Maandag 17/05/2021

‘Ik moet mijn fierheid terugvinden. Maar dat zal niet voor morgen zijn’

p 3 december 2007 zitten Daniël Mignon en zijn vrouw zwijgend aan tafel voor het avondeten. Ze kijken naar de televisie: Star Acadamy. Iemand zingt een hit van Johnny Halliday: “Oh Marie, si tu savais... Tout le mal que l’on me fait. Oh Marie si je pouvais...”

Drie jaar later zegt Chantal: “Ik kan dat nummer nog altijd niet horen. Ik krijg er koude rillingen van.”

Dat beeld van toen. Daniël valt met zijn hoofd in zijn bord. Hij zegt: “Het is gedaan. Ik kan niet meer. Boven op zolder hangt alles klaar.” Chantal loopt naar boven en ziet tussen het nieuwe isolatiemateriaal een galg hangen. “Ik heb het touw doorgesneden.”

Ruim drie jaar later zitten ze bij hun advocaat. Het filmpje uit 2002 dat door een collega op de werkvloer van lijmproducent MACtac in Soignies was opgenomen, waarin Daniël aan een houten pallet met plakband wordt vastgebonden, is de laatste week een van de meest bekeken filmpjes op nieuwswebsites.

Iedereen zag hoe een van zijn collega’s met een stift twee nullen op Daniëls voorhoofd tekent, hoe een ander met zijn geslachtsdeel in zijn gezicht wrijft. Hoe de rest toekijkt, lacht, of zwijgt.

Chantal en Daniël willen nu erkend worden als slachtoffer. Ze hebben lang genoeg gezwegen, zeggen ze. Het besef dat er iets mis was, kwam stap na stap.

Elke dag smeerde Chantal vier sandwiches voor Daniël. Met kaas, ham of salami. “‘Doe maar drie’, zei hij later. ‘Doe maar twee’, nog wat later.” Daniël: “Op den duur heb je geen zin meer om te eten.” Als hij vertrok naar het werk, kuste hij zijn vrouw en zijn dochter, en zei “Ik vertrek maar eens weer naar de hel.” Chantal: “Ik dacht dat hij het helse lawaai in de fabriekshal bedoelde, de hitte. De temperatuur kan daar danig oplopen. Maar ’t is waar: L’enfer, c’est les autres.”

25 kilo kalk

De schafttijd zit erop, Daniël keert terug naar zijn werkplek. Voor hij beseft wat er gebeurt, wordt hij in een kooi geduwd, amper anderhalve meter hoog en breed. Hij gaat in foetushouding zitten. Zijn collega’s gieten 25 kilo kalk in de kooi. Daniël denkt dat hij stikt. Ze laden de kooi op een vorkheftruck en rijden hem naar buiten op de parking, waar ze hem vijf minuten lang afspuiten met een hogedrukreiniger. Daniël huilt, hij roept. Later roept zijn chef hem bij zich voor een reprimande over het kalkspoor in de fabriekshal.

Pesterijen beginnen altijd met iets kleins, waarna grens na grens overschreden wordt, zeggen specialisten. En als niemand ingrijpt, kan een groepsdynamiek ontstaan waarbij alle remmingen verdwenen lijken. Ook bij Daniël begon het met plagerijen, domme grapjes. Papiersnippers tussen zijn boterhammen, smeer aan de bedieningsknoppen van zijn machine. Het is dan 1997, en Daniël is als inpakker en assistent toegewezen aan operator Sébastiano B., die een van de machines in de lijmfabriek bestuurt. “Bij MACtac word je als assistent beschouwd als het ‘ding’ van de operator”, verklaart Daniël later. Hij heeft het gevoel dat zijn collega hem wil domineren.

