel eerlijk mag zijn, met het schrijven van fictie. Ze zijn meer verbonden met de duistere, ongrijpbare kanten van de wereld, veel meer dan Phineas zelf, die aan het begin van het verhaal door een smerig raam naar buiten kijkt en dat beschouwt als een symbool voor zijn intellectuele ontevredenheid. Vera wordt als radiologe soms overweldigd door de schoonheid van sommige kankers die haar X-stralen blootleggen. Voor Fulla schuilt de schoonheid van haar bijen in de manier waarop ze zich door de evolutie heen aan de harde eisen van hun omgeving hebben moeten aanpassen, en hoe kwetsbaar ze daardoor zijn. Phineas zelf beseft niet dat hij door pure schoonheid geraakt wordt, maar ikzelf des te meer. Ik ben nu eenmaal esthetisch geobsedeerd. Ik denk graag dat we door de complexe wereld te beschrijven waarin we leven hem echter maken, niet alleen voor onszelf, maar ook voor de anderen. Tegelijk wil ik de ouderwetse visie vermijden dat je als schrijver automatisch vervuld of 'afgeronder' zou zijn dan een ander omdat je die roeping hebt. Dat denk ik niet. Ik moet schrijven, of ik voel me niet echt."

'Ik heb altijd geweten dat ik wilde schrijven, en dat ik dat alleen kon doen als ik het allemaal niet ging overwaarderen'

In wezen ligt aan de grondslag van Byatts verhalen een pleidooi voor nieuwsgierigheid, en een fel verzet tegen onverschilligheid

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234