De aanvallen volgen elkaar sneller op, worden almaar driester. De pesters scheppen er genoegen in hem te vernederen en zijn werk te saboteren. “Op dat moment drong het tot me door dat ze me zochten, dat ze me pestten. Dat het uit de hand liep.” Daniël doet een hele nacht over een klus die doorgaans op een uurtje geklaard is omdat de machine hapert. Gesaboteerd, zo ontdekt hij later. Zijn collega’s hebben stiekem de rem aangezet. Hij breekt zijn duim. Een zwaar stuk komt op zijn voet terecht. Iemand heeft aan de machine gemorreld.

Ze slagen hem, ze duwen hem, ze trekken zijn gouden ketting kapot. Ze trekken zijn kiel uit als de vrouwelijke arbeidsters in de buurt zijn. Ze binden een overvolle asbak op zijn hoofd. Ze zuigen plekken in zijn hals. “Ah ja, wat zal madame zeggen als ik met een zuigplek thuiskom?”

“Ze waren jaloers op ons”, zegt zijn vrouw. “Het mooiste cadeau dat ik ooit gekregen heb was een koets vol cowboys”, denkt Daniël terug aan zijn jeugd. Hij groeide op in een bescheiden arbeidersgezin, zegt hij. Moeder werkte als poetsvrouw, vader vertrok elke ochtend naar de hoogovens in Charleroi. Beiden zijn overleden. Zijn beste vriend gaat nog mee van in de lagere school in Braine, nabij Bergen. Op school is hij nooit gepest. “Als we niet luisterden, sloeg de meester ons met een liniaal op onze vingers. Daar kon je geen gekkigheden uithalen met je klasgenoten. Daar heerste discipline.”

Vijftien is hij wanneer hij op leercontract gaat, negentien wanneer hij begint te werken als arbeider. Bij Volkswagen, bij machineproducent Matermaco, bij openhaardenproducent Don-Bar. Nooit problemen gekend, zegt hij. Tot hij in 1996 de poort van MACtac binnenwandelt. “Was het jaloezie? Territoriumdrift? Ik denk dat het vooral een probleem van dominantie was”, zegt hij.

Verborgen dominantiedrang. Niemand werd er aangesproken met mijnheer. “Het ging er amicaal aan toe. Geen gemijnheer, geen handen schudden. We gaven elkaar als collega bij het binnenkomen een kus op de wang.”

“Het begon met één iemand die me klein wilde krijgen, toen kwam er een tweede en toen een derde. Zo breidde het groepje dat me wilde vernederen uit. De anderen amuseerden zich met de spelletjes die ze met me speelden. Het was geen ongeschreven sociale code, het zwijgen van de rest. Het is zoals in de oorlog: daar heb je ook een generaal, en zijn soldaten.” Chantal: “‘Waarom verdedigde je jezelf niet’, vroeg ik hem. ‘Chantal’, zei hij, ‘twee, drie seconden duurt het, en ze hebben je vast.’ De hele dag moest hij daarvoor opletten. Hij werd op de vingers getikt omdat hij te traag zou werken. Wat wil je, als ze je machine saboteren. Ze wilden hem zover krijgen dat hij een zware fout zou maken of iemand zou slaan, denk ik. Dan konden ze hem laten ontslaan en was hij weg.”

“Ik stond tegen de muur”, zegt hij. Natuurlijk heb ik wel eens aan mijn chef veiligheid op het werk verteld dat ik gepest werd. Ik gaf hem de namen van mijn belagers, maar er gebeurde niets. Ik ging naar de arbeidsgeneesheer. Er gebeurde niets. De psychologe probeerde te bemiddelen tussen mij en mijn operator die de plagerijen leidde, ik werd even van post veranderd, maar door het wisselen van dag- en nachtdiensten kwam ik ook weer bij hem terecht. Wat doe je dan? Niets, want niemand wil je helpen. Niet de directie, niet de arbeidsgeneesheer, niet je collega’s. Dus je zwijgt.”

En Daniël bleef zwijgen, ook thuis. “Ik voelde al lang voordat hij instortte dat er iets aan de hand was, hij gedroeg zich vreemd. Als hij thuiskwam, interesseerde niets hem nog. Onze dochter niet, de kat niet, onze hond Zeus niet. We aten in stilte en keken televisie. Hij wou rust. Hij huilde nooit als ik er bij was, maar ik zag het aan zijn ogen. Soms kwam Daniël thuis met krassen op zijn rug en op zijn borstkas. Of zijn kleren waren gescheurd en besmeurd.

“Een paar keer heb ik hem daarnaar gevraagd, maar dan begon hij zijn werkkledij te verstoppen. Op een dag liepen we over de markt van Charleroi voorbij een kraam met goedkope T-shirts. ‘Koop die maar voor mij’, zei hij. Terwijl hij altijd graag dure merkkledij wilde. Ik begreep er niets meer van. Hij heeft me nooit iets gezegd. Hij wou zijn laatste restje waardigheid behouden. En ik zag niet helder.”

Daniël: “Velen begrijpen niet waarom ik niet vertrokken ben. Maar wie zou mij anders te eten geven? Een arbeider van in de vijftig, waar kan die nog aan de slag? In het sociaal systeem waarin wij leven, ben je verplicht te blijven werken, je bent met beide handen geboeid. Het was dat, of de werkloosheid. ‘Ik knal tegen een boom aan’, dacht ik elke avond wanneer ik van het werk naar huis reed. Ik dacht dat het beter was voorgoed te vertrekken. Eenmaal thuis, verstopte ik het voor mezelf. Ik sloot mezelf op, af.”

Chantal wrijft haar vingers over elkaar, alsof ze haar handen hardhandig schrobt. “Hij waste zijn handen. Hij waste zich heel de tijd.” Daniël: “Ja, mijn waardigheid was weg. Mijn integriteit was verkracht. Ik voelde me vuil, als een vrouw die bepoteld was en ongewenste aanrakingen had ondergaan. Ik voelde me langs alle kanten bevuild.” Chantal: “Hij kwam thuis van het werk en begon zich te wassen. Nooit op de fabriek. Wie weet wat ze hem dan hadden aangedaan.”

Zwart schaap

Daniël was lui en verbaal agressief, lieten de pesters deze week ter verdediging in de krantenkolommen optekenen. Of: het was een grapje, iedereen vond dat tof, Daniël ook. Bovendien, aldus de pesters, waren dat soort geintjes schering en inslag, en Daniël was niet de enige met wie ze al eens wat uithaalden. Alleen ging Daniël nogal slecht met die dingen om.

Daniël: “‘Bestaat dat echt, een zwart schaap?’, vroeg een collega me eens. ‘Ze zitten in iedere familie’, antwoordde ik dan. En dan dacht die collega dat ik bedoelde dat hij het zwarte schaap was. Ook ik haalde wel eens grapje uit dat mis begrepen werd. Heb ik me schuldig gevoeld? Of had ik de zaken anders moeten aanpakken? Misschien wel, maar zo is mijn karakter.

“Voor mij was het altijd goed. In het begin waren het ook maar grapjes, papier tussen mijn boterhammen. Ik at ze op en hield mijn mond. Daardoor is alles zo geëscaleerd, denk ik. Ik liet over mij heen lopen en hield me stil. Des te kwader ik me maakte, des te meer me ze zochten. Dat had ik wel geleerd. Het was een vicieuze cirkel. Ik zag het einde niet.

“Natuurlijk kan ik mensen niet meer bekijken op dezelfde manier. Het is zoals de oorlog, het geeft me dezelfde indruk. Je hebt niet alles gezien, niet alles is gefilmd, maar soms moest ik denken aan Abu Ghraib, de Iraakse gevangenis bewaakt door Amerikaanse militairen. Als ik die beelden op televisie zie, dan kan ik me in hun plaats stellen, ik voel hoe ze moeten leven. ‘Guantanamo!’ riepen ze ook als ze me pestten. Alleen, ik leef niet in Irak en ik ben geen terrorist. Ik zat daar om mijn boterham te verdienen.”

Daniël is op enkele dagen tijd het gezicht van de getergde werknemer geworden, een icoon tegen wil en dank. “De telefoon staat niet stil, thuis”, zegt Daniël. “Mijn vrouw neemt op, ik niet. Het is niet makkelijk om met journalisten te spreken. Steeds meer gebeurtenissen sijpelen mijn geheugen binnen. Pesterijen die ik verdrongen had en die ik me nu weer herinner.”

En of hij zelf het filmpje nog eens bekeken heeft. “Als ze die film op televisie vertonen, kijk ik naar het tafelblad.”

Chantal: “Onze dochter voelde zich zelf gemarteld bij het zien van die film. Ze was doodziek, kon niet naar haar werk gaan.” Daniël: “Ik ben beginnen stotteren op 7 januari 2008. Die dag stond de directeur veiligheid voor mijn deur. Hij stelde voor om samen de videocassette te bekijken. Dat heeft me zó geraakt. Chantal is toen erg boos geworden. Ze heeft erop aangedrongen de hoogste directeur te spreken. Ik was in schok.”

En nu? “Ik moet mijn fierheid terugvinden. Maar het zal niet voor morgen zijn.”

Gerechtigheid

Van Lucien J., de man die tijdens de beruchte palletscène de camera hanteerde, raakte inmiddels bekend dat hij zijn ontslag succesvol aanvocht, en daarvoor 250.000 euro opstreek. “Moreel is dat toch niet juist?”, zegt Daniël. “Beeld u eens in... Ik ben een slachtoffer. Ik word zo niet erkend, maar zo voelt het. De fabriek heeft me in de steek gelaten met mijn miserie, ik leef van de mutualiteit. Op de rand van armoede. Zonder mijn vrouw was ik nu clochard, daarvoor moeten we de ogen niet sluiten. Ze willen mijn medicatie niet betalen, en niet wat ik verloren heb aan salaris. Is het dan normaal dat die man naar de rechtbank stapt en 250.000 euro opstrijkt? Dat is toch de wereld op zijn kop?”

Daniël heeft nood aan gerechtigheid, zegt hij. Op 10 januari volgend jaar beslist de raadkamer of de pesters nog vervolgd kunnen worden. “Hulp, dat krijg ik van de getuigenissen die nu opduiken en mijn therapeut. Het bedrijf schaden wil ik evenmin. Wat ik echt zou willen, is dat justitie mij erkent als slachtoffer. Dat ze een rechtvaardige beslissing nemen, en dat ze dit dossier niet zomaar in de vuilnisbak gooien.”

Soignies is een klein dorp, MACtac is er met zijn zeshonderd werknemers een van de grootste werkverschaffers. Ook de dochter van Daniël, nu 29, deed er ooit een maand vakantiewerk. Ook zij moest een ontgroening doorstaan, ze bonden haar aan een paal en lieten haar alleen. Daniël verbood haar nadien terug te keren. “Ga maar in Carrefour werken, heb ik haar gezegd.”

De mensen in Soignies kijken nu anders naar Daniël. Chantal: “De burgemeester liet in de krant al optekenen dat hij de affaire een schande vindt.” Daniël: “Ik loop niet meer gerust over straat. Als ik uit winkelen ga, kijk ik naar de openingsuren. Om geen mensen van de fabriek te moeten tegenkomen. Nu doen we onze boodschappen elders. Deze week in Frankrijk. Daar kent niemand mij.”

Ook bij de kapperszaak van Chantal is de affaire-MACtac talk of the town. “Er zijn er die me feliciteren voor de moed ik heb, voor wat ik gedaan heb. Sommigen bellen me zelfs op, zeggen dat ik moet doorzetten. Maar is het de waarheid, of opnieuw die hypocrisie, dat weet ik niet.” Daniël wrijft zijn vingers over elkaar.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